De Vlaamse regering blaast de sectorale praktijktesten nieuw leven in, maar kiest opnieuw voor een aanpak die weinig druk zet op werkgevers die discrimineren.

Het is een beproefde politieke techniek: gun een andere partij een politiek symbool, maar hol het zo uit dat er nauwelijks iets van overblijft. Nadien kan je de maatregel wegzetten als inefficiënt en zinloos. Dat is ongeveer wat vandaag gebeurt met praktijktesten als instrument tegen discriminatie.

Praktijktesten zijn een wetenschappelijke methode om het voorkomen van discriminatie objectief in kaart te brengen. Ze worden decennialang door academici gebruikt voor onderzoek naar discriminatie. Praktijktesten kunnen echter ook worden ingezet om bedrijven of makelaars te sensibiliseren rond de problematiek. Indien nodig kunnen ze ook dienen als bewijsmiddel in een juridische procedure wegens discriminatie.

Uiteindelijk blijkt waarvoor praktijktesten worden ingezet vooral een politieke keuze te zijn. Voor links mag er gerust een stok achter de deur zijn, terwijl rechts al huivert bij het gericht aanspreken van bedrijven over hun testresultaten. Het is de zogenaamde ‘Gentse aanpak’ versus het ‘Antwerpse model’.

En in die spagaat zit de Vlaamse regering met haar recente beslissing om opnieuw een sectorale meting met praktijktesten te laten uitvoeren naar discriminatie op de arbeidsmarkt. Het doel is sectoren te vergelijken en daaraan sensibiliserende acties te koppelen via zelfregulering.

Het plan lijkt op het eerste gezicht goed. Wie kan er nu tegen een onderzoek zijn? En is voorkomen via sensibilisering niet beter dan bestraffen? Alleen bestaan er reeds tal van studies die discriminatie zwart op wit aantonen. We weten vrij goed welk type bedrijven of welke sectoren het meest geneigd zijn om te discrimineren op basis van welke discriminatiegronden. Kort gezegd: kleinere bedrijven discrimineren vaker, vooral tegenover oudere kandidaten en etnische minderheden. En de groot- en detailhandel, vervoer, logistiek en gezondheidszorg zijn de slechte leerlingen van de klas.

Wat de sensibilisering betreft, mogen de sectoren zelf kiezen hoe ze de subsidies van de zogenaamde sectorconvenanten gaan inzetten. Dat kan gaan van trainingen voor HR-consultenten tot ‘lerende werkvloeren’. Er zijn geen sancties of individuele opvolging van bedrijven die blijven discrimineren. Alles blijft op het geaggregeerde sectorniveau. Individuele bedrijven blijven buiten schot. Lekker anoniem. Sensibilisering heeft uiteraard haar plaats, maar de effectiviteit ervan hangt af van een geloofwaardige mogelijkheid tot controle en opvolging. Zonder die stok achter de deur dreigt ze te vervallen in vrijblijvende intentieverklaringen.

Nochtans gebeurde precies hetzelfde al in 2021. Toen liet de vorige Vlaamse regering ook reeds sectorale praktijktesten uitvoeren met exact dezelfde doelstellingen. Het zou een soort benchmarking worden gericht op sensibilisering.

De olifant baarde evenwel een muis. Slechts 20 sectoren werden uiteindelijk met praktijktesten getest, 14 sectoren pasten alternatieve methoden toe en 6 sectoren weigerden categoriek om iets te doen. De sectorspecifieke resultaten werden bovendien niet openbaar gemaakt wegens ‘onvergelijkbaar tussen sectoren’ en ’te gevoelig’. Het zou immers het ‘precaire draagvlak bij werkgevers ondergraven’ voor de strijd tegen discriminatie. Het is hemeltergend hoe erg de fluwelen handschoenen worden aangetrokken wanneer het gaat over de structurele uitsluiting van grote groepen burgers in onze samenleving.

De sectorale aanpak van discriminatie met zelfregulering rammelt langs alle kanten. En toch zal de Vlaamse regering vanaf december 2026 opnieuw sectorale praktijktesten laten uitvoeren. Er is echter een belangrijk verschil. De sectoren mogen nu niet meer zelf kiezen of ze al dan niet de testen gaan uitvoeren en de methodologie wordt tussen de sectoren vergelijkbaar gemaakt.

Dat zijn twee stappen in de goede richting, maar het is uiteindelijk toch maar een pyrrusoverwinning. Zo’n uniforme sectorale benchmarking had er al tien jaar geleden moeten zijn. Bovendien krijgen de sectoren opnieuw alle vrijheid om zelf sensibiliseringsmaatregelen uit te dokteren.

Maar een sectorale meting creëert nauwelijks een prikkel voor individuele werkgevers om hun gedrag aan te passen. Een bedrijf dat discrimineert, ondervindt immers geen enkel rechtstreeks gevolg wanneer alleen het sectorgemiddelde wordt besproken. Zonder individuele feedback of een geloofwaardige kans op sancties blijft de stimulans om het eigen aanwervingsbeleid te veranderen bijzonder beperkt. Het is dus too little, too late. Een mooi politiek symbool, maar het is weinig waarschijnlijk dat deze sectorale praktijktesten met zelfregulering veel zoden aan de dijk zullen zetten.

Er bestaat nochtans een beter alternatief: laat een centraal orgaan praktijktesten uitvoeren in alle sectoren binnen een wettelijk afgelijnd kader. Dat moet zowel gewestelijk als federaal worden geregeld naargelang de bevoegdheid. De opdracht kan worden toevertrouwd aan de arbeidsinspectie, Unia of het Vlaamse Mensenrechteninstituut, afhankelijk van de bevoegde overheid. De individuele bedrijven worden nadien geïnformeerd over hun specifieke testresultaten. Wanneer een praktijktest een vermoeden van discriminatie oplevert, kan een verbetertraject of sensibilisering worden opgelegd. Weigeren ze die uit te voeren of scoren ze opnieuw slecht bij een hertesting dan volgt een sanctie.

Die individuele benadering is cruciaal. Discriminatie wordt niet gepleegd door sectoren, maar door werkgevers. Wie discriminatie echt wil terugdringen, moet niet alleen sectoren sensibiliseren, maar ook individuele bedrijven responsabiliseren.

Bron: SAMPOL.be