Onze Arizona-toppolitici buigen zich momenteel over de noodlijdende federale begroting. Er is evenwel een lichtpuntje. Eén besparing krijgen ze op een presenteerblaadje aangereikt: de beperking in tijd van de loonsubsidie voor de eerste aanwerving.
Het Monitoringcomité, dat de federale regering bijstaat bij de opvolging van de begroting, wond er in zijn laatste rapport geen doekjes om. Zonder bijsturing stevent de Belgische begroting af op een tekort van 4,9% dit jaar en 5,8% einde legislatuur. Zelfs voor de Keynesianen onder ons zijn dat bijzonder rode cijfers. Volgens het rapport nekt de combinatie van dalende belastinginkomsten en stijgende rentelasten onze begroting. Ondertussen valt ook de economische groei terug, terwijl de inflatie aantrekt. De regering mikt op een begrotingsinspanning van tien miljard euro. De Europese deadline ligt op 15 oktober. De komende weken worden cruciaal, politieke hoogspanning lijkt verzekerd.
Het beloven erg moeilijke onderhandelingen te worden. Daarom dat we in dit stuk de Arizona-topministers alvast één besparing op een presenteerblaadje aanbieden: de beperking in tijd van de loonsubsidie voor de eerste aanwerving, meteen goed voor een half miljard.
Voor wie de voorbije jaren de opiniekaternen angstvallig meed, hoog tijd om de subsidie voor de eerste aanwerving in herinnering te brengen. Die zag het daglicht in 1982 in een context van hoge (jeugd)werkloosheid. Technisch gezien is het een korting op de werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid, in het jargon een ‘doelgroepkorting’. Sindsdien genieten startende ondernemingen een bijna volledige vrijstelling van patronale bijdrage. Doorheen de jaren veranderden de technische modaliteiten met de regelmaat van de klok en breidde de regering de RSZ-korting uit naar meerdere aanwervingen.
Het is evenwel een noodlottige beslissing van de regering-Michel (2014-2018) die nog altijd het meeste stof doet opwaaien. In het kader van haar taxshift gold voortaan een loonsubsidie die onbeperkt was in de tijd. De gevolgen vallen nauwelijks te overzien. Elk bedrijf opgestart sinds 2016 geniet een in de tijd onbeperkte subsidielijn voor één werknemer. De uitgaven voor de subsidielijn eerste aanwervingen (‘plusplannen’ in het jargon) explodeerden van ruim 200 miljoen euro in 2016 naar een slordige 600 miljoen. Zonder beperking in de tijd zal dat kostenplaatje blijven toenemen.
Het was zowat het eerste dossier dat ik op mijn bord kreeg toen ik de studiedienst van het federaal ABVV vervoegde. Het regeerakkoord van de vorige federale regering voorzag een evaluatie en bijsturing van die subsidie ad aeternum. De sociale partners, werkgevers en vakbonden, kregen daarin in 2021 de lead. Het evaluatierapport van het Rekenhof begin 2021 sprak alvast duidelijke taal: nauwelijks impact op tewerkstelling en aantal startende ondernemingen, de maatregel is simpelweg niet kosteneffectief. Na enkele maanden stevig onderhandelen, bereikten de sociale partners een akkoord over een hervorming. De RSZ-korting voor de eerste aanwerving zou beperkt worden tot maximaal 26 kwartalen (of 6,5 jaar). In de lente van 2021 bleek de maatschappelijke consensus groot. Werkgeversfederaties VBO en UNIZO gaven toen expliciet groen licht. Ook onder onderzoekers was de consensus groot. Zelfs een blinde zag wat er moest gebeuren: de permanente subsidie omvormen tot tijdelijke steun.
Dat was zonder de Franstalige liberalen van MR gerekend. Zij maakten van het dossier een politiek symbool, geen enkele bedrijfssubsidie van de regering-Michel mocht worden herzien. Het sociaal akkoord bleef daarom dode letter. De regering-De Croo voerde enkele bijsturingen door, maar een beperking in de tijd kwam er niet. Het Planbureau becijferde in 2024 nochtans dat zo’n beperking jaarlijks maar liefst 495 miljoen euro opbrengt.
Dat brengt ons bij een ruimere vraag. Hoe komt het eigenlijk dat er zo weinig ophef is over die bedrijfssubsidies? In vergelijking met de buurlanden blijkt België bijzonder gul, van allerhande vrijstellingen op het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing tot kortingen op de RSZ-werkgeversbijdrage. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven raamt de omvang van de loonsubsidies – nog enigszins conservatief – op maar liefst 11,5 miljard euro per jaar.
Het gebrek aan politieke ophef stelt in schril contrast met de politieke hysterie over pakweg de stijgende pensioenuitgaven. Het is voer voor politicologisch onderzoek, maar ik zie op zijn minst drie verklaringen.
Ten eerste, de introductie van het globaal beheer in de sociale zekerheid sinds 1995. Sindsdien worden de inkomsten en uitgaven in de sociale zekerheid gepoold over al haar takken. Sindsdien vormt de sociale zekerheid van werknemers één globale financiële enveloppe, rechtstreeks verbonden met de globale, federale begroting. Midden jaren 1990 was dat een logisch besluit, maar het globaal beheer knipte wel de mentale link tussen RSZ-bijdragen en sociale rechten door. In het hoofd van Jan Modaal spijzen niet langer werkgevers- en persoonlijke bijdragen de pensioenkas, maar de globale collectiviteit. Het creëerde voor werkgevers de ideale context om een verdoken hold-up te plegen op de kassen van de sociale zekerheid. Als je ook rekening houdt met de verlaging van het basistarief naar 25% (taxshift regering-Michel), dan stegen de werkgeverskortingen de voorbije decennia van een amper één naar een slordige elf miljard euro. Precies door het globaal beheer roept dat (te) weinig politieke verontwaardiging op.
Ten tweede speelt ook een psychologisch mechanisme. In een begroting zijn stijgende uitgaven zijn bijzonder zichtbaar. Het springt vlug in het oog. Voor loonsubsidies is dat niet het geval. Meestal vormen de (para)fiscale mininkomsten of ‘belastingsuitgaven’ geen afzonderlijk lijntje in de begroting. Politici zien enkel dat de sociale bijdragen en fiscale ontvangsten achterblijven op de algemene groei, maar in nominale termen blijven die ontvangsten wel stijgen. Vandaar een simpel voorstel: neem in de begroting expliciete ‘lijntjes’ op voor de verschillende (para)fiscale uitgaven. Technisch heeft dat weinig voeten in de aarde. De FOD financiën publiceert al jaarlijks zo’n inventaris van fiscale uitgaven.
Tot slot speelt een simpel vijfletterwoord: ‘lobby’. Vooral de Franstalige liberalen van MR tonen zich de voorbije jaren bijzonder ontvankelijk voor zowat elk particulier sectorbelang. Van bijdragevrije auteursrechten voor softwarebedrijf Odoo tot vapeproducenten, Georges-Louis Bouchez neemt ze allen ter harte. Elk van die loonsubsidies creëerde de voorbije decennia haar eigen belangenbehartiging. Vooral bij sterke concentratie in één sector blijkt het bijzonder moeilijk om een subsidie terug te schroeven. Laat dat nu net het verschil zijn met de RSZ-korting voor eerste aanwerving, de impact is diffuus verspreid over de hele economie. Eigenlijk is vijf minuten politieke moed het enige wat ontbreekt.
Bron: sampol.be
