by admin | mrt 4, 2024 | Economie
De regering-Jambon doet precies het omgekeerde van wat nodig is om haar grootste ambitie waar te maken: de werkzaamheidsgraad optrekken naar 80%.
Iedereen die kan werken, moeten we aan werk helpen. We komen duizenden mensen tekort in de kinderopvang, het onderwijs en de zorg. Daarom moeten we mensen stimuleren door werk écht te doen lonen. Want wie werkt, die wil vooruit gaan.
Iemand aan werk helpen. Dát is de manier waarop een overheid het verschil kan maken. Het betekent grondige vragen stellen: Waarom werkt niet iedereen? Wordt iedereen wel goed betaald? Is het logisch en evident om te gaan werken? En welke drempels zijn er om te kunnen gaan werken? Dat zijn allemaal vragen die deze Vlaamse regering zichzelf niet stelt, of ze althans niet eerlijk beantwoordt. N-VA, Open VLD en CD&V houden het op beleid dat goed klinkt, maar niet werkt.
Het resultaat? Een regering die werken wil afdwingen door sanctionering en stigmatisering. En een overheid nota bene, die zich in de eigen voet schiet als het gaat om dienstverlening, kijk maar naar de kinderopvang, betaalbaar wonen en het openbaar vervoer. Vandaag willen veel mensen werken, maar het wordt hen actief lastiger gemaakt. Dat is wat tien jaar lang straf communiceren en weinig bereiken ons heeft opgebracht.
PUBLIEKE DIENSTVERLENING WORDT AFGEBROKEN
Openbaar vervoer
Iedereen is voorstander van meer efficiëntie en betere dienstverlening, maar dan moet de oefening wel ernstig gemaakt worden. Het enige wat rechts brengt in deze discussie is de platte drogreden: ‘we laten geen lege bussen rijden.’ Doorgaans wil men dat dan ook bewijzen met foto’s van een bus die na de shift van de chauffeur naar de stelplaats rijdt en wettelijk leeg moét zijn. Cringe politiek van neoliberale conservatieven, het is een dingetje.
Maar ondertussen toont onderzoek aan dat 93% van wie het openbaar vervoer gebruikt, géén alternatief heeft. Bedrijventerreinen zijn amper bereikbaar met het openbaar vervoer en wie op het platteland woont, kan maar beter wennen aan drie keer overstappen. Wanneer Vooruit voorstellen doet om dat beter uit te werken, knikt minister van Werk, Jo Brouns (CD&V) wel, maar gebeurt er niets. Dat krijg je met een minister die wekelijks moet ontdekken ‘dat hij nog een andere bevoegdheid heeft naast Landbouw.’ Zucht.
Kinderopvang
Deze legislatuur werd het deze Vlaamse regering eindelijk duidelijk dat 1 kindbegeleider voor 9 kinderen te weinig is. Dat investeren in kinderopvang een hele maatschappij winst oplevert. En dat er heel wat schort aan de controle door Vlaanderen én de middelen dat ze erin wil investeren. Een tekort dus.
De oplossing is opnieuw iets wat enkel goed klinkt bij het rechtse kiespubliek van deze partijen, maar wie wil werken opnieuw achteruit duwt: voorrang voor wie al werkt! Wie werk zoekt, moet niet op ons rekenen! Want volg maar eens een opleiding, cursus Nederlands of VDAB-begeleiding als je nergens heen kunt met je kind. Dat iedere werkende ooit als niet-werkende een aantal sollicitatiegesprekken heeft moeten voeren, beseft deze regering niet. En de reden is simpel, de meesten onder hen hebben dat zelf nooit moeten doen.
Sociale woningbouw
‘De beste bescherming tegen armoede is een job.’ Op basis van dit mantra begint Jan Jambon volgens mij elke ochtend aan zijn dag. Het cynische is dat bijna alle N-VA-ministers dat doen vanuit een vrijstaande villa, nooit vanuit een private huurwoning die niét gerenoveerd is en waar de verhuurder lustig indexering na indexering erbij lapt zonder te investeren in de woning.
Een job beschermt misschien mensen tegen armoede, maar een slechte en onbetaalbare woning houdt ze er permanent in. Meer dan 170.000 gezinnen staan al jaren op een wachtlijst. Er is steeds meer budget, maar er komen steeds minder woningen bij. Deze Vlaamse regering koos liever voor een opgelegde, tijdrovende fusieoperatie (minder tijd voor bouwen) en nam sociale huurders als de essentie van het beleid. Ze werden het mikpunt van stigma, sanctionerende maatregelen en permanent gearticuleerd wantrouwen.
DE JOBBONUS IS EEN MAAT VOOR NIETS
‘Een regering zonder socialisten is een staatshervorming op zich. Deze Zweedse regering maakt een duidelijke keuze voor meer jobs en meer koopkracht,’ was het zwaktebod van Didier Reynders in 2014. Er was net een federale regering gevormd, met dezelfde partijen als de huidige Vlaamse regering plus de MR erbij. Het werd een beschamende vertoning. De regering-Michel zorgde vooral voor een feest voor aandeelhouders en werkgevers door de vennootschapsbelasting te verlagen. Er kwamen flexi-jobs, een indexsprong, een niet-gefinancierde takshift en nul pensioenhervorming. De uitkeringen werden onvoldoende opgetrokken. Gevolg: kassa kassa voor werkgevers en aandeelhouders, minder koopkracht voor wie elke dag keihard moet rondkomen.
Waarom breng ik nu dit verhaal? Omdat het allemaal één-op-één neerkomt op hetzelfde met de huidige Vlaamse regering-Jambon. Al tien jaar een stabiele coalitie, met amper resultaat. Met vooral beleid dat goed klinkt, maar in de realiteit veel kost en weinig oplevert: zoals de jobbonus. Een premie voor wie een laag inkomen heeft, net zoals de jobkorting van een kleine twintig jaar geleden.
Een beleidsmaatregel als de jobbonus wijst op een weeffout: te lage lonen. Vooral voor huishoudhulpen, een sector die vollédig gereguleerd wordt door de Vlaamse overheid, is dit soort beleid toch hallucinant? Lonen moeten structureel omhoog, niet met een bonus waarvan slechts enkelen het maximumbedrag krijgen. De meerderheid? Die wordt gesust met kruimels.
WAT MOET DE REGERING DAN WEL DOEN?
In de verschillende rapporten van die federale regering-Michel verscheen toen de volgende pijnlijke zin: ‘zowat elke minister rijdt eerder voor zijn of haar partij dan voor de regeringsploeg.’ Het is de essentie van een coalitie die niet meer werkt. Men denkt enkel nog aan de eigen profilering, en partners gunnen elkaar niets meer, laat staan dat ze samen gemaakte keuzes verdedigen. Dit is ook het geval voor de regering-Jambon. De Vlaamse regering zit op haar lui gat, en doet te weinig om te zorgen dat men in Vlaanderen écht aan de slag gaat om problemen aan te pakken en te evolueren richting een werkzaamheidsgraad van 80%.
Hoe moet het dan wel?
Investeer écht in goede begeleiding van wie veraf staat van de arbeidsmarkt. OCMW’s maken hier een groter verschil vandaag dan de VDAB. Het ‘tenderingbeleid’ bij de VDAB zit op zijn limieten. Zet een tsunami aan begeleiding en ondersteuning in (zowel op vlak van mobiliteit, woonbeleid als arbeidsmarktbeleid), en spreek op het einde van die rit eventueel over sanctionering.
Zorg dat wie werk moet zoeken een oplossing vindt voor zijn of haar problemen: een betaalbare plek in de kinderopvang, een goede en betaalbare woning en een – liefst duurzame – manier om op het werk te geraken.
Enkel een regering die de overheid als een instrument van investering en herverdeling ziet, kan het verschil maken in Vlaanderen. Dat is de ware inzet van de komende verkiezingen.
Bron: sampol.be
by admin | mrt 4, 2024 | Economie
Zou minister Peeters tegen kwetsbare groepen die afhankelijk zijn van een bushalte en de bus ook durven zeggen dat ze moeten stoppen met ‘klagen en zagen’?
Was goed nieuws over het openbaar vervoer al schaars, de afgelopen maanden betekende een absoluut dieptepunt: de berichtgeving over De Lijn werd gedomineerd door afgeschafte haltes, reizigers zonder bus en quasi onmogelijk te bereiken bestemmingen. De sinds lang aangekondigde hervorming van het openbaar vervoer – in het kader van de uitrol van ‘basisbereikbaarheid’ – maakt slachtoffers. De Vlaamse overheid spreekt over een nieuwe koers: ‘Op drukke verbindingen zet De Lijn in op snellere en frequentere bussen en trams. Op plaatsen waar er minder vraag is naar openbaar vervoer komt er flexvervoer’. Flexvervoer is het systeem waarbij ritten op voorhand moeten worden gereserveerd.
Op zich is er niets mis met het verhogen van de snelheid en frequentie van bussen en trams op drukke routes; dat is zelfs een begrijpelijke en te verdedigen keuze. Wat echter zorgwekkend is, is de formulering ‘op plaatsen waar er minder vraag is’. Hiermee wordt de essentiële sociale functie van het openbaar vervoer, als toegangspoort tot de samenleving, genegeerd. ‘Minder vraag’ is een subjectief en rekbaar begrip waarvan de beoordeling voornamelijk gebaseerd is op kwantitatieve analyses.
Maar achter die cijfers schuilen ménsen, en de afgelopen maanden was het struikelen over hun verhalen: maatwerkbedrijven die noodgedwongen zelf instaan voor het vervoer van hun personeel, mensen die zich afvragen hoe ze op hun ziekenhuisafspraak kunnen geraken, schoolkinderen die extra moeten overstappen en daardoor te laat op school dreigen aan te komen, ouderen die moeite hebben om 600 meter naar een halte te stappen, en volledige appartementsgebouwen die geïsoleerd geraken omdat de bus er niet meer stopt. Hoewel er op sommige lijnen minder vraag lijkt te zijn in termen van passagiersaantallen, klopt dit niet als het gaat om de dringende noodzaak en het belang van die ene bus of bushalte voor de gebruikers ervan. Door de keuze om basisbereikbaarheid ‘budgetneutraal’ uit te rollen – lees: er komt geen extra geld om de hervorming door te voeren – moet er een trade off gemaakt worden: meer bussen op de ene plaats betekent minder op een andere.
De hele operatie maakt duidelijk hoe uitsluitend een mobiliteitssysteem is dat leunt op automobiliteit, het altijd beschikbaar hebben van een wagen – 23% van de Vlaamse huishoudens heeft geen eigen wagen – en de individuele capaciteit van mensen om te fietsen. Mobiliteit wordt niet langer beschouwd als een maatschappelijk opgave die op collectief niveau moet worden georganiseerd, maar iets dat kan worden afgewenteld op het individu. Dat is behoorlijk cynisch, omdat door de rommelige Vlaamse ruimtelijke context heel wat mensen aangewezen zijn op privé-vervoersmiddelen. In het Vlaamse versnipperde landschap is het bijzonder moeilijk is om performant openbaar vervoer te laten rijden. Onze ruimtelijke context wordt sterk gekenmerkt door ‘urban sprawl’ en versnippering: een wildgroei van woningen langs linten en in verkavelingen, en een ongestructureerd lappendeken van industriegebieden, kantoren en andere bedrijvigheid. Daardoor is in veel gevallen de auto het snelste, gemakkelijkste of meest veilige vervoermiddel.
De Lijn werd de afgelopen maanden bedolven onder kritiek – inclusief van haar eigen voogdijminister Lydia Peeters die meende dat de directeur-generaal van De Lijn, Ann Schoubs, moest ‘stoppen met zagen en klagen’ en ‘de rug moest rechten’. Dat openbaar vervoer organiseren in een rommelige ruimtelijke context per definitie duur, inefficiënt en omslachtig zal zijn, wordt amper erkend, en dat het nota bene diezelfde kritiek gevende Vlaamse overheid is die die ruimtelijke verrommeling in de hand heeft gewerkt – en nog steeds werkt – nog minder. Dat het openbaar vervoer stand moet houden in een context van royale subsidiesystemen voor elektrische wagens, een gul laadpaalbeleid en toenemende autoinfrastructuur (met Oosterweel als paradepaard) blijft al helemaal onderbelicht.
Het openbaar vervoer is de vervoerswijze met het grootste potentieel om iedereen van mobiliteit te voorzien, los van individuele capaciteiten of financiële draagkracht. Het belang van een vlot toegankelijk, betaalbaar én gebiedsdekkend openbaarvervoersnetwerk kan dus niet genoeg worden benadrukt. Het VITO berekende dat de maatschappelijke kost van mobiliteit per huishouden is dubbel zo groot in verspreide bebouwing dan in stadskernen. Iemand betaalt hier vroeg of laat de rekening. De factuur wordt nu gepresenteerd aan kwetsbare groepen die afhankelijk zijn van een bushalte en de bus. Zou de minister ook tegen hen durven zeggen dat ze moeten stoppen met ‘klagen en zagen’?
Bron: sampol.be
by admin | mrt 4, 2024 | Economie
Cd&v heeft het christelijk begrip van rentmeesterschap onherroepelijk in de vuilbak gekieperd.
DE EERSTE ‘AMERIKAANSE VERKIEZINGEN’ IN NEDERLAND
We hebben de les uit Nederland niet geleerd. En dan bedoel ik niet louter de overwinning van de extreemrechtse PVV van Geert Wilders voor de Tweede Kamer. Want de verkiezing ervóór, de Provinciale Statenverkiezingen, was ook heel bijzonder. Toen werd een jonge en kleine politieke partij, waarvan we een jaar ervoor nauwelijks hadden gehoord, de grootste in alle provincies. En waarvan de snelle groei en onverwacht succes quasi niet is geanalyseerd in de gangbare media. De BBB of BoerBurgerBeweging dus. Enkel de naam is al een mistgordijn. De partij komt namelijk helemaal niet voort uit een beweging van boeren of burgers. Integendeel, de BBB is in 2019 opgericht door de agri-journaliste Caroline van der Plas en het communicatiebureau ReMarkAble, dat werkt voor industriële veeteeltbedrijven.
Velen die nu verbaasd opkijken over hoe snel beleid voor milieu en natuur sneuvelt in Vlaanderen en Europa hadden dus beter tien keer naar de uitzending van de Nederlandse tv-presentator, Arjen Lubach, gekeken. Daarin laat hij haarfijn zien hoe de BBB is opgericht volgens een scenario geschreven door communicatiebureaus, hiervoor gefinancierd door miljardairs (u leest het goed) die eigenaar zijn van giga agro-industriële bedrijven. En deze rijkelui spelen het slim: ze hoeden zich voor media-optredens. Die laten ze verzorgen door boeren die het inderdaad moeilijk hebben (ze worden immers door dezelfde bedrijven uitgebuit – daarover later meer).
Ook het allereerste stikstofprotest in Nederland in 2019 kwam niet van boeren alleen. De boer die het idee voor dit eerste protest lanceerde, werd meteen benaderd door de directeur van een veevoeder grootbedrijf met de cynische naam ForFarmers Nederland. En ‘alle planning, draaiboek, podium, routing, afstemming met instanties en wat meer nodig is van A tot Z’ werd geregeld door een communicatiebureau. Ook andere agri-grootbedrijven steunden de boerenprotesten met honderdduizenden euro’s. Ze betaalden ook om de stikstofcijfers van wetenschappelijke instituten in twijfel te trekken. Zo verschenen er ineens ‘lobby-wetenschappers’ en woordvoerders van het Farmers Defence Force die de cijfers als onbetrouwbaar wegzetten. Misschien waren de verkiezingen waar de BBB gigantisch scoorde, wel de eerste ‘Amerikaanse verkiezingen’ in Nederland. Waarbij de grootbedrijven met de diepste zakken, meeste lobbyisten en grootste communicatiebudgetten de maatschappelijke besluitvorming rücksichtslos kaapten en hiervoor kwetsbare groepen inschakelden.
BOERENBOND HEEFT GOED GEKEKEN NAAR NEDERLAND
We kunnen deze analyse uit Nederland niet zomaar overzetten op andere landen of de Europese Unie. Maar het zou anderzijds al te gek zijn mochten agri-grootbedrijven – en in ons land hoort de Boerenbond daar zeker bij – niet goed gekeken hebben naar Nederland. Want daar bleek dat als je boerenprotest stimuleert en ondersteunt, en boeren aanzet tot agressieve tractor-bezettingen, dat dit de politieke besluitvorming helemaal kan doen kantelen.
Dat laatste heeft te maken met de schuivende panelen op het politieke speelveld in tal van Europese landen. Voormalige centrumpartijen, zoals liberalen maar vooral christendemocraten die vroeger op het platteland erg sterk stonden, zien al jaren hoe hun achterban en dus kiezersgroep afbrokkelt. Daar komt de dreiging bij dat extreemrechts een betekenisvol deel van hun resterende kiezers wil overnemen. Dat speelt al langer in Vlaanderen en Frankrijk; in Duitsland is het meer recent, maar wel fors met de AfD.
Als je in die context boeren kan opzetten tegen de traditionele middenpartijen, beginnen deze laatste te bibberen en beven, en doen ze het domste wat ze kunnen doen: extreemrechts achternahollen en zich bijna hysterisch distantiëren van alles wat verband houdt met natuurbescherming. Een pijnlijk voorbeeld is de cd&v in eigen land, die het christelijk begrip van rentmeesterschap ondertussen onherroepelijk in de vuilbak heeft gekieperd. ‘Ik ben een ecomodernist’, zei Sammy Mahdi onlangs nog onomwonden.
Over naar de boeren. Ook onder hen zijn er die goed hun brood verdienen, zoals de serretelers. De boeren die het moeilijk hebben, zitten (naast sommige akkerbouwteelten) vooral in de industriële veeteelt. Ze zitten gevangen tussen de hamer van landeigenaren, zaadbedrijven, banken en agrochemische reuzen van veevoeder, pesticiden en meststoffen, en het aambeeld van supermarkten en agrobusiness voedingsbedrijven.
SCHIZOFREEN EUROPEES BELEID
Boeren worden zo al decennia gepusht om mee te gaan in steeds grotere stallen en dus meer dieren, industrialisering en monocultuur. Als daar een schizofreen Europees beleid naast staat, kan het niet anders dan fout lopen. De Europese gespletenheid bestaat erin dat er enerzijds, als onderdeel van de Green Deal, een sociaal-ecologische Farm to Fark strategie is opgesteld, met onder meer de doelstelling om het pesticidengebruik te halveren. Maar anderzijds is de verdeling van het reusachtige Europese landbouwbudget quasi onveranderd gebleven. Zodat 80% van de subsidies naar de 20% grote landbouwbedrijven en grootgrondbezitters gaat. Niet moeilijk dat de familiale landbouwer het kotsbeu is.
Op Europees niveau worden de belangen van de boeren zogezegd verdedigd door de lobbyorganisatie COPA-COGECA. Maar in de praktijk verdedigt die de belangen van de grootbedrijven. Of zoals de ngo Europe Corporate Watch helder de vraag stelde ‘if COPA-COGECA is defending farmers in public and the agribusiness industry in private?’ De ngo onthulde dat de lobbyorganisatie, bij de bespreking van het ontwerp rapport van het Europees parlement over de Farm to Fork strategie, in het geheim lobbyde om onder meer de volgende zin te laten schrappen: ‘Op dit moment, is het voedselsysteem verantwoordelijk voor een brede waaier aan impact op menselijke en dierlijke gezondheid, alsook op het milieu, het klimaat en de biodiversiteit.’ En ook aan de overmatige subsidie voor gigabedrijven mocht niet worden geraakt. Tja, dan weet je wie waar voor staat.
En dat is dus het cynische spel dat toelaat de onwaarschijnlijke gang van zaken van de laatste weken beter te begrijpen, zoals het schrappen van de halvering van het pesticidengebruik en het recente verzet tegen de natuurherstelwet. Het huidige industriële voedsel-landbouw systeem is ontworpen om agri-grootbedrijven veel winst te laten maken. Hun verdienmodel steunt op maximale productie door de boeren, en daar mag dus niet aan getornd worden. Al gaat hierdoor de biodiversiteit om zeep, bedreigt de milieuvervuiling de volksgezondheid en verdienen boeren amper hun brood. En dan hebben we het nog niet over de vernietiging van natuur- en leefgebieden in Zuid-Amerika voor de productie van veevoeders. De boeren moeten dus op straat komen, maar hun echte zorgen mogen niet aan bod komen. Want zoals Europarlementslid Philippe Lamberts het stelt: ‘Als je echt naar boeren luistert, wijzen ze op een heel andere boosdoener: een economisch systeem dat hen opsluit en verplettert’.
WAT DENKEN CENTRUMPARTIJEN TE BEREIKEN?
Maar wat denken de voormalige centrumpartijen te bereiken met hun ruk naar rechts en het overboord gooien van alle zorgen over milieu en natuur, en de hiermee verbonden volksgezondheid? De electorale geschiedenis leert dat een kopie het nooit wint van het (extreemrechtse) origineel. In Nederland plaveide het succes van de BBB het megasucces voor de extreemrechtse PVV. In eigen land dreigt zich hetzelfde scenario af te spelen.
Een tweede tragedie hierbij is de kans niet wordt gegrepen om het alternatieve, duurzame voedsel- en landbouwmodel van agro-ecologie te ondersteunen. Het bestaat al jaren in theorie en praktijk, en zorgt voor het welzijn van boer en burger, van bodem, natuur en sociale leefgemeenschap. In plaats van grote monoculturen focust het op diversiteit op en rond het veld op een leefbare schaal. Zo leidt zorg voor een gezonde bodem voor meer opbrengst, minder schadelijke schimmels en betere waterhuishouding. En het goede nieuws is dat er op zaterdag 9 maart een heus Vlaamse Festival van de Agro-ecologie plaatsvindt onder de naam Kiemkracht. Het zou goed zijn om daar veel politici van centrumpartijen die het noorden kwijt zijn, te ontmoeten. Ze kunnen zich dan opnieuw gronden.
Bron: sampol.be
by admin | mrt 4, 2024 | Onderwijs
Almaar meer kinderen halen hun getuigschrift van het lager onderwijs niet. In 6 jaar tijd is hun aantal bijna verdubbeld, zo blijkt uit cijfers die Het Nieuwsblad heeft verzameld. Onderwijsonderzoekster Katrijn Denies zoekt naar verklaringen en oplossingen. “Hier is veel meer aan de hand dan het riedeltje dat de onderwijskwaliteit niet deugt.”
De cijfers in Het Nieuwsblad spreken boekdelen: in het schooljaar 2017-2018 behaalden 2.620 kinderen het getuigschrift lager onderwijs niet. Afgelopen schooljaar 2022-2023 waren dat er al 4.843. Wie geen getuigschrift van het lager onderwijs behaalt, moet naar het eerste middelbaar B, beter bekend als de “B-stroom”. Die leerlingen kunnen dan later naar beroepsonderwijs doorstromen. Ook naar het aso trouwens, als ze alsnog hun getuigschrift halen, maar dat gebeurt minder vaak.
En er is meer: almaar meer kinderen verlaten het lager onderwijs al in het vierde of vijfde leerjaar om naar die B-stroom te trekken. Ze halen dus het zesde leerjaar zelfs niet. Dat kan, omdat de enige voorwaarde voor het eerste middelbaar B is dat kinderen 12 jaar oud moeten zijn. Iemand die 2 keer blijft zitten of om een of andere reden later instapt in het lager onderwijs, kan dus in theorie al vanuit het vierde leerjaar naar de B-stroom.
Boeken thuis
Vanwaar die trend? In elk geval is er veel meer aan de hand “dan het riedeltje dat de onderwijskwaliteit niet deugt”, stelt Katrijn Denies, onderzoekscoördinator aan het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie aan de KU Leuven. “Er is bijvoorbeeld thuis minder stimulatie. Kinderen hebben steeds minder boeken thuis, ouders gaan ook steeds minder met hun kinderen aan de slag rond leesbegrip of cijfers leren kennen. Ook gaan er steeds meer kinderen met honger naar school.”
Bovendien zijn de uitdagingen in het onderwijs veel groter dan vroeger. “Zo zijn er grotere groepen leerlingen met een andere thuistaal, die dus ook nog Nederlands moeten leren op de schoolbanken. Dat vraagt tijd.”
“Je kunt je ook de vraag stellen: zit er niet meer in?”, werpt Denies nog op. “Er is geen enkele reden om te denken dat onze capaciteiten achteruit zijn gegaan. Je zou dus kunnen stellen dat er in sommige scholen nog iets anders meespeelt. Dat zij bijvoorbeeld kijken naar hun eigen draagkracht: wat kunnen wij nog, gezien de grote groepen leerlingen die extra aandacht nodig hebben? Misschien liggen hier en daar de verwachtingen wat te laag op basis van de foute argumenten? Zoals een taalachterstand die mogelijk wel nog kan worden ingelopen, maar waarvan de school denkt dat het te laat is.”
Aan boord houden
Of die groeiende B-stroom een probleem is, hangt natuurlijk af van het perspectief, zegt Denies. “Voor het kind zelf is dat allicht een voordeel. Zij hebben niet meer het gevoel dat zij achterophinken en komen als oudere leerlingen vaak terecht in een meer homogene groep van leeftijdsgenoten.”
Scholen geven kinderen in elk geval niet op door hen naar de B-stroom te begeleiden, benadrukt ze. “Voor kinderen met een grote achterstand wordt soms beslist om bepaalde delen van de leerstof te schrappen, om te vermijden dat ze zwaar faalangstig of schoolmoe worden. Die kinderen zijn er soms mee gebaat om gewoon te kunnen gaan voor wat wel haalbaar is. Scholen laten die leerlingen dus niet los, maar proberen hen net mentaal aan boord te houden.”
De scholen zelf worstelen natuurlijk wel met die grote toestroom in 1B. “Zij stellen vast dat er kinderen instromen in 1B die niet alleen niet het getuigschrift lager onderwijs hebben gehaald, maar bovendien nog wel wat bagage missen omdat ze bijvoorbeeld het vijfde en zesde leerjaar hebben overgeslagen. Dat vormt wel een fikse uitdaging.”
Enorme inspanningen
Blijft de vraag of en hoe we die trend kunnen keren. Denies erkent dat dat niet eenvoudig is. “Je moet heel doorgedreven kunnen gaan differentiëren om kinderen die een achterstand hebben op tijd te laten bijbenen. Maar daarnaast zijn er ook kinderen die veel meer uitdaging vragen. Die heterogeniteit in klassen wordt steeds groter en voor leerkrachten is het moeilijk om aan alle noden te voldoen.”
“Het is mogelijk om kinderen die grote sprong te laten maken van een grote achterstand naar toch dat getuigschrift behalen. Dat kan als er voldoende mensen aanwezig zijn in de klas en in de school en als er binnen teams echt een idee bestaat hoe zij kinderen samen kunnen meenemen tot aan de meet. Dat vraagt enorme inspanningen en we merken in de praktijk dat veel scholen het gevoel hebben dat zij daar de middelen op dit moment niet voor hebben.”
Scholen ondersteunen
In haar ogen is er een grote rol weggelegd voor meer “omkaderende zorg”, zoals zij dat noemt. “Scholen kunnen dit niet alleen oplossen. Onze maatschappij moet scholen meer ondersteunen in hun taak. Hebben kinderen minder toegang tot boeken? Dan moeten de bibliotheken met de boeken tot de kinderen komen. Soms is er bijvoorbeeld ook ondersteuning nodig op het vlak van logopedie. Dat kunnen scholen niet alleen dragen.”
Dat alles gezegd zijnde, benadrukt Denies dat we niet de indruk mogen wekken dat B-stroom op het einde van de rit minder waard is. “We hebben veel meer appreciatie nodig voor onze beroepsopleidingen. Die kinderen kunnen met de nodige kwalificaties een heel belangrijke rol opnemen in onze samenleving.”
Bron: vrt.nws
by admin | mrt 4, 2024 | Onderwijs
De afgelopen tien jaar was de schooluitval nooit zo hoog: 1 op de 7 leerlingen verlaat het secundair onderwijs zonder diploma. Dat blijkt uit de meest recente cijfers van het Vlaams Ministerie van Onderwijs. In centrumsteden verlaat zelfs 1 op de 5 jongeren vroegtijdig de schoolbanken.
Het gaat vaak over leerlingen in het beroepsonderwijs of over leerlingen die zijn blijven zitten. Ook je thuistaal en het diploma van je moeder spelen een rol: tieners die thuis geen Nederlands spreken of van wie de moeder ongeschoold is, hebben meer kans om te stoppen met school zonder diploma.
Bij het deeltijds beroepsonderwijs ligt het cijfer trouwens nog een pak hoger: bijna 60% van de leerlingen verlaat de school te vroeg.
Foute richting
Verontrustende cijfers, maar niet geheel onverwacht. Dat zegt Guy Duchene, coördinator deeltijds onderwijs en duaal leren van de Spectrumschool in Antwerpen. “De cijfers liggen al lang heel hoog en de urgentie is er nooit geweest. Dit is voorspeld na de afschaffing van het deeltijds onderwijs en de geforceerde transitie naar duaal leren”, aldus Duchene in “De ochtend” (Radio 1).
Hij wijst erop dat deeltijds onderwijs en beroepsonderwijs altijd al “de laatste trap in het watervalsysteem” zijn geweest. Daar zie je zeer hoge cijfers, bij aso is de uitval slechts 4%. Daar wordt met B-attesten gewerkt.
Bij een B-attest is een leerling geslaagd, maar wordt hij/zij uitgesloten van een richting. Duchene: “Zij komen snel in bso en tso terecht, en dat is niet hun eerste keuze.”
Duaal leren is de combinatie van leren op de werkvloer en leren op school. “Maar dat is voor een totaal ander publiek, niet bedoeld voor leerlingen uit deeltijds onderwijs. Duaal leren is voor de zeer sterke leerlingen. We zitten nu met een model dat niet aangepast is aan het publiek. En veel alternatieven zijn er niet”, legt Duchene uit. “De vakman is weghervormd”, vat hij samen.
Spijbelen en armoede
Ook spijbelaars zijn problematisch. Spijbelen wordt later ook vaak gewoon afhaken. “Scholen kunnen die problematiek opvolgen tot een bepaald punt. Maar nadien – en zeker voor de groep vanaf 17 jaar – heeft men te weinig handen vrij.”
Scholen staan soms met hun rug tegen de muur. Duchene spreekt over arbeidscontracten die lopen tijdens de schooluren. “Daar kan de overheid wel bij ingrijpen. Vaak is werken een pure noodzaak voor leerlingen, want de armoede is groot.” Een moeilijke thuissituatie speelt een bijkomende rol.
Stefaan Grielens van de vrije CLB’s (Centra voor Leerlingenbegeleiding) ziet veel inspanningen om schoolverlaters te begeleiden, maar denkt dat er nog meer nood is aan preventie. “We moeten vanaf de basisschool al kijken naar welke plekken goed zijn voor kinderen. Dat hebben we in het verleden te weinig gedaan.”
Lokroep van de arbeidsmarkt
Volgens minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) is de toename van de schooluitval in het secundair onderwijs deels te wijten aan de economische hoogconjunctuur. “In tijden van hoogconjunctuur en krapte op de arbeidsmarkt zijn er heel wat jongeren die bezwijken voor de lokroep van de privésector”, zei de minister woensdag in het Vlaams Parlement.
Ook de coronacrisis kent nog steeds haar effect, volgens Weyts. “Jongeren die toen al dreigden uit te vallen, doen dat pas wanneer ze effectief terug naar school kunnen gaan.”
Weyts erkent wel dat er een probleem is, en zegt zich veel meer te willen focussen op het basisonderwijs. “In het secundair onderwijs is in veel gevallen het onheil al geschied. Daarom moeten we focussen op het kleuter- en het lager onderwijs. We moeten zorgen dat elk kind start met een afdoende kennis van het Nederlands. Als we toelaten dat kinderen in het lager onderwijs starten met een achterstand, zal die alleen maar groter worden.”
Bron: vrt.nws