Turkije: hoe is het mogelijk dat Erdogan zoveel steun geniet?

Op zondag 14 mei vond de eerste ronde van de Turkse presidentsverkiezingen plaats. De zittende president, de dictatoriale ultranationalist Recep Tayyip Erdogan, stond tegenover een sociaaldemocratische kandidaat, Kemal Kılıçdaroglu, die een terugkeer naar het parlementair systeem bepleitte. In de eerste ronde greep Erdogan met 49,51% nipt naast een absolute meerderheid. Kiliçdaroglu haalde 44,88%. In de parlementsverkiezingen die gelijktijdig plaatsvonden haalde de alliantie rond de AKP van Erdogan een meerderheid. Op 28 mei volgt de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.

door Maxime (Luik)

Waarom blijft Erdogan zo sterk? Uiteraard speelt de totale controle van de autocratie over de media, het staatsapparaat en het openbare leven in het algemeen. Erdogan was de hele campagne door alomtegenwoordig. De oorlog in Koerdistan en de Turkse militaire operaties in Irak en Syrië creëren een gevoel van constante spanning. Dit versterkt het agressieve nationalisme en de verdeeldheid tussen de Turkse en de Koerdische bevolking. 

In de oorlog in Syrië heeft het regime zich verbonden met islamistische terreurgroepen en onderhield het soms banden met de zogenaamde Islamitische Staat (IS). Tegelijkertijd is de islamisering van het land intensiever geworden. Het gif van nationalisme en rechtse politieke islam is diep doorgesijpeld in de kleinburgerij, de ambtenarij en de ongeorganiseerde delen van de werkende klasse.

Anti-AKP zijn is niet genoeg

Een andere reden voor de relatief sterke score van Erdogan en zijn alliantie is de inhoudelijke zwakte van de oppositie. CHP-kandidaat Kılıçdaroglu stelde zich voor als de tegenstander van de despoot, maar dat was niet genoeg. De oppositielijst rond hem had een zeer beperkt programma en bevatte zelfs een ultranationalistische partij. 

Op 1 mei zei Kılıçdaroglu: “Het land zorgt voor 3,6 miljoen Syriërs terwijl de jongeren werkloos blijven. We zullen alle Syriërs uiterlijk binnen twee jaar terugsturen naar hun land.” Deze retoriek verschilt amper van die van Sinon Ogan, de extreemrechtse kandidaat die derde werd bij de presidentsverkiezingen: “Het komt door de Syriërs dat we geen vrede hebben. Het komt door hen dat jongeren geen werk kunnen vinden, omdat Syriërs tegen lagere lonen werken, zonder sociale zekerheid. Het komt ook door hen dat de huren stijgen.” 

De crisis van het Turkse kapitalisme

Ondertussen blijft de crisis in Turkije zich verdiepen door verschillende redenen. Er is de afhankelijkheid van de Turkse economie van de grote imperialistische mogendheden. De economische onevenwichtigheden en instortingen, die sinds de pandemie en de intensivering van de nieuwe Koude Oorlog tussen de VS en China over de hele wereld zijn geëxplodeerd, hebben ook geleid tot een verslechtering van de Turkse economie, die in wezen functioneert als onderaannemer voor machtigere economieën.

Een andere reden voor de verdieping van de crisis is de zogenaamde ‘nieuwe economische theorie’ van Erdogan, die zichzelf als amateur-econoom opwerpt. De voorzitter van de Centrale Bank verlaagde op bevel van Erdogan de rente tot 8,5%, ook al stond de inflatie op 70%. De president probeert economische goocheltrucs uit waar de werkenden een hoge prijs voor betalen.

De verwerkende industrie draait op slechts 74% van zijn capaciteit. De officiële werkloosheid is opgelopen tot 10,3%, indien rekening wordt gehouden met diegenen die niet ingeschreven zijn bij het arbeidsbureau zit 21% zonder werk. Het gaat om 8,3 miljoen mensen! Het gemiddelde jaarinkomen per hoofd van de bevolking bedraagt 10.600 dollar, maar de armste 40% is slechts goed voor 16,5% van het inkomen. De rijkste 20% gaat met bijna de helft van het inkomen lopen. De 10% rijksten hebben een jaarinkomen dat 23 keer zo hoog is als dat van de armste 50%. Qua inkomensongelijkheid moet Turkije enkel Costa Rica, Chili en Mexico laten voorgaan. 

Met de crisis van het Turkse kapitalisme verliest het regime aan invloed. Maar gezien zijn enorme repressie en mediamacht, de diepgewortelde reactionair-islamitische nationalistische ideeën en de zwakte van de oppositie, is dit proces nog niet zo ver gevorderd dat het regime zomaar aan de kant kan geschoven worden bij verkiezingen, zelfs niet in erg gepolariseerde. Dit betekent niet dat het regime nog vele jaren kan standhouden. De neergang ervan wordt aanzienlijk versneld door de economische en sociale ontwikkelingen.  

De laatste maanden is de klassenstrijd en de vrouwenbeweging sterk toegenomen. Deze strijd heeft zich nog niet over de hele samenleving verspreid, maar het potentieel is er. De HDP (Democratische Volkspartij, voornamelijk Koerdisch, aanwezig bij de parlementsverkiezingen aan het hoofd van een groen-linkse alliantie die 8% behaalde) en de TİP (Arbeiderspartij van Turkije) kunnen een rol spelen bij het organiseren en verbreden van deze strijd en tegelijkertijd de basis leggen voor een toekomstige massale en strijdbare socialistische partij van de arbeidersklasse.

Bron: LSP

Frankrijk. De beweging nieuw leven inblazen met een offensief actieplan

Miljoenen werkenden die vaak voor het eerst in hun leven op straat kwamen om te betogen, vergezeld van een laag jongeren die groter werd door de antidemocratische arrogantie van Macron en het politiegeweld dat verdeeldheid beoogt om de beweging te stoppen. Voor veel deelnemers aan het pensioenprotest in Frankrijk gaat het ondertussen over veel meer dan de pensioenhervorming. Het is een beweging die de ontevredenheid van brede lagen van de werkende klasse en de jongeren bijeenbrengt en in actie omzet. Het ongenoegen was al langere tijd onderhuids aanwezig. Nu wordt de woede gekanaliseerd in protest.

door Stéphane Delcros

Deze krachtige sociale beweging bepaalde het aanzicht van Frankrijk in de eerste helft van dit jaar. Het is in vele opzichten een historische beweging die groter is dan het protest tegen het plan-Juppé in 1995 en de beweging tegen de flexi-jobs voor jongeren (Contrat Première Embauche, CPE) in 2006, zelfs indien er toen sterktes waren die nu minder aanwezig zijn. Het is alleszins het grootste sociaal protest in Frankrijk sinds mei 1968, hoewel het natuurlijk niet op het niveau van toen is. De beweging heeft grote troeven en we moeten ervoor zorgen dat de ervaring van de sterktes zo breed mogelijk gedeeld wordt. Er zijn echter ook zwakke punten. Het voortduren van de beweging is niet gegarandeerd door het onvermogen om onmiddellijk een overwinning te behalen en door het gebrek aan escalerend actieplan.

Vakbondsfront houdt stand, maar agenda is te zwak

Dit artikel is geschreven voor de 14de actiedag van het gemeenschappelijk vakbondsfront op 6 juni. Ongetwijfeld zullen er die dag opnieuw miljoenen mensen op straat komen in alle grote en kleinere steden van het land. 

Deze dag van stakingen en betogingen is helaas de zoveelste datum in een ‘versnipperde’ actiekalender van het vakbondsfront met actiedagen die elkaar opvolgen zonder enig onderling verband en zonder een offensieve opbouw naar grotere momenten. Dat is nochtans noodzakelijk om de pensioenhervorming van tafel te krijgen. 

Het gemeenschappelijk vakbondsfront toont sinds januari enkele sterke punten, niet in het minst het standhouden van het front ondanks de goedkeuring en afkondiging van de wet. Sinds het begin van de beweging kennen alle vakbonden een snel stijgend ledenaantal. Het standhouden van het vakbondsfront zorgt ervoor dat brede lagen van de georganiseerde arbeidersbeweging nog steeds actief betrokken zijn bij het protest. 

Als het vakbondsfront standhoudt, komt dit vooral door de druk van onderuit onder de vakbondsleden en door de woede in de samenleving. Zonder deze druk zouden sommige vakbondsleiders (die al sinds januari een moment zoeken om de strijd te laten ‘landen’) al in februari of maart de beweging hebben gestopt om met Macron te onderhandelen om de asociale impact van volgende dossiers, zoals de arbeidswet, te verzachten. 

De vakbondsleiders genieten een groot respect, maar er is ook heel wat wantrouwen. Dat komt vooral omdat er geen echt actieplan is waarbij het protest harder en offensiever wordt. De dagelijks hernieuwbare staking wordt evenmin veralgemeend, terwijl dit het beleid van Macron een fatale slag zou kunnen toebrengen. 

In sommige fasen van de beweging waren er pogingen om acties en betogingen in kleinere steden te stimuleren en ook om soms op zaterdag actiedagen te houden, waardoor het personeel van meer precaire sectoren zonder sterke vakbonden het protest kon vervoegen. Er zijn echter onvoldoende inspanningen gedaan om de ongeveer 70% van de bevolking die de beweging steunt er actief bij te betrekken. Het gaat om delen van de werkende klasse in sectoren en op werkplaatsen die een zwakkere of zelfs geen vakbondsaanwezigheid kennen, brede lagen van scholieren en studenten die nu slechts gedeeltelijk betrokken zijn in sommige middelbare scholen en faculteiten, precaire jongeren in de volkswijken …

Hernieuwbare algemene staking opbouwen

Hoe kan deze beweging het asociale en ondemocratische beleid van Macron stoppen en offensieve eisen afdwingen? 

De bastions van de georganiseerde arbeidersbeweging toonden de weg. Strijdbare militanten zorgden voor een verharding van de strijd. Dit gebeurde vooral in de energie-, olie- en chemiesector, de havens en de dokken, de afvalophaling en -verwerking. Daar waren er dagelijks hernieuwbare stakingen waarover regelmatig gestemd werd door de werkenden. Vaak gingen de acties voor de intrekking van de pensioenhervorming gepaard met looneisen. Het ging als vorm van verzet verder dan de agenda van de vakbondsleiders, die door velen als te zacht werd beschouwd. 

Tegenover de klassenoorlog die door Macron ontketend werd, riepen deze bastions van de strijd terecht op om de stakingsoproep te verharden. In dergelijke bewegingen spelen deze bastions, samen met het openbaar vervoer en het onderwijs, vaak een sleutelrol. Ze kunnen de eigen werkplekken plat leggen en blokkeren. Daarnaast biedt dit mogelijkheden om de werkplek te bezetten om het beheer ervan zelf over te nemen en te richten op de belangen van de gemeenschap. 

De Robin Hood-acties van stakers in de energiesector waren een krachtig voorbeeld hiervan. Ze zorgden voor gratis distributie van gas en elektriciteit aan scholen, ziekenhuizen, verenigingen van openbaar nut … De aansluiting tot energie werd hersteld voor gebruikers die afgesloten waren omdat ze hun rekeningen niet konden betalen. Kleine handelaars kregen een verlaagd tarief. De omvang van deze acties was beperkt, maar het toont wat controle en beheer van de economie door de werkende klasse kan betekenen. 

De bastions van de arbeidersbeweging hebben ook nog een andere rol te spelen. Ze lopen vooraan in de strijd, maar dreigen hierdoor geïsoleerd te raken. Om dat te vermijden, is het noodzakelijk om de dagelijks hernieuwbare staking te verspreiden over andere sectoren en om lagen in de beweging te betrekken die voorheen nog geen of slechts een beperkte actieve rol speelden. Er is immers een erg groot reservoir aan steun voor de beweging, in het bijzonder onder jongeren. 

Het succes van een algemene staking hangt af van de maximale betrokkenheid bij de strijd. Om een zo sterk mogelijke krachtsverhouding voor onze klasse uit te bouwen, hebben we iedereen nodig. Een echte algemene staking van onderuit opbouwen, is een van de centrale taken van de meest bewuste lagen van de werkende klasse. 

Daartoe heeft onze klasse nood aan strijdinstrumenten. In de loop van de beweging stelde  ISA voor om democratische stakerscomités tegen Macron op te zetten, om alle collega’s op de werkplek (los van de vraag of ze lid zijn van een vakbond) bijeen te brengen en om hetzelfde te doen in de middelbare scholen, het hoger onderwijs en ook in de wijken, dorpen … Dit zijn geen comités om de vakbonden te omzeilen, maar integendeel om de lopende stakingen te versterken door bredere lagen erbij te betrekken. 

Deze stakerscomités zouden evenveel hoofdkwartieren van de strijd worden om te bouwen aan een hernieuwbare algemene staking en om de verschillende initiatieven met elkaar te verbinden. Ze zouden ook nuttig zijn om de stakerskassen te versterken. Ons aan de basis organiseren, is essentieel om in te gaan tegen de terughoudende opstelling van de leiders die bang zijn om de controle te verliezen. 

Perspectieven voor de beweging

Sinds januari kende de beweging verschillende fasen van zowel eb als vloed. Sinds april zitten we in een terugtrekkende golf. De actiedagen zijn veel meer gespreid, zonder dit aan te grijpen om ze beter voor te bereiden. Er zijn kleine ‘casserole-acties’ (waarbij met potten en pannen zoveel mogelijk lawaai wordt gemaakt). De vakbondsleiders kijken meer openlijk in de richting van mogelijke institutionele oplossingen. De komst van de zomerperiode helpt daarbij niet, zelfs indien er mogelijk ook in de zomer beperkte stakingen en acties zullen zijn. 

Het is normaal dat een dergelijke beweging niet maandenlang op een hoog mobilisatieniveau kan worden gehouden. Uiteraard speelt de kwestie van het inkomensverlies op stakingsdagen een rol. Niet alleen de portemonnee van de stakers speelt mee, er is het ontbreken van perspectieven om een overwinning af te dwingen. 

Op 1 september zal de pensioenhervorming hoogstwaarschijnlijk door de regering worden uitgevoerd zoals gepland. Het is mogelijk dat dit een bredere mobilisatie op gang brengt, maar het protest heeft meer voorbereiding nodig, meer collectieve discussie over de strategie en het eisenprogramma om zo op een meer offensieve manier naar overwinningen toe te werken.

De beweging heeft de intrekking van de pensioenhervorming nog niet afgedwongen en het is mogelijk dat dit niet zal gebeuren. De uitgebouwde krachtsverhouding maakt het voor de vakbondsleiders echter moeilijk om zich uit de strijd terug te trekken. Het maakt het voor Macron en zijn regering moeilijk om de andere asociale projecten door te drukken. Het strijdpotentieel blijft explosief, met een numeriek en kwalitatief versterkte voorhoede, en brede lagen van werkenden die verrijkt zijn door de ervaring van deze historische beweging en opnieuw vertrouwen hebben in de kracht van collectieve strijd.

Bron: LSP

“U wijst naar iedereen behalve uzelf”

Oppositie wil dat Ben Weyts verantwoordelijkheid neemt na slechte onderwijsresultaten

In het Vlaams Parlement is deze namiddag gedebatteerd over de neergang van het leesniveau van Vlaamse leerlingen. De partijen wijzen elk andere schuldigen aan voor de problemen in het onderwijs. Minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) riep het parlement op één front te vormen om het tij te keren. 

Over één ding was iedereen het eens in het Vlaamse halfrond: de resultaten van het laatste PIRLS-onderzoek zijn dramatisch. Daaruit blijkt dat het niveau begrijpend lezen van kinderen in het vierde leerjaar opnieuw sterk is achteruitgegaan. België bengelt helemaal onderaan in vergelijking met andere Europese landen.

“Laten we de spons vegen over al onze vorige dispuutjes. Laat ons één front vormen om het niveau van het Nederlands weer te verhogen”, riep Weyts het parlement op. De minister somde alle maatregelen op die hij deze legislatuur heeft genomen om het niveau van het Nederlands te verhogen.

Hij herhaalde dat ook richting de ouders gekeken moet worden als het over het niveau van het Nederlands gaat en dat repressieve maatregelen geen taboe mogen zijn. 

Lerarentekort en koepels

De oproep tot frontvorming maakte weinig indruk op de oppositie. Vooruit-parlementslid Hannelore Goeman vindt dat de regering nog steeds niet genoeg doet aan het lerarentekort: “De minister moet meer doen dan benadrukken hoe belangrijk het Nederlands is. We steunen hem, Nederlands is belangrijk. Maar wat telt zijn de daden en niet de woorden. Leerkrachten wachten op extra ondersteuning, ze weten niet waar ze moeten beginnen.”

De liberalen wijzen met een beschuldigende vinger richting de koepels. “Het probleem zit hem in hoe het Nederlands wordt aangeleerd. Dat bepalen de koepels in hun leerplannen. Het wordt tijd dat de onderwijskoepels hun verdomde verantwoordelijkheid nemen,” vindt Gwendolyn Rutten (Open VLD). Ze vraagt om de PIRLS-resultaten per koepel bekend te maken zodat kan nagegaan worden welke koepels de beste leermethodes hanteren. 

Koen Daniëls (N-VA) verdedigde het beleid van zijn minister: “Niet alles kan in de klas worden opgelost. Op die manier geven leerkrachten er de brui aan. We moeten inzetten op de didactische methodes die werken en inzetten op Nederlands thuis.”

Bron: VRT NWS

“We staken niet alleen voor onszelf, maar ook voor de patiënten”

Naar aanleiding van de internationale dag van de zorg op 12 mei bracht World to Win, de online broadcast van ISA, een aflevering over de strijd voor kwaliteitsvolle zorg. Een van de sprekers was Rebekka, een verpleegkundige uit Gent. Hieronder haar bijdrage. 

“Het zorgpersoneel is uitgeput. Er is een groot tekort aan personeel, wat leidt tot hyperflexibiliteit. Dit is rampzalig voor het personeel en voor de patiënten, met soms lange wachtlijsten. Noch de directies noch de regering biedt ons echte oplossingen. Ze beperken zich tot individuele ‘oplossingen’ die geen antwoord bieden op het maatschappelijk probleem in de zorg. Ze gaan immers voorbij aan het jarenlange gebrek aan de investeringen die nodig zijn om kwaliteitsvolle zorg aan de patiënten aan te bieden en om goede werkomstandigheden voor het zorgpersoneel mogelijk te maken. De woede onder het personeel neemt toe. Dat zagen we al op de betoging van 31 januari en straks ook op 13 juni. In het verleden dachten we in de zorg vaak dat we niet konden staken omdat we verantwoordelijk zijn voor de patiënten. Nu zien steeds meer collega’s de noodzaak om te staken, niet alleen voor ons maar ook voor de patiënten. Er is geen gebrek aan strijdbaarheid, maar de beweging moet naar een hoger niveau gebracht worden. Er is een actieplan nodig om te winnen.”

Bekijk de volledige aflevering op https://www.youtube.com/watch?v=YUg5Ydr_f1w

Bron: LSP

“We gaan van een zorgcrisis naar een implosie of zelfs een zorginfarct”

Interview met Bart Van der Biest

De zorgcrisis wordt nog dieper. Het antwoord van het beleid is niet om de nodige middelen uit te trekken om de sector aantrekkelijker maken zodat het personeel niet gaat lopen. Neen, er is een groeiende tendens naar verdere industrialisering van de zorg. Dat gaat ten koste van zowel het personeel als de patiënten. We spraken hierover met Bart Van der Biest, BBTK-afgevaardigde in een ziekenhuis en bestuurslid van de beroepsorganisatie Belgische Federatie HBO Verpleegkundigen (BFHBOV) Hij spreekt in eigen naam.

Wat is het grootste pijnpunt in de zorg vandaag?

“Het chronisch tekort aan personeel! Vanuit het beleid worden hier allerlei verklaringen voor gegeven. Zo is het volgens zorgambassadeur Candice De Windt problematisch dat 30% van de studenten verpleegkunde verder studeren. Dat is bizar: ook in andere richtingen studeren jongeren verder. De reden waarom mensen afhaken, zit bij het geheel van werkvoorwaarden.” 

“Maar liefst 40% van de verpleegkundigen oefent hun beroep niet uit. Dit is nochtans geen opleiding die je start zonder een concreet doel. In theorie is er geen tekort aan collega’s met een verpleegkundig diploma op zak, maar de werkomstandigheden leiden tot een exodus. Het tekort aan personeel beperkt zich echter niet tot de zorgfuncties. We zien dat ook bij ondersteunende functies zoals de schoonmaak of administratie. De lonen in de sector zijn laag. Als je dan elders meer kan verdienen mét betere uren, is de keuze snel gemaakt.” 

“Het probleem van het personeelstekort is nu groter geworden. Velen hebben het lang volgehouden, maar na Covid volgde een massale exodus. Ook in het ziekenhuis waar ik werk, merk ik dat. Sommigen trokken bijvoorbeeld naar het onderwijs, waar er ook veel problemen zijn door het tekort aan middelen. Maar daar moet je tenminste niet werken in weekends en op feestdagen. De uitstroom betekent dat er veel ervaring vertrekt. Dit vertaalt zich in een daling van de kwaliteit van de zorg.” 

“De problemen vandaag zijn niet nieuw, maar ze zijn uitvergroot door de Covid-crisis. Decennia van onderinvesteringen maakten dat er een zorgcrisis ontwikkelde. Nu gaan we naar een implosie van de zorg. Zorgnet Icuro waarschuwt voor een ‘zorginfarct’ door de combinatie van meer zorgvraag door de vergrijzing en het tekort aan personeel. Dat maakt dat acht op de tien ziekenhuizen activiteiten afbouwen. We stevenen op een ijsberg af, maar het orkest van de Titanic speelt rustig door.”

Er waren toch extra middelen voor de zorg aangekondigd?

“Minister Vandenbroucke (Vooruit) pakt graag uit met het Zorgpersoneelfonds dat 5000 voltijdse equivalenten extra opleverde. Tegelijk zegt dat niets over de veel grotere uitstroom. Vóór Covid duurde een gemiddelde loopbaan in de zorg zeven jaar, nu zal dat nog een pak korter zijn. Het is een sector die weinig zorgzaam omgaat met het eigen personeel. Als erg vrouwelijke sector komen daar nog specifieke problemen bij, waardoor je eigenlijk kan zeggen dat het een van de meest asociale sectoren is.”

“Het klopt dat er in 2020 extra budget uitgetrokken is voor het sociaal akkoord voor de federale sectoren van de zorg. Er werd 1 miljard euro vrijgemaakt. Daarvan is er 400 miljoen afgedwongen voor het Zorgpersoneelfonds dat in 2019 als amendement van de PVDA op de federale begroting in het parlement gestemd werd onder druk van stakingen in de Brusselse openbare en private ziekenhuizen. Het overgrote deel van de resterende 600 miljoen euro is gebruikt voor IFIC, een nieuw systeem van functieclassificatie met bijhorend loonstelsel. De bedoeling was om een billijk loonstelsel voor de volledige sector op te maken … maar in de praktijk werd het iets anders. Er werd o.a. gekeken naar de ‘gemiddelde marktwaarde’ van de functies die men één voor één gewogen heeft volgens de taken die men uitvoert, de verantwoordelijkheden die men draagt …  De exacte percentages voor de verschillende parameters voor de weging zijn nooit vrijgegeven omdat dit teveel discussie zou opleveren. Bovendien wordt de basislogica van het IFIC-model niet toegepast op de grootste groep werknemers, met name de verpleegkundigen. Voor hen blijft het diploma bepalend met een onderscheid tussen bachelors en HBO5.”  

“Volgens een berekening van Olivier Pintelon (ABVV) uit 2018-19 zou een collectieve arbeidsduurvermindering tot 30 uur in de zorgsector 1,7 miljard euro kosten. Alle (extra) budgetten voor de sociale akkoorden in de verschillende deelsectoren van de zorg samen bedragen meer dan 1,7 miljard euro, maar er is niets van de fundamentele problemen opgelost. Er wordt gebricoleerd in de marge, terwijl er niets aan de hyperflexibiliteit en stijgende werkdruk wordt gedaan. Dat is waarom collega’s de sector blijven verlaten.”

Van waar komt die hyperflexibiliteit?

“Om het personeelstekort op te vangen worden activiteiten afgebouwd en wordt personeel elders ingezet. Dit vertrekt niet van de zorgnoden. Voor patiënten is het belangrijk dat er verpleegkundigen zijn die hun specialiteit kennen. Daar wilde Maggie De Block destijds al een einde aan maken met haar pleidooi voor algemene verpleegkundigen die overal inzetbaar zijn. Zo werkt het neoliberale bestuur: verpleegkundigen zijn pionnen die verzet kunnen worden. Nochtans kan je een verpleegkundige die jarenlang op de psychiatrie werkt niet zomaar van de ene op de andere dag naar bijvoorbeeld de chirurgie overplaatsen. Dat ondergraaft de kwaliteit in de zorg.”

“Een andere manier om de flexibiliteit op te voeren, is de doorgedreven administratieve last met allerhande informaticaprogramma’s waarbij een verpleegkundige zich voor elke handeling moet verantwoorden. Verpleegkundigen zijn soms meer bezig met zich te verantwoorden dan met de zorg. Er is een opbouw van een hiërarchie met kleine en grote bazen, die allemaal loeren naar wie aan het bed van de patiënt staat. Van achter hun computer kunnen ze alles controleren en wordt het autoritair regime opgedreven. Ondertussen scoort België slecht qua personeelsbezetting. Internationaal wordt 1 verpleegkundige per 8 patiënten gezien als de limiet voor veilige zorg. In België is er 1 verpleegkundige voor 9,4 patiënten en we komen zelfs van 1 per 11!” 

“Minister Vandenbroucke gaat verder met de neoliberale plannen die Maggie De Block destijds uitwerkte voor de ziekenhuizen. Ondertussen zijn de ziekenhuisnetwerken een feit. In die netwerken van minstens 2 ziekenhuizen moet er uitgemaakt worden welke (specialistische) zorg door wie wordt aangeboden. De sluiting van materniteiten is het eerste voelbare gevolg. In totaal zijn er 25 ziekenhuisnetwerken. Voor bepaalde zorg zullen patiënten hierdoor veel verder moeten reizen. Met de ziekenhuisnetwerken kan er ook bespaard worden op ondersteunende diensten via de oprichting van gezamenlijke externe logistieke platformen die onder een ander paritair comité vallen met slechtere arbeidsvoorwaarden.”

“De tekorten worden aangegrepen voor een verdere industrialisering van de zorg. Dit gaat gepaard met een verdere hiërarchisering waar in de toekomst de bachelor in de verpleegkunde als ploegbaas een team van goedkopere zorgfuncties zal moeten aansturen. Dit is een hele stap terug in de tijd. Vroeger was er ook sprake van taakverpleging maar dit moest plaats maken voor een holistische benadering van de patiënt en geïntegreerde zorg. Dit zal in de toekomst nog meer naar het rijk van de theorie verwezen worden. De degradatie van de HBO5-verpleegkundigen kadert daarin.” 

Wat moet er dan wel gebeuren?

“Fundamentele problemen vragen fundamentele oplossingen. Er moet een collectieve arbeidsduurvermindering komen. Zelfs in de brainstormsessies die Vandenbroucke organiseert met onder meer de vakbonden en beroepsorganisaties wordt erkend dat de 38-urenweek in de zorg niet meer van deze tijd is. Het is hoog tijd dat de 30-urenweek afgedwongen wordt! Dat zou de job meteen aantrekkelijker maken.”

“Er zijn dringend meer middelen nodig. In de federale begroting van 2024 moet er geld voor de sector voorzien worden. Wachten tot na de vorming van een nieuwe federale regering is geen optie, al helemaal niet indien de regeringsvorming opnieuw maanden- of jarenlang aansleept. Tijdverlies voor extra budget kan de zorgsector zich niet permitteren!”

“De betoging van 13 juni is belangrijk. Eerder werd al op 31 januari betoogd. Toen was de opkomst dubbel zo hoog als voordien verwacht door de vakbondsleiding. Het toonde hoe diep de woede zit. Die betoging werd bovendien goed voorbereid met materiaal dat ruim op voorhand beschikbaar was. Met vingerknipacties om de paar maanden zullen we er echter niet komen. Er is een escalerend actieplan nodig dat gekoppeld wordt aan duidelijke eisen zoals arbeidsduurvermindering en meer middelen. Dit actieplan moet op 13 juni aangekondigd worden, geen maanden nadien.” 

“In 2019 waren er acties en stakingen in alle Brusselse ziekenhuizen, zowel private als publieke. De directe aanleiding toen was een technische discussie rond het sociaal akkoord. In Brussel werd dit echter opengetrokken en werd de ontmenselijking van de zorg aangeklaagd. Die bredere insteek versterkt de mobilisatie en de steun van de publieke opinie.” 

“Vandaag is de kwestie van arbeidsduurvermindering essentieel. Een 30-urenweek betekent niet alleen dat de werkomstandigheden menselijker worden, maar vergt ook een volledige reorganisatie van de sector. Het is positief dat de eis van arbeidsduurvermindering opgenomen is door het gemeenschappelijk vakbondsfront. Dit is geen eis om enkel uitgespeeld te worden bij de sociale verkiezingen, er is nood aan een beweging om het effectief af te dwingen.”

Bron: LSP