‘Ambitie, Efficiëntie En Hard Werken Zijn Heilig, Maar Waar Doen We Het Eigenlijk Voor?’

‘Ambitie, Efficiëntie En Hard Werken Zijn Heilig, Maar Waar Doen We Het Eigenlijk Voor?’

‘Degrowth wordt vaak gelinkt aan de planetaire grenzen en ecologische draagkracht van de aarde, maar degrowth is evenzeer een gezonde reactie op een economisch systeem dat onze menselijke draagkracht aantast’, schrijven Elze Vermaas en Lara Ferrante van de ecologische denktank Oikos. Deze bijdrage maakt deel uit van de zomerreeks De Doordenkers van Knack.be: Loon naar Werken.

Meer en meer jongeren veranderen tegenwoordig sneller van job en zijn actief op zoek naar een goede balans tussen werk en privé. Trends als ‘quiet quitting’ gaan viraal onder Gen Z. ‘Quiet quitters’ zijn jonge werknemers die zich verzetten tegen de cultuur om lange dagen te kloppen op het werk. In de plaats daarvan kiezen ze er actief voor om uit de ratrace te stappen en het rustiger aan te doen. Ze doen net genoeg om bij te blijven, verlaten het werk op tijd en zijn niet meer bereikbaar na de werkuren. Het past ook allemaal binnen de algemene trend van mensen die, sinds de coronapandemie, hun werk in vraag zijn beginnen stellen.

Alarmerende cijfers

Verschillende cijfers bevestigen dat er iets verkeerd zit met onze balans tussen productiviteit en ontspanning, of met onze maatschappij die te veel draait om presteren.

We zien dat het aantal geestelijke gezondheidsproblemen, zoals depressies en burn-outs, explodeert en dat mensen steeds minder zingeving vinden in hun werk. Er zijn vandaag al bijna een half miljoen langdurig zieken in België en uit cijfers van de Onafhankelijke Ziekenfondsen blijkt dat het aantal burn-outs met 66 procent steeg tussen 2018 en 2021. Volgens een onderzoek van de UGent geeft 22% van de werknemers aan dat ze niet uitgerust geraken nadat ze gewerkt hebben en voelen 1 op 6 werknemers zich ‘vaak tot altijd’ mentaal uitgeput en een even groot deel ‘vaak tot altijd’ fysiek uitgeput. Daarnaast slapen we ook minder goed. Het gebruik van slaapmedicatie stijgt al twintig jaar en deze trend is ook zichtbaar bij jongeren.

Deze cijfers zijn alarmerend, maar slaan niet louter op problemen die optreden door het werk. We zien namelijk ook dat we al jaren steeds minder uren per week gaan werken. Het is dus duidelijk dat deze gezondheidsproblemen een gevolg zijn, niet alleen van het werken zelf, maar van een volledige levensstijl die ons uitput. We nemen te weinig tijd voor rustmomenten, analyseert professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis. De druk om constant ‘productief’ te zijn of voortdurend te consumeren en te ‘beleven’ is hoog. Die druk wordt mede opgevoerd door advertenties en sociale media die ons verleiden om onze vrije tijd consumerend door te brengen, of zo lang mogelijk op sociale media zelf door te brengen zodat grote techbedrijven extra kunnen cashen.

We leven meer en meer in een prestatiemaatschappij, waarin we al onze activiteiten veranderen in meetbare prestaties. We moeten niet alleen op het werk steeds meer presteren en efficiënter zijn, maar ook daarbuiten. Het lijkt nooit goed genoeg en ‘druk zijn’ is intussen een statussymbool. Ambitie, efficiëntie en hard werken zijn heilig, maar waar doen we het eigenlijk voor?

Het ontredderde antwoord zou weleens kunnen zijn: enkel om de groeicijfers van onze economie positief te laten uitslaan. Maar het economisch systeem waar we in (vast) zitten heeft lak aan limieten, althans zo is het ontworpen. Het erkent de planetaire grenzen niet en erkent ook onze emotionele, mentale en fysieke limieten niet. Er is uiteraard een grens aan wat we als mens kunnen dragen.

Wat zegt dit over onze maatschappij?

Burn-outs, depressies, uitputting en de algehele prestatiemaatschappij komen voort uit een systeem dat steeds maar blijft aansturen op (economische) groei, zowel op het werk als daarbuiten. Een kapitalistisch systeem heeft er alle baat bij dat wij steeds meer produceren en consumeren en nooit eens stilstaan om te rusten of helemaal niets te doen. In die zin is rusten een vorm van verzet tegen het kapitalistische systeem, zoals Tricia Hersey omschrijft in haar manifest Rest is Resistance. De tijd waarin we niks doen is juist enorm belangrijk om te helen of onze creativiteit aan te wakkeren. We moeten ook uitkijken om rust niet opnieuw te zien als iets dat enkel dient om daarna terug productiever te zijn op het werk. Hersey stelt eveneens dat ons is aangeleerd dat hoe meer we doen, hoe meer ‘waarde’ we hebben. Dit narratief past naadloos binnen het huidige kapitalistische systeem dat almaar meer moet groeien, terwijl het zeer de vraag is of het onszelf ten goede komt. Waarom zouden we eigenlijk steeds productiever moeten willen worden, binnen én buiten het werk?

Pleidooi voor degrowth

Degrowth wordt vaak gelinkt aan de planetaire grenzen en ecologische draagkracht van de aarde, maar degrowth is evenzeer een gezonde reactie op een economisch systeem dat onze menselijke draagkracht aantast.

Als we ons economisch systeem zo ontwerpen dat de groeidrift niet langer boven alles wordt geplaatst, dan stoppen we niet alleen de afbraak van onze natuur, maar zorgen we ook voor onszelf en creëren we ruimte om voor elkaar te zorgen. Aangezien precies deze zaken, van zorg en wederkerigheid, ondergewaardeerd worden in ons huidige systeem.

In het huidig economisch model zal er altijd gezocht worden naar een verhoging van de productiviteit aangezien dit een van de beste manieren is om de winst te verhogen. Los van direct de productiviteit van werknemers op te voeren – dat in excessen leidt tot situaties zoals bij Amazon waar de werknemers luiers dragen omdat ze geen tijd krijgen om naar de wc te gaan en dan vaak na 8 maanden zijn opgebrand – zal de arbeidsproductiviteit ook altijd langzaam verbeteren door technologische innovatie. De logica is dan dat de economie moet groeien om te zorgen dat mensen die hun baan verliezen door deze innovaties toch weer een nieuwe baan kunnen vinden. Dit staat haaks op wat een van de grondleggers van onze huidige economie, John Manyard Keynes, in 1932 voor ogen had over de toekomst: “Een tijd waarin we allemaal minder uren werken, we stoppen met de eindeloze zoektocht om het inkomen te verhogen en meer tijd zouden doorbrengen met familie, vrienden en de gemeenschap.”

Hij dacht dus dat de economie zelf tot een soort rustpunt van genoeg zou komen, maar helaas blijkt het tegendeel waar. Degrowth laat zien dat in reactie op technologische innovaties die de efficiëntie verhogen, we ook kunnen kiezen om allemaal minder uren te werken en meer tijd te hebben voor rustmomenten. Een onderzoek in IJsland laat zien dat dit kan. Het verminderen van de werkuren zorgde niet voor minder productiviteit en zorgde voor gelukkigere en gezondere werknemers. In een kortere werkweek wordt de focus verlegd van het aantal uren dat je moet werken naar het werk dat moet gebeuren, anders gezegd, van ‘bezig zijn’ naar het juiste werk. Werknemers gaven zelf aan minder stress te ervaren en meer tijd en energie te hebben voor hobby’s, sport en vrienden en familie.

Het idee dat we telkens meer van onszelf moeten vragen, omdat ons economisch systeem nu eenmaal moet groeien, komt onszelf niet ten goede. In plaats van te streven naar méér werk, méér arbeidsproductiviteit, méér consumptie om te ‘ontspannen’ en daaraan gekoppeld méér stress, méér klachten van burn-out en slaapproblemen, zouden we ons moeten laten inspireren door ecosystemen en balans centraal zetten. Stel je een economie van wederkerigheid voor, die de menselijke maat centraal stelt en daarmee onze limieten respecteert, ons niet verleidt met advertenties om onze vrije tijd enkel al consumerend door te brengen, maar ons de ruimte geeft die tijd door te brengen in rust met onszelf en met onze geliefden en hobby’s.

Elze Vermaas is medewerker bij Oikos. Het afgelopen jaar was ze vice-voorzitter van het Jong Wetenschappelijk Bureau GroenLinks.

Lara Ferrante is medewerker bij Oikos. Ze is afgestudeerd als ingenieur-architect en behaalde ook een master in Conflict & Development, waarin ze een masterproef schreef over degrowth. 

Dit stuk verscheen in Knack op 09/08/2023.

Bron: oikos.be

Psychisch welzijn onder druk: ‘We schieten veel te laat in gang’

Jens Van Cleynenbreugel is jeugdhulpverlener en houdt van een potje zaalvoetbal. Na een foute dribbel en gescheurde achillespees belandde hij in een mentale dip. Hij nam de ruimte om na te denken over een verbetertraject van onze geestelijke gezondheidszorg.

Gescheurde achillespees

In een zaalvoetbalwedstrijd sloeg het noodlot toe: een foute dribbel en mijn achillespees scheurde volledig door. Van de ene op de andere dag werd ik geconfronteerd met de gevolgen van een zware blessure. Evidenties vielen weg. Anderen deden mijn boodschappen, mezelf aankleden werd een enorme uitdaging.

Tijdens de revalidatie ging veel aandacht naar mijn fysiek herstel. Dat zat snor. Maar ook mentaal fit blijven was een zwaardere dobber. Toen ik dat gevoel deelde in het ziekenhuis, kreeg ik het advies om “veel Netflix te kijken” en “als het echt te zwaar wordt, misschien eens te praten met een psycholoog”. Met dat karig advies bleef ik op mijn honger zitten.

Miskraam

Ik zag iets gelijkaardig gebeuren bij een vriendin die een miskraam kreeg. In het ziekenhuis kreeg ze van naaldje tot draadje uitgelegd wat er in haar lichaam gebeurd was, welke fysieke ongemakken ze nog zou hebben en hoe het nu verder moest bij een eventuele volgende zwangerschap.

Veel minder aandacht was er voor de verwerking van het rouwproces en de impact van deze gebeurtenis op haar zelfbeeld. Ze had het gevoel er alleen voor te staan.

Geregeld ziek

Een laatste voorbeeld, om duidelijk te maken dat deze persoonlijke ervaringen geen louter toeval zijn.

Ik maakte me zorgen over een vriend die het afgelopen jaar geregeld ziek was. De arts schreef telkens antibiotica voor. Ik wist dat hij een pittig jaar achter de rug had: hij was druk bezig met verbouwingen aan zijn huis, kreeg een zoontje en moest tussendoor ook nog eens het overlijden van zijn vader verwerken. Ik gooide hem voor de voeten of deze zware periode geen mentale sporen had achtergelaten.

Na enkele dagen tobben, besloot hij contact op te nemen met een psycholoog. Die bevestigde dat chronische stress een aanslag pleegde op zijn fysieke gezondheid. Hij kreeg inzichten om ermee aan de slag te gaan en een voelt zich ondertussen al een stuk beter. Verontwaardigd stelde hij me de vraag: “Waarom heb ik hier vroeger nooit iets over geleerd?”

Algemeen onbehagen

Deze persoonlijke ervaringen deden me stilstaan bij de plaats van mentaal welzijn in onze samenleving. Hier is meer aan de hand dan mijn dip na dat ongelukkig voetbalongeval of de antibiotica voor chronische stress.

Hoewel onze levensstandaard nog nooit zo hoog was, scoren we voor mentaal welzijn steeds slechtere punten. Om maar iets te zeggen: het gebruik van antidepressiva in ons land is zorgwekkend.

In zijn nieuw boek beschrijft Paul Verhaeghe treffend een breed gedeeld gevoel van onbehagen dat velen van ons delen. Ons mentaal welzijn staat onder druk en dat heeft vooral te maken met hoe wij als mensen en als samenleving in elkaar steken. We zijn allemaal ingewikkelde wezens die in een complexe wereld leven. Om maar iets te zeggen: misschien sloeg een wereldwijde pandemie jouw partner uit het lood en beïnvloedde dat ook jou.

Schijn bedriegt

Onze maatschappij plooit zich naar die vele vragen en noden: zelfzorg, mindfulness, wandel- en burn-outcoaches, detox-cabines… Ze schieten als paddenstoelen uit de grond. Ze corrigeren de dominante aandacht voor fysieke problemen. De ruimte om onze psychische problemen op tafel te leggen, wordt groter. Dat is een belangrijke plus.

Toch heb ik ook een wrang gevoel bij deze evolutie. Want ondanks al die ondersteuningsmogelijkheden, schieten we pas in gang als het water ons aan de lippen staat. We zijn te afwachtend en laten kleine zorgen en twijfels escaleren.

Of het nu gaat om moordende werkdruk of ingrijpende levensgebeurtenissen: we pakken de psychische belasting daarvan pas aan als er zich onmiskenbare problemen voordoen die we zelf niet meer onder controle krijgen.

Sleutelrol van onderwijs

Als jeugdhulpverlener maak ik me daarover zorgen. Ook als het gaat over mentaal welzijn van jongeren kijken we toe en hopen we op sterke antwoorden van gespecialiseerde zorg. Toch moeten we meer proactief durven denken en werken. Of zoals mijn verontwaardigde vriend het formuleerde: ”Waarom hadden we het er niet over op school?”

Zijn vraag wijst de weg naar de sleutelrol van scholen. Scholen zijn de ideale voedingsbodem om te werken rond psychische gezondheid van jongeren. Zorg ervoor dat emotionele intelligentie, stressbeheer en verbindende communicatievaardigheden een volwaardige plaats krijgen in het lessenpakket. Zo leg je een stevige basis voor psychische gezondheid van jonge mensen. Zo breek je verder in op het taboe rond mentale problemen en psychische kwetsbaarheid.

Niet iedereen psycholoog

Het pleiten voor een proactieve benadering van geestelijke gezondheid betekent niet dat we moeten streven naar een samenleving waarin iedereen psycholoog wordt of waar psychologisering om elke hoek loert.

Integendeel, laat psychische en psychiatrische problemen over aan de -ogen en -iaters. Het doel is veeleer om kennis over ons mentaal welzijn net zo vanzelfsprekend te maken als bijvoorbeeld kennis over wiskunde en lichamelijke gezondheid.

Goede praktijk

Er zijn goede praktijken die dat al doen. Zelf ben ik betrokken in een beloftevolle samenwerking tussen het Heilig Hartinstituut in Heverlee en jeugdhulporganisatie Alba vzw. Dit verbindend initiatief ontstond vanuit de vele burn-outs bij leerkrachten.

We ontwikkelden samen een project dat leerkrachten ondersteunt in hun kennis over psychische gezondheid. Maar we trainen hen ook in hun relationele en groepsdynamische vaardigheden. Wat aanvankelijk gericht was op geïnteresseerde leerkachten, verspreidde zich geleidelijk naar alle leerkrachten en leerlingen.

Veel leerkrachten integreerden de inzichten van de training in hun lessen. De leerkracht wiskunde bijvoorbeeld start nu zijn lessen met een korte communicatieoefening. Hij vertelt me dat zowel de concentratie als de klassfeer in de lift zitten. Op die manier dragen leerkrachten en scholen hun steentje bij aan een gezonde samenleving. Hopelijk kan dat steentje ook de rivier anders doen stromen.

Zeker lezenIsh Ait Hamou: ‘Ik doe gewoon mijn best’‘Nooit gedacht dat ik voor mezelf buddy’s moest werven’‘Geef mensen met jongdementie toegang tot persoonsvolgende financiering’

Nieuwsbrief

Elke week de nieuwste artikels in je mailbox?

Reacties [4]

Mijn reactie

  • Peter van der nol21-02-2024Wat er in BELGIE gebeurd, is in NEDERLAND al jaren aan de gang.
    En de op lossing is neem je kind in huis, lekker goed koop, zeg de politiek.Reageer
  • Koen20-02-2024Het initiatief in Heverlee is schitterend. Elke leerkracht kan zijn les starten met een korte communicatieoefening en even voelen hoe zijn/haar leerlingen erbij zitten. Dat zal zeker bijdragen tot meer aandacht, concentratie een betere groepsdynamiek in de klas. Dat zorgt voor gemotiveerde leerlingen en levert nadien afgestudeerden die mee kunnen zorgen voor een gezonde samenleving. DOEN DUS!Reageer
  • Goedele15-02-2024Fijn artikel.Ik hoop inderdaad op een inclusie in het onderwijs, dat zou veel veranderen. Het zgn´ stigma´ van psychologische hulp wegnemen en goede psychische gezondheidszorg net zo toegankelijk maken als een huisarts. Met de nadruk op ´goede´ en goed opgeleid.Reageer
  • Vera15-02-2024Helemaal mee eens! Het onderwijs is een ideale plek om vaardigheden die bijdragen tot psychische gezondheid, mee te geven. En heel blij te lezen over het initiatief in Heverlee. Mooi dat het startte bij de leerkrachten, de leerlingen het positieve effect zagen en dat ook wilden! Er is nog hoop. Bedankt voor deze bijdrage.Reageer

We zijn benieuwd naar je mening!
Blijf hoffelijk, constructief en respectvol

Elke reactie wordt gemodereerd. Lees hier onze spelregels. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

 Stuur mij een bericht als mijn reactie wordt goedgekeurd.

Ik ga akkoord met het privacybeleid.

Nood aan een babbel of gesprek?

Heb je nood aan een gesprek na het lezen van dit artikel? Je kan nu en later (24/7) anoniem terecht bij Tele-Onthaal op het gratis nummer 106. Chatten kan via www.tele-onthaal.be.

Bron: sociaal.net

Dikke Freddy aan Bart De Wever, moneymaker

Geachte heer De Wever, beste Bart,

Ik heb begrepen dat de stad Antwerpen 21 miljoen heeft geleend om op die manier 50 miljoen subsidie te ontvangen. Alstublieft! Over subsidieslurpen gesproken…

Om die wonderbaarlijke vermenigvuldiging van geld te realiseren was het nodig dat het grote Antwerpen fuseerde met het kleine Borsbeek en zo ontstaat vanaf Nieuwjaar de wereldstad Borstwerpen.

Gemeentes die fuseren kunnen een paar trouwe soldaten belonen omdat ze na de verkiezingen twee extra schepenen mogen aanduiden en daar bovenop krijgen ze uit de bodemloze Vlaamse staatskas subsidies om hun schulden af te betalen. Antwerpen en Borsbeek blijken samen amper 29 miljoen schulden te hebben en dus moest er 21 miljoen worden bij geleend zodat de Vlaamse burgers die daar niet wonen belastingen kunnen betalen om de maximale subsidie van 50 miljoen voor Borstwerpen op te hoesten. Dat is afgerond 25 euro per Vlaams huishouden. Het is tenslotte logisch dat ze hun wereldstad steunen.

Borstwerpen heeft dus zijn schuldenberg vergroot om hem kleiner te maken. Omdat ik altijd wil leren van onze politieke leiders wil ik nu onderzoeken of het voor mijzelf ook zinvol is om mijn schuldenberg te vergroten om hem kleiner te maken.

Zou het een optie zijn indien ik ga samenwonen met Fabiënne Geerts, mijn onderbuurvrouw? Onze gezamenlijke schuld bedraagt ongeveer achtduizend euro. Stel dat wij nog tweeduizend extra lenen… Denkt u dat het dan mogelijk is om een subsidie van bijvoorbeeld tienduizend euro te ontvangen? Kunt u mij laten weten hoe en bij wie ik die subsidie moet aanvragen? Kan u mij eventueel rechtstreeks in contact brengen met de ministers die dergelijke zaken voor u regelen?

Ik zal u ten zeerste dankbaar zijn en ik groet u met Hoogachting,

Fr. De Meester,
U kent mij uit eerdere briefwisseling als Dikke Freddy.

Bron: sociaal.net

Babyboomers: ‘Het is vijf voor twaalf voor de ouderenzorg’

Babyboomers: ‘Het is vijf voor twaalf voor de ouderenzorg’

Vlozo, het Vlaams netwerk van private woonzorgcentra, onderzocht hoe de generatie babyboomers kijkt naar zorg in haar oude dag. Duidelijke conclusie: hun wensen sluiten niet aan bij het huidige zorgaanbod.

Een grote groep

De groep babyboomers – mensen geboren kort na de Tweede Wereldoorlog – is groot. Dat geeft hen meteen ook veel politieke invloed. Een groot deel van hen is goed opgeleid, welstellend en actief in het verenigingsleven. Ze beschikken doorgaans over een goede gezondheid, zijn zelfbewust en individualistischer ingesteld dan generatie voor hen.

Dit is de generatie van mei ’68: ze zijn meer sociaal gericht en politiek bewust van wat rond hen gebeurt.

Minder duidelijk is wat de babyboomers, nu ze hun grijze en zilveren jaren tegemoet gaan, verwachten van de ouderenzorg . We voelen wel aan dat zij er met andere verwachtingen naar kijken, maar echt weten wat ze willen is natuurlijk nog iets anders.

Te weinig aansluiting

Om die lacune in te vullen, peilden Vlozo samen met onderzoeker Katrin Gillis (Odisee hogeschool) naar de verwachtingen die babyboomers hebben over zorg in hun ‘oude dag’.

Hun voorkeuren en wensen zijn samen te vatten met duidelijke begrippen: informatie, keuze, autonomie, privacy, inspraak, verbondenheid, genieten, gemoedsrust en tot slot kwaliteitsvolle, waardige en gegarandeerde zorg. Kortom: babyboomers willen graag zorg op maat die maximaal aansluit bij hun persoonlijke noden en wensen.

Als je die keuzes naast het huidig aanbod in de Vlaamse ouderenzorg legt, dan wordt meteen duidelijk dat babyboomers op hun honger blijven zitten. Die kloof is één van de voornaamste redenen waarom woonzorgcentra vandaag steeds minder populair zijn. Een klassiek woonzorgcentrum met een algemeen zorgaanbod voor alle bewoners beantwoordt niet aan de verwachtingen.

Nieuwe fundamenten

Het is vijf voor twaalf voor de ouderenzorg. We hebben een grondige transformatie nodig.

We moeten anders kijken naar kwaliteit en kwaliteitsvolle zorg. We moeten als samenleving evolueren naar meer relatiegerichte ondersteuning van ouderen. We moeten investeren in woonomgevingen waar iedere bewoner zich thuis voelt en waar iedereen de mogelijkheid heeft een kwaliteitsvol leven te leven.

Goed lokaal sociaal beleid

Als het gaat over de omgeving komen steden, gemeenten en eerstelijnszones in het vizier. Het is hun taak de regie op te nemen van een goed lokaal sociaal beleid.

Dat beleid zorgt voor een vlotte toegang tot informatie over de mogelijkheden rond ouderenzorg, zet initiatieven op poten om een gezonde leefomgeving te bevorderen en garandeert een gedifferentieerd woonaanbod voor ouderen.

Residentieel en relationeel

Nieuwe fundamenten moeten de residentiële ouderenzorg hertekenen. Soms is een verhuis naar een woonzorgcentrum onvermijdelijk. Vandaag wordt dat ervaren als een enorm verlies. Dat moet anders.

Als mens zijn we pas van betekenis in relatie met en tot anderen. Een veranderende relatie met familie en vrienden heeft dus een grote impact. De oudere wordt bewoner, familie en vrienden worden partners in de zorg. Maar in werkelijkheid blijven de oudere en de familie en vrienden leefpartners. Als we de familie en vrienden echt als leefpartners beschouwen, dan is het woonzorgcentrum ook hun thuis: een plaats waar je samen kan eten, genieten en slapen.

Zorgsysteem moet plooien

Terwijl babyboomers zich, in vergelijking met hun ouders, minder makkelijk aanpassen aan een veranderende situatie en context, dwingt het huidige zorgsysteem hen ertoe. Misschien wordt het tijd dat we niet de mensen maar het zorgsysteem aanpassen.

Dit kan door de zorg te organiseren rondom mensen, door een betere geriatrische opvolging in de eerstelijnszorg en door geriatrische-psychiatrische outreachende netwerken uit te bouwen. Om dit te realiseren, zullen sterk leiderschap en ondernemerschap in de eerste lijn noodzakelijk zijn.

Niet vergeten: zorgverleners

Ook zorgverleners hebben behoefte aan meer autonomie en mogelijkheden om de gewenste persoonsgerichte zorg te verlenen. Een lerende werkomgeving versterkt het gevoel van competentie en verantwoordelijkheid van medewerkers.

Daarnaast groeit het aantal technologische innovaties die inzetten op comfort en autonomie voor de oudere, en comfort en efficiëntie voor de zorgverlener. Volop inzetten op deze positieve evolutie is essentieel om de zorg voor ouderen meer haalbaar en aantrekkelijk te maken.

Tsnunami afwenden

We voorspellen dat bij ongewijzigd beleid de Vlaamse woonzorgcentra tegen 2030 de tsunami aan zorgbehoevende ouderen niet meer kunnen slikken. We mogen niet langer treuzelen, het is nu tijd voor actie.

De overheid staat erbij en ze kijkt ernaar, terwijl de brede ouderenzorg in beweging moet komen. Daarom beste overheid, geef de ouderenzorg perspectief en ruimte om ondernemend te kunnen zijn. Stop het micromanagement en de administratieve regelneverij.

Bron: sociaal.net

De hervorming is dood, leve de hervorming

De titel is een citaat van professor Mark Delanote, architect van een teloorgegane fiscale hervorming. Hij wijst ermee op de noodzaak van die hervorming, en drukt hij de hoop uit dat afstel slechts uitstel is. Toen minister van Financiën Vincent Van Peteghem op basis van de voorstellen van Delanote tot zijn “blauwdruk voor een bredere fiscale hervorming” kwam, legde hij meteen al zijn troeven op tafel door de hervorming voor te stellen als een onlosmakelijk met elkaar verbonden geheel van maatregelen. Trek er een maatregel uit en het kaartenhuis stuikt in elkaar. Aldus geschiedde.

Jammer, want de hervorming was technisch al volledig uitgewerkt in wetteksten. Als plan A niet lukt, dan maar plan B, moet de minister hebben gedacht. Want een aantal maatregelen uit zijn blauwdruk sijpelen nu door in andere wetten. Noem het geen hervormingswet, maar een wet “houdende diverse bepalingen”, dan is de kans op slagen groter en die op politieke hakken in het zand kleiner.

Neem nu de minimumbelasting voor multinationals, die er sowieso komt. Of de hervorming van de investeringsaftrek voor bedrijven. De nieuwe thematische aftrek van 40 procent voor natuurlijke personen en kleine vennootschappen komt regelrecht uit zijn blauwdruk. Zo ook de drastische verhoging van bestaansmiddelen die kinderen mogen genieten om fiscaal ten laste te blijven van hun ouders. Werd die verhoging in het oorspronkelijke hervormingsplan nog uitgesmeerd over drie jaar, van 2024 tot 2027, dan is die nu al meteen ingevoerd, en wel vanaf 2023.

Om ten laste te blijven van gehuwde of wettelijk samenwonende ouders, mag een kind in 2023 in principe niet meer nettobestaansmiddelen dan 3.820 euro genieten. Voor een kind van een alleenstaande of feitelijk samenwonende ouder is dat 5.520 euro. Heeft dat kind een zware handicap, dan loopt het bedrag op tot 7.010 euro. De minister trekt een streep door dat achterhaalde onderscheid, en brengt de toegelaten nettobestaansmiddelen voor alle kinderen, ongeacht de samenlevingsvorm van hun ouders, uniform op 7.010 euro voor 2023 en op 7.290 euro voor 2024.

De minister heeft daarvoor een sluitend alibi. Voor dezelfde jaren was eerder al het maximumaantal uren studentenarbeid dat een jobstudent kan presteren met vrijstelling van gewone sociale bijdragen, opgetrokken van 475 tot 600 uren. Fiscaal volgt nu sociaal. Zo kan een jobstudent dit jaar bruto tot 12.422 euro verdienen en nog fiscaal ten laste blijven van zijn ouders, terwijl dat zonder de maatregel slechts 8.285 euro zou zijn. Vergeet niet dat dit jaar, voor het eerst sinds het begin van de coronapandemie, opnieuw alle studentenlonen meetellen als bestaansmiddel. En ook al zijn de hogere bestaansmiddelen slechts tijdelijk, voor 2023 en 2024, door te stellen dat “de regeling kan worden bestendigd”, komt de hervormer in de minister toch weer om de hoek kijken.

“Alle werkenden minstens 835 euro extra nettoloon”, dé slagzin van de fiscale hervorming, heeft de minister niet kunnen waarmaken, maar een einde maken aan het onding van de gratis volkslening, daar is hij wel in geslaagd. Sinds 2004 is de belastingverlaging van die laatste grote fiscale hervorming nooit volledig doorgerekend in de bedrijfsvoorheffing, het belastingvoorschot dat maandelijks op het loon van werknemers wordt ingehouden. Daardoor wordt op lonen al decennia structureel te veel voorheffing ingehouden. De overheid leent zo jaarlijks bijna 2 miljard euro renteloos bij haar burgers, een bedrag dat anderhalf jaar later bij de belastingafrekening wordt terugbetaald. Door “de bedrijfsvoorheffing op lonen beter af te stemmen op de eindbelasting”, ook een verzuchting uit de blauwdruk, maakt de minister na twintig jaar een einde aan die praktijk. De minister mag zijn belastinghervorming er dan wel niet hebben doorgekregen, een oude belastinghervorming finaal op de rails krijgen, dat is wel zijn verdienste.

Bron: Trends