Waarom wordt er gewerkt met een toegangsexamen voor wie arts wil worden? En waarom laten we niet gewoon iedereen die geslaagd is, starten met de opleiding? Die vragen kwamen de afgelopen weken verschillende keren binnen nadat is gebleken dat er gesjoemeld is bij het toegangsexamen voor geneeskunde. Toch is dat toelatingsexamen er niet zomaar gekomen.

Het toelatingsexamen geneeskunde is vandaag de vaste toegangspoort voor iedereen die de opleiding wil starten. De proef werd voor het eerst georganiseerd in 1997 op de Heizel in Brussel en kwam er als noodgreep, omdat pas afgestudeerde studenten het toen steeds moeilijker hadden om aan een job te geraken.

“Er was langzaamaan een overaanbod aan artsen ontstaan”, vertelt Jan De Maeseneer, emeritus hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de UGent in de Wereld Vandaag op Radio 1. De Maeseneer was van in het prille begin (tot 2019) lid van de examencommissie die het artsenexamen organiseert. 

Volgens De Maeseneer was het “overaanbod” vooral te wijten aan de democratisering van het onderwijs: “Meer jonge mensen trokken naar de universiteit om te studeren en er kwam dus ook meer belangstelling voor de opleiding geneeskunde.”

Uiteraard een goede zaak, volgens de emeritus hoogleraar, maar op het terrein ontstonden zo wel problemen: “Na de opleiding probeerde iedereen een praktijk op te starten… En zo kreeg je uiteindelijk dorpen met 4 huisartsen, waar er maar werk was voor 2.” 

Terug naar 1997

Doorheen de jaren werd het toelatingsexamen wat onderhanden genomen, maar de kerninhoud is grotendeels onveranderd gebleven. Zo lag de focus ook bij het examen van 1997 voornamelijk op kennis en inzicht in de wetenschappen: biologie, wiskunde, scheikunde en fysica stonden voorop. 

Verder werden studenten getest op het verwerven en verwerken van informatie. “Zo moesten studenten – op basis van video’s – goede gedragspatronen tussen artsen en patiënten onderscheiden.” 

“Op die manier probeerden wij, als jury, te achterhalen of studenten geschikt waren om de sociale aspecten van het beroep te begrijpen.”

Maar, de deur tot de studie – en dus ook het beroep – ging in 1997 wel nog open voor al wie geslaagd was. Daar werd later pas aan gesleuteld: “Geleidelijkaan kwam het idee om het aantal opleidingsplaatsen te beperken en niet te veel artsen op de markt los te laten.” 

“Die beslissing kwam er ook om de financiële toestand van de ziekteverzekering onder controle te houden, want het heeft geen zin om te veel artsen in je zorgsysteem te hebben. Dat doet altijd de uitgaven stijgen”, verklaart De Maeseneer.

Nog van deze tijd? 

De fraude bij het toelatingsexamen van afgelopen zomer leidt de laatste weken tot heel wat commotie. Er worden ook steeds meer vragen geplaatst bij het nut van dat examen en de bijhorende startquota. 

Stroken die quota wel nog met wat maatschappelijk leeft? Wie vandaag een afspraak wil bij een oogarts of dermatoloog moet daar vaak maanden op wachten en tal van huisartsen werken met een patiëntenstop. 

“Het is zeker belangrijk dat er voldoende huisartsen en specialisten zijn. Maar de quota worden niet zomaar bepaald, daar gaat een hele planningscommissie over”, vertelt De Maeseneer. “Om de toekomstige noden in te schatten houdt de commissie onder meer rekening met de veroudering van de bevolking, technologische evoluties en de work-life balans waar artsen vandaag nood aan hebben. Dat is zeker een goed planningsinstrument.”

Ondanks alle commotie is het volgens de emeritus hoogleraar dus wel te kort door de bocht om het hele toelatingssysteem op de schop te zetten: “Het is geen goed idee om met 6.000 studenten aan de opleiding te beginnen. Dat is niet realistisch en dat kunnen we niet.”

Bron: VRT.NWS