Waarom jongeren vandaag zo veel druk ervaren: “Soms heb ik buikpijn van de stress”

“Ik zou in deze moeilijke tijden geen jongere willen zijn.” Dat zei onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) bij de start van het schooljaar in ‘De afspraak’. Jongeren van vandaag hebben het zwaarder dan jongeren van vroeger, stelde ze. Maar is dat ook echt zo?

“Heel eerlijk: ik zou vandaag geen jongere willen zijn. Dat is moeilijk in deze tijd.” De uitspraak van minister Zuhal Demir lijkt gebaseerd op een gevoel, maar wordt wel degelijk ondersteund door een groeiend aantal internationale studies. “Er zijn intussen veel data die overtuigend aantonen dat gevoelens van angst, stress en depressie stevig zijn toegenomen sinds ongeveer 2010”, zegt Bart Soenens, professor ontwikkelingspsychologie aan de UGent. “De opwaartse trend was al zichtbaar voor corona, maar de pandemie heeft wel voor een versnelling gezorgd. We zien dat de klachten nog meer uitgesproken stijgen bij meisjes dan bij jongens, maar in de beide groepen zien we historische toenames.”

Onder meer de resultaten van de Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) studie, een grootschalig onderzoek dat om de vier jaar de gezondheid van ­15-jarigen in tientallen hoge-inkomenslanden meet, tonen aan dat jongeren steeds meer ­kampen met terugkerende – ­lichamelijke en psychologische – klachten die gelinkt kunnen worden aan mentaal welzijn (zie hieronder). Ook The Lancet Psychiatry commission klonk al in 2024 behoorlijk alarmistisch over de wereldwijde verslechterende mentale gezondheid bij jongeren tussen 12 en 25 jaar.

Wereldwijd stijgen aantal klachten gelinkt aan mentaal welzijn bij 15-jarigen (HBSC-studie)

Maar wat veroorzaakt die toegenomen klachten van somberte, prikkelbaarheid en angst? Lange tijd werd vooral naar schermen en sociale media gekeken. “De klassieke aanname was dat het verhoogd gebruik van schermen sinds 2000 achter die mentale gezondheidsepidemie zat”, zegt Soenens. “Maar dat kan moeilijk de enige of belangrijkste oorzaak zijn. Als je de internationale onderzoeksliteratuur bekijkt, is het verband tussen sociale media, schermtijd en mentale gezondheidsproblemen vrij beperkt. Er zijn wel bepaalde overgangsperiodes in een jongerenleven waarin het verband sterker naar voren komt. Maar ook daar gaat het niet om een huizenhoog effect.”

Vandaar dat maatregelen zoals een smartphoneverbod volgens Soenens slechts bescheiden winsten opleveren. De argumenten pro waren dat de concentratie zou toenemen, het welbevinden zou stijgen en er meer sociaal contact op school zou zijn. De eerste resultaten van een onderzoek door Soenens’ vakgroep naar de gevolgen van het smartphoneverbod, geven daar geen aanwijzingen voor. “Ze laten bitter weinig verschil zien op het vlak van mentale gezondheid. Een verbod kan dus wel bepaalde zaken veranderen, maar je mag er niet van uitgaan dat daarmee het probleem van mentale klachten bij jongeren wordt opgelost.” Soenens ziet sociale media en schermen eerder als een brandversneller van andere, onderliggende oorzaken.

Prestatiedruk

Een factor waarover academici het wel steeds meer eens geraken, is de toegenomen druk rond schoolse prestaties. “Op school zit er vandaag heel veel druk op de ketel. Jongeren ervaren hoge verwachtingen en een sterk gevoel van moeten. En juist die ervaren druk correleert sterk met mentale gezondheidsproblemen”, zegt Soenens.

Ook het HBSC-onderzoek toont dat de ervaren druk op schoolwerk de voorbije twintig jaar systematisch is toegenomen. Vooral meisjes in gendergelijke landen ervaren die druk sterk. “Het lijkt alsof meisjes voelen dat ze moeten excelleren op intermenselijk, relationeel vlak, een domein waar ze sowieso sterk op geacht werden. Maar ook op alle andere vlakken, juist omdat het allemaal kan en de drempels zijn weggenomen.”

“In Nederland is de ervaren druk door schoolwerk in de afgelopen twintig jaar maar liefst verdrievoudigd”, zegt Gonneke Stevens, hoogleraar jongerenwelzijn aan de Universiteit Utrecht. Zij wijst ook op toegenomen individualisme en materialisme, competitie en onrealistische verwachtingen van ouders. “We zien in Nederland bijvoorbeeld dat het bedrag dat ouders aan bijlessen uitgeven, is toegenomen. De bevolking geraakt steeds hoger opgeleid, de status en het belang van het behalen van een hoog diploma is toegenomen. Wie vroeger heel goeie punten wilde halen, liep daarmee niet te koop. Maar tegenwoordig is cum laude afstuderen belangrijker geworden.”

Jongeren zijn ook meer perfectionistisch geworden, zeggen beide hoogleraren. Soenens maakt een onderscheid tussen ‘prestatiegericht perfectionisme’ – de lat extreem hoog leggen om de perfectie te bereiken – en ‘zelfkritisch perfectionisme’, waarbij je jezelf genadeloos afrekent als je niet aan die hoge eisen voldoet. “Die laatste vorm wordt traditioneel veel sterker in verband gebracht met mentale problemen zoals faalangst en depressie. En we zien dat net die zelfkritische vorm het hardst in de lift zit.”

Onderzoekers vonden daarnaast een verband met de economische situatie. In tijden van economische stilstand wordt de zelfopgelegde prestatiedruk groter, bijvoorbeeld omdat jongeren het gevoel hebben dat de plekken op de arbeidsmarkt schaars zijn. Inkomensongelijkheid lijkt dan weer samen te hangen met meer zelfkritiek. “Als mensen het gevoel krijgen niet mee te zijn met het peloton gaan ze hun eigenwaarde ook een stuk lager inschatten.”

‘Sneeuwvlokjesgeneratie’

Is het dan niet nefast of zelfs contradictorisch dat rond de PISA-resultaten een heel discours hangt in media en politiek over het niveau dat erg is gedaald en de lat die omhoog moet? “Niet noodzakelijk”, stelt Soenens. “Op zich mag de lat omhoog, alleen weten leraars soms niet hoe ze dat op een motiverende manier kunnen doen. Ze zouden meer opgeleid kunnen worden om gezonde ambitie te bevorderen, zonder gewoon de druk te verhogen. Maar over het thema motivatie blijft het beleid vandaag erg stil. Dat gaat een stuk over hoe je mensen motiveert, hoe je doelen bereikt, zonder gewoon de druk te verhogen. Dat zie je ook in dat smartphoneverbod: scholen duwen het erdoor, maar er is weinig sprake van dialoog of begeleiding waardoor het motivationeel draagvlak ontbreekt.”

Jongeren spreken vandaag vlotter over mentale kwesties dan in de jaren 80 of 90. Kan al dat praten psychische klachten ook in de hand werken? “Er is meer aandacht voor mentale issues, maar de klachten zijn wel echt”, reageert Soenens, die zich verzet tegen het clichébeeld van de zogenaamde ‘sneeuwvlokjesgeneratie’, een fragiele generatie. “De cijfers zijn beenhard: de jeugdhulp telt meer opnames en langere wachtlijsten.” Ook de suïcidecijfers bij jonge vrouwen tussen 15 en 29 jaar zijn in 2021 in Vlaanderen gestegen en sindsdien niet gedaald. In verschillende andere landen wordt dezelfde verontrustende evolutie gezien.

Verlangen

En wat met de rol van ouders in dit alles? Die lijkt ingewikkeld te zijn. Enerzijds is er vandaag meer openheid om moeilijke gevoelens te bespreken, en dat helpt tegen mentale gezondheidsproblemen. Soenens: “Ouders doen dus veel zaken goed, maar toch neemt bij jongeren tegelijk het gevoel toe dat ouders perfectionisme van hen verlangen. Het moet verder onderzocht worden, maar het zou wel kunnen dat die grote betrokkenheid van hedendaagse ouders jongeren net het gevoel geeft dat ze hen zeker niet willen teleurstellen.”

Jeugdpsychiater Peter Adriaenssens pleit voor een hoopvol toekomstbeeld voor jongeren. Hij reageert daarmee rechtstreeks op de woorden van onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA). “Volwassenen kijken beter uit met dat soort uitspraken, we hebben de plicht om een beloftevolle wereld te schetsen. In plaats van te zeggen dat AI alle jobs zal vernietigen, kan je ook benadrukken dat we nieuwsgierig zijn naar hoe jongeren met die technologie de wereld zullen vormgeven.”

Hetzelfde geldt voor het klimaat of voor onderwijs. Nu horen ze van ouders en grootouders te vaak: ‘Je zal geen woning meer kunnen kopen, er zal geen pensioen meer voor u zijn…’. Dat hakt er volgens Adriaenssens in. “We zien jongeren die nu al zeggen dat ze weinig argumenten vinden om te studeren omdat ze niet meer weten waarvoor het goed zal zijn. Het is logisch dat volwassenen niet goed om kunnen met onzekerheid en veranderingen, maar we mogen jongeren niet de put in praten. Een hoopvolle boodschap is broodnodig.”

Jelle (16) en Lila (16) voelen druk om continu te presteren: “Ik heb soms buikpijn van de stress”

Elke dag een toets en weinig tijd voor hobby’s. De druk om continu te ­presteren laat zich ook voelen in Vlaamse klassen. Dat blijkt uit de ‘Grote Scholierenbevraging’ van de Vlaamse Scholierenkoepel bij 34.288 leerlingen. Mentale gezondheid kwam daarbij als dé topprioriteit naar voren: 48 procent vindt dat minister Zuhal Demir daar in de eerste plaats werk van moet maken.

Voor Jelle Huwé (16) is dat geen abstract probleem. Hij zit in het vijfde jaar wiskunde-wetenschappen in het GO! Atheneum Geraardsbergen. “Op school is het nu al heel zwaar, ik heb soms buikpijn van de stress.” Al van jongs af is hij geïnteresseerd in wetenschappen en wiskunde, STEM-vakken boeien hem enorm. “Ik wil later graag in de medische wereld werken, het is een doel van toen ik 12 was, dus als dat toch niet zou lukken, dan zou ik daar wel enorm van afzien.”

Na acht uur school begint Jelle vaak meteen opnieuw te studeren. Ontspannen lukt moeilijk als er een grote toets aankomt. “’s Avonds in bed blijf ik tot laat samenvattingen lezen, terwijl ik eigenlijk moet slapen. Maar de angst om te falen houdt me bezig.” Hij legt zichzelf ook druk op. “Ik wil niet onder de 70 procent scoren. Dat is niet omdat mijn ouders die eisen stellen, maar omdat ik zelf die punten wil halen.” Op school hoort hij van leerkrachten regelmatig hoe belangrijk goede resultaten zijn. “Het vijfde middelbaar is moeilijk, jullie moeten veel studeren, anders ga je er niet geraken”, klinkt het dan.

Veel evaluaties

Ook Lila Nouhass (16) zit in het vijfde middelbaar, in de richting Grieks-Latijn van het Koninklijk Atheneum van Zottegem. Ze gaat graag naar school. “Ik vind les volgen tof, ik ben gemakkelijk geïnteresseerd.” Maar de vele evaluaties maken het volgens haar steeds moeilijker. “We hebben elke dag van de week een toets, over kleine dingen, soms meerdere per dag zelfs, en dat is zwaar. Al die evaluaties en toetsen doen soms de kern van waar we mee bezig zijn, het plezier ook, wegvallen.”

Volgens Lila weten leerkrachten onvoldoende van elkaar hoeveel werk ze geven. Ook de examenroosters waren niet altijd evenwichtig. “Ik leg daarvoor niet graag de schuld bij leerkrachten, ik denk dat hun beroep al moeilijk genoeg is, maar de druk gaat bij ons dan wel enorm de hoogte in.”

Jelle herkent dat. “Leerkrachten geven vaak taken en toetsen extra, maar weten niet van elkaar hoeveel ze ons vragen. En soms lukt presteren gewoon niet, maar daar heeft niemand oren naar.” Hij kent leerlingen die door de stress zijn gestopt met school en hun diploma via de examencommissie proberen te halen. Een vriendin gaat naar de psycholoog wegens faalangst.

De druk heeft ook gevolgen buiten de schooluren. Jelle heeft nauwelijks ruimte voor een hobby. “Ik ben wel actief in de Scholierenkoepel, maar dan zit het vol.” Hij kent klasgenoten die hun hobby hebben opgegeven omdat ze die niet meer konden combineren. Volgens Lila kan wie wil op zondag vlot naar de jeugdbeweging, maar veel meer ruimte is er niet. Ze kent een vriendin die op hoog niveau turnt en vaak laat moet studeren om alles rond te krijgen.

Niet teleurstellen

Lila’s ouders zijn erg betrokken. Haar moeder kijkt dagelijks op Smartschool naar haar resultaten. Voor wiskunde krijgt Lila bijles. “Als ik eens een slechtere toets maak, gaat ze daar niet aan blijven hangen. Soms kom ik thuis na een grote toets van Latijn en dan zeg ik: ‘Nu kan ik niet meer.’ Maar over het algemeen lukt het zeker nog.” Ze studeert voor zichzelf, maar wil ook haar ouders trots maken. “Het zijn goeie ouders, dus je wil ze niet teleurstellen.”

Lila wil eerst Grieks-Latijn afwerken en daarna rechten studeren. “Ik heb een plaatje gevormd in mijn hoofd, dat is misschien een beetje perfectionistisch.” Als ze zou moeten blijven zitten, zou dat haar zelfbeeld aantasten, denkt ze. Ze heeft vrienden die vanuit de ­doorstroomfinaliteit moesten overstappen naar de arbeidsmarktfinaliteit. “Dat was wel heftig.”

Ze denkt ook na over financiële zekerheid. “Ik wil geen studierichting volgen waarmee je weinig verdient. Dan maak je het jezelf en je kinderen lastig.” Ze ziet die bekommernis ook bij leeftijdsgenoten: mooie auto’s, huizen en vooral veel geld verdienen. “Velen zijn niet altijd bezig met het volgen van hun interesse, maar willen vooral dat er een grote hoeveelheid geld binnenkomt.”

Bron: Nieuwsblad.be

Vlaamse besparing op huisartsen raakt ook de patiënt: “Minder tijd of meer betalen”

De besparing van 25 miljoen euro op huisartsenzorg zal ook voelbaar zijn voor de patiënt. Dat zegt huisartsenvereniging Domus Medica. Huisartsen verliezen namelijk subsidies voor administratief personeel of verpleegkundigen. “Ofwel nemen huisartsen die taken er zelf bij, waardoor ze minder patiënten kunnen zien. Ofwel zullen ze de patiënt om meer geld moeten vragen.”

Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) bespaart ruim 92 miljoen euro in de zorg, zo staat in het Vlaamse begrotingsakkoord. Daarvan haalt ze 25 miljoen bij de huisartsen door de Impulseo-ondersteuning af te schaffen.

Impulseo is een pakket maatregelen dat de vestiging, uitbouw en werking van huisartsen ondersteunt en hun praktijk toegankelijk en financieel werkbaar houdt. Het gaat onder meer om renteloze leningen, maar ook om premies voor de aanwerving van ondersteunend personeel. En het zijn net die laatste premies die nu sneuvelen. 

“Onthaalmedewerkers of verpleegkundigen inschakelen voor administratie of organisatie wordt zo een pak minder evident”, verduidelijkt Maaike Van Overloop. “En dat terwijl zij net een belangrijke triagefunctie hebben: ze schatten de zorgvraag in en leiden patiënten meteen naar de juiste zorgverlener.”

Minder geld, evenveel taken

Door de afschaffing van Impulseo voorspelt Domus Medica meer administratie voor de artsen zelf en dus minder tijd voor de patiënt. Bovendien zullen zorgvragen minder efficiënt beantwoord worden.

De huisartsen moeten de geschrapte 25 miljoen euro dus op andere plekken compenseren. “Er zijn 2 opties”, legt Van Overloop uit. “Ofwel kiezen praktijken ervoor om artsen zelf de administratie te laten doen, waardoor ze onvermijdelijk minder patiënten kunnen zien.”

“En dat terwijl we al kampen met huisartsentekorten. Bovendien zijn artsen net erg enthousiast over de multidisciplinaire aanpak en het overleg in zo’n praktijk.”

De andere optie is dat praktijken hun ondersteunend personeel koste wat het kost willen behouden. “Die kost wordt dan doorgerekend aan de patiënt”, zegt Van Overloop. “Artsen zullen zich moeten deconventioneren, wat betekent dat ze niet langer gebonden zijn aan de officiële tarieven en de patiënt meer betaalt dan het klassieke remgeld van 4 euro.”

“We dachten dat de regering streefde naar een toegankelijke, kwaliteitsvolle en betaalbare gezondheidszorg. Dat dreigt nu te veranderen.”

Toegankelijkheid in het gedrang

Meer betalen of minder makkelijk terechtkunnen bij de huisarts: het is de patiënt die uiteindelijk de rekening betaalt. “Zoveel mensen zoeken nog een vaste huisarts. Op deze manier maken we de eerstelijnszorg nog minder toegankelijk”, klinkt het.

“We hebben maar 2 handen en er zitten maar 24 uur in een dag. We kunnen als huisarts niet eindeloos blijven doorgaan”, besluit Van Overloop. “Elke vorm van ondersteuning is een cruciale stap om ons werk werkbaar te houden en tijd te maken voor de patiënt. Dat verliezen we nu voor een deel.”

Bron: VRT.nws

We hebben geen minister van Onderwijs nodig

We hebben geen minister van Onderwijs nodig

Onderwijs is te belangrijk om het elke vijf jaar aan politieke dadendrang over te laten. Misschien hebben we geen nieuwe minister van Onderwijs nodig, maar opnieuw een minister van Opvoeding. Want de verantwoordelijkheid voor onze jeugd ligt niet alleen bij de school, maar bij ons allemaal.

Meer dan twintig jaar geleden leerde ik het Antwerpse theatergezelschap Marthatentatief kennen en zag hun stuk over De ontembare stad.

Twee jaar geleden maakte Bart Van Nuffelen, de maker van de wondermooie podcast De Kunst van het verdwijnen, samen met onze collega’s en jongeren het jeugdtheaterstuk Fatilou M. Bijna een jaar lang liep hij rond op onze school. Hij wilde de wereld van onze jongeren leren kennen, begrijpen en vatten, om vervolgens samen met hen een stuk te maken.

Dat leverde niet alleen een theaterstuk op, maar ook onderstaande tekst. Bart schreef de tekst voor De veranderende stad maar herschreef hem speciaal voor ons team. Hij las de tekst voor op, jawel, een pedagogische studiedag. Gelukkig kon dat toen nog.

Deze tekst is voor mij een mooie analyse van de staat van onze maatschappij én ons onderwijs. Vooral de positiviteit ervan raakt me elke keer opnieuw. Alles is mogelijk.

Wij werken in een sciencefictionschool: de toekomst doet zich hier voor nog voor wij – en vooral anderen – haar kunnen zien en begrijpen.

Alles verandert voortdurend. Maar nergens zo zichtbaar als hier in Antwerpen, hier in Deurne, hier in de Spectrumschool.

Statistisch gezien is het aannemelijk dat er vandaag, tijdens deze vergadering, ergens een nieuwe inwoner en toekomstige leerling van onze school wordt geboren.

En wonderlijk genoeg is de kans reëel dat dat kindje ver van hier geboren wordt: in Afghanistan, Marokko, Eritrea of tussen de kapotgeschoten muren van een stad in Oekraïne of Palestina.

Binnen vijf jaar komt het misschien samen met zijn broertjes, zusjes en ouders in onze stad wonen.

En toeval of niet: hun komst zal een kantelmoment zijn.

Voor het eerst in de geschiedenis zullen er in Antwerpen, en dus ook op onze school, meer mensen wonen met een andere origine dan mensen met een oorspronkelijke Belgische achtergrond. In andere wereldsteden, zoals New York en Londen, is dat al langer de realiteit.

Die verandering is. Ze gebeurt. En ze is niet tegen te houden of terug te draaien.

Het enige wat we kunnen doen, is die verandering erkennen, begrijpen en omarmen.

De kans is ook reëel dat dat stadskind zich hier niet welkom zal voelen. Dat het zal opgroeien in een verdeelde stad.

Het is aan ons allemaal om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.

Want het kan ook anders.

Het kan hier gelukkig worden. Het kan deel uitmaken van een nieuwe, open stad.

Het is allemaal mogelijk.

Dat kindje groeit op in Antwerpen, in Deurne. Het gaat naar de basisschool in de buurt en vervolgens naar het middelbaar, op de Spectrumschool.

Met andere woorden: dat kindje komt jullie tegen.

En gelukkig maar.

Want zonder dat jullie het zelf weten of ten volle beseffen, zijn jullie, jullie werk en jullie aanwezigheid een essentiële kracht in deze veranderende stad en school.

Jullie zetten kinderen en jongeren die nooit anders gekend hebben dan dat ze hard moesten duwen om vooruit te geraken, even uit de wind.

Jullie tonen dat sommige mensen wind mee hebben en anderen wind tegen. Dat daar op korte termijn niet altijd iets aan te veranderen is. Maar vooral: jullie leren hen dat wind tegen je niet minder maakt.

Integendeel.

Als je begrijpt waarom je wind tegen hebt, kan het je misschien zelfs sterker maken. In ieder geval helpt het je om klaar te zijn voor een waardevol leven in Antwerpen. Een leven waarin je nodig bent.

Dat is jullie job.

En dat is wat jullie zo belangrijk maakt voor de toekomst. Voor die voortdurend veranderende stad waar wij allemaal deel van uitmaken.

Over tankers en andere schepen

“Het onderwijs is geen tanker, maar een vloot van schepen”. Het is het nieuwe credo van onze minister van Onderwijs, Zuhal Demir (N-VA). En gelijk heeft ze!

Sommige scholen lijken op cruiseschepen, andere op gammele bootjes. De omstandigheden verschillen enorm. Soms zelfs zo sterk dat vergelijkingen tussen scholen nauwelijks zinvol zijn.

We hebben in Vlaanderen verschillende rederijen: de netten en koepels, maar ook heel veel verschillende inrichtende machten. Daarnaast is elke lokale context anders.

Een school in Antwerpen is geen school in Ieper. Een vakschool is geen humaniora. Niet qua infrastructuur, niet qua leerinhouden en vaak ook niet qua instroom. Een basisschool is zowel in de praktijk als in de regelgeving nauwelijks te vergelijken met een secundaire school. En dan hebben we het nog niet gehad over het buitengewoon onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs of het hoger onderwijs.

Elke school is dus een ander bootje. Maar we zitten wel allemaal in hetzelfde schuitje.

Vroeger was alles beter?

Volgens sommigen was vroeger alles beter. Dat ik anders dan mijn kinderen ben opgegroeid, valt moeilijk te ontkennen. Ik ben net 47 geworden. Ik merk zelfs een groot verschil tussen hoe mijn oudste dochter van 24 opgroeide en naar school ging, en hoe mijn jongste dochter van 8 vandaag opgroeit.

De nood aan meer structuur en meer common ground is reëel.

Het is dan ook goed dat onze minister die noodzaak erkent en ernaar handelt. Meer aandacht voor regels en routines, maar ook voor gedrag als onderdeel van het curriculum, zijn noodzakelijke stappen.

Maar ze zullen op zichzelf niet het wezenlijke verschil maken waarop we hopen.

Daarvoor moet er veel meer gebeuren. In het onderwijs, maar ook in de maatschappij. Want daar zit volgens mij een belangrijk deel van het probleem.

It takes a village to raise a child. Maar die village zijn we kwijt. Wanneer het misloopt, wordt er vooral naar ‘het onderwijs’ gekeken. Kinderen worden niet alleen thuis en op school opgevoed. Ze leren ook in de publieke ruimte hoe onze samenleving werkt, hoe we met elkaar omgaan en wat we belangrijk vinden. Maar net die publieke ruimte wordt steeds minder een gemeenschappelijke ruimte. We leven in een bijzonder individualistische maatschappij.

Ook onze gemeenschappelijke cultuur verandert razendsnel. Ze wordt tegelijk steeds wereldser, maar ook steeds kleiner.

Ik ben opgegroeid met Samson. Mijn oudste dochter met K3. Mijn jongste lijkt veel minder common ground te hebben met haar klasgenoten, behalve wanneer er weer een nieuwe TikTok-rage is. Zoals onlangs de ‘dumpling unboxing’: plastic prullen uitpakken die achteraf zelfs eerder toxisch bleken te zijn.

De tijd waarin iedereen FC De Kampioenen kende en Jommeke las, is voorbij. Dat lijkt misschien onschuldig, maar het heeft vele gevolgen. Ook voor onze taal bijvoorbeeld. Zegswijzen die voor ons vanzelfsprekend zijn omdat we ze tientallen keren hoorden in dezelfde televisieprogramma’s en nadien leerden op school, kennen onze kinderen niet meer. Zij brengen op hun beurt nieuwe woorden binnen in onze maatschappij. Dat is niet beter of slechter. Het is anders. En daar moeten we mee leren omgaan. Wanneer we willen dat onze kinderen die ‘oude’ spreekwoorden kennen, moeten we hen dit ook expliciet aanleren en niet verwachten dat deze kennis vanzelf komt.

Politici proberen maatschappelijke veranderingen soms tegen te houden met verboden. Eerst de smartphone, binnenkort misschien sociale media. Ik vind dat bijzonder naïef. Ik ben een zeer koele minnaar van het smartphoneverbod. Wij hebben immers jongeren die vroeger naar school komen om via de wifi van school te werken, lezen of op te zoeken. Niet iedereen heeft die toegang thuis. Maar ook, in de geest van de tekst van Bart, de verandering kan je niet tegenhouden. Je kan alleen leren ermee om te gaan.

Dat betekent uiteraard niet dat we alles blindelings moeten laten gebeuren. We moeten grenzen stellen, keuzes maken en jongeren beschermen waar dat nodig is.

Maar we moeten vooral begrijpen dat de wereld van vandaag niet opnieuw de wereld van gisteren wordt. En daar moeten we in het onderwijs meer rekening mee (kunnen) houden.

Een mening is nog geen visie

Politiek en onderwijs, het blijft een moeilijke combinatie. Iedereen heeft een mening over onderwijs, want iedereen is ervaringsdeskundige. Ook onze politici zaten allemaal op de schoolbanken. Sommigen zelfs bijzonder lang. Toen kon dat nog; toen was alles immers beter. Maar een mening is nog geen visie. Dat het onderwijs zo sterk gepolitiseerd is, vind ik één van de grootste extralegale nadelen van onze sector.

Ik ben nu veertien jaar directeur en heb dus al een aantal ministers zien passeren. Elke minister wil zijn of haar stempel drukken. Logisch. Dat is politiek.

Maar voor het onderwijs is die voortdurende dadendrang minder logisch. Vooral de afgelopen jaren is dat erg voelbaar geworden. Niet alleen door de hoeveelheid veranderingen, maar ook door de snelheid waarmee ze worden ingevoerd en gecommuniceerd.

Je hoort iets eerst op sociale media of in het nieuws. Pas daarna komt de beleidstekst. En tegen dat je de concrete impact ervan op je schoolwerking hebt kunnen inschatten, staat de volgende maatregel alweer voor de deur. Dat is geen goede manier om duurzaam onderwijsbeleid te voeren.

Neem de modernisering van het secundair onderwijs: meer opleidingen in plaats van minder. Meer werk voor schoolteams. En minimumdoelen die zo vaag zijn opgesteld dat elke vakgroep op elke school ze zelf moet interpreteren en vertalen. Dat kost tijd en energie. Bovendien heeft dit ook gevolgen voor jongeren die van school veranderen. Wat op de ene school ‘nauwkeurig werken’ is, is dat niet noodzakelijk op de andere.

Onze collega’s van de eerste graad hebben intussen al twee ingrijpende moderniseringen achter de rug. Met de nieuwe minimumdoelen in het basisonderwijs komt er mogelijk opnieuw een aanpassing. Drie moderniseringen op minder dan tien jaar tijd. Vraag het aan een expert veranderingsmanagement. Vraag het aan een expert motivatiepsychologie. Of nog beter: vraag het aan de leraar die elke dag voor een klas staat. Ze zullen er waarschijnlijk hetzelfde over denken. Alleen heeft die laatste er meer last van.

Corona bracht Europees relancegeld en daarmee de Digisprong. De strategische doelstelling was (te) eenvoudig: elke leerling een eigen laptop. De gevolgen waren drastisch en wat mij betreft dramatisch: scholen braken computerlokalen af, leerkrachten gingen aan de slag met nieuw digitaal lesmateriaal, jongeren zaten elk lesuur achter een laptop, ouders werden op kosten gejaagd omdat elke school haar eigen digitale aanpak had.

En toen kwam er een nieuwe minister. Nieuwe inzichten. Nieuwe spelregels. Onze huidige minister verkiest immers pen en papier, en gelooft niet in volledig digitaal werken. En gelijk heeft ze.

Maar daar zit precies mijn punt. Het probleem is niet dat een minister een andere visie heeft. Het probleem is dat we telkens opnieuw van koers veranderen zonder dat er een langetermijnvisie onder ligt. We hadden geen laptopplan nodig. We hadden een onderwijskundige visie op digitalisering nodig.

Het extralegale nadeel: de politiek

Een nieuwe regering, een nieuwe focus. Een nieuwe ronde in de rollercoaster.

Over het smartphoneverbod had ik het al. Maar er zijn nog andere dossiers. Neem ‘Iedereen Taalheld’. De analyse is moeilijk te betwisten: ja, taal is belangrijk. Ja, taalverwerving verloopt anders dan vroeger. Ja, onze jongeren hebben nood aan een sterke taalbasis, nu nog meer dan vroeger. Er moet dus wat veranderen in de aanpak van de afgelopen jaren. De gekozen oplossing via de Taalheldklassen en in het secundair de Taalhelduren zal echter nooit voldoende slagkracht hebben wanneer dit niet wordt ingebed in een ruimer plan.

Bovendien kregen scholen alweer bijzonder weinig tijd om dit concreet uit te werken.

Wat dit dossier extra pijnlijk maakt: tegelijk met de terechte focus op taal, werd de omkadering voor de vervolgcoaching van anderstalige nieuwkomers met twee derde verminderd. Niet omdat wetenschappelijk onderzoek of praktijkervaring aantoonde dat die omkadering niet nodig was. Integendeel: net daarom werd het tien jaar geleden onder minister Crevits ingevoerd.

De reden? Er moet worden bespaard en ‘deze leerlingen behoren nog steeds tot de meest omkaderde leerlingen’. Sic het kabinet. Wetende dat dit over jongeren in bijzonder kwetsbare situaties gaat, is dat een zeer cynische uitspraak.

Ook de levensbeschouwelijke vakken moesten worden aangepast. De berekeningswijze werd plots drastisch aangepast, zogezegd om het voor scholen eenvoudiger te maken en natuurlijk ook om te besparen. Op onze school kregen we zo de absurde situatie dat we op drie weken tijd gingen van een vakgroep van tien mensen naar vier en vervolgens terug naar tien. Het massale protest maakte immers duidelijk dat deze aanpassing enkel nefaste gevolgen zou hebben.

Het siert onze minister dat ze de maatregel uiteindelijk introk.

Maar tegelijk kwamen er andere ‘kleine aanpassingen’, zoals ze het zelf noemt.

Weg facultatieve verlofdag. Weg pedagogische studiedag. Minder evaluatiedagen, vooral in scholen met permanente evaluatie. En opnieuw studie op school. Het lijken misschien kleine aanpassingen. Maar wie in een school werkt, weet dat ze een enorme impact hebben op de dagelijkse werking. En dan is de vraag: Wat is er níet veranderd? Wat we echt nodig hebben.

Extralegale voordelen

Ik had het al over een extralegaal nadeel. Natuurlijk heeft het onderwijs ook extralegale voordelen. Al zijn die minder zichtbaar dan in de privésector. Geen dertiende maand. Geen maaltijdcheques. Geen tweede pensioenpijler.

Wat hebben we dan wel? Om te beginnen: betekenis. Onze job doet ertoe. Het gevoel dat je een verschil kunt maken, zelfs al is het maar voor een deel van je leerlingen, is moeilijk in woorden te vatten. Niets is mooier dan een oud-leerling tegenkomen en horen hoe het met hem of haar gaat. En dan horen dat onze school, of één van onze leerkrachten, ooit het verschil heeft gemaakt. Dat is een extralegaal voordeel dat geen enkele loonbrief kan vatten.

Het tweede voordeel kunnen we moeilijk ontkennen: de vakanties. Ja, we hebben veel vakantie. Ja, die vakantie doet deugd. En ja, ze is nodig. Naast bijwerken zijn het vooral onze recuperatiedagen na een schooljaar waarin een echte 38-urenweek eerder uitzondering dan regel is. Een beetje de annualisering van de arbeidstijd die de regering-De Wever wil avant la lettre.

Sinds onze vorige minister en die vermaledijde Digisprong hebben we er nog eentje bij: een internetvergoeding van 20 euro per maand. Mooi meegenomen.

Maar mijn persoonlijke favoriet is een ander, vaak onderschat extralegaal voordeel: wij kunnen twee keer nieuwjaar vieren!

Het gevoel van 1 september lijkt voor mij sterk op dat van 1 januari. Nieuwe plannen. Nieuwe kansen. Nieuwe leerlingen. Nieuwe collega’s. Nieuwe agenda (jawel, op onze school is dat een papieren versie). Nieuwe lijstjes. Wat wil je veranderen? Wat heb je nodig? Wat zou je graag anders doen?

Nieuwjaarke zoete

Bij de start van het nieuwe schooljaar, onze tweede nieuwjaarsdag dus, maakte ik daarom een nieuwe benodigdhedenlijst.

1. Een minister van Opvoeding (of liever nog: géén minister)

Het gedenkteken hangt er nog in ons gebouw van 1975: ingehuldigd door Herman De Croo, minister van Nationale Opvoeding. Vroeger was alles beter, dat dus ook. Alleen al die titel maakt duidelijk dat we samen verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van onze jeugd. Niet enkel de ouders, niet enkel de school. Minstens symbolisch lijkt me die titel nu zeker aan de orde. Aangezien onze politiek wel houdt van symboolbeslissingen, kan dit er misschien ook eentje worden.

Moest ik kunnen kiezen, komt er dus opnieuw een minister van Opvoeding. Of liever nog: géén minister, en wordt onderwijs volledig losgekoppeld van de vijfjaarlijkse politieke dadendrang.

2. Een visie die verder gaat dan oneliners

We hebben immers een visie nodig die verder gaat dan één regeerperiode. Een visie die niet alleen vertaald wordt in operationele doelen, maar ook in strategische en vooral duurzame keuzes.

‘Elke leerling een laptop’ is daar een mooi voorbeeld van. Natuurlijk had het onderwijs nood aan een ICT-toekomstplan. Sommige scholen meer dan andere. Maar zo’n plan gaat over veel meer dan laptops.

Hetzelfde geldt voor het schrappen van een pedagogische studiedag of het verminderen van evaluatiedagen. Lestijd optimaliseren is een verdedigbare strategische doelstelling. Maar dan moeten de operationele keuzes wel kloppen.

Er zijn vandaag veel grotere uitdagingen.

Jongeren die vaak afwezig zijn, gewettigd of ongewettigd, en daardoor enorme hoeveelheden lestijd missen. Dat heeft gevolgen voor hun slaagkansen, voor de lestijd én voor de werklast van elke leraar. Toch lees je daar in het regeerakkoord weinig over, behalve dat ouders gestraft moeten worden.

Jongeren die wel op school zijn maar uren les per week missen door een afwezige leraar. Het lerarentekort bestaat en heeft verstrekkende gevolgen. De minister werkt momenteel aan een nieuw plan, dat hopelijk voldoende ruim en allesomvattend is.

Of neem het acute plaatstekort in bepaalde regio’s. Vandaag zijn er jongeren die niet in de opleiding terechtkunnen die bij hen past. Een jongen die elektricien wil worden maar noodgedwongen in verzorging start, heeft beduidend minder kans op een succesvolle schoolloopbaan. Daar verandert enkele uren meer studie op school niets aan.

3. Een visie die rekening houdt met doelgroep en context

Een one-size-fits-all model is zelden mooi.

Ja, we varen dezelfde richting uit. Maar niet elk schip heeft dezelfde motor nodig. Niet elk schip vaart in dezelfde omstandigheden. En niet elk schip heeft dezelfde bemanning.

Tijdens corona werd pijnlijk duidelijk hoe weinig kennis er soms is over andere vormen van onderwijs dan het klassieke ASO. Ook vandaag wordt te weinig rekening gehouden met de specifieke noden van bijvoorbeeld het buitengewoon onderwijs of het praktijkonderwijs. Dat bleek uit de recente ‘kleine aanpassingen’ waar er verhoudingsgewijs meer werd geschrapt in evaluatiedagen in scholen met permanente evaluatie dan in scholen met examens.

4. Een echte visie op buitengewoon en praktijkonderwijs

We hebben dringend een concrete visie nodig op het buitengewoon én het praktijkonderwijs.

Vraag aan tien mensen wat inclusief onderwijs betekent en je krijgt tien verschillende antwoorden. Ik blijf dan ook op mijn honger zitten bij het nochtans knappe werk van het beleidsplan Scholen voor iedereen over een duidelijke definitie van inclusie. Hoe ver willen we gaan? Dat is geen theoretische vraag. We hebben vandaag immers vier opleidingsvormen en acht verschillende types binnen het buitengewoon onderwijs.

Nog pijnlijker is misschien de vraag: zou jij jouw eigen kind naar het praktijkonderwijs sturen? Het vakonderwijs is meestal de laatste keuze.

Dat is deels perceptie, maar die perceptie wordt ook door beleid gevoed. Je kan starten in Latijn en daarna ‘afzakken’ naar hout. Omgekeerd kan het niet. De waterval dus.

Jongeren worden meestal/bijna altijd pas naar het vakonderwijs gestuurd wanneer ze falen in theoretische vakken, vaak wiskunde of talen. Alsof een vakman of vakvrouw die competenties niet nodig heeft. Alsof technisch of praktisch talent minder waard is dan theoretisch talent. Zolang we dat niet veranderen, blijft het praktijkonderwijs de laatste keuze.

5. Data zijn belangrijk, maar praktijkervaring is onmisbaar

Data zijn nuttig. Ze kunnen onze koers bepalen. Maar data staan nooit op zichzelf. Je kunt dezelfde cijfers bovendien op verschillende manieren interpreteren. Daarom zijn data en wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk, maar niet voldoende.

Ook praktijkervaring en expertise uit het veld zijn cruciaal. En precies daar wringt het vandaag. Beleid wordt te vaak gemaakt over scholen, in plaats van met scholen.

Wie dagelijks voor een klas staat, een school organiseert of jongeren begeleidt, beschikt over kennis die je niet uit een spreadsheet haalt. Die expertise moet mee aan tafel.

Stabiele koers

En dan terug naar het begin: we kunnen de verandering niet tegenhouden. De toekomst is er al. Ze zit vandaag in onze klaslokalen. In de jongeren die hier rondlopen. In hun taal, hun cultuur, hun verwachtingen, hun zorgen en hun dromen. Anders dan toen wij opgroeiden. Niet beter, niet slechter. Het is aan ons, de vloot van schepen, om te leren varen in de wereld die eraan komt. Met behoud van wat goed werkt en aanpassingen waar nodig. Met vertrouwen in de mensen aan boord. Maar bovenal met een duidelijke en stabiele koers. Ondanks de kapitein die elke vijf jaar wisselt.

Liefste leerkrachten en alle medewerkers in en rond onderwijs: geniet van jullie nieuwjaarsdag en vergeet niet dat uiteindelijk alles mogelijk blijft!

Bron; sampol.be

Hoeveel brengt een vermogensbelasting op?

De oppositiepartijen Ecolo-Groen, PS en PVDA-PTB willen vermogen belasten. Maar hoeveel brengt dat écht op, rekening houdend met hoe belastingplichtigen op een vermogensbelasting reageren?

Ecolo-Groen, de PS, en de PVDA-PTB dienden recent elk een wetsvoorstel in om een Belgische vermogensbelasting in te voeren. Op 22 september vond in het federaal parlement een hoorzitting plaats over deze drie wetsvoorstellen. Hier ga ik in op het opbrengstpotentieel en de belastingincidentie van de drie wetsvoorstellen, rekening houdende met schattingen voor de gedragsreacties van belastingplichtigen.

Vermogen steeds omvangrijker

Het vermogen in België is groot en wordt steeds omvangrijker. In 2024 bedroeg het totaal netto privévermogen in België 3.350 miljard euro. Dit bedrag komt overeen met 6,5 keer het netto nationaal inkomen, een van de hoogste vermogensinkomensratio’s ter wereld. In 1980 was het totaal netto privévermogen slechts goed voor 850 miljard euro (in euro’s van 2024), of iets meer dan 3,5 keer het netto nationaal inkomen. Het belang van vermogen ten opzichte van inkomen steeg dus met 80% op 40 jaar tijd.

De top 1% bezit ongeveer 22% van het vermogen in België. In België is er geen vermogensregister. De vermogensongelijkheid moet daarom worden geschat.

Er zijn drie verschillende benaderingen om de vermogensongelijkheid te schatten.

Ten eerste kan informatie over het vermogensinkomen van individuen of huishoudens gekoppeld worden aan schattingen van de opbrengstvoet van vermogen om het nettovermogen af te leiden. Aangezien vermogensinkomen tegenwoordig aan de bron wordt belast, kan deze methode niet worden toegepast op het hedendaagse België.

Ten tweede kan gebruik worden gemaakt van een vermogensenquête om respondenten rechtstreeks over hun vermogen te bevragen. Dergelijke vermogensenquêtes hebben belangrijke beperkingen, aangezien respondenten de neiging hebben hun eigen vermogen te onderschatten en rijke huishoudens vaak niet in de steekproef worden opgenomen.

Een derde benadering maakt gebruik van gegevens uit de erfbelasting. In België is door de verplichte erfaangifte van alle overledenen het nettovermogen bij overlijden bekend. Door aan de overledenen in een bepaald jaar gewichten toe te kennen, kan een representatieve steekproef van de bevolking bekomen worden en kan zo de vermogensongelijkheid worden geschat.

Recent onderzoek op basis van erfdata toont aan dat de vermogensongelijkheid in België in de 21ste eeuw gestabiliseerd is, na een sterke daling in de 20ste eeuw. In 2022 bedroeg het geschatte vermogensaandeel van de top 1% ongeveer 22%. 7% van de Belgische volwassenen bezit meer dan 1 miljoen euro nettovermogen en 1,5% bezit meer dan 2,5 miljoen.

Gedragsrespons is in belangrijke mate beleidsafhankelijk

De gedragsrespons op een vermogensbelasting is in belangrijke mate beleidsafhankelijk. De impact van een vermogensbelasting hangt af van de manier waarop belastingplichtigen reageren. Hier ga ik kort in op de (beperkte) wetenschappelijke literatuur rond gedragseffecten van vermogensbelastingen.

Er zijn verschillende manieren waarop belastingplichtigen kunnen reageren.

Ten eerste kunnen belastingplichtigen ‘reëel’ reageren door hun spaargedrag of arbeidsaanbod aan te passen. Theoretisch gezien is het effect onduidelijk: belastingplichtigen zouden minder kunnen gaan sparen of werken omdat de opbrengst van sparen of werken lager wordt (substitutie-effect), maar ze zouden ook meer kunnen gaan sparen of werken om het verlies aan vermogen/inkomen te compenseren (inkomenseffect). De resultaten van empirisch onderzoek wijzen op een beperkte spaar- en werkrespons die soms positief is.

Ten tweede zouden belastingplichtigen hun vermogen ook kunnen onderrapporteren. Empirisch onderzoek wijst op relatief belangrijke onderrapportering van vermogen wanneer belastingplichtigen zelf hun vermogen moeten aangeven.

Ten derde kunnen belastingplichtigen hun vermogen ook naar het buitenland verplaatsen (off-shoring). Er is slechts weinig onderzoek naar gedaan, maar de beschikbare studies suggereren dat off-shoring vooral voorkomt aan de bovenkant van de vermogensverdeling en recent daalde naar aanleiding van de doorgedreven automatische gegevensuitwisseling tussen landen.

Ten vierde zouden belastingplichtigen hun vermogen ook kunnen herstructureren (portfolio-shifting) om zo minder belastbaar vermogen aan te houden. Er is duidelijke empirische evidentie dat belastingplichtigen hun vermogenssamenstelling verschuiven naar minder belastbare of moeilijker te waarderen activa als reactie op een vermogensbelasting.

Ten vijfde kunnen belastingplichtigen ook reageren door te migreren. Het beschikbare onderzoek wijst op een klein negatief internationaal migratie-effect. Wel blijkt dat een vermogensbelasting ingevoerd op regionaal niveau of een tarief dat verschilt per regio een niet te verwaarlozen interne migratie kan teweegbrengen.

Deze gedragseffecten zijn sterk beleidsafhankelijk. Onderrapportering van binnenlands vermogen kan worden aangepakt door derde partijen rechtstreeks aan de belastingautoriteiten te doen rapporteren, zoals in Denemarken. Verplaatsen van vermogen naar het buitenland is oplosbaar door het invoeren van een belasting op het wereldwijd vermogen. Sinds de recente automatische uitwisseling van belastinggegevens tussen 120 landen is zoiets ook in de praktijk afdwingbaar. Portfolio-shifting kan worden tegengegaan door te kiezen voor een hoge initiële vermogensdrempel, eerder dan voor vrijstellingen, zoals een voor de gezinswoning. Rijke huishoudens die effectief naar het buitenland migreren, kunnen een ‘exit tax’ (zoals al bestaat in de VS) of een ’tail tax’ (zoals al bestaat in Nederland voor de erf- en schenkbelasting) opgelegd krijgen, waarbij ze eenmalig of nog enige tijd aan een vermogensbelasting onderworpen zijn.

Een redelijke inschatting van de totale gedragseffecten op basis van de literatuur is dat een slim ontworpen vermogensbelasting met een tarief van 1% de belastbare basis met 7-17% zou verminderen. Dit is ook het gedragseffect dat in de berekeningen van het Federaal Planbureau in het kader van de verkiezingen 2024 werd aangenomen.

Opbrengstpotentieel van een Belgische vermogensbelasting

Zowel de Ecolo-Groen, de PS als de PVDA-PTB vermogensbelastingconfiguraties hebben een progressieve tariefstructuur. De voorstellen verschillen op vier belangrijke vlakken.

Ten eerste zijn de marginale tarieven van de PVDA-PTB aanzienlijk hoger dan die van Ecolo-Groen en de PS (tot 3% tegenover respectievelijk 1,2% en 2%).

Ten tweede belasten Ecolo-Groen en de PS op individueel niveau, terwijl de PVDA-PTB op gezinsniveau belast. Dit betekent dat bij de PVDA-PTB het vermogen van partners wordt samengeteld, waardoor een gezin sneller in een hogere schijf terechtkomt.

Ten derde wordt in het voorstel van de PS het brutovermogen belast (zonder aftrek van schulden), terwijl in de andere twee voorstellen het nettovermogen wordt belast (na aftrek van schulden).

Ten vierde wordt in het voorstel van Ecolo-Groen het vermogen belast vanaf 2,5 miljoen euro (op individueel niveau en netto), in het voorstel van de PVDA-PTB vanaf 5 miljoen euro (op gezinsniveau en netto) en in het voorstel van de PS vanaf 5 miljoen euro (op individueel niveau en bruto).

Op basis van de herwogen erfdata en rekening houdend met de hierboven vermelde gedragseffecten, kan een schatting gemaakt worden van de belastingincidentie en het opbrengstpotentieel van deze drie wetsvoorstellen.

Er is een belangrijke databeperking bij de narekening van het voorstel van de PVDA-PTB. De vermogensverdeling gebaseerd op de herwogen erfenissendata is op individueel niveau en niet op gezinsniveau. Om de narekening toch uit te voeren, worden de drempelwaarden van het voorstel van de PVDA-PTB gedeeld door twee (2% tarief start bij 2,5 miljoen euro individueel vermogen in plaats van 5 miljoen euro gezinsvermogen, en 3% tarief bij 5 miljoen euro individueel vermogen in plaats van 10 miljoen euro gezinsvermogen). Na de aanpassing van de drempelwaarden wordt de narekening van het voorstel van de PVDA-PTB dan op individueel niveau uitgevoerd, net zoals voor de andere twee voorstellen.

Wat blijkt? Het voorstel van Ecolo-Groen en het voorstel van de PVDA-PTB raken naar schatting allebei 134.102 belastingplichtigen (1,5% van het totaal aantal volwassen individuen), aangezien in de narekening beide vanaf 2,5 miljoen euro netto individueel vermogen belasten. Het voorstel van de PS treft 46.643 belastingplichtigen (0,5% van het totaal). Het voorstel van Ecolo-Groen zou jaarlijks tussen 2,7 (sterke gedragsreactie) en 3,5 miljard (geen gedragsreactie) opbrengen. Voor het voorstel van de PS is dit 2,2 tot 3,1 miljard, voor het voorstel van de PVDA-PTB 4,1 tot 11,7 miljard.

De totale belastingdruk

En wat met de totale belastingdruk op vermogen in België? Om de impact van de voorgestelde vermogensbelastingen te evalueren, is het belangrijk om de belastingdruk op vermogen in België in rekening te brengen en te analyseren wat de impact van de wetsvoorstellen is. Hiervoor baseer ik me op de meest recente belastinginformatie gepubliceerd door de Europese Commissie en schattingen van het privaat nettovermogen van de World Inequality Database.

De totale belastingdruk op vermogen bedraagt in België ongeveer 2,03%, en zou met de nieuwe meerwaardebelasting op ongeveer 2,05% komen te liggen. De voorgestelde vermogensbelastingen zouden de belastingdruk op vermogen in België met 0,08-0,11 %-punt (het voorstel van Ecolo-Groen), 0,07-0,10 %-punt (het voorstel van de PS) of 0,13-0,36 %-punt (het voorstel van de PVDA-PTB) verhogen.

Deze cijfers moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Het gebruikte belastingconcept is zeer breed (vennootschapsbelasting, personenbelasting en socialezekerheidsbijdragen zelfstandigen, roerende voorheffing, registratierechten, onroerende voorheffing, erf- en schenkbelasting, effectentaks, bankenheffing, …). Daarnaast is dit een indicator van de totale belastingdruk op vermogen, en niet de belastingdruk op het vermogen van individuen die onderhevig zouden zijn aan de voorgestelde vermogensbelastingen.

Conclusie

De hier besproken narekening toont aan dat een Belgische vermogensbelasting een substantieel opbrengstpotentieel heeft, ook rekening houdend met gedragseffecten. De drie nagerekende voorstellen leveren naar schatting tussen 2,2 en 11,7 miljard euro op. De gedragseffecten die de opbrengst verminderen zijn in belangrijke mate beleidsafhankelijk en kunnen door slimme ontwerpkeuzes worden beperkt. De totale belastingdruk op vermogen in België bedraagt ongeveer 2% en zou toenemen met 0,1-0,4%-punt, afhankelijk van het voorstel en de veronderstelde gedragseffecten.

Een belangrijke kanttekening is dat de narekening zich beperkt tot het opbrengstpotentieel en de belastingincidentie. De bredere wenselijkheid van een vermogensbelasting hangt ook af van praktische en normatieve overwegingen die hier niet aan bod komen.

Deze tekst is een ingekorte versie van een Gents Economisch Inzicht (GEI) dat op 22 september werd gepubliceerd. Het GEI bevat ook technische informatie over de onderliggende berekeningen.

Bron: sampol.be

Deze simpele maatregel kan de federale begroting al een half miljard opleveren

Deze simpele maatregel kan de federale begroting al een half miljard opleveren

Onze Arizona-toppolitici buigen zich momenteel over de noodlijdende federale begroting. Er is evenwel een lichtpuntje. Eén besparing krijgen ze op een presenteerblaadje aangereikt: de beperking in tijd van de loonsubsidie voor de eerste aanwerving.

Het Monitoringcomité, dat de federale regering bijstaat bij de opvolging van de begroting, wond er in zijn laatste rapport geen doekjes om. Zonder bijsturing stevent de Belgische begroting af op een tekort van 4,9% dit jaar en 5,8% einde legislatuur. Zelfs voor de Keynesianen onder ons zijn dat bijzonder rode cijfers. Volgens het rapport nekt de combinatie van dalende belastinginkomsten en stijgende rentelasten onze begroting. Ondertussen valt ook de economische groei terug, terwijl de inflatie aantrekt. De regering mikt op een begrotingsinspanning van tien miljard euro. De Europese deadline ligt op 15 oktober. De komende weken worden cruciaal, politieke hoogspanning lijkt verzekerd.

Het beloven erg moeilijke onderhandelingen te worden. Daarom dat we in dit stuk de Arizona-topministers alvast één besparing op een presenteerblaadje aanbieden: de beperking in tijd van de loonsubsidie voor de eerste aanwerving, meteen goed voor een half miljard.

Voor wie de voorbije jaren de opiniekaternen angstvallig meed, hoog tijd om de subsidie voor de eerste aanwerving in herinnering te brengen. Die zag het daglicht in 1982 in een context van hoge (jeugd)werkloosheid. Technisch gezien is het een korting op de werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid, in het jargon een ‘doelgroepkorting’. Sindsdien genieten startende ondernemingen een bijna volledige vrijstelling van patronale bijdrage. Doorheen de jaren veranderden de technische modaliteiten met de regelmaat van de klok en breidde de regering de RSZ-korting uit naar meerdere aanwervingen.

Het is evenwel een noodlottige beslissing van de regering-Michel (2014-2018) die nog altijd het meeste stof doet opwaaien. In het kader van haar taxshift gold voortaan een loonsubsidie die onbeperkt was in de tijd. De gevolgen vallen nauwelijks te overzien. Elk bedrijf opgestart sinds 2016 geniet een in de tijd onbeperkte subsidielijn voor één werknemer. De uitgaven voor de subsidielijn eerste aanwervingen (‘plusplannen’ in het jargon) explodeerden van ruim 200 miljoen euro in 2016 naar een slordige 600 miljoen. Zonder beperking in de tijd zal dat kostenplaatje blijven toenemen.

Het was zowat het eerste dossier dat ik op mijn bord kreeg toen ik de studiedienst van het federaal ABVV vervoegde. Het regeerakkoord van de vorige federale regering voorzag een evaluatie en bijsturing van die subsidie ad aeternum. De sociale partners, werkgevers en vakbonden, kregen daarin in 2021 de lead. Het evaluatierapport van het Rekenhof begin 2021 sprak alvast duidelijke taal: nauwelijks impact op tewerkstelling en aantal startende ondernemingen, de maatregel is simpelweg niet kosteneffectief. Na enkele maanden stevig onderhandelen, bereikten de sociale partners een akkoord over een hervorming. De RSZ-korting voor de eerste aanwerving zou beperkt worden tot maximaal 26 kwartalen (of 6,5 jaar). In de lente van 2021 bleek de maatschappelijke consensus groot. Werkgeversfederaties VBO en UNIZO gaven toen expliciet groen licht. Ook onder onderzoekers was de consensus groot. Zelfs een blinde zag wat er moest gebeuren: de permanente subsidie omvormen tot tijdelijke steun.

Dat was zonder de Franstalige liberalen van MR gerekend. Zij maakten van het dossier een politiek symbool, geen enkele bedrijfssubsidie van de regering-Michel mocht worden herzien. Het sociaal akkoord bleef daarom dode letter. De regering-De Croo voerde enkele bijsturingen door, maar een beperking in de tijd kwam er niet. Het Planbureau becijferde in 2024 nochtans dat zo’n beperking jaarlijks maar liefst 495 miljoen euro opbrengt.

Dat brengt ons bij een ruimere vraag. Hoe komt het eigenlijk dat er zo weinig ophef is over die bedrijfssubsidies? In vergelijking met de buurlanden blijkt België bijzonder gul, van allerhande vrijstellingen op het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing tot kortingen op de RSZ-werkgeversbijdrage. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven raamt de omvang van de loonsubsidies – nog enigszins conservatief – op maar liefst 11,5 miljard euro per jaar.

Het gebrek aan politieke ophef stelt in schril contrast met de politieke hysterie over pakweg de stijgende pensioenuitgaven. Het is voer voor politicologisch onderzoek, maar ik zie op zijn minst drie verklaringen.

Ten eerste, de introductie van het globaal beheer in de sociale zekerheid sinds 1995. Sindsdien worden de inkomsten en uitgaven in de sociale zekerheid gepoold over al haar takken. Sindsdien vormt de sociale zekerheid van werknemers één globale financiële enveloppe, rechtstreeks verbonden met de globale, federale begroting. Midden jaren 1990 was dat een logisch besluit, maar het globaal beheer knipte wel de mentale link tussen RSZ-bijdragen en sociale rechten door. In het hoofd van Jan Modaal spijzen niet langer werkgevers- en persoonlijke bijdragen de pensioenkas, maar de globale collectiviteit. Het creëerde voor werkgevers de ideale context om een verdoken hold-up te plegen op de kassen van de sociale zekerheid. Als je ook rekening houdt met de verlaging van het basistarief naar 25% (taxshift regering-Michel), dan stegen de werkgeverskortingen de voorbije decennia van een amper één naar een slordige elf miljard euro. Precies door het globaal beheer roept dat (te) weinig politieke verontwaardiging op.

Ten tweede speelt ook een psychologisch mechanisme. In een begroting zijn stijgende uitgaven zijn bijzonder zichtbaar. Het springt vlug in het oog. Voor loonsubsidies is dat niet het geval. Meestal vormen de (para)fiscale mininkomsten of ‘belastingsuitgaven’ geen afzonderlijk lijntje in de begroting. Politici zien enkel dat de sociale bijdragen en fiscale ontvangsten achterblijven op de algemene groei, maar in nominale termen blijven die ontvangsten wel stijgen. Vandaar een simpel voorstel: neem in de begroting expliciete ‘lijntjes’ op voor de verschillende (para)fiscale uitgaven. Technisch heeft dat weinig voeten in de aarde. De FOD financiën publiceert al jaarlijks zo’n inventaris van fiscale uitgaven.

Tot slot speelt een simpel vijfletterwoord: ‘lobby’. Vooral de Franstalige liberalen van MR tonen zich de voorbije jaren bijzonder ontvankelijk voor zowat elk particulier sectorbelang. Van bijdragevrije auteursrechten voor softwarebedrijf Odoo tot vapeproducenten, Georges-Louis Bouchez neemt ze allen ter harte. Elk van die loonsubsidies creëerde de voorbije decennia haar eigen belangenbehartiging. Vooral bij sterke concentratie in één sector blijkt het bijzonder moeilijk om een subsidie terug te schroeven. Laat dat nu net het verschil zijn met de RSZ-korting voor eerste aanwerving, de impact is diffuus verspreid over de hele economie. Eigenlijk is vijf minuten politieke moed het enige wat ontbreekt.

Bron: sampol.be