De werkdruk is nóg problematischer dan werkgevers al dachten

STRESS OP HET WERK

Een gebrek aan steun van de leidinggevende is een belangrijke reden voor afwezigheid. 

Door Myrte De Decker  in Trends.

Leidinggevenden en werknemers moeten beter met elkaar communiceren over werkdruk, werkgeluk en hun wederzijdse verwachtingen. Dat blijkt uit een nieuwe bevraging van de Antwerp Management School.

“Werknemers en werkgevers zitten niet op dezelfde golflengte.”   

Hopelijk hebt u de voorbije zomer van een deugddoende vakantie kunnen genieten om de werkstress af te schudden en de batterijen weer op te laden. Uit de recentste bevraging van de Antwerp Management School blijkt dat 91 procent van de werknemers en 82 procent van de werkgevers de werkdruk als de belangrijke oorzaak van afwezigheid door stress zien. 31 procent van de werknemers verklaart ook dat ze meer werk hebben dan vóór 2020.

De voorbije jaren hebben we flink wat wereldschokkende gebeurtenissen moeten verwerken. De coronapandemie werd gevolgd door de Russische inval in Oekraïne. Die leidde dan weer tot een nooit geziene energiecrisis, die voor heel wat mensen financiële onzekerheid bracht. Zelfs middenklassegezinnen met twee inkomens moesten opeens creatieve optelsommen en staartdelingen maken om de eindjes aan elkaar te knopen.

Welzijn op het werk kan beter

Kathleen Vangronsvelt, professor arbeidspsychologie aan de Antwerp Management School (AMS), en senior onderzoeker Eva Geluk polsten in hun jongste vragenlijsten naar de impact van die disruptieve gebeurtenissen op de werkvloer. Ze deden twee steekproeven, een bij 1.968 werknemers en een bij 254 werkgevers. “De werkdruk is nog problematischer voor werknemers dan werkgevers al dachten”, stelt Geluk vast. “Het lijkt erop dat werkgevers onvoldoende voeling hebben met wat daadwerkelijk speelt bij werknemers. Dat wijst erop dat ze de juiste gesprekken niet voeren. We kunnen nog veel stappen zetten om de werkdruk bespreekbaar te maken, op alle niveaus van de organisatie, en echt werk te maken van een welzijnsbeleid.”

De cijfers over het stressgerelateerd ziekteverzuim sluiten aan bij de resultaten van de werkbaarheidsmonitor van SERV, waaruit bleek dat de werkdruk tussen 2014 en 2019 met een vijfde was gestegen. Bovendien wezen cijfers van het Riziv uit dat het aantal werknemers, werklozen en zelfstandigen met een burn-out tussen 2016 en 2021 met 40,3 procent was toegenomen.

Volgens de onderzoekers is de discrepantie tussen de percentages van de werknemers en de werkgevers verontrustend. Maar er zijn ook opmerkelijke verschillen als het gaat over andere redenen voor stressgerelateerd ziekteverzuim: het tekort aan steun van de leidinggevende (81% bij de werknemers, tegenover 59% bij de werkgevers), conflicten op het werk (81% bij de werknemers, tegenover 45% bij de werkgevers) en de balans tussen werk en privé (89% bij de werknemers, tegenover 68% bij de werkgevers). “Medewerkers en werkgevers zitten niet op dezelfde golflengte”, constateert Vangronsvelt. “Langs beide kanten zijn de verwachtingen veranderd, maar die informatie kan niet worden uitgewisseld. Kijk maar naar de hernieuwde aandacht voor telewerk, nu zelfs het videoplatform Zoom zijn werknemers naar kantoor terugroept. Werkgevers die medewerkers zulke rigide regels opleggen, leven nog in een ander tijdperk.”

73 procent van de werknemers antwoordt ja op de stelling dat de werkgever verantwoordelijk is voor hun werkgeluk. Dat is opvallend. Ook 66 procent van de werkgevers legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij zichzelf. De omgekeerde vraag, of werkgeluk de verantwoordelijkheid van de werknemer is, beantwoorden meer werkgevers (87%) bevestigend dan werknemers (62%). Werknemers kijken dus meer richting de werkgever om voor werkgeluk te zorgen.

“Ik vind het verontrustend dat vier op de tien medewerkers zichzelf niet verantwoordelijk achten voor hun eigen werkgeluk”, zegt Vangronsvelt. “Natuurlijk draagt ook de werkgever daar verantwoordelijkheid voor, zoals het creëren van fatsoenlijke banen en het niet tolereren van toxische leiders. Talk your walk and walk your talk. Maar binnen dat kader maak je als medewerker je werkgeluk zelf.”

En misschien moeten we de lat voor dat werkgeluk ook niet te hoog leggen. “Er is een groep mensen voor wie werk de nieuwe religie geworden is”, aldus de onderzoekster. “De plaats waar we onszelf moeten realiseren, de zin van het leven moeten vinden en elke dag gelukkig moeten zijn. Het is gevaarlijk dat allemaal aan werk op te hangen. Ik heb hoe langer hoe meer bewondering voor de mensen voor wie werk gewoon werk is – een manier om de rekeningen te betalen – en voor wie werk dat ze goed genoeg doen, ook wel oké is.”

Na de euforie

Ook met de algemene mentale gezondheid op het werk gaat het licht achteruit. In juni 2021, een jaar in de pandemie, zei een kwart van de werknemers dat ze zich mentaal niet goed voelden. Een jaar later was hun aantal gedaald tot minder dan 15 procent. Uit de jongste enquête van de Antwerp Management School blijkt hun aantal opnieuw licht gestegen tot 19 procent. In een team van twintig werknemers zijn er dus vier die niet lekker in hun vel zitten.

We ervoeren massaal euforie toen ‘het rijk der vrijheid’ aanbrak – de tijd na de lockdowns, toen de horeca weer opende. Nu dat gevoel deels is weggeëbd, blijkt toch nog altijd dat heel wat dingen niet zo vlot lopen en dat veel problemen nog altijd niet zijn opgelost, maar tijdelijk waren ondergesneeuwd door de coronacrisis.

Toch lijken sommige werkgevers en hr-medewerkers erin geslaagd te tonen dat ze het gedurende de shaky early twenties van deze eeuw goed voorhebben met hun medewerkers. Eén op de zeven medewerkers voelt meer vertrouwen in de organisatie dan voor de pandemie. Daardoor is 30 procent van de werknemers meer bereid zijn werkgever te informeren over de werkdruk dan voordien. “We zijn samen door een moeilijke periode gegaan en waren samen aan dezelfde oplossingen gebonden”, zegt Vangronsvelt. “Als jij en je baas dat met openheid, goodwill en integriteit hebben gedaan, is het vandaag misschien makkelijker om toe te geven dat het ons soms te veel wordt.”

In navolging van het telewerkbeleid dat de meeste organisaties ondertussen uitgewerkt hebben, is 34,5 procent nu bezig een welzijnsbeleid uit te tekenen. Terwijl 70 procent van de organisaties bewust bezig is met het effect dat een welzijnsbeleid heeft op het aantrekken en het vasthouden van talent, is 80 procent bewust bezig met het effect van het telewerkbeleid daarop. “Na het telewerk is welzijn de nieuwe focus”, besluit Vangronsvelt. “Ideaal wordt dat één geïntegreerd en gedragen beleid.”

De coronaperiode heeft onze visie op telewerk volledig veranderd. In 87 procent van de bedrijven is telewerk volledig ingeburgerd, blijkt uit de enquête. Drie kwart van de werknemers mocht vóór 2020 maximaal 25 procent van de tijd telewerken. Hun aantal is dit jaar gedaald tot een kwart van de medewerkers. Evenveel werknemers geven aan dat ze tot de helft van de tijd thuiswerken, voor nog eens een kwart stijgt dat zelfs tot 75 procent van de tijd.

Opmerkelijk is dat in 23 procent van de organisaties werknemers individueel beslissen of ze al dan niet naar de werkplek komen. “We noemen dat preference-based hybrid working”, zegt Kathleen Vangronsvelt. “Dat is niet zo onschuldig als het eruitziet.” Vangronsvelt wijst op het gevaar dat mensen er op de korte termijn vaker voor zullen kiezen toch niet naar kantoor te gaan. Op lange termijn kan dat de connectie tussen de werknemer en het bedrijf, en zelfs die tussen collega’s doen eroderen. “Als leidinggevende of hr-professional kun je er dus niet zomaar van uitgaan dat het wel goed komt in de hybride toekomst, als je mensen volledig zelf laat kiezen wanneer ze naar kantoor komen. Sommige mensen zullen nog zelden fysiek aanwezig zijn, anderen heel veel. Bepaalde soorten werk zijn nu eenmaal gebaat bij fysieke samenkomst, terwijl andere taken net profiteren van de focus en de concentratie van thuiswerk. “Als er moet worden samengewerkt, is activity-based hybrid work nodig. In dat geval mag het telewerkbeleid niet alleen afhangen van de individuele voorkeur van de medewerkers, ook de behoeften van het team en de organisatie zijn belangrijk. Het zal de kunst zijn als organisatie, leidinggevende of hr-professional goede afspraken te maken over hoe je als team samenwerkt in de toekomst.”   Bron: Trends

Steeds meer Belgen in de schulden

Steeds meer Belgen in de schulden

Ruim 2 miljard euro aan achterstallige kredieten, Belg steekt zich steeds dieper in de schulden.

Door Vincent Vanhoorne  in De Zondag

BRUSSEL – Momenteel hebben 264.301 Belgen minstens één achterstallig krediet uitstaan. Alles samen gaat het om een bedrag van ruim 2,1 miljard euro. De verschuldigde bedragen liggen ook hoger dan een jaar geleden. “Het Europees parlement stemt deze maand een richtlijn die consumenten nog beter moet beschermen bij het afsluiten van kredieten”, zegt staatssecretaris voor Consumentenzaken Alexia Bertrand.

De Centrale voor Krediet aan Particulieren (CKP) verzamelt de gegevens van alle Belgen die een krediet aangaan. Eind juli hadden 6.096.658 landgenoten minstens één krediet uitstaan, alles samen telde de CKP 6.850.422 consumentenkredieten voor bijvoorbeeld wagens of elektronica en 3.329.759 hypothecaire kredieten voor het afbetalen van een woning. En opvallend ook: zo’n 4,3% van de Belgen betaalt zijn krediet niet op tijd af. Eind juli waren 375.833 kredieten achterstallig. Voor consumentenkredieten bedraagt het gemiddelde achterstallige bedrag 3.589 euro, voor hypothecaire kredieten loopt men gemiddeld 41.504 euro achter. Die bedragen liggen respectievelijk 6,7% en 2,4% hoger dan in juli 2022. “De gevolgen van een laattijdige betaling van een consumentenkrediet kunnen heel ernstig zijn”, waarschuwt TestAankoop. “Naast het verschuldigde bedrag kunnen ook een schadebeding en verwijlinteresten worden aangerekend. Bovendien kom je op de zwarte lijst met wanbetalers te staan, wat tot gevolg heeft dat je in de toekomst moeilijker een nieuwe lening krijgt.”

Hervorming invorderingen schulden

“Minister van Economie Pierre-Yves Dermagne (PS) en ikzelf zetten volop in op het bestrijden van overmatige schuldenlast”, reageert staatssecretaris voor Consumentenzaken Alexia Bertrand. “Bewijs hiervan is het nieuwe wetboek economisch recht, waarbij het een belangrijk objectief is om ervoor te zorgen dat consumenten genieten van een nog hogere bescherming bij het afsluiten en uitvoeren van consumentenkredieten. Volgens de nieuwe wet zal de consument altijd een eerste gratis herinnering moeten krijgen wanneer een factuur niet op tijd betaald werd en worden nalatigheidsinteresten en boetes gelimiteerd. (zie kaderstukje, red.) Daarnaast werkt minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) momenteel aan de hervorming van de gerechtelijke invorderingen van schulden. Daarbij streeft hij naar de verlaging van de deurwaarderskosten waarmee consumenten geconfronteerd worden bij een invordering via de rechtbank.” Het Europees parlement stemt deze maand nog over een nieuwe Europese richtlijn inzake consumentenkredieten. Die moet in de toekomst particulieren nog beter beschermen.

“Het moderniseren van de beoordeling over iemands kredietwaardigheid moet ertoe leiden dat consumenten geen kredieten aangaan die zij niet kunnen terugbetalen”, vervolgt staatssecretaris Bertrand. “Bovendien zullen ook meer digitale kredietvormen onder de bescherming van de nieuwe richtlijn vallen, zoals leningen van minder dan 200 euro, leningen via crowdfundingplatformen en ‘koop nu, betaal later’-producten.”

Gerechtelijke procedure Kredieten niet kunnen afbetalen, kan ertoe leiden dat je in een collectieve schuldenregeling terechtkomt. Dat is een gerechtelijke procedure om je structurele schuldproblemen aan te pakken. Een schuldbemiddelaar beheert dan je inkomen en helpt je op die manier je schulden af te betalen. Eind vorig jaar zaten 59.717 Belgen in een collectieve schuldenregeling. 60% van hen heeft een of meerdere achterstallige kredieten. Gemiddeld duurt de periode van de collectieve schuldenregeling 6 tot 9 jaar.  Bron: De Zondag

De Croo wil iedereen aan het werk

De Croo: ‘Al wie poten en oren heeft aan het werk is prioriteit nummer één’

‘Ik ben niet blind voor de problemen, maar ik wil oplossingen vinden. Stap na stap. En oppassen dat je niet struikelt. Die methode werkt.’   Door WIM VAN DE VELDEN in De Tijd

‘Voor mij is dé vraag hoe we tot een ‘can do’-mentaliteit komen, tegenover het ‘rien ne va plus’ van anderen.’ Dat zegt Alexander De Croo (Open VLD), die graag verlengingen zou spelen in de Zestien.

Hoezeer premier Alexander De Croo ook wil schitteren met een positief ‘can do’-verhaal, toch is het regeringwerk niet van die aard dat het een gewonnen koers is. De tegenstellingen binnen de zevenpartijencoalitie waren vaak hardnekkig, waardoor grote hervormingen uitbleven. Voor het laatste jaar ligt de lat ook niet meer al te hoog. De plannen voor een fiscale hervorming zijn opgeborgen. Wat nog op de plank ligt, is een milde begrotingsoefening van 1,2 miljard euro.

En toch lopen bij de politieke rentree de spanningen binnen Vivaldi weer op. Dat staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor (CD&V) alleenstaande mannen niet langer wil opvangen, om te vermijden dat straks weer vrouwen en kinderen op straat moeten slapen, doet de groenen en de PS steigeren.

De Croo biedt De Moor rugdekking. ‘We doen er alles aan om die maatregel zo kort als mogelijk te houden. Hoe sneller we in staat zijn opvangplaatsen te creëren, hoe korter die zal zijn’, kaatst hij de bal terug naar de linkse coalitiepartners. Die moeten zelf opvangplaatsen zoeken, als ze geen tijdelijke opvangstop voor alleenstaande mannen willen.

Terwijl de asieldruk weer toeneemt, kreunt de economie steeds meer onder het tekort aan handjes. Is arbeidsmigratie toch geen must?

Alexander De Croo: ‘Dat er handen tekort zijn, weegt niet alleen op onze economie, het is een maatschappelijk probleem: het laat zich voelen in de zorg, de opvang, het onderwijs. Vandaar dat al wie poten en oren heeft aan het werk moet. Maar eerder dan nu volop in te zetten op arbeidsmigratie, moeten we eerst alle Belgen aan de slag krijgen. Dat is prioriteit nummer één.’

Dat klinkt goed, maar de realiteit is dat er minder Waalse werkzoekenden in Vlaanderen aan de slag zijn dan tien jaar geleden.

De Croo: ‘Dat het een taalprobleem zou zijn, geloof ik niet. De Fransen die in de grensstreek aan de slag zijn, kennen geen Nederlands. Gelukkig vindt ook Waals minister-president Elio Di Rupo (PS) dat er te veel werklozen in Wallonië zijn. Ik juich het toe dat er meer zal worden samengewerkt tussen Vlaanderen en Wallonië, zodat Waalse werkzoekenden de vele openstaande vacatures in Vlaanderen kunnen invullen. Maar we hebben vooral nood aan een mentaliteitswijziging. Werken is geen straf, hé.’

Is de Waalse mentaliteit het probleem?

De Croo: ‘Ik geloof niet dat er echt een verschil van mentaliteit is tussen Vlamingen, Walen of Brusselaars. Wel is er een politiek verschil in de manier waarop naar werk wordt gekeken. Als je in solidariteit gelooft, moet je voor werk zijn. Het gaat om meer dan een inkomen. Je draagt dan ook bij tot de sociale zekerheid, waar iedereen weleens op terugvalt.’

Het tekort aan handjes is een bijkomende handicap boven op de hoge loon- en energiekosten, maar wat doet u eraan?

We hebben een expansief beleid gevoerd. Met succes. Er zijn 300.000 jobs gecreëerd. Maar daar hebben we een budgettaire prijs voor betaald. Nu moeten we zien hoe we de begroting weer op het goede spoor krijgen.

De Croo: ‘Om de opeenvolgende crisissen het hoofd te bieden hebben we een expansief beleid gevoerd en zo’n 20 miljard euro in de economie gepompt. Met succes. De jobcreatie ligt hoger dan in de vorige legislatuur, toen het economisch normale tijden waren. Volgens het Planbureau zullen we tegen het einde van de legislatuur zo’n 300.000 jobs gecreëerd hebben. De koopkracht is intact gebleven. En we hebben vermeden dat veel bedrijven over de kop zijn gegaan. Daar hebben we wel een budgettaire prijs voor betaald. We moeten nu kijken hoe we de begroting weer op het goede spoor krijgen. Bij de begrotingsopmaak in het najaar willen we nog een inspanning doen van 1,2 miljard euro, boven op de eerder al besliste inspanning van 0,6 procent van het bruto binnenlands product.’

Had het allemaal niet iets meer moeten zijn?

De Croo: ‘Een fiscale hervorming kunnen we budgettair niet aan. Vandaar dat we dat niet gaan doen. Het is ook maar de vraag of we nog iets aan de loonkosten moeten doen, want de loonsverhogingen in Duitsland vallen hoger uit dan gedacht. Door de automatische loonindexering zijn de loonkosten snel omhoog gegaan, maar in de buurlanden zie je een inhaaloperatie. Wij plukken nog altijd de vruchten van de lastenverlaging die is doorgevoerd onder de regering-Michel, want de jobmotor draait op volle toeren.’

Toch staat de industrie onder druk. Na het Ineos-arrest wordt de vraag zelfs hardop gesteld of er nog wel een toekomst is voor de industrie in ons land, en bij uitbreiding in Europa.

De Croo: ‘Laat me duidelijk zijn: ik heb mee de schouders gezet onder Ineos, dat een ethaankraker wil bouwen in de haven van Antwerpen, omdat we die industrie hier nodig hebben. Sommigen vinden chemie iets vies, maar het zit in zowat alles wat we dagelijks gebruiken. Als het hier niet kan, zal het elders gebeuren, met een grotere negatieve impact op het milieu. Industrie hebben we dus nodig, net zoals landbouw. Ik wil geen tegenstelling tussen die twee creëren.’

Is in de Europese Green Deal nog wel plaats voor de industrie?

De Croo: ‘Wat ontbreekt in Europa is een industriële deal, naast de Green Deal. Die is nodig om het evenwicht te bewaren, onze energiebevoorrading te verzekeren en koplopers te blijven in de transitie naar hernieuwbare energie.’

Zal het volstaan dat twee kerncentrales tien jaar langer worden opengehouden? Of zullen we nog een bijkomende gascentrale nodig hebben, willen we zeker zijn van onze energiebevoorrading?

De Croo: ‘We zijn erin geslaagd het nucleaire te verlengen, wat bijvoorbeeld niet het geval is in Duitsland. Twee kerncentrales zullen tien jaar langer blijven draaien en we doen onderzoek naar de moduleerbare centrales van de toekomst, de SMR’s. Dat toont de politieke moed en het pragmatisme van partijen die het anti-nucleaire in hun programma hebben.’

‘Maar we zien dat de elektrificatie sneller dan verwacht gaat, wat op zich een goede zaak is, want het doet de CO2-uitstoot dalen. Het houdt wel in dat we in overleg met hoogspanningsnetbeheerder Elia moeten nagaan wat er nog nodig is. Die elektrificatie mogen we niet afremmen. We moeten alles doen wat nodig is om voldoende capaciteit en buffers te hebben. Met vraagsturing en batterij-opslagcapacitieit raak je al een heel eind, maar ik ga niet op de zaken vooruitlopen. We zullen de oefening doen. Je ziet: nog werk genoeg.’

Werk genoeg, maar lukt het nog wel om de noodzakelijke hervormingen door te voeren?

De Croo: ‘Het zal u misschien verbazen, maar ons land kent veel mogelijkheden én veel dadendrang én ambitie. Daar moet je politiek op inzetten. Ik geloof niet dat we ons land beter zullen maken door voortdurend te kankeren dat hier niets nog gaat. Dat is zoals een trainer van een voetbalclub die zou zeggen: we suck. Of een CEO die zou zeggen dat zijn bedrijf het slechtste van de wereld is. Ik ben niet blind voor de problemen, maar ik wil oplossingen vinden. Stap voor stap. En oppassen dat je niet struikelt. Die methode werkt.’

Moet de lat niet hoger liggen, want straks dreigen we weer voor een lange periode in lopende zaken te gaan?

Ik vind het van politieke luiheid getuigen, als we weer naar ellenlange regeringsonderhandelingen zouden gaan.

De Croo: ‘Waarom zouden we binnen twee maanden na de verkiezingen geen regering kunnen vormen? Ik vind het van politieke luiheid getuigen, als we weer naar ellenlange regeringsonderhandelingen zouden gaan. Het ligt ook in handen van de kiezer. Die moet kiezen: ofwel voor politici die geloven in de kracht van ons land, ofwel kies je voor het donkere-wolkenverhaal van anderen.’

Bart De Wever mikt op een centrumrechts Vlaams blok, waar niet aan voorbij kan worden gegaan bij de regeringsvorming.

De Croo: ‘Dat is een plat die voor de vierde keer in de microgolfoven wordt opgewarmd. Blokvorming leidt tot blokkeringen. Ik sta daar anders in en wil partners in Vlaanderen en Wallonië zoeken die het land vooruit willen helpen. Bart De Wever droomt van een nationalistisch, conservatief blok. Zo ben ik niet. We houden er een verschillende visie op na. Hij volgt een confrontatielogica en polariseert, terwijl ik mik op het samenbrengen van mensen. In het dossier van de overlast aan het Zuidstation in Brussel schoof iedereen de hete aardappel naar elkaar door, tot ik iedereen rond de tafel heb gebracht. Daarmee zijn de problemen nog niet opgelost, maar het is de enige manier om vooruit te raken.’

Vicepremier Georges Gilkinet (Ecolo) heeft het blijkbaar niet goed begrepen. Hij nam de vlucht vooruit met zijn plan om de nachtvluchten vanaf de luchthaven van Zaventem te verbieden?

De Croo: ‘Daarmee afkomen vlak voor verkiezingen heeft in het verleden al politieke slachtoffers gemaakt. Je moet daar voorzichtig mee zijn. Vanzelfsprekend moet je een duurzaam pad bewandelen, maar in het terugdringen van de geluidsoverlast geloof ik dat technologische vooruitgang ons kan helpen. De luchthaven is cruciaal voor onze economie. Als we wereldtop zijn in de farmaceutische sector, in het ontwikkelen van vaccins, dan heeft dat ook te maken met de bereikbaarheid via de luchthaven.’

Zijn er geen institutionele hervormingen nodig, om het land efficiënter te laten draaien?

De Croo: ‘Ik ben daar niet door geobsedeerd. Zelfs de beste staatshervorming zal niet helpen, als de politieke wil er niet is om samen te werken. We hebben wel betere dingen te doen dan weer een rondje staatshervorming.’

Wat heeft Vivaldi laten liggen waarvan een volgende regering werk zou moeten maken?

De Croo: ‘De uitdagingen zijn bekend: meer mensen aan de slag krijgen, de industrie hier houden… Maar voor mij is dé vraag hoe we tot een can do-mentaliteit komen, tegenover het rien ne va plus van anderen. Ik geloof in de mogelijkheden van België en van de Belgen.’

Als ik partijen kan verenigen, die ook geloven in de mogelijkheden van ons land, wil ik verderdoen.

Dat klinkt alsof u verder wil doen als premier?

De Croo: ‘Als ik partijen kan verenigen, die ook geloven in de mogelijkheden van ons land, wil ik verderdoen. Het zal natuurlijk afhangen van wat de kiezer zegt: je kan niet voortdoen met minder dan 10 procent van de stemmen. Niemand kan tevreden zijn met 10 procent, het moet veel meer zijn dan dat.’

Anders zou u toch maar de dweil van de Wetstraat zijn?

De Croo: ‘O, maar ik heb mij nooit een dweil gevoeld. In het functioneren als premier speelt het geen rol hoeveel zetels je partij telt in het parlement. Het hangt af van het vertrouwen dat de coalitiepartners in jou hebben.

Enige introspectie is daarbij wel op zijn plaats. We hebben niet altijd een fraai beeld van de politiek opgehangen. De mensen hebben niets aan ruziemakers, we moeten doen waarvoor we worden betaald en oplossingen bedenken.’   Bron: De Tijd

Volwassenenonderwijs

Je leven lang bijleren? Dat is het mooiste dat er is. Het is nooit te laat voor die carrièreswitch, dat extra certificaat, diploma of die nieuwe hobby.

Wil jij je talenten ontdekken? Zelfstandiger worden of bijleren, bijvoorbeeld over computers? Je diploma halen of starten aan een nieuwe uitdaging?

Dankzij het volwassenenonderwijs kan jij er 100% voor gaan, ook als je van nul af aan moet beginnen.Vind een opleiding via het Opleidingskompas

Jezelf bijscholen, daar staat geen leeftijd op. Of je nu een nieuw hoofdstuk start of er een wil afsluiten, er is altijd een cursus die bij je past.

Van een kantoorjob naar een echte stiel, of andersom? Alles is mogelijk in het volwassenenonderwijs. Een nieuw (deel)certificaat staat ook goed op je CV als je wil doorgroeien in je job. Of je het nu voor je werk doet, of voor jezelf, jij spreekt straks vloeiend die extra taal of je houdt er een nieuwe hobby aan over.

Dankzij het volwassenenonderwijs kan jij er 100% voor gaan, ook als je van nul af aan moet beginnen.

Het volwassenenonderwijs biedt opleidingen en modules aan op maat van iedereen. Jong, oud. Iets bijleren of van nul starten. Er is altijd een reden om bij te leren.

Les volgen in een Ligo-CBE of in een CVO? Eén module volgen of een volledige opleiding? Of op zoek naar een andere opleiding? Vind de informatie over het volwassenenonderwijs.

Over het volwassenenonderwijs | Vlaanderen.beEen diploma secundair onderwijs halen in het (vlaanderen.be)

Slecht onderwijs is slecht voor de economie

Verzwakkende testresultaten, schoolverlaters, zittenblijvers. Het Vlaamse onderwijs zinkt verder weg. De economie loopt daardoor miljarden mis. Bedrijven moeten het beste zien te halen uit jonge rekruten. “Die jongeren kennen misschien niet langer de wet van Ohm uit het hoofd, ze kunnen wel vlot programmeren.”

Een land dat het opeens zou moeten stellen met werknemers die niet kunnen lezen of rekenen, zou een enorme economische klap krijgen. In Vlaanderen zijn we zover nog niet, maar lezen en rekenen gaat onze leerlingen wel almaar slechter af, blijkt uit internationale en nationale testen. Het legt een hypotheek op onze toekomstige welvaart. Scholing doet de economie beter draaien. De onderwijseconomen Eric Hanushek en Ludger Woessmann wijzen ook op een belangrijk indirect effect. Meer kennis zorgt voor nieuwe ideeën en innovaties, die de economie productiever maken en de groei nog hoger tillen. Goed onderwijs levert bovendien werknemers af, die nieuwe technologieën vlotter begrijpen, toepassen en doorgeven aan anderen. De aftakeling van het Vlaamse onderwijs is dus om veel redenen slecht nieuws.

Een grote pool aan goedgeschoolde arbeidskrachten, die meerdere talen spreken en vlot kunnen rekenen, is cruciaal voor de economie’ Kristof De Witte, hoogleraar onderwijseconomie aan de KU Leuven

Uiteraard is onderwijs niet het enige dat telt voor de welvaart. Ook infrastructuur, rechtszekerheid, efficiënte instellingen en openheid voor internationale handel spelen een grote rol. Bovendien is er geen zekerheid over de relatie tussen onderwijs en groei. Worden landen welvarend door goed onderwijs, of is het veeleer omgekeerd, en kunnen alleen rijke landen zich goed onderwijs veroorloven? Een eensluidend antwoord is er niet, aldus Hanushek en Woessman, maar analyse wijst vaak op het eerste. Chronologisch komt een grotere groei bijvoorbeeld vaak na meer kennis, zodat de groei moeilijk de kennis kan verklaren.

De toestand in Vlaanderen

Eerst het goede nieuws. In nogal wat internationale rangschikkingen staat het Vlaamse onderwijs nog steeds in de bovenste helft. In de jongste PISA-test (Programme for International Student Assessment) voor vijftienjarigen, die dateert van 2018, haalt Vlaanderen voor bijvoorbeeld wiskunde de tiende plaats op 79 landen, met een score van 518 punten. Maar in 2003 scoorde Vlaanderen nog 35 punten hoger. “Dertig PISA-punten staat ongeveer gelijk met wat een leerling leert in een schooljaar”, zegt Kristof De Witte, hoogleraar onderwijseconomie aan de KU Leuven. “Vlaamse vijftienjarigen hebben dus een extra jaar nodig om hetzelfde niveau van wiskunde en vaardigheden te bereiken als hun leeftijdsgenoten twintig jaar geleden.”

De economische impact van die achteruitgang is al even dramatisch. Volgens het model van Hanushek en Woessmann betekent een winst of verlies van 35 PISA-punten een verhoging of verlaging van de jaarlijkse groei met 0,60 procentpunt. Dat effect komt er pas op termijn, maar op het huidige Vlaamse bbp van zowat 300 miljard euro betekent het ruim anderhalf miljard euro aan misgelopen groei per jaar. “We spreken over gigantische effecten. Te weinig mensen zijn zich daarvan bewust”, zegt De Witte. “Een grote pool aan goedgeschoolde arbeidskrachten, die meerdere talen spreken en vlot kunnen rekenen, is cruciaal voor de economie.”

Ook in andere vergelijkende testen boeren de Vlaamse leerlingen achteruit. In de PIRLS-test voor begrijpend lezen (Progess in International Literacy Reading Study) bij leerlingen uit het vierde leerjaar zat Vlaanderen in 2021 niet alleen in de onderste tabelhelft, met plaats 29 op 43 landen, het behoort ook tot de sterkste dalers. Terwijl in 2006 nog 49 procent van de leerlingen een ‘hoog leesniveau’ haalde, was dat in 2021 nog 29 procent. Uit de Vlaamse Peilingstoetsen, die nagaan of leerlingen de eindtermen halen, bleek dat in 2021 slechts 39 procent van de leerlingen van het zesde leerjaar een percentage kan berekenen. In 2009 was dat nog 59 procent.

Onrustwekkend is ook het slinkende aantal toppresteerders en de aanzwellende groep zwakke presteerders. Het Vlaamse percentage topscoorders in de PISA-test voor wiskunde bijvoorbeeld smolt van 34 naar 19 procent tussen 2003 en 2018. “De groep die later voor innovaties zal zorgen, of leidende posities in de samenleving en de bedrijfswereld zal innemen, is massaal aan het krimpen”, zegt De Witte. De groep Vlaamse vijftienjarigen die het basisniveau voor wiskunde en leesvaardigheid niet haalt, is dan weer met bijna een vijfde gegroeid. “Een eenvoudige tekst lezen of een simpele rekensom maken – het minimum om mee te draaien in de samenleving – is voor hen te hoog gegrepen”, stelt De Witte. “Die groep zal het moeilijk hebben in het maatschappelijke leven, en de maatschappij zal aan hen veel geld en werk moeten besteden.”

De sociale kosten

Ook dat laatste, de maatschappelijke kostprijs, blijft vaak onder de radar, aldus De Witte: “Schoolachterstand geeft een reeks individuele problemen, die samenvloeien tot een zware sociale factuur. Neem de schoolverlaters zonder diploma, goed voor jaarlijks 12 procent van de leerlingen in het Vlaamse secundair onderwijs. We merken dat mensen zonder diploma meestal een lager loon hebben, vaker werkloos zijn en minder lang leven. Dat brengt enorme kosten voor de sociale zekerheid en de gezondheidszorg mee, terwijl de economie groei mist en de overheid belastinginkomsten derft.”

Om een idee te geven van de gederfde belastinginkomsten: het behalen van een diploma doet het brutojaarloon in Vlaanderen toenemen met 24 procent, aldus onderzoek van De Witte en zijn collega’s. Anderzijds kostten de NEET-jongeren (Not in Education, Employment or Training) ons vorig jaar 0,6 procent van het Vlaamse bbp. “Per hoofd van de bevolking kwam dat neer op 2.600 euro”, zegt De Witte. “Gelukkig daalt het aantal Vlaamse NEET-jongeren. In 2012 ging het om 9 procent van de 15- tot 24-jarigen, in 2022 was dat nog 5 procent.”

Op een andere onderwijsplaag, het zittenblijven, scoren we dan weer slecht: 24 procent van de Vlaamse vijftienjarigen is minstens één jaar blijven zitten, tegen 12 procent in de Europese Unie. “Lager onderwijs kost de ouders gemiddeld 600 euro per kind per schooljaar, middelbaar onderwijs gemiddeld ruim 1.000 euro. Voor de overheid bedragen de kosten respectievelijk 6.600 en 10.000 euro”, weet De Witte. “Dan zwijg ik nog over de cascade-effecten. Zittenblijven betekent een grotere kans op vroegtijdig schoolverlaten, en dus minder kansen op de arbeidsmarkt, gederfd inkomen en minder groei.”

Wat de bedrijven zeggen

Eind juni hield de werkgeversfederatie Voka een enquête onder 517 West-Vlaamse bedrijven. Daarvan ervaart 69 procent ‘een gebrek aan kennis en vaardigheden van pas afgestudeerden in de onderneming’. Voka-woordvoerder Eric Laureys. “Ondernemers merken dat het niveau van kandidaten lager is dan voorheen. Gezien de krappe arbeidsmarkt is kieskeurigheid geen optie. Veel bedrijven geven dan maar zelf een waaier aan basisopleidingen.” Een voorbeeld is Fluvius Academy, de ‘school’ van de elektriciteits- en aardgasnetbeheerder Fluvius. “Er is altijd al een kloof geweest tussen wat je op school leert en wat je op onze werkvloer moet toepassen”, verklaart woordvoerder Lara Lammens. “Wel valt op dat kandidaten minder goed op technische vragen antwoorden dan vroeger. Maar of dat ligt aan de kwaliteit van het onderwijs, of aan het tekort aan technisch geschoolden, zodat wij onze trechter breder moeten maken, is moeilijk te zeggen.”

Twintig jaar geleden klaagden ondernemers ook al over de kwaliteit van pas afgestudeerden. Werkgevers hebben traditioneel een vertekend beeld van nieuwkomers. Ik heb geen aanwijzingen dat hun kwaliteit zoveel zwakker zou zijn dan vroeger’ Jan Denys, arbeidsmarktspecialist van de hr-dienstverlener Randstad

De tijd van direct inzetbare kandidaten lijkt in elk geval voorbij. “Zijn er geen kandidaten meer met de juiste vaardigheden, opleiding of ervaring, zoek dan mensen met het juiste leervermogen, en geef hun een kans via een vooropleiding”, zegt Thomas Wauters, R&D-manager bij het uitzendbedrijf Accent. Omwille van de vraag naar vooropleidingen heeft Accent in 2020 Talent Lab opgericht. “Daar bieden wij vooropleidingen aan, zoals heftruckchauffeur, maar evengoed basiscompetenties, zoals digitale geletterdheid. Bedrijven die zich vastklampen aan de aanwervingscriteria van vroeger, zullen verliezen.” De problemen met kandidaten zijn niet nieuw, nuanceert Jan Denys, arbeidsmarktspecialist van de hr-dienstverlener Randstad. “Twintig jaar geleden klaagden ondernemers ook al over de kwaliteit van pas afgestudeerden. Werkgevers hebben traditioneel een vertekend beeld van nieuwkomers. Ik heb geen aanwijzingen dat hun kwaliteit zoveel zwakker zou zijn dan vroeger. Ik vrees dat het economische verlies door de massa niet-ingevulde vacatures veel groter is.”

Wat de schooldirecteur zegt

Pascal Vanhoecke is sinds 2019 personeelsdirecteur van ATS in Merelbeke, een bedrijf voor elektrotechnische installaties. Voordien was hij tien jaar directeur van het Technisch Atheneum Merelbeke. “De Vlaamse PISA-resultaten verzwakken, en dat vind ik jammer. Maar wat zegt zo’n test over de inzetbaarheid van mensen op de werkvloer? ATS heeft heel wat jonge technici en ingenieurs in dienst. De slechte PISA-resultaten hebben ons bedrijf niet bepaald doen stilvallen. Die jongeren kennen misschien niet langer de wet van Ohm uit het hoofd, ze kunnen wel vlot programmeren.”

De schoolfinanciering op basis van leerlingenaantal houdt veel kinderen gevangen in een richting die niet bij hen past, meent Vanhoecke. “Het ontbreekt de klassenraad vaak aan moed om de leerling naar een geschiktere studierichting te sturen, omdat de school die richting niet aanbiedt.” Ook de ouders krijgen een veeg uit de pan. “Alles moet leuk zijn voor het kind. Heeft dat kind het wat moeilijk, dan is dat een groot probleem. ‘Oei, dat zal autisme zijn.’ Er moeten meteen een diagnose, een antwoord en een pil komen. Onze samenleving is fragieler geworden dan twintig of dertig jaar geleden. Ik merk dat aan onze jonge buitenlandse werknemers: die zijn weerbaarder en hebben een betere werkattitude dan heel wat Vlaamse jongeren.”

Toch erkent Vanhoecke dat het onderwijs de lat lager heeft gelegd, zodat ATS veel werk heeft met het bijspijkeren van de technische basiskennis van nieuwe werknemers in zijn ATS Academy. “Maar maakt de beste van de klas altijd de mooiste carrière? Hoe zou Steve Jobs gepresteerd hebben op de PISA-testen? We mogen best wel wat pragmatischer omgaan met het schoolrapport. Vroeger werd het schoolrapport minutieus ontleed, nu starten studenten een bedrijfje. Ik vind dat fantastisch.”   Bron: Trends