by admin | jan 10, 2022 | Boeken
Wettelijke samenlevingsovereenkomsten worden nog al te vaak stiefmoederlijk behandeld, en dat zowel door de rechtsleer als door notarissen die hun cliënten adviseren. Daarom besloot Lynn De Schrijver een belangrijk deel van haar proefschrift aan het thema te wijden.
Ze analyseerde en evalueerde het huidige rechtskader van de wettelijke samenwoning en haar mogelijke toekomstperspectieven. Maar ze bestudeerde ook de praktische regeling van de wettelijke samenwoning aan de hand van een analyse van de inhoud van 241 notariële wettelijke samenlevingsovereenkomsten, afkomstig van 89 verschillende notariskantoren.
Zulk empirisch-juridisch onderzoek biedt een meerwaarde tegenover eerder, louter rechtsdogmatisch onderzoek. Haar bevindingen zijn nu ook in boekvorm verschenen als Wettelijke samenlevingsovereenkomsten. Tijd voor een gesprek over haar onderzoek en haar jongste boek.
Hoe gingen notarissen tot nu toe om met wettelijke samenlevingsovereenkomsten? Is er iets mis met die aanpak, en wat dan?
Lynn De Schrijver: Er zijn grote verschillen in de houding en aanpak van notarissen met betrekking tot de wettelijke samenlevingsovereenkomst, zodat het voor cliënten een groot verschil kan maken bij welke notaris zij te rade gaan.
Algemeen beschouwd blijkt de houding van het notariaat tegenover wettelijke samenlevingsovereenkomsten overwegend negatief te zijn, wat wellicht bijdraagt tot de lage prevalentie ervan. Zo blijken notarissen het sluiten van een wettelijke samenlevingsovereenkomst veel vaker af dan aan te raden.
Ook worden de voordelen ervan niet systematisch besproken met cliënten die langskomen voor advies omtrent wettelijke samenwoning. Een belangrijke reden hiervoor is dat bepaalde notarissen geen meerwaarde zien in het sluiten van een wettelijke samenlevingsovereenkomst.
Nochtans is die opvatting volgens mij – in het algemeen – niet terecht. De meerwaarde die een dergelijke overeenkomst kan bieden ten aanzien van de wettelijke bescherming kan naar mijn mening niet worden ontkend. Het rechtskader bevat tal van lacunes en onduidelijkheden en de wettelijke solidariteit tussen de partners is zeer beperkt.
Ook de noodzaak aan een regeling in een wettelijke samenlevingsovereenkomst om als wettelijk samenwonende bepaalde socialezekerheidsrechtelijke voordelen te kunnen genieten (bijvoorbeeld bij een arbeidsongeval van de partner), blijkt onvoldoende gekend. Het gebrek aan een dergelijke regeling kan nochtans grote gevolgen kan hebben in het latere leven van cliënten.
Dat laatste is meteen ook het belangrijkste voordeel van de wettelijke samenlevingsovereenkomst ten aanzien van bijkomende regelingen in andere, punctuele overeenkomsten.
Wat zijn de opvallendste conclusies die tijdens uw onderzoek naar voren zijn gekomen?
Lynn De Schrijver: Een belangrijke vaststelling met betrekking tot de inhoud van de wettelijke samenlevingsovereenkomsten is dat er vandaag niet altijd van een volledige regeling op maat sprake is.
Over het algemeen hangt deze inhoud sterk af van het model dat de notaris hanteert; de gelijkenissen tussen overeenkomsten waarvoor eenzelfde model werd gebruikt, zijn namelijk zeer groot. In sommige gevallen is dit problematisch en worden bijvoorbeeld bedingen overgenomen die in casu niet ter zake doen of wordt verwezen naar een situatie die in casu niet van toepassing is. Maatwerk is dus een aandachtspunt.
Dit sluit niet uit dat een bepaald model als basis dient, maar idealiter gaat de notaris voor elk beding na of het wel nuttig is voor partijen en of het overeenstemt met hun wensen.
Als er verschillende mogelijkheden bestaan om een kwestie te regelen, is het ook belangrijk dat de notaris partijen adviseert omtrent de voor- en nadelen daarvan in plaats van zelf een bepaalde piste als standaard naar voren te schuiven. Zo viel bijvoorbeeld op dat een beding volgens hetwelk er geen recht zal zijn op een verbrekingsvergoeding veelvuldig is opgenomen; naar alle waarschijnlijkheid omdat het zo geschreven staat in een populair model.
Nochtans is, zoals reeds aangehaald, de opname van een hulpverplichting die ook na relatiebreuk financiële gevolgen kan hebben een voorwaarde om bepaalde socialezekerheidsrechtelijke voordelen te kunnen verkrijgen. Een dergelijke regeling kwam in de geanalyseerde overeenkomsten slechts uiterst zelden voor, maar ontbreekt ook als piste in de circulerende modellen. Als dat laatste betekent dat deze piste niet met cliënten wordt besproken als alternatieve mogelijkheid, dan is dat een probleem.
Verder blijkt het vandaag niet evident te zijn om een overeenkomst te creëren die volledig juridisch correct, voldoende dynamisch én tegelijk begrijpelijk is. Nochtans is dat alles belangrijk om toekomstige interpretatie- en uitvoeringsproblemen te vermijden.
Voor wie is uw boek geschikt? En wat is de meerwaarde ervan voor lezers?
Lynn De Schrijver: Dit boek is in de eerste plaats een onmisbaar instrument voor notarissen en hun medewerkers. Daarnaast is het ook nuttig voor al wie in aanraking komt met het thema ‘samenleven’ in het algemeen en wettelijke samenlevingsovereenkomsten in het bijzonder, zoals advocaten, magistraten …
Het gaat om het meest complete en gedetailleerde werk in verband met wettelijke samenlevingsovereenkomsten in België, waarbij theorie en praktijk voor het eerst met elkaar werden verweven.
Het boek biedt de lezer heel wat informatie en inspiratie met het oog op de redactie van een (model van) wettelijke samenlevingsovereenkomst en geeft inzicht in hoe de adviesverlening aan cliënten in verband met hun samenleving kan worden geoptimaliseerd. Ook kan de lezer bijvoorbeeld de correctheid en afdwingbaarheid van bestaande regelingen nagaan.
“Mijn advies? Sta open voor de wettelijke samenlevingsovereenkomst. Het kan een nuttig instrument vormen om het dagelijkse leven van wettelijk samenwonende partners praktisch te regelen, extra solidariteit in te bouwen en toekomstige conflicten te vermijden.”
Wat is uw belangrijkste advies aan notarissen of practici die met wettelijke samenlevingsovereenkomsten geconfronteerd worden of er moeten opstellen?
Lynn De Schrijver: Sta open voor de wettelijke samenlevingsovereenkomst en bespreek de mogelijke voordelen ervan met cliënten die advies vragen omtrent hun samenleving. Indien deze goed geredigeerd is, kan zij zeker en vast een nuttig instrument vormen om het dagelijkse leven van wettelijk samenwonende partners praktisch te regelen, extra solidariteit in te bouwen en toekomstige conflicten te vermijden.
Wie wordt geconfronteerd met een bestaande overeenkomst raad ik aan om kritisch na te gaan of deze nog past bij de situatie en de wensen van partijen, zodat ze waar nodig kan worden aangepast. Bron: Kluwer
Hier kunt u enkele uittreksels van het product raadplegen en downloaden:
- PDF INHOUDSTAFEL_RNPS-BI21078
- PDF INKIJKEXEMPLAAR_RNPS-BI21078
by admin | jan 10, 2022 | Onderwijs
Deze inleiding werd gebracht door An De Bisschop tijdens het Gentse Feestendebat in 2019 over de onderwijsactualiteit.
Het onderwijs was dit jaar niet weg te slaan uit het publieke debat. We konden geen krant openslaan of de discussies over tanende kwaliteit, minder goede PISA-scores, moeilijkheden met het M-decreet, uitgebluste leerkrachten sloegen ons om de oren. Maar wat meer is, de politieke excellenties struikelden haast over mekaars voeten om opinies over onderwijs in de media te brengen; en niet altijd ging het hierbij over inhoud, er werd met scherp geschoten en de achterliggende machtsagenda was soms direct leesbaar hoezeer men dat ook probeerde te verbergen. De rol van meerderheid-oppositie bleek ook opvallend inwisselbaar; vandaag stemmen we als meerderheid een akkoord, morgen geven we kritiek op dit akkoord dat we zonet zelf gestemd hebben. Het onderwijs is van oudsher dé motor voor opwaartse sociale mobiliteit, welvaart en ontplooiing van de mens. En dat het debat vandaag zo hevig wordt gevoerd wil wel zeggen dat er iets op het spel staat in deze zo belangrijke publieke sector. Hierover willen we het eigenlijk hebben: wat staat er op het spel? Is het onderwijs in Vlaanderen er vandaag werkelijk zo slecht aan toe, en zo ja, wat moet er gebeuren om het tij te keren? In één zin dus: red het onderwijs! Nieuwe politieke breuklijnen, een nieuwe schoolstrijd Vooraleer we het debat induiken, probeer ik enkele elementen uit de onderwijsdebatten en -actualiteit te kaderen, als voorzet voor het debat straks. Om te beginnen zullen we het moeten hebben over de elementen ‘ten gronde’, namelijk over de politieke finaliteit van ons onderwijsbeleid, want het is duidelijk dat het debat hieraan raakt. In een artikel in Samenleving & Politiek (mei 2019) zegt Dirk Van Damme, Diensthoofd van het Centre for Educational Research & Innovation bij Oeso, dat nieuwe politieke breuklijnen zich aftekenen, o.m. op de thema’s kwaliteit en kennis. Deze thema’s worden zo hoog gekatapulteerd in het debat dat ze de oude gewapende vrede tussen katholieken en vrijzinnigen dreigen aan flarden te schieten, een vrede die bestond uit een gezamenlijke bekommernis rond democratisering van het onderwijs en gelijke onderwijskansen. Dirk Van Damme pleit ervoor dat vanuit sociaaldemocratische hoek meer studiewerk rond deze thema’s wordt verricht en vooral rond de vraag hoe deze te verbinden met het sociaaldemocratisch verhaal van emancipatie, sociale mobiliteit en gelijke kansen, want anders, zo vreest hij, laten we het debat rond deze belangrijke thema’s over aan liberale en rechts-conservatieve krachten, die de onderwijsagenda dreigen te bepalen. Een soortgelijke apocalyps lees ik ook bij een andere stem die het onderwijsdebat in een groter historisch perspectief bekijkt: Marc Reynebau schrijft begin april in De Standaard “Een nieuwe schooloorlog dreigt”. Vlaanderen heeft een lange traditie van armworstelen tussen katholieken en vrijzinnigen, met het schoolpact van 1958, de gelijke onderwijsfinanciering sinds de staatshervorming van 1988, en de autonomie van de koepels en scholen, het behalen van de eindtermen, enzoverder. De schooloorlog leek tot voor kort bezweerd, maar de indicaties rond tanende kwaliteit worden vandaag als koevoet gebruikt om opnieuw ten strijde te trekken. Nogal selectief is het katholiek onderwijs hierbij immers vaak kop van jut, en dit terwijl het gemeenschapsonderwijs met dezelfde problemen kampt (zo lees ik bij Marc Reynebau). Hij vraagt zich dus het volgende af: “gezien het toch niet allemaal de schuld van Lieven Boeve kan zijn, wat is dan wel de inzet van deze pre-electorale agitatie?” Twee ‘elementen ten gronde’ die ik zou willen aanhalen zijn dus, ten eerste het aspect ‘sociale ongelijkheid’ en, ten tweede het aspect ‘kwaliteit’. Vooraleer je ze als een tegenstelling leest, dat hoeft niet zo te zijn: een interview met Orhan Agirdag en Marc Devos in De Standaard begin dit jaar kopt ‘Ons Onderwijs kan excellent én rechtvaardig zijn’, laten we daar dus maar vanuit gaan. 1. Sociale ongelijkheid Als er één les is die we uit alle PISA-metingen kunnen trekken, dan is het wel dat Vlaanderen -naast een gemiddeld zeer hoge prestatiescore van de leerlingen- helaas ook tot de top behoort wat betreft het reproduceren van sociale ongelijkheid via het onderwijs. We nemen er even de cijfers van PISA 2015 bij. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat 80% van de leerlingen (15-jarigen) afkomstig uit gezinnen met de hoogste sociaal-economische status in het ASO zitten; tegenover slechts 26% van de leerlingen afkomstig uit gezinnen met de laagste sociaaleconomische status. En 45% van deze leerlingen afkomstig uit gezinnen met de laagste sociaaleconomische status volgen BSO; tegenover slechts 3,5% van de leerlingen afkomstig uit gezinnen met de hoogste sociaaleconomische status. Een overduidelijke correlatie tussen sociaaleconomische achtergrond en studierichting dus, en dit zet zich door als we kijken naar de prestaties van de leerlingen. We kunnen het verband berekenen tussen sociaaleconomische achtergrond en schoolprestaties door het verschil te berekenen tussen de schoolprestaties van de leerlingen in het hoogste en het laagste sociaaleconomisch percentiel (25%), en wat blijkt? 16% van de variantie in de PISA-score is verklaarbaar door sociaaleconomische achtergrond, waarmee Vlaanderen op de 4e plaats staat van de onderwijsystemen in West-Europa. Anders gezegd, na Luxemburg, Frankrijk en de Franse gemeenschap werkt sociaaleconomische achtergrond in Vlaanderen het meest door in de schoolprestaties van 15-jarigen. Verder onderzoek rond de PISA-scores door Ides Nicaise & Emilie Franck toont verder aan dat naast de thuissituatie ook de school waarin leerlingen terecht komen zo mogelijk nog bepalender is voor de prestaties van leerlingen. Een kansarme leerling op een college haalt zo’n 150 punten meer op PISA voor wiskunde dan een gegoede 15-jarige op een concentratieschool. Een voorsprong van ongeveer vier leerjaren. De onderzoekers wijzen op diverse mogelijke oorzaken: lagere verwachtingen bij leerkrachten, ‘moeilijkere’ scholen die daardoor moeilijker de beste leerkrachten aantrekken, alle leerlingen zitten in een moeilijke situatie, dus ze kunnen zich niet optrekken aan elkaar, enzoverder
Het volledige artikel vindt u hier Bron: Masereelfonds
by admin | jan 10, 2022 | Onderwijs
Schooldirectrice Christine Hannes en onderwijsdeskundige Tim Surma schreven hun visie in De Tijd.
Christine Hannes (42), Afkomstig uit Schoten. Directeur van de GO! Spectrumschool.
Tim Surma (41), Afkomstig uit Sint-Niklaas. Onderzoekshoofd Expertisecentrum voor Effectief Leren (ExCEL) aan Thomas More, dat zich toelegt op effectieve instructie in het onderwijs.
Met een acuut lerarentekort, corona-achterstand en een tanende kwaliteit waait een perfecte storm door het Vlaams onderwijs. En al die problemen zijn niet van elkaar los te denken, zeggen schooldirectrice Christine Hannes en onderwijsdeskundige Tim Surma.
Als Christine Hannes en Tim Surma donderdagmiddag aan tafel schuiven in de refter van Surma’s hogeschool Thomas More in het centrum van Antwerpen, is het al de tweede keer deze week dat ze elkaar ontmoeten. Maandag gaf Surma een bijscholing aan de bijna 200 leerkrachten van de GO! Spectrumschool in Deurne en Borgerhout, waar Hannes directrice is. De pedagogische studiedag ging over de basics. ‘Didactiek. Lesgeven. Heel simpel’, zegt Surma. ‘Als je de problemen in het onderwijs wil aanpakken, is de allerbelangrijkste factor waarop je vat hebt de kwaliteit van wat er gebeurt in een lesuur. Die zeven keer vijftig minuten, daar gebeurt het. Die tijd van interactie met een leerkracht die zijn best doet om dingen bij te brengen is zo kostbaar. En op dat moment is elke leerling gelijk, terwijl de tijd buiten de schooluren extreem ongelijk is.’
Het klinkt evident, en dat is het ook, zegt Surma. ‘Soms zijn dingen zo vanzelfsprekend dat ze in de praktijk vergeten worden. Een goede uitleg van wat een leerling te weten moet komen, veel vragen, veel herhaling, en veel activering van voorkennis. Met een stuk of tien bouwstenen kan je zo een goede lessenreeks maken. Maar die evidente zaken zijn voor een stuk verdwenen uit ons onderwijs door een internationale stroming in de onderwijs- didactiek die een heel romantisch beeld van onderwijs nastreefde: laat een kind zijn wie het is, laat het alles zelf ontdekken zonder begeleiding van experten, en dan lukt het wel. Maar dat lukt dus niet hé.’
Nadat hij zelf 18 jaar als wiskundeleraar voor de klas heeft gestaan, leidt Surma vandaag het expertisecentrum ExCEL. In die hoedanigheid zetelt hij ook in de commissie Beter Onderwijs die minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) in het leven riep na alweer tegenvallende scores in de internationale rangschikkingen en die volgende week een langverwacht rapport voorstelt. Surma wil vooral op onderzoek gestoelde didactische principes naar de praktijk brengen. Evidence informed teaching, heet het. ‘Alles gebeurt in slingers en golven. Die romantische idee van onderwijs komt uit een sociaal-constructivistische stroming: ‘Waarheid is relatief, kennis construeer je zelf’. Dus waarom zou een leerkracht je die nog moeten aanreiken? Op zich is er met die stroming niet zo veel mis, kinderen leren ook bij in sociale interactie. Maar een leerkracht is daardoor wat buitenspel geraakt.’
Voor het eerst in tien jaar voor de klas
‘Voor ons zijn het heel bruikbare adviezen’, zegt Hannes. De studiedag was een succes. De Spectrumschool van Hannes is een TSO- en BSO-school van 1.200 leerlingen die, zoals ze zelf omschrijft, onderaan het watervalsysteem staat. Ze wordt geconfronteerd met het acute lerarentekort. De voorbije weken gaf Hannes, juriste van opleiding, voor het eerst in de bijna tien jaar dat ze directrice is zelf weer les. Bij gebrek aan een leerkracht Nederlands. Vorige week had ze drie vacatures openstaan, waardoor haar kwetsbare leerlingen veel tijd in studie doorbrachten. De nieuwe leerkracht Nederlands is gevonden, nu nog iemand voor islam en voor elektriciteit.
‘Voor elektriciteit was het altijd al moeilijk. Dat is typisch een vak voor zij-instromers. Vanochtend sprak ik met iemand die al 20 jaar bij een Antwerps chemiebedrijf werkt en het onderwijs ziet zitten. Hij had me gemaild omdat hij me in ‘Terzake’ had gezien. Hij zou morgen kunnen beginnen, maar moet ontslag nemen, beginnen aan de lerarenopleiding en wachten op de erkenning van zijn nuttige ervaring. Hij mag maar acht jaar anciënniteit meenemen, dus hij zou nog lang een veel te laag loon krijgen. Dat zijn heel wat obstakels. Het zou al een quick win zijn om die mensen meteen een rechtmatig loon te geven.’
Minister Weyts stelde deze week een lijstje met andere quick wins voor om het lerarentekort aan te pakken. In welke geloven jullie?
Tim Surma: ‘Het zijn vooral blusmaatregelen. Er zijn er die op korte termijn een effect kunnen hebben, zoals zij-instroom makkelijker maken. Of een rasleerkracht die heel graag lesgeeft niet verplicht met pensioen sturen. Maar ik denk niet dat ze naar de essentie van het probleem gaan. Als je de uitstroom van je startende leerkrachten drastisch verkleint, los je al een groot deel van het probleem op.’
Christine Hannes: ‘Daarom zou sneller en meer stage in de lerarenopleiding ook goed zijn. Ik merk dat veel beginnende leerkrachten een verkeerd beeld hebben van het onderwijs. De vlakke loopbaan maakt de job minder aantrekkelijk. Kunnen doorgroeien als leerlingenbegeleider, technisch adviseur of ondersteuning voor gelijke kansen, zoals hier, kan niet overal.’
Als leerkrachten meer naar de kerntaak kunnen, zullen er minder uitvallen.
Hoe komt het dat het tekort net nu zo nijpend is?
Surma: ‘Over het lerarenkorps zijn een hoop moderniseringen uitgerold. En daarover zijn dan nog eens allerlei actieplannen en de digisprong, om de achterstand in digitalisering in te halen, gegoten. Ik denk dat dat te veel is.’
Hannes: ‘Lesgeven is je hoofd boven water houden in een zwembad dat steeds dieper gevuld wordt. Dan gooien ze een energiedrankje toe – zoals de uren voor extra bijlessen – maar als je aan het verdrinken bent, kan je dat niet aanpakken.’
Surma: ‘Het speelt al veel langer, natuurlijk. Wat nu ook bewezen wordt: snelle, kortdurende investeringen in het onderwijs leiden altijd tot een herverdeling in activa. Je vindt amper leerkrachten Nederlands omdat die ingeschakeld worden voor bijlessen tegen de coronaleerachterstand. Op zich een fantastisch idee, maar je kan leerkrachten maar één keer gebruiken.’
Geven veel leerkrachten er ook de brui aan omdat ze bezwijken onder taken die niet met lesgeven te maken hebben?
Surma: ‘Bijna alle lezersbrieven en opinies van leerkrachten en directies die je nu leest, zijn een pleidooi om naar de kerntaak te gaan: lesgeven. De maatschappij verwacht soms niet-realiseerbare dingen van het onderwijs. We moeten aflijnen wat we van een school verwachten. Is dat goed kunnen lezen en schrijven, en bekwaam zijn voor de toekomst? Dan moeten we dat helder stellen en leerkrachten daarmee bezig laten zijn. Leerkrachten moeten nu steeds meer zorg bieden aan specifieke leerlingen, maar daar zijn ze vaak niet voor opgeleid. Laat staan dat het de reden is waarom ze in het onderwijs gingen. Of ze moeten zich juridisch indekken tegen beroepscommissies, of zich administratief voorbereiden op een schoolinspectie. Dat heeft niets met lesgeven te maken. Als leerkrachten meer naar de kerntaak kunnen, zullen er minder uitvallen.’
Hannes: ‘Ik was vroeger als leerkracht in de vakantie een week bezig met het opstellen van een vorderingsplan. Dat is een hele jaarplanning, van les tot les. Natuurlijk moet je aantonen welke leerstof je wil zien en hoe je dat wil spreiden. Maar uiteindelijk gebeurt daar de rest van het schooljaar niets mee. Het is het eerste dat ik als directeur vereenvoudigd heb, al had de inspectie daar vragen bij.’
Surma: ‘Er hangt een geest van verantwoordingsplicht in ons onderwijs. We moeten constant documenteren waarmee we bezig zijn. Logisch, maar daar is een enorm gewicht aan gegeven, terwijl dat ook op een A4’tje kan.’
Weyts versnelde dit jaar de vaste benoeming. Gaat dat helpen tegen het lerarentekort?
Hannes: ‘Dat is contraproductief. Vorig schooljaar kreeg ik drie leerkrachten die ik voorrang moest geven omdat ze vastbenoemd waren, maar op hun eigen school geen uren meer hadden. Die hadden nog nooit in Antwerpen lesgegeven en hadden moeite met de context van onze school. Daarvoor moest ik wel een goede tijdelijke leerkracht aan de deur zetten, die bewust had gekozen voor onze school. Mensen gaan sneller benoemd raken en sneller boventallig zijn.’
Surma: ‘De vaste benoeming versnellen is inderdaad geen maatregel tegen het lerarentekort. Hij draagt bij tot de hinderpalen voor een succesvol hr-beleid.’
De werkdruk in de lerarenopleiding is gigantisch.
Volgende week wordt het rapport van de commissie Beter Onderwijs voorgesteld over de almaar slechter wordende kwaliteit. Is die problematiek rechtstreeks gelinkt aan het tekort aan leerkrachten?
Surma: ‘Je kan dat niet los van elkaar zien. De kwaliteit komt in het gedrang door het lerarentekort. Maar dat is eveneens een symptoom van de dalende onderwijs- kwaliteit. De maatschappelijke perceptie van het onderwijs daalt omdat mensen zien dat de kwaliteit achteruitgaat.’
Zag u de neergang van ons onderwijs 15 jaar geleden als leerkracht wiskunde?
Surma: ‘Absoluut. Ik zag in het eerste jaar secundair dat leerlingen dingen niet meer konden die ze zeven jaar daarvoor wel nog konden. Bijvoorbeeld meteen weten hoeveel 7 maal 5 is. Leerlingen zeiden: ‘Hoe zou ik dat moeten weten? Ik heb toch geen rekenmachine bij me?’ Dat soort respons begon je te krijgen. Dat is geen steen in de richting van de leerkracht lager onderwijs. Die zeiden me dat ze dat gewoon niet meer mochten aanleren. Als ik met een sterke klas uitdagende oefeningen wilde doen, kreeg ik onder mijn voeten van de pedagogische begeleiding of de inspectie.’
Hannes: ‘Ergens snap ik vanwaar dat komt. Als je de lat te hoog legt en daarop evalueert, zou dat fout zijn. Ik vind het heel goed dat de overheid zegt: dit zijn de eind- termen, dat moet iedereen kunnen en daarop evalueren we. Het kan niet de bedoeling zijn dat jongeren uitvallen omdat de lat bij de start al te hoog ligt. Er moeten groeikansen zijn.’
Surma: ‘Absoluut, maar het gaat voor mij verder dan concrete eindtermen. Het gaat om de ideologie die door die instanties verspreid werd. Die is traceerbaar in tijdschriften, kranten, opiniestukken en cursusmateriaal. In de jaren 90 zag je citaten als: ‘Het lager onderwijs moet niet meer voorbereiden op het secundair onderwijs’. Het werd duidelijk gesteld: dingen kennen is minder belangrijk. Met die kanttekening dat dat natuurlijk niet bewust is gedaan om ons onderwijs kapot te maken.’
Hannes: ‘Ik denk zelfs vanuit het juiste idee dat de hele klas mee moet en dat je moet maken dat je geen elitair onderwijs krijgt. Maar de slinger is doorgeslagen. Ik heb nu schrik dat hij weer naar de andere kant zal doorslaan. Wij zijn een typische watervalschool. De focus op te veel kennis is net een van de redenen waarom leerlingen bij ons terechtkomen. Het traditionele lesgeven met zijn algemene klassikale theoretische toetsen is wat jongeren in de waterval duwt. Ik geloof dat algemene vorming belangrijk is, maar in ons specifieke geval, met al die negatieve schoolervaringen, moet je opletten dat ze niet afhaken.’
Kritisch denken zonder achtergrondkennis is gewoon lastig doen.
Maar weer meer nadruk op kennis is wel een noodzaak?
Surma: ‘Mevrouw Hannes haalt een van de belangrijkste argumenten aan die mensen hebben tegen een kennisrijk curriculum. Dat wordt geassocieerd met een grijze vijftiger die aan zijn bureau zit en vijftig minuten declameert. Maar dat hoeven dus geen synoniemen te zijn. Een kennisrijk curriculum moet worden gebracht op een uitdagende, didactische manier: met oefeningen en interactie, en leerkracht- en leerlinggestuurd. Er wordt soms geponeerd dat we kinderen alleen maar kritisch moeten leren denken. Maar ook daarvoor is kennis van tel. Ik kan bijvoorbeeld heel goed kritisch denken over onderwijs, maar plaats mij tegenover Fernand Huts om het te hebben over belastingconstructies en het gesprek stopt. Kritisch denken zonder achtergrondkennis is gewoon lastig doen.’
Hoe kunnen we nog onze onderwijskwaliteit opkrikken?
Surma: ‘Ik kan niet vooruitlopen op het rapport, maar er zullen een hoop adviezen instaan om de kwaliteit op te krikken. De recepten voor kwaliteitsverbetering moeten van structurele aard zijn. De leraren- opleidingen moeten verbeterd worden, de aanvangsbegeleiding moet goed zijn, er moet gewerkt worden met kennisrijke curricula zodat vakmensen hun ding kunnen blijven doen en de kwaliteit van ons onderwijs moet beter gemonitord worden. Het is toch vreemd dat de onderwijsinspectie niet al 15 jaar geleden heeft gezien dat er iets aan de hand is met ons onderwijs? Nu moeten we telkens wachten op buitenlands onderzoek.’
U haalt de lerarenopleiding aan. Wat loopt daar mis?
Surma: ‘Het kennisrelativisme is ook doorgesijpeld in de lerarenopleiding, vanuit het mantra dat het niet meer zo belangrijk is om dingen te weten omdat je het kan opzoeken of vragen. We weten uit de cognitieve psychologie dat de dingen die je weet bepalend zijn voor de kwaliteit en het tempo van toekomstig leren. Als je begint te tornen aan een fundament van menselijke cognitie, moet je niet verbaasd zijn over wat aan het gebeuren is in ons Vlaams onderwijs.’
Hannes: ‘Met een kanttekening: de werkdruk voor de leraren in de lerarenopleiding is gigantisch. Ze krijgen soms absurd weinig tijd om hun vak te geven, zich voor te bereiden of nazorg te bieden.’
Surma: ‘Klopt. Lerarenopleidingen zouden knowledge brokers moeten zijn. Er wordt veel goed wetenschappelijk onderzoek verricht naar onderwijs en didactiek, maar alleen daarmee kom je er niet. Geef docenten de kans om deels in de lerarenopleiding en deels in het secundair les te geven. Zo link je het wetenschappelijke aan het ambacht van het lesgeven.’
Als je echt efficiëntiewinsten wil, moet je drastische wijzigingen doorvoeren. Maar wie durft zich daaraan te verbranden?
Een van de schrijnende vaststellingen is dat weinig landen meer geld steken in onderwijs dan wij, maar toch zakken we in de rankings. Hoe komt dat?
Hannes: ‘De belangrijkste reden is de versnippering. Het is waanzin hoe ons onderwijs georganiseerd is. Je hebt stedelijk, provinciaal, gemeenschaps- en katholiek onderwijs. Binnen het katholieke heb je nog eens groeperingen. Zelfs CLB’s zijn versnipperd. In Deurne zijn vijf scholen. Als een jongere in een jaar naar drie verschillende scholen gaat – en zo zijn er – krijgt die telkens een nieuwe leerlingenbegeleider. Dat is verspilling van geld, energie en talent. Ik snap dat mensen oog hebben voor het pedagogisch project, maar één officieel onderwijsnet zou ik al veel logischer vinden.’
Surma: ‘Schrijf er maar bij: ‘Tim Surma knikt instemmend’.’
Hannes: ‘We laten scholen elkaar beconcurreren met overheidsgeld. We hebben die leerlingen nodig om de lesuren en de leerkrachten te betalen en de school te kunnen verwarmen.’
Surma: ‘Van buitenaf is het raar. Zodra je in het onderwijs zit, is het een normaliteit. Maar je raakt een fundament van hoe ons Vlaams onderwijs opgebouwd is, met een heel lange geschiedenis. Die heeft te maken met de staat, onderwijsvrijheid, neutraliteit, ideologie. Dat is moeilijk aan te pakken.’
Hannes: ‘Begin dan al eens met de CLB’s samen te voegen.’
Er zijn dus efficiëntiewinsten te boeken?
Surma: ‘Ja, maar dat wil niet zeggen dat het besparingen legitimeert. Op zich is het een heel bijzonder signaal dat er nu net op onderwijs bespaard is, terwijl er in de coronacrisis zo veel aandacht was om de scholen open te houden.’
Hannes: ‘Als je echt efficiëntiewinsten wil, moet je drastische wijzigingen doorvoeren. Maar wie durft zich daaraan te verbranden?’
U zei deze week dat er ondanks alle moeilijkheden toch nog veel redenen voor optimisme zijn, meneer Surma. Is dat zo?
Surma: ‘Ja. Er zijn ondertussen scholen waar de directeurs de basisfundamenten herstellen: de inhoud van een vak voorop, aanleerbare doelen en passende didactieken. En wat valt er op? Het werkt. Niets geeft 100 procent garantie, maar er zijn redenen genoeg om optimistisch te zijn.’
Hannes: ‘De meeste mensen in het onderwijs zijn nu eenmaal idealisten. Die willen er ook iets mee doen. En bij mij zijn het mijn leerlingen die mij aanzetten tot optimisme. Er is nergens ter wereld een job waarin je meer verschil maakt dan in onderwijs. In onze school is dat zeker zo. Een van onze oud-leerlingen is Yassine Boubout. Die heeft bij ons een heel moeizaam schoolparcours gekend, maar we hebben met hem hard gewerkt. Nu zit hij in zijn laatste jaar rechten en doet hij heel nuttig werk rond politiegeweld. En zo zijn er veel succesverhalen.’ Bron: De Tijd