Hervorming gezondheidszorg: nuance in een gepolariseerd debat

De hervormingsplannen van minister Vandenbroucke zijn ambitieus en gaan over veel meer dan de beperking van supplementen op de artsenhonoraria. Het geïsoleerd naar voren trekken van dit aspect leidt tot spanningen die misschien konden worden vermeden en tot onrust over het doorbreken van complexe evenwichten.

Onder ziekenhuisdirecteurs wordt heel veel gesproken, gediscussieerd en soms ook gesakkerd over de hervormingsplannen voor de gezondheidszorg van minister Frank Vandenbroucke. Maar veel publieke standpunten zal je niet horen of lezen, zeker niet in de debatten over de beperking van supplementen op erelonen. Dat komt door de complexiteit van het debat, maar ook omdat elke ziekenhuisbestuurder weet dat hij zijn schip slechts veilig over de golven kan sturen als dat gebeurt in goede verstandhouding met de artsengemeenschap binnen het ziekenhuis.

Ik heb dan ook even getwijfeld om in te gaan op de vraag van de redactie van Samenleving & Politiek om een artikel te schrijven over de hervorming van de ziekenhuisfinanciering en de ziekenhuisorganisatie.1 Het debat is de jongste maanden zo gepolariseerd geworden dat elke nuance verloren dreigt te gaan en dat de ziekenhuizen zich zelfs niet meer positief durven uit te spreken over hervormingen die de sector nog zelf gesuggereerd of gevraagd heeft.2

Maar omdat er in deze verwarde en verwarrende tijden zelfs moed nodig is om genuanceerd te zijn3, ga ik graag in op de uitnodiging.

HERVORMINGEN NOODZAKELIJK

Vooreerst is het noodzakelijk om te herinneren aan de noodzaak van hervormingen in de gezondheidszorg. De voorgelegde hervormingsplannen zijn veel breder dan het sterk gemediatiseerde debat over de artsenhonoraria, maar blijven onvermijdelijk ook beperkt tot de manoeuvreerruimte van de federale overheid.

Dat hervorming in de gezondheidszorg noodzakelijk is, dreigt een cliché te worden. Maar clichés moeten soms worden herhaald.

We worden geconfronteerd met brede maatschappelijke dilemma’s die zich voordoen in bijna alle westerse landen. Het belangrijkste dilemma is de zogenaamde “dubbele vergrijzing”: meer oudere mensen met meer zorgnoden en tegelijk de vergrijzing van het zorgpersoneel met een uitstroom van verpleegkundigen die niet gecompenseerd wordt door een gelijkwaardige instroom. Dit dreigend “zorginfarct” doet zich voor tegen de achtergrond van meer “multimorbiditeit” en meer “multichroniciteit”. Meer mensen die over langere periodes leven met meerdere aandoeningen. Maar die wel kunnen worden behandeld met nieuwe technische mogelijkheden.

Die spectaculaire technische evoluties gaan van steeds preciezere diagnostiek en voorspellende genetica over robotchirurgie tot semi-gepersonaliseerde geneesmiddelen. Ze vormen een tweesnijdend zwaard. Ze kunnen steeds meer en ze kosten steeds meer. Met het gigantische gevaar dat solidaire, toegankelijke gezondheidzorg nog kan worden bewaard voor de geneeskunde van de 20ste eeuw, maar niet meer voor de geneeskunde van de 21ste eeuw.

Tegen die globale achtergrond zijn de door Frank Vandenbroucke voorgestelde hervormingen niet zo spectaculair, maar toch wel ingrijpend. Het overzicht van de werven is terug te vinden in zijn beleidsnota.4 Het gaat voor de ziekenhuissector dan vooral om de hervorming van de nomenclatuur, van de ziekenhuisfinanciering en van het ziekenhuislandschap.

NAAR ‘ZUIVERE HONORARIA’

In de ziekenhuisfinanciering zou het de bedoeling zijn om samen met de nomenclatuurhervorming te evolueren naar zogenaamde “zuivere honoraria” en rechtstreekse dekking van de kosten van het ziekenhuis. Nu worden ziekenhuizen gefinancierd via verschillende bronnen, waarvan de belangrijkste zijn: het Budget voor Financiële Middelen of BFM (gemiddeld goed voor 33,2% van het ziekenhuisbudget) en de “afdrachten” of “inhoudingen” op de medische honoraria (gemiddeld goed voor 35,4% van het ziekenhuisbudget).5 Artsen betalen deze afdrachten hoofdzakelijk om het ziekenhuis te vergoeden voor de kosten die het ziekenhuis maakt om de medische prestaties mogelijk te maken. Het gaat dus hoofdzakelijk om vergoeding voor lokalen, materiaal en personeel. Maar gradueel zijn die afdrachten ook ingezet om het ziekenhuis te helpen financieel recht te blijven. Het Budget voor Financiële Middelen volstaat namelijk niet om de kosten van sommige diensten (zoals intensieve zorgen) te dekken en sommige essentiële investeringen (zoals een Elektronisch Patiëntendossier) worden absoluut niet voldoende vergoed via de basisfinanciering van het BFM. Dat leidt tot financiële problemen voor de ziekenhuizen, zoals op 19 november opnieuw bleek uit de bekendmaking van de zogenaamde MAHA-analyse. Bijna de helft van de ziekenhuizen (46%) noteerde in 2024 een negatief gewoon bedrijfsresultaat.6

Het hele stelsel van afdrachten leidt tot complexe onderhandelingen tussen ziekenhuisbestuur en medische raad, en soms ook tot geschillen. Zowel tussen het ziekenhuisbestuur en de artsengemeenschap, maar ook tussen artsengroepen onderling. Er bestaan immers geen wettelijke regelingen of richtlijnen voor de berekening van deze afdrachten. Elk ziekenhuis heeft daarvoor een eigen systeem uitgedokterd. Sommige werken nog met procentuele afdrachten, anderen zijn geëvolueerd naar een bijdrage op basis van een berekening van de reële kosten. Bijna overal tracht men een hogere bijdrage te vragen aan de beter verdienende specialismen (zoals medische beeldvorming en klinische biologie).

Indien kan worden overgegaan naar een goed doordacht en correct berekend systeem van zuivere honoraria, kunnen deze discussies verdwijnen.

In een stelsel van zogenaamde ‘zuivere honoraria’, zoals minister Vandenbroucke voorstelt, vormen de honoraria een correcte vergoeding voor de kennis en kunde, de tijd en de inzet, de stress en de emotionele belasting van de arts.

Als ziekenhuizen volledig vergoed worden voor de kosten en in staat zijn om naast de lopende exploitatiekosten ook de nodige investeringen te plannen en te betalen, kan een dergelijke scheiding een flinke stap vooruit zijn.

Maar binnen de sector blijven er stevige zorgen.

Zullen de kostenbijdragen wel voldoende zijn? En gaan we dit ook kunnen doorvoeren voor de poliklinieken van de ziekenhuizen waar, net zoals in extramurale privépraktijken, zorg verstrekt wordt aan ambulante patiënten? Of zullen we daar moeten blijven onderhandelen over de bijdrage van de artsen in de kosten van het personeel en de ter beschikking gestelde ruimtes?

In elk geval is het essentieel dat de noodzakelijke omschakeling naar meer dagchirurgie en meer ambulante behandelingen niet afgeremd wordt, maar dat dit mogelijk blijft in de unieke multidisciplinaire omgeving van een modern ziekenhuis. En dat de zogenaamde “vlucht uit het ziekenhuis” niet gestimuleerd wordt. We zien immers een trend waarbij sommige specialismen (zoals oogartsen) helemaal buiten het ziekenhuis trachten te werken, wat ernstige problemen geeft voor de absoluut noodzakelijke wachtdiensten.

Zoals bij elk veranderingstraject, bestaan er ook grote zorgen over de transitie tussen het bestaande en het geplande systeem. Vele ziekenhuizen konden het risico bij langetermijninvesteringen zoals een nieuw EPD of een nieuw operatiekwartier pas nemen na een akkoord met de medische raad over de bijdrage van de artsengemeenschap. Zonder die bijdrage dreigen de precaire financiële evenwichten te kantelen naar verliezen die de organisatie in gevaar brengen.

DE HERVORMING VAN DE NOMENCLATUUR

De hervorming van de ziekenhuisfinanciering kan enkel worden uitgevoerd indien ook de nomenclatuur hervormd wordt met een splitsing tussen het professioneel gedeelte (het “zuiver honorarium”) en de operationele kosten. De hervorming van de nomenclatuur is een proces dat reeds jaren aangekondigd wordt en waarvoor nu onderzoeksgroepen van ULB, KU Leuven, UGent en Möbius aan het werk zijn, onder regie van het RIZIV.

Ook zonder de fameuze hervorming in de richting van een zuiver honorarium zou een herziening van de nomenclatuur nodig zijn.7

De nomenclatuur is een inventaris van alle verstrekkingen van alle gezondheidszorgbeoefenaars. Bij elke reeks van 6 cijfers hoort een definitie van de ingreep of het onderzoek. En via de waarde van de zogenaamde sleutelletter kan je berekenen hoeveel een geconventioneerde zorgenverstrekker mag aanrekenen voor deze akte en hoeveel remgeld de patiënt moet betalen.

De hervorming van de nomenclatuur is nodig om het geheel te moderniseren en te rationaliseren. En om de nomenclatuur aan te passen aan nieuwe vormen van zorgverlening zoals telegeneeskunde en multidisciplinair werken.

Zoals de website van het RIZIV het zedig en voorzichtig omschrijft, is de herziening ook nodig om “onredelijke inkomensverschillen te corrigeren tussen huisartsen en specialisten, en tussen arts-specialisten onderling”.

Hoewel er tijdens de voorbije jaren reeds enkele revalorisaties zijn doorgevoerd, blijven de inkomensverschillen tussen de goed en de zeer goed betaalde specialismen erg groot. Ze kunnen nauwelijks verantwoord worden door klassieke motieven om inkomensverschillen te motiveren (zoals tijdsduur en complexiteit van de opdracht, noodzakelijke expertise, fysieke en emotionele belasting of stress).

Bij de herziening van de tarieven zal – naast een correcte vergoeding voor kennis, kunde en tijd – ook rekening moeten worden gehouden met technische evoluties. Sommige verstrekkingen zijn routineuzer geworden en vergen minder persoonlijke inzet van artsen. Andere verstrekkingen zijn door de technische evoluties complexer geworden of vragen de inzet van meer materiaal.

Die evoluties verklaren gedeeltelijk de enorme verschillen in conventiegraad. Artsen hebben immers de mogelijkheid om al dan niet “toe te treden” tot de akkoorden (conventies) die afgesloten worden tussen de verzekeringsinstellingen (mutualiteiten) en de artsensyndicaten. Binnen sommige specialismen zijn de artsen die weigeren de conventietarieven toe te passen ruim in de meerderheid. Denk aan dermatologen (69%), plastisch chirurgen (56%) of oogartsen (60%). Bij andere specialismen is het aantal niet-geconventioneerde artsen heel beperkt. Dat is zo bij geriaters (0,5%), klinisch biologen (2,1%) of oncologen (2,3%). Binnen groepen met een hoge deconventiegraad wordt vaak aangevoerd dat de conventietarieven te laag zijn om de kosten te dragen die horen bij moderne geneeskunde en tegelijk de basis te vormen voor een “marktconform” inkomen. Het is zeker juist dat sommige afzonderlijke aktes in bepaalde specialismen niet meer aangepast zijn aan de oplopende kosten. De hoge deconventiegraad wordt ook verklaard door andere factoren zoals schaarste en de daarbij horende wachttijden, en de mogelijkheid om hoge eigen bijdrages aan de patiënt te vragen.

In elk geval zal het herzien van de nomenclatuur niet enkel een complexe, maar ook een delicate oefening worden. Het kan daarbij niet enkel spannend worden tussen de mutualiteiten en de artsensyndicaten, maar ook tussen de artsen onderling.

De oefening zou immers moeten worden uitgevoerd als een “zero sum game”, een herverdeling binnen hetzelfde globaal budget. En dat betekent dus onvermijdelijk dat er winnaars en verliezers zullen zijn.

In elk geval is het te hopen dat de hervorming rationeel doorgevoerd wordt en nadien tot stabiele verhoudingen binnen de medische wereld leidt.

Het is ook belangrijk dat de deconventiegraad nadien niet verder toeneemt en dat dit geen rem vormt op de ontwikkeling van nieuwe vormen van vergoeding waarbij losgekomen wordt van het “fee for service“-model.

En uiteraard hopen we dat de nieuwe nomenclatuur duidelijk en eenvoudig toepasbaar zal zijn, en dat goed rekening gehouden wordt met alle toepassingsproblemen binnen de sector. In de ziekenhuissector zijn we onder meer bezorgd over de impact op de langetermijnafspraken die met de medische raden werden gemaakt voor bijdragen aan investeringen.

BEHEERSING VAN DE SUPPLEMENTEN

Laat het ons dan nog ook even hebben over het meest besproken deel van de hervorming: de beheersing van de supplementen.

Het is een onderdeel dat op 7 juli 2025 tot een artsenstaking leidde en nadien tot een bijgestuurde versie van de fameuze Hervormingswet.

Nochtans is de rust nog niet weergekeerd. Wie af en toe eens De Specialist of Artsenkrant leest of op LinkedIn de posts volgt van syndicaal actieve artsen, ziet een ware demonisering van minister Vandenbroucke.

Hij zou de man zijn die het “vrij beroep afbreekt”, “staatsgeneeskunde invoert” en de “plannen en dromen van jonge artsen vernietigt”. De artsensyndicaten hebben een oproep gelanceerd om tegen 14 december massaal bezwaren in te dienen tegen het ontwerp van Hervormingswet.

Zeker in de aanloop naar de artsenstaking van 7 juli was het heel merkwaardig dat binnen het debat over de artsenhonoraria alle pijlen op de overheid en in het bijzonder op minister Vandenbroucke werden gericht. Minder goed betaalde specialisten zoals pediaters, reumatologen of psychiaters zouden nochtans ook hun ongenoegen kunnen uiten over het feit dat radiologen, nefrologen of klinisch biologen twee tot drie keer meer verdienen voor hetzelfde aantal uren werk.

Mogelijk kwam de brede verontwaardiging omdat het voorstel om ook voor niet-geconventioneerde artsen maximale supplementen op te leggen reeds meteen heel concreet werd gemaakt (25% in ambulant verband en 125% bij opname in een eenpersoonskamer), terwijl over de andere aspecten van de hervorming nog heel veel onduidelijkheid bestond en nog steeds bestaat.

Wanneer men niet weet wat het resultaat zal zijn van de nomenclatuurhervorming en nog niet geweten is hoe de opsplitsing tussen het professioneel honorarium en de operationele kosten er zal uitzien, dan kan men ook moeilijk inschatten of die beperking van de supplementen echt zal leiden tot verlieslatende ambulante praktijken of gewoon een redelijke beperking is in het belang van toegankelijkheid van de zorg.

Hoewel het van meet af aan de bedoeling was om die beperking van supplementen pas te laten ingaan vanaf 1 januari 2028, heeft het beklemtonen van dit onderdeel van de hervorming en de eis om dit meteen wettelijk te laten verankeren de gemoederen hoog doen oplopen.

Nochtans zijn er ernstige argumenten om voor alle terugbetaalde gezondheidszorgen geen onbeperkte ereloonvrijheid toe te laten.

Het blijft een boeiende maatschappelijke discussie, maar het is belangrijk om te beseffen dat het eigen aandeel van de gezinnen in de globale zorgkosten (met inbegrip van geneesmiddelen, tandzorg en hulpmiddelen) gestegen is tot 20,1%. Zoals John Crombez en Eric Mortier terecht schijven in hun recente boek Hou België gezond is het vooral “die 20,1% uit eigen zak die ons zorgen moet baren”.8

Dat eigen aandeel wordt voor sommige bevolkingsgroepen gelukkig gedeeltelijk beperkt door stelsels zoals de maximumfactuur en de gradueel ingevoerde verplichting om aan conventietarieven te werken voor alle personen die recht hebben op verhoogde verzekeringstegemoetkoming.

De Hervormingswet van minister Vandenbroucke voorziet ook stimulansen opdat meer artsen bereid zouden zijn om voor alle patiënten aan conventietarieven te werken.

Toch blijven de artsensyndicaten zich verzetten tegen een beperking van de supplementen voor niet-geconventioneerde artsen. Dit zou een aantasting zijn van de kern van het vrij beroep en de innovatie en ondernemerszin afremmen.

Hoewel er evident mag worden verwacht dat honoraria een correcte vergoeding vormen voor kennis en kunde en voor reële kosten, is het niet abnormaal dat de sociale zekerheid beperkingen oplegt in ruil voor de tegemoetkoming. Ook niet-geconventioneerde artsen blijven voor de terugbetaalde handelingen deel uitmaken van een systeem waar de sociale zekerheid en de overheid in 2026 het gigantische bedrag van 42 miljard euro in investeert. De patiënten blijven immers terugbetaling ontvangen op basis van de tegemoetkoming voorzien voor geconventioneerde artsen. Het eigen aandeel van de patiënt is hoger, maar in het belang van de toegankelijkheid van de zorg en de aanvaardbaarheid van de solidaire bijdrage in de financiering (via belastingen en sociale zekerheidsbijdragen), is het niet onredelijk dat er grenzen worden gesteld aan dat eigen aandeel.

De Hervormingswet van minister Vandenbroucke voorziet nu dat de beperking van de supplementen zal moeten worden onderhandeld in de akkoordencommissies (tussen mutualiteiten en artsensyndicaten) die hiervoor tot midden 2027 de tijd krijgen. Indien er geen akkoord tot stand komt, zal de regering de mogelijkheid krijgen om grenzen op te leggen.

Die onderhandelingen zullen deel uitmaken van de zoektocht naar een globaal evenwicht. Vanuit de ziekenhuissector wordt er terecht op gewezen dat het stelsel van supplementaire honoraria in eenpersoonskamer nu deel uitmaakt van een moeizaam onderhandeld evenwicht. In veel ziekenhuizen wordt een deel van deze supplementen ook gebruikt voor de financiering van nieuwe technologie.

Het zeer belangrijke doel van de toegankelijkheid van de zorg voor de brede bevolking mag en moet een belangrijk element blijven in de globale hervorming. Samen met andere doelen, zoals de kwaliteit van de zorg en het mogelijk maken van goed doordachte innovatie. En uiteraard ook de financiële leefbaarheid van de ziekenhuizen. Ziekenhuizen zijn slechts een onderdeel van een globale zorgketen waar meer “geïntegreerde” samenwerking absoluut noodzakelijk is. Maar ze blijven wel een onmisbaar onderdeel.

EINDNOTEN

  1. Deze bijdrage is geschreven in eigen naam en niet namens het ziekenhuis.
  2. “Naar een nieuw zorgysteem – Memorandum federale en Vlaamse verkiezingen 2024”, p. 53 waar Zorgnet-Icuro als koepel van Vlaamse ziekenhuizen in 2023 nog pleitte voor “een meer rechtstreekse financiering met afbouw van afdrachten en supplementen”, maar dan wel onder de voorwaarde dat die rechtstreekse financiering “duurzaam en kostendekkend zou zijn”. Brochure te raadplegen via www.zorgneticuro.be
  3. Jean Birnbaum, Le courage de la nuance, Points, 2022. [
  4. Beleidsverklaring volksgezondheid van 13/3/2025 (te consulteren via www.vandenbroucke.belgium.be of www.dekamer.be (document 56 0767/009)).
  5. Meer cijfers en een nauwkeurige analyse vindt men in het jaarlijkse MAHA-rapport van de studiedienst van Belfius: www.belfius.be
  6. MAHA-sectoranalyse 2025: www.belfius.be.
  7. Zie op de website van het RIZIV de vrij heldere “Lijst met veelgestelde vragen over de hervorming van de nomenclatuur van medische verstrekkingen”: www.riziv.fgov.be.
  8. J. Crombez en E. Mortier, Hou België gezond. Een rechtvaardige gezondheidszorg voor een onzekere toekomst, Houtekiet, 2025.

Bron: sampol.be

Opinie: De mythe van de te grote overheid

Voka stelt dat onze overheid te groot en te duur is. Maar achter die cijfers schuilt een genuanceerd verhaal over kerntaken, efficiëntie en de ware betekenis van ‘goed bestuur’.

Als journalisten mij bellen voor een reactie op een actuele bestuurskundige kwestie, vraag ik hen meestal om ‘over een uurtje terug te bellen’. Dat is geen kwestie van gebrek aan parate kennis. Als ik te weinig over het onderwerp meen te weten, verwijs ik altijd door. Het is eerder een leugentje om bestwil: nog even de gedachten ordenen, want ik pas voor een snelle reactie uit de losse pols.

Eén van mijn laatste tussenkomsten was voor Het Laatste Nieuws. Voka maakte recent een oefening die moet aantonen dat we in ons land te veel ambtenaren hebben, en dat onze overheid ondanks haar omvang eigenlijk maar middelmatig presteert. Dat was aanleiding voor Het Laatste Nieuws om zelf op onderzoek te trekken. En om naar reacties te peilen. Ik ging graag op de vraag in: interessant thema, breed gelezen krant en een journalist met kennis van zaken. Maar ik weet, en begrijp ook wel: veel meer dan een paar quotes wordt het meestal niet. Er blijft dan altijd een klein beetje frustratie hangen, omdat het verhaal vaak genuanceerder is dan het in de krant gebracht kan worden. Ik ben daarom blij dat ik geregeld ook een meer uitgebreide column mag schrijven. Bij deze.

VERHAAL VAN VOKA VERDIENT NUANCE

De cijfers zijn natuurlijk wat ze zijn: we hebben een grote en complexe overheid. Er werken veel mensen in de bredere publieke sector. En onze overheid neemt een belangrijk deel van het bruto binnenlands product ‘in beslag’. Dat Voka dit aangrijpt om als belangenvereniging een verhaal in de markt te zetten mag niet verwonderen. Dat is nu eenmaal hun rol. Kritiek op het functioneren van onze overheid mag en moet. Maar hun verhaal verdient wel nuance.

Ten eerste worden in het debat over de ‘vele ambtenaren’ nogal wat functies op een hoop gegooid. Als we het over gesubsidieerde jobs hebben, dan zijn dat zeker niet allemaal ambtenaren die in Brussel op hun bureau in het ministerie allerlei regeltjes zitten te verzinnen. Die mensen leveren trouwens een nuttige bijdrage in de beleidsvoorbereiding, dus sowieso vind ik een dergelijke framing ook al een beetje misplaatst. Het gaat ook, en vooral, om mensen die diensten leveren die we allemaal zeer waardevol vinden: leerkrachten, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers. Of het gaat om mensen in overheidsdienst die met de laarzen in de modder belangrijke maatschappelijke uitdagingen helpen aanpakken: arbeidsmarktconsulenten (iedereen aan het werk!), politieagenten op patrouille (meer blauw op straat!), of inspecteurs van de voedselveiligheid (consumentenbescherming!). De meeste burgers komen via dit soort diensten rechtstreeks in contact met de overheid, en zijn daar trouwens heel vaak tevreden over.

Ten tweede kunnen we misschien wel van mening zijn dat er te veel mensen voor de overheid werken, maar dan moeten we ook durven doorpraten: vinden we wat die mensen doen belangrijk, of niet? De vraag naar hoe groot de overheid mag zijn, kan niet worden losgekoppeld van de vraag wat we eigenlijk van de overheid verwachten. Dat brengt ons bij het kerntakendebat, en dat is altijd een beetje lastig. Omdat kerntaken subjectief zijn – behalve een aantal ‘evidente’ zoals veiligheid en onderhoud van openbaar domein. En omdat het maatschappelijk en politiek gevoelig ligt om te snijden in publieke dienstverlening die breed gedragen is. Zorg en onderwijs kosten veel geld, maar we vinden het ook zeer belangrijk. Dat maakt elke (poging tot) efficiëntie-oefening – van overconsumptie in de gezondheidszorg, tot meer onderwijzend personeel voor de klas – bij voorbaat zeer gevoelig.

Ten derde is ook het begrip ‘goede overheid’ niet neutraal. Voka hanteert een kader met zestig indicatoren die zich hoofdzakelijk in de cluster ‘efficiëntie’ en ‘effectiviteit’ bevinden. Dat is uiteraard zeer belangrijk: we mogen van een overheid verwachten dat ze presteert, problemen (mee) oplost, op de centen let, … Maar een eenzijdige kijk verbergt andere criteria van een goede overheid: rechtsgelijkheid, rechtszekerheid, procedureel correct handelen, de samenleving wapenen tegen risico’s, maatschappelijk aanpassingsvermogen, zekerheid en veiligheid, … Bovendien dringt de vraag zich op of sommige criteria van goed bestuur die Voka naar voren schuift, wel te realiseren zijn zonder grote overheidsinterventie. Minder CO2-uitstoot, maar wat met regulering om dat te bereiken zoals het instellen van lage emissiezones? Een energiewende, maar wat met de subsidies voor zonnepanelen? Minder armoede, maar wat met investeringen in de sociale zekerheid of een consequente loonindexering? Met andere woorden: veel criteria van goed bestuur vergen eigenlijk een grote overheid.

Ten vierde mogen we geen abstractie maken van het feit dat ‘de overheid’ uit vele verschillende entiteiten bestaat, die allemaal beter of slechter kunnen werken, of veel of weinig kunnen kosten. De zestig indicatoren worden allemaal in dezelfde pot gestopt, alsof de overheid een ondeelbare eenheid is die de maatschappelijke uitdagingen vanuit een soort centrum aanpakt. Neem de vraag naar een goed functionerende arbeidsmarkt. Dat gaat over zaken als werkzaamheid van ouderen, arbeidsongeschiktheid, (langdurige) werkloosheid, levenslang leren, … Hoeveel verschillende instanties op verschillende bestuursniveaus zijn daar niet mee bezig? Akkoord, die complexiteit is deel van het probleem (dat erken ik ook, zie verder). Maar door de overheid als één en ondeelbaar voor te stellen, miskent men dat die bestuurlijke complexiteit bijna automatisch voor een ‘grote overheid’ zorgt. Ook al dient een bepaalde beleidsmaatregel het doel van meer efficiëntie en effectiviteit, dan nog is de kans op neveneffecten groot, zodat het nettoresultaat kleiner dan verwacht is.

Een voorbeeld, wat kort door de bocht: de werkloosheid beperken in de tijd (‘winst’ voor de federale sociale zekerheid) dwingt een deel mensen naar de lokale OCMW’s (‘verlies’ voor het lokaal bestuur wegens meer uitgaven daar). Op hun beurt zoeken OCMW’s ‘winst’, via een strenger activeringsbeleid dat in grote lijnen een dubbel effect heeft: investeren in begeleiding van leefloners via sociale economie (‘grotere’ lokale overheid), en een grotere uitstroom van leeflooncliënten naar de arbeidsmarkt (‘kleinere’ lokale overheid). Niet-werkwilligen verliezen hun leefloon en belanden op straat (‘winst’ voor OCMW), met mogelijks extra sociale overlast wat tot vraag naar extra investeringen in veiligheid en justitie zal leiden (opnieuw een ‘grotere’ overheid).

Ten vijfde is er in veel analyses over de grote en dure overheid weinig aandacht voor het feit dat een deel van de inefficiëntie en ineffectiviteit ook samenhangt met het functioneren van ons politiek systeem. We kunnen het niet enkel framen als een managerial probleem dat puur bedrijfsmatig op te lossen is met de recepten van de ondernemer. Hoe ons politiek systeem precies mee oorzaak is van een minder goed functionerende overheid is lastig hard te maken, maar het speelt mee: de permanente campagne onder druk van peilingen en verkiezingen, de noodzaak aan grote coalities met lastige compromissen die uitmonden in gedetailleerde bestuursakkoorden, de druk van kabinetten op administraties, het soms te weinig responsabiliseren van leidende ambtenaren, … Het leidt allemaal tot een inflatie van beleidsmaatregelen, en ook tot een zekere terughoudendheid voor een degelijke beleidsanalyse: wat is het effect van al die maatregelen op het probleem dat moet worden opgelost?

Om een wat makkelijk voorbeeld te geven: het gratis schoolmaaltijdenbeleid, of de frigocheques. Dat kost veel, ook aan organisatie, maar het effect op het probleem (kinderarmoede, klimaat) is onzeker of onduidelijk. Er zijn wel aanzetten tot impactanalyses bij het ontwikkelen van nieuw beleid, maar dat is allemaal nog te weinig structureel en fundamenteel.

Ten slotte gaan veel analyses nog uit van de impliciete assumptie dat de publieke sector en de private sector in een soort van zero-sum game verwikkeld zijn: als de overheid groot is, dan is de private sector klein, en omgekeerd. Mariana Mazzucato leerde ons echter al lang geleden dat overheidsinvesteringen (zoals in defensietechnologie) doorsijpelen naar de private sector, die daar dan ondernemend mee aan de slag gaat. Als voorbeeld wordt vaak de smartphone genoemd, waarvoor de belangrijkste technieken (gps, internet, …) allemaal uitvindingen zijn die door de overheid zijn gefaciliteerd. Met andere woorden: overheden die in de publieke sector (universiteiten, het leger, spinoffs) innovaties mee financieren, zorgen voor het zaaigeld dat soms tot heuse groeisectoren op de private markt leidt.

ENKEL KIJKEN DOOR BEDRIJFSBRIL IS NIET GENOEG

Ik eindig waarmee ik begonnen ben: het debat over het functioneren van de overheid is belangrijk. Goed dat velen er mee bezig zijn. Ook Voka. Zij binden mee de kat de bel aan. Goed ook dat de pers overneemt. Maar het debat blijft complex, met veel nuances. Er zijn zeker nog efficiëntiewinsten te boeken in ons bestuurlijk systeem. Door enkel met de bedrijfsmatige bril te kijken, gaan we er niet komen.

We moeten ook, en vooral, durven kijken naar een aantal fundamentele oorzaken van de grote omvang en het soms minder goed functioneren van de overheid: een gebrek aan een echt kerntakendebat, een gebrek aan beleidsanalyse, en een gebrek aan politieke doorzettingsmacht om onze complexe bestuursstructuur wat meer op orde te zetten.

bron: sampol.be

Wie verdedigt jongeren zonder diploma?

Schooluitval is geen randprobleem, maar een maatschappelijke noodtoestand die we ons niet langer kunnen permitteren.

Binnenkort gooien we onze kalender bij het oud papier en hangen we er een nieuwe op. In de hoop dat het nieuwe jaar ons meer rust, stabiliteit en – here is a thought – respect voor mensenrechten brengt. Maar er blijven nog een paar to-do-vakjes over in 2025. Die worden hectisch ingevuld: hard doorwerken om die laatste deadlines te halen, last-minute cadeautjes kopen voor de feestdagen en dan van het ene naar het andere familiefeest crossen. Studenten zitten in de blokperiode en jongeren in het middelbaar zijn ondertussen klaar om daarna van hun verdiende vakantie te genieten.

Al is dat jammer genoeg niet voor iedereen zo. Het eindejaar betekent niet voor iedereen feest of cadeautjes. Het eindejaar betekent evenmin voor elke jongere ‘zich voorbereiden op of uitrusten van examens’. Er is een grote groep jongeren die de schoolpoort definitief achter zich heeft dichtgetrokken, zonder diploma op zak. Volgens de meest recente cijfers behaalt 13,2% van alle leerlingen géén diploma secundair onderwijs. In Antwerpen zijn de cijfers nog schrijnender: bijna één op de vier jongeren slaagt er niet in om de middelbare school succesvol af te ronden. In absolute cijfers betekent dit dat duizenden jongeren de schoolbanken ongekwalificeerd verlaten, op weg naar een samenleving en toekomst die ongelooflijk veel van hen zullen vragen. Even zorgwekkend is dat deze statistiek geen positieve trend vertoont.

Het spreekt voor zich dat de gevolgen hiervan aanzienlijk zijn. Het voortijdig verlaten van school legt een gigantische hypotheek op de toekomst van deze jongeren. Ongekwalificeerde uitstroom leidt natuurlijk niet automatisch tot kansarmoede, tot economische en sociale armoede of tot psychosociale klachten, maar het verhoogt de kans erop wel aanzienlijk. De kwetsbaarheid van deze jongeren is immers over het algemeen hoger. En toch hebben we hier als samenleving en beleid nog geen antwoord op gevonden.

Neen, een brief aan alle zeventienjarigen over een legerdienst is absoluut geen antwoord. Als je jongeren wil aansporen een land te verdedigen, moet je er eerst voor zorgen dat het land waard is om verdedigd te worden en dat het land ook hun kansen en belangen verdedigt.

MAATSCHAPPELIJKE STRIJD

Meer dan een halve eeuw geleden benadrukte Malcolm X dat onderwijs hét toegangsticket is voor de toekomst. Hij heeft natuurlijk gelijk gekregen: de democratisering van het onderwijs is misschien wel het beste wapen gebleken in de strijd voor meer gelijkheid, welzijn en welvaart. De realiteit van majeure uitval moet ons daarom tot actie verplichten. Onderwijs is niet als de Olympische Spelen, waar deelnemen belangrijker is dan winnen. Onderwijs moet je vormen als mens en je klaarstomen voor de toekomst, en daar hoort een diploma bij.

Overheden moeten schooluitval een halt toeroepen. Als we elk jaar opnieuw duizenden jongeren school zien verlaten zonder diploma, dreigt de situatie onhoudbaar te worden. In de eerste plaats voor henzelf, maar de samenleving als geheel zal mee opdraaien voor de gevolgen: ongekwalificeerde schoolverlaters zijn doorgaans sterker afhankelijk van onze sociale zekerheid, openstaande vacatures zullen nog moeilijker worden ingevuld en jongeren die rondhangen in plaats van naar school te gaan zorgen sneller voor overlast en zijn een makkelijke prooi voor mensen die het niet goed met hen voorhebben. Alle geledingen van de samenleving hebben baat bij een serieuze aanpak.

Het morsen met jong talent moet ophouden. Preventie is daarbij zeker nodig, maar preventie alleen is niet voldoende. De duizenden jongeren die de keuze hebben gemaakt om school te verlaten, worden nu in de eerste plaats nog naar een diploma begeleid. Een logische keuze, maar voor elke vijf van deze jongeren zullen er vier er nooit nog in slagen om een diploma te halen. Deze groep valt vandaag te gemakkelijk tussen de mazen van het net en naast de aandacht van het beleid. We kunnen het ons niet veroorloven om in deze uitdagende tijden zoveel potentieel verloren te laten gaan.

BINNEN EN BUITEN DE SCHOOLMUREN

Op basis van onderzoek weten we dat meerdere factoren voorspellen of een jongere de schoolbanken vroegtijdig zal verlaten. Maar het is en blijft een wicked problem. Er is veel onderzoek gebeurd, en er zullen nog talloze doctoraten en publicaties over geschreven worden. De oorzaken en de oplossingen zijn niet helder of simpel, universeel toepasbaar, hoewel die voorspellende factoren ons al een eind op weg kunnen zetten. En het is nalatig om daar niet nu mee aan de slag te gaan. Ben je een jongen, spreek je thuis geen Nederlands, zit je in het BSO en heeft je moeder hoogstens een diploma secundair? Dan behoor je tot de grootste risicogroep. Maar wie denkt dat schooluitval enkel een kwestie van taal of herkomst is, ziet het te eng. Ook onder jongeren die thuis wél Nederlands spreken, zien we alarmerende cijfers. Antwerps schepen voor Onderwijs, Nabilla Ait Daoud, gaf in oktober zelf aan: in de stad Antwerpen verlaten bij die groep één op de vijf de middelbare school zonder diploma.

Dat toont vooral aan hoe diep verweven, complex en intersectioneel het probleem is. Schooluitval is een kruispunt waar maatschappelijke fricties samenkomen: armoede, taalachterstand, motivatie, gebroken gezinnen, een watervalsysteem en onderwijsstructuur die te vroeg selecteert. Samen vormen ze een cocktail die de toekomst – of het gebrek hieraan – van veel jongeren bepaalt. Willen we de strijd tegen schooluitval ernstig nemen, dan moeten we kritisch kijken naar ons onderwijssysteem én alert en aanklampend blijven wanneer de laatste schoolbel van de dag is gegaan. We moeten binnen en buiten de schoolmuren werken en samenwerken.

Ruwweg kunnen de risicofactoren achter schooluitval worden opgedeeld in drie clusters. Er zijn de persoonlijke omstandigheden van het kind: uitdagingen binnen het gezin, armoede, gezondheidsproblemen of een instabiele thuissituatie. Daarnaast spelen ook schoolgebonden factoren een rol: pesten, een zwakke band met de school, of een toenemende schoolmoeheid. Tot slot zijn er de structurele kenmerken van ons onderwijssysteem zelf, zoals de vroege studiekeuze en het watervalsysteem dat leerlingen ontmoedigt in plaats van ondersteunt.

Die veelheid aan oorzaken maakt dat het beleid makkelijk versnipperd geraakt. De oorzaken en oplossingen liggen immers verspreid over verschillende beleidsdomeinen. Wat tot nu toe ontbreekt, is een gecoördineerde en geïntegreerde aanpak die over die beleidsdomeinen heen kijkt. Een nieuw actieplan tegen schooluitval, dat vanuit onderwijs vertrekt maar met duidelijke afstemming met jeugd, welzijn en werk kan aan die versnippering tegemoet komen. De krachten, de visie én de focus moeten meer gestroomlijnd én gebundeld worden, met duidelijke afspraken, verwachtingen en doelstellingen. Zo kunnen jongeren in deze periode bezig zijn met wat écht hoort: genieten na een geslaagde examenperiode of bijschaven na een tegenvaller.

Bron: sampol.be

Alle hens aan dek bij OCMW’s nu duizenden langdurig werklozen hun uitkering verliezen

Alle hens aan dek bij OCMW’s nu duizenden langdurig werklozen hun uitkering verliezen

Naar schatting een derde van de 180.000 mensen die het komend anderhalf jaar hun werkloosheidsuitkering verliezen, zal zich tot het OCMW wenden voor een leefloon. Hoe bereiden de OCMW’s zich voor? En wat hebben zij nog nodig om deze situatie het hoofd te bieden? Sociaal.Net vroeg het aan drie mensen die het kunnen weten: Annemie Wauman, voorzitter van de Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers, Griet Briels, stafmedewerker Lokaal Sociaal Beleid bij de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en Sébastien Lepoivre, voorzitter van de Federatie van Brusselse OCMW’s.

Annemie Wauman, voorzitter Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers

“De beperking van de werkloosheid in de tijd zorgt voor opschudding onder de OCMW-maatschappelijk werkers. De dossierlast was al heel hoog”, vertelt Annemie Wauman van de Federatie Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers. “Als ik met maatschappelijk werkers praat, klinkt het: ‘We hebben corona gehad, de Oekraïne-crisis, de energiecrisis… En nu gooit men een nieuwe bom op de sociale diensten.’ De emmer was al tot de rand gevuld. Nu zal hij zeker overlopen.”

“Zelf werk ik al 35 jaar binnen het OCMW en dit is een van de grootste en meest fundamentele beleidswijzigingen die een impact heeft op de werking van onze sociale diensten. Maar wat die impact exact zal zijn, is koffiedik kijken.”

“De cijfers die we kregen, zijn heel algemeen, zoals het aantal mensen en de datum waarop ze hun uitkering zullen verliezen. Dat zijn er veel. Maar wie zij zijn, welke profiel ze hebben en hoeveel beroep ze op ons zullen doen, dat weten we niet. Men gaat ervan uit dat slechts een derde bij het OCMW zal terechtkomen, maar dat is uiteindelijk nattevingerwerk. Dus het is afwachten tot de mensen effectief komen aankloppen. Dat zorgt natuurlijk voor grote onzekerheid en bang afwachten.”

Afwachtend voorbereiden

Annemie: “De meeste lokale besturen zien wel in dat er een serieuze impact zal zijn op de OCMW’s. Omdat er nog veel vraagtekens zijn, zijn sommige besturen wel wat afwachtend. Wij hadden verwacht dat de besturen massaal extra personeel zouden aanwerven om de werklast op te vangen: dat blijkt in de praktijk niet het geval. Bepaalde besturen werven wel aan, maar meestal eerder voorzichtig. En een heel aantal gemeenten kijken voorlopig de kat uit de boom.”

“Diensten zijn zich aan het voorbereiden op de grote tsunami die op hen afkomt. In de eerste fase gaat dat vooral over mensen voorzien van een inkomen nadat hun werkloosheidsuitkering is weggevallen. Vaak gaan we daarnaast nog niet direct hulpverlening kunnen opstarten, zoals we nu gewend zijn. Elke aanvraag voor een leefloon die ontvangen wordt, vereist een sociaal onderzoek dat binnen de maand afgerond moet zijn. Ik hoor dat veel diensten daarom hun intakeproces aan het herbekijken zijn.”

“Het OCMW is het laatste vangnet. Dat is onze rol. Maar een beleidsmaatregel uitrollen met zo’n impact op dat vangnet, zonder veel overleg, dat begrijp ik niet. Al zijn we het wel gewoon dat de dingen boven ons hoofd beslist worden. Onze toezichthoudende overheidsdienst, de POD Maatschappelijke Integratie, hebben we nauwelijks gehoord. Dat is jammer, want we hangen van hen af voor onze werking.”

Wat OCMW-maatschappelijk werkers nodig hebben

Annemie: “Een aantal zaken waar we al langer naar vragen, zijn in het licht van deze maatregel nog relevanter geworden. Zo moet er een oplossing gevonden worden voor het feit dat bijna een kwart van onze dossiers voorschotten zijn op andere uitkeringen die niet tijdig betaald worden. Dat zijn mensen die eigenlijk niet in ons vangnet thuishoren, want ze hebben recht op een andere uitkering.”

“De nieuwe groep mensen die nu bij ons komt aankloppen, zullen we proberen activeren. Maar het is simplistisch om te stellen dat ze allemaal maar een job moeten zoeken. Zeker bij zij die al heel lang werkloos zijn, is er een grote afstand tot de arbeidsmarkt die moet overbrugd worden. Bovendien is er een groep waarvan reeds is vastgesteld dat zij niet in staat zijn in het reguliere arbeidscircuit aan het werk te gaan. Dat wil niet zeggen dat ze niets kunnen doen, maar het zal gaan over enkele uren in de week in een vorm van maatwerk of andere activiteiten. En zulke jobs zijn er onvoldoende. Daar moet dringend iets aan gedaan worden.”

“Waar we ons ook nog zorgen over maken zijn de secundaire hulpvragen. Niet iedereen die zijn werkloosheidsuitkering verliest, zal in aanmerking komen voor een leefloon. Bijvoorbeeld omdat hun partner een inkomen heeft. Maar als je gezinsbudget plots zakt, kan je in de problemen komen en bijvoorbeeld schulden opstapelen. Deze mensen zie je niet in de cijfers over de leeflonen, maar zij zullen met wat vertraging met andere hulpvragen bij ons terechtkomen. Niemand is zich daarop aan het voorbereiden.”

Griet Briels, stafmedewerker Lokaal Sociaal Beleid (VVSG)

“De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd is niet zomaar een ingreep. Het is een historische omwenteling in de manier waarop onze sociale zekerheid werkt”, zegt Griet Briels van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. “En die omwenteling wordt op zeer korte tijd doorgevoerd. We hebben sterk gepleit voor meer fasering, maar dat bleek niet compatibel met het politiek akkoord. We hebben zelf meteen een projectteam opgericht om de besturen maximaal te ondersteunen.”

“Alle OCMW’s zijn zich aan het voorbereiden, maar het is voorbereiden op het onbekende. We weten niet hoeveel procent van de mensen die uitstroomt uit de werkloosheid recht zal hebben op een leefloon, maar de kans dat het maar 30 procent is lijkt ons klein. Op dit moment krijgen we te weinig informatie van het beleid. De weinige informatie die er is, zijn we zelf aan het interpreteren en communiceren met onze leden. Dat houdt natuurlijk ook gevaren in.”

“De voorbereiding verschilt van bestuur tot bestuur. Wat een goede praktijk is, hangt af van de lokale context. In een grote stad waar veel instroom verwacht wordt, werken ze bijvoorbeeld met een apart team voor intakes of telefonische screening. In kleinere gemeenten kan er een derde persoon stand-by staan om de twee collega’s die de sociale onderzoeken doen bij te staan. Maar de rode draad is dat de besturen zich aan het organiseren zijn. Wij staan hen daar ook in bij.”

Geen administratieve toekenning

Griet: “OCMW’s willen op dezelfde kwalitatieve manier en binnen dezelfde termijn sociaal onderzoek kunnen blijven doen. We hebben echt nood aan bijkomende maatregelen die het werk verlichten. Zo willen we een oplossing voor de vele voorschotten die we geven op andere uitkeringen. Dit probleem gaat de komende maanden nog groter worden. Een deel van de langdurig werklozen zal namelijk verkennen of ze recht hebben op een ziekte-uitkering en zal daarop een voorschot vragen omdat de toekenning van die uitkering op zich laat wachten.”

“We wensen ook administratieve vereenvoudigingen, zoals het herbekijken van het GPMI. Sociaal werkers ervaren dat begeleidingsinstrument nu te veel als een verplicht nummertje in plaats van een hulpmiddel in de begeleiding. Ook de optie om het huisbezoek later te mogen doen is een uitdrukkelijke vraag van OCMW’s, maar dan enkel uitzonderlijk, wanneer de tijdige afhandeling van het sociaal onderzoek in het gedrang dreigt te komen.”

“Voor alle duidelijkheid: de meeste OCMW’s zijn geen vragende partij voor een ‘sociaal onderzoek light’ of een meer administratieve toekenning van het leefloon. De toekenning van het leefloon is mensenwerk. Het is geen administratieve afhandeling. OCMW’s willen nabij zijn. De overheid heeft een gezicht nodig.”

“Voor veel van de mensen die nu hun werkloosheidsuitkering verliezen, zal de OCMW-maatschappelijk werker trouwens het eerste gezicht zijn dat ze daarrond zien. Want de menselijke dienstverlening staat de laatste jaren overal onder druk. Dan is het erg belangrijk dat zij die doorverwijzen naar de OCMW’s duidelijk maken dat de maatschappelijk werkers willen helpen. Zij zijn wel het gezicht van de overheid, maar ze zijn niet verantwoordelijk voor de beslissing over de werkloosheidsuitkering.”

Vraagstukken zonder antwoord

Griet: “Er zijn vandaag ook andere belangrijke vraagstukken waar nog geen antwoord op is. Bijvoorbeeld: wat gaat de rol van VDAB zijn in de toekomst? Als de werkloosheidsuitkering één, maximum twee jaar kan duren, dan betekent dat dat zij hun aanbod voor werklozen zullen moeten herdenken.”

“En op een bepaald moment stopt die werkloosheidsuitkering en kunnen mensen op het OCMW terugvallen. Gaan OCMW’s dan een beroep kunnen doen op het VDAB-aanbod? Dat weten we nog niet. Wij vragen bijvoorbeeld meer korte opleidingen die snel kunnen starten, meer plekken in de sociale economie en een minder lange doorlooptijd om mensen te laten aansluiten bij begeleidings- en matchingstrajecten.”

Nood aan monitoring

Griet: “Steden en gemeenten steken zelf veel middelen toe om de leeflonen te kunnen uitkeren en activeringstrajecten op te zetten. Daarenboven geven we nog eens een even groot bedrag aan aanvullende steun. De extra middelen die we nu tijdelijk krijgen, volstaan om in een eerste fase een toename in leeflonen te dekken, maar een deel van de mensen zal langdurig een leefloon nodig hebben.”

“Denk maar aan de mensen die meer dan twintig jaar werkloos zijn. Hun afstand tot de arbeidsmarkt is heel erg groot. We denken dat OCMW’s veel zullen kunnen betekenen voor deze groep. Maar we moeten vermijden dat de factuur doorgeschoven wordt naar de lokale besturen. Er zal dus meer structurele financiering nodig zijn, zowel voor de leeflonen als voor activering.”

“Het is belangrijk om goed te monitoren hoeveel mensen uitstromen uit de werkloosheid en hoeveel er aankloppen bij de OCMW’s. Omdat we zo weinig weten over wat er te gebeuren staat, hebben we bij VVSG een groep samengesteld met één sociaal werker per OCMW die ons zal helpen monitoren op het terrein. Zo kunnen we de vinger aan de pols houden en snel inzichten en knelpunten op de radar te krijgen.”

“Veel steden en gemeenten zullen zelf ook monitoren, want ze verwachten dat wat er nu gaat gebeuren, effect zal hebben op andere lokale dienstverlening. Mogelijks komt er meer druk op de sociale huisvesting, budgetbegeleiding of zelfs opvang voor dak- en thuislozen. Veel lokale besturen zitten al in een krappe budgettaire context. Het debat over wat tot hun kerntaken behoort en wat niet, was al bezig, los van deze omwenteling.”

Sébastien Lepoivre, voorzitter Federatie van Brusselse OCMW’s

“Omdat er in Brussel zo veel langdurig werklozen zijn, zal in verhouding met de bevolking de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd hier het grootst zijn”, vertelt Sébastien Lepoivre van de Federatie van Brusselse OCMW’s.

“Toen de inschakelingsuitkeringen voor jongeren in 2015 hervormd werden, klopte een derde van de getroffen jongeren aan bij het OCMW. We verwachten dat het nu meer dan een derde zal zijn. Veel van de mensen die uitgesloten worden, zijn gezinshoofd, alleenstaand of hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt en een laag opleidingsniveau. Deze hervorming vereist daarom drie fundamentele dingen die we absoluut niet kregen: tijd, geld en een grondig re-integratie- en tewerkstellingsbeleid.”

“Er dreigt een catastrofale situatie. We zijn bang dat we de hulpvragen niet meer zullen kunnen bijhouden. We zullen zeker iedereen die er recht op heeft een leefloon bieden. We zijn daar ook toe verplicht. Maar het is vandaag al een uitdaging om dit binnen de wettelijke termijn te doen. Wij zeggen al jaren dat het de OCMW’s aan middelen ontbreekt om hun wettelijke opdracht te volbrengen. Bovendien is de administratieve overlast te hoog.”

Geen partijpolitieke kritiek

Sébastien: “De hervorming is niet goed doordacht en niet goed voorbereid. Voor je zo’n grote hervorming doorvoert, moet je de tijd nemen om de situatie te analyseren en de mensen op het terrein te consulteren. Dat is hier niet gebeurd. Men heeft dit snel snel en om ideologische redenen ingevoerd.”

“Wiskundig zal de overheid erin slagen om de werkloosheidscijfers naar beneden te halen. Maar de armoedecijfers zullen stijgen. De federale overheid is verantwoordelijk voor de maatschappelijke integratie en armoedebestrijding. Ze moeten dus strijden tegen armoede, het niet organiseren.”

“Ik ben actief bij de PS, maar mijn politieke overtuiging doet er eigenlijk niet toe. Je wil toch dat de hervorming uitvoerbaar is? Geef ons daarvoor dan de capaciteit. Dat doet men niet. Het lijkt alsof zij die de touwtjes in handen hebben niet beseffen wat de gevolgen zijn, of er niet om geven. Als ik waarschuw voor een catastrofe is dat geen vorm van partijpolitieke kritiek. We nemen onze verantwoordelijkheid tegenover onze medewerkers en onze cliënten gewoon ernstig. Maar we worden niet serieus genomen.”

De crisis te veel

Sébastien: “De Brusselse maatschappelijk werkers zijn bang, nerveus en moe. De OCMW’s hebben de laatste tijd al verschillende crisissen doorstaan. ‘Dit is de crisis te veel’, zei een maatschappelijk werker me onlangs. ‘Deze honderden extra dossiers die op ons zullen afkomen, terwijl de omstandigheden er niet naar zijn om ons werk goed te doen, zijn er te veel aan.’”

“Ik vrees ook dat de spanning en agressie aan onze loketten zal toenemen. Hoe meer mensen komen aankloppen, hoe meer kans er zal zijn op vertragingen. Je kan dan verwachten dat mensen boos en geagiteerd raken. We proberen dit op te vangen met extra bewaking, opgeleide receptionisten, beveiligde kantoren en alarmen. Maar dat is eigenlijk dramatisch, want zo criminaliseer je de mensen in armoede, terwijl zij slachtoffer zijn van institutioneel geweld.”

Voorbereiden in moeilijke omstandigheden

Sébastien: “De OCMW’s in Brussel hebben niet stilgezeten. Sommigen huurden nieuwe gebouwen om in de wijken aanwezig te zijn. Anderen hebben infosessies georganiseerd om mensen uit te leggen wat hun rechten zijn. We organiseerden extra opleidingen voor knelpuntberoepen, zodat mensen daar nu al in kunnen stappen. En we hebben een reeks interne processen herbekeken, om tijd te besparen in de afhandeling van dossiers.”

“Veel OCMW’s proberen extra personeel aan te werven, maar het is niet evident. Vacatures raken niet ingevuld. We hebben het erg moeilijk in Brussel om maatschappelijk werkers te vinden. Bovendien bleven de beloofde federale middelen hiervoor lang uit. Sommige Brusselse gemeenten konden bijspringen, maar anderen niet. Hoe kunnen we ons zo voorbereiden?”

“Het lastige is dat we vandaag nog steeds niet alle informatie hebben die nodig is om ons voor te bereiden, zoals omzendbrieven die details specifiëren. De OCMW’s willen de wet uitvoeren, maar je moet die wel kúnnen uitvoeren.”

“En terwijl we ons aan het voorbereiden zijn om duizenden mensen extra te ontvangen, kondigt minister Anneleen Van Bossuyt nog nieuwe regels aan over de cumulatie van leeflonen binnen één gezin. Men geeft ons niet de tijd om een eerste hervorming op te vangen, en men voegt daar nog een nieuwe aan toe. En ook hier weer zonder na te denken over de operationele uitvoering.”

Geen regering

Sébastien: “We moeten meer mensen aan het werk krijgen, dat trekt niemand in twijfel. Elk jaar begeleiden we met de Brusselse OCMW’s dan ook duizenden mensen naar werk. Maar wij zullen met de langdurig werklozen niet als bij toverslag kunnen doen waar Actiris de afgelopen jaren niet in geslaagd is. Deze doelgroep mobiliseren richting werk is een taak van jaren van opleiding, taalcursussen en begeleiding van psychosociale problemen.”

“Dat er momenteel geen Brusselse regering is, vormt een extra probleem voor de regio. Daardoor kunnen er geen nieuwe maatregelen getroffen worden op vlak van arbeidsmarktbeleid of opleiding van werklozen. We opereren alsof het nog 2024 is. Maar de situatie is natuurlijk veranderd. En dat is een situatie die op het punt staat om helemaal uit de hand te lopen.”

Bron: sociaal.net

PFAS in ons bloed en kraanwater: toch blijft Vlaamse regering problemen minimaliseren

PFAS in ons bloed en kraanwater: toch blijft Vlaamse regering problemen minimaliseren

PFAS duiken op in het bloed van kopstukken van ziekenfondsen, vervuilende fabrieken stellen omwonenden bloot én in 1 op de 4 Vlaamse kranen zijn te hoge PFAS-waarden gevonden. Allemaal nieuws van de voorbije week, en toch blijft de Vlaamse regering zich verschuilen achter uitstelgedrag.

Zeven kopstukken van ziekenfondsen en milieuorganisaties lieten via een eenvoudige vingerprik hun bloed testen op PFAS. Bij elk van hen werden meerdere PFAS-stoffen teruggevonden, bij sommigen zelfs zes verschillende soorten.

Het gaat onder meer om Luc Van Gorp (CM), Paul Callewaert (Solidaris) en Ignace Schops (Bond Beter Leefmilieu). Geen mensen die naast een chemische fabriek wonen, geen uitzonderingen dus. Toch dragen ze – net als de rest van de bevolking waarschijnlijk – de zogeheten “forever chemicals” in hun lichaam.

“Het is schrikken als je je eigen PFAS-waarden ziet”, reageert Paul Callewaert, algemeen secretaris van ziekenfonds Solidaris. “Hoewel nog niet alle gevolgen van PFAS in ons lichaam bekend zijn, is het duidelijk dat iedereen ze in het bloed kan hebben. En voorlopig weet niemand hoe ze te verwijderen, dus is er maar één remedie om te vermijden dat de medische gevolgen zich opstapelen: een ban op PFAS.”

“Ik was zeer verbaasd dat er vier PFAS-stoffen in mijn bloed werden aangetroffen”, vult Luc Van Gorp, voorzitter van CM Gezondheidsfonds, aan. “Ik woon nochtans niet in een gebied dat als PFAS-hotspot bekendstaat. Dat toont nog maar eens aan hoe wijdverbreid de PFAS-problematiek is.”

PFAS zijn een grote familie van duizenden chemische stoffen die nauwelijks afbreken, zich opstapelen in milieu én lichaam en in verband worden gebracht met onder meer hormoonverstoring, problemen met lever en immuunsysteem en een hoger risico op bepaalde kankers. 

Voor de ziekenfondsen en milieuorganisaties is de conclusie duidelijk: België moet meetrekken aan de kar van een Europees verbod op alle PFAS én een nationaal uitfaseringsplan. Dat zijn maatregelen die raken aan de kern van het verdienmodel van chemiebedrijven, en precies daarom gaan politieke beslissingen zo traag.

3M en Zwijndrecht

De PFAS-crisis rond de 3M-fabriek in Zwijndrecht is intussen een Europees symbooldossier. In maart 2025 publiceerde het Vlaams Gewest de groepsresultaten van een grootschalig bloedonderzoek bij inwoners binnen een straal van 5 kilometer rond de fabriek.

Ruim 8.500 bewoners namen deel, en bijna iedereen had PFAS in het bloed. Bij ongeveer de helft lagen de waarden zo hoog dat gezondheidsrisico’s op de lange termijn niet uit te sluiten zijn. In totaal zouden zo’n 45.000 mensen, onder wie veel kinderen, in de risicovolle zone wonen.

Tegen die achtergrond voert burgercollectief DARKWATER3M een groepsvordering voor 1.400 buurtbewoners tegen 3M. De reden: jarenlange PFAS-vervuiling in bodem, water en voeding rond de fabriek. De zaak wordt in februari 2026 gepleit in Antwerpen, maar nu al probeert 3M zich te verschuilen achter verjaring.

DARKWATER3M waarschuwt expliciet voor een nieuw asbestscenario: dat mensen tientallen jaren kampen met gezondheidsproblemen en kankers, en dan uiteindelijk de boodschap krijgen dat claims “verjaard” zijn. Terwijl asbestslachtoffers decennialang vochten voor erkenning, dreigen PFAS-slachtoffers zelfs die kans te missen, als de wet niet wordt aangepast.

Opvallend stil in dit verhaal is de Vlaamse regering, die wél bevoegd is voor leefmilieu, sanering en ruimtelijke ordening. In plaats van de kant van de omwonenden te kiezen en druk te zetten op een strenger kader, lijkt ze vooral bezig met de schade te beperken – niet voor de inwoners, maar voor de betrokken bedrijven én voor haar eigen verantwoordelijkheid.

Kraanwater: juridische “veiligheid” boven gezondheidsadvies

Alsof de PFAS-crisis rond 3M nog niet volstond, raken de chemicaliën nu ook de symbolische kern van het publieke vertrouwen: het drinkwater.

Uit cijfers die oppositiepartij Groen opvroeg bij Vlaams minister van Omgeving Jo Brouns (CD&V), blijkt dat bij ongeveer één op de vier Vlaamse kraanwaterstalen de strengste Europese gezondheidsstreefwaarde voor PFAS (EFSA) wordt overschreden. Het aantal overschrijdingen lag in 2024 zelfs meer dan de helft hoger dan in 2023. 

Voor wetenschappers en gezondheidsinstanties zijn die streefwaarden net de benchmark om burgers zo goed mogelijk te beschermen. Voor de Vlaamse regering lijken die streefwaarden vooral een “mening” te zijn. Minister Brouns herhaalt steevast dat “alle kraanwater aan de wettelijke normen voldoet” en dat er dus geen probleem is, waarmee hij de cijfers van Groen formeel niet ontkent, maar ze wél framet als alarmisme. 

Vlaanderen hanteert momenteel twee andere, minder strenge normen. Die normen, die veel hoger liggen dan de EFSA norm, zijn wél wettelijk bindend. Als die worden overschreden, moet er dus wel worden ingegrepen. Maar “99,56 procent van de analyses aan de kraan voldeden” eraan, zegt het kabinet.

Die strategie is bekend van de industrie: focus op de verouderde of lakse wettelijke norm, niet op de actuele gezondheidswetenschap. Zolang de norm niet is aangepast, kan iedereen zeggen dat alles “in orde” is. 

Politiek schuift verantwoordelijkheid naar burgers

In plaats van beleid te voeren dat grote industrieën streng controleert, terugfluit en bestraft bij vervuiling, schuift de politiek de verantwoordelijkheid steeds vaker naar individuele burgers. Waar vervuilers jarenlang onbeperkt winst konden maken, krijgen bewoners nu vooral leefstijladvies.

Een illustratief voorbeeld kwam van Tina Van Havere (Vooruit), die voorstelde om een controlecampagne op te zetten voor vlees, groenten, fruit en eieren uit Ronse en omgeving. “Afhankelijk van die resultaten kunnen we burgers dan correct advies geven”, zei ze.

Dat soort “advies” kennen mensen rond 3M in Zwijndrecht inmiddels maar al te goed. Aan bewoners in de buurt werd aanbevolen om geen eieren van eigen kippen te eten en om groenten uit de eigen moestuin voldoende af te wisselen met groenten uit de winkel. 

Wie krijgt bescherming?

PFAS zijn bij uitstek een test voor de vraag wie een regering écht wil beschermen. Deze stoffen zijn onzichtbaar, verspreiden zich snel, stapelen zich op in lichaam en milieu en hun schadelijke effecten spelen zich af na jaren en decennia. Dat maakt ze ideaal om weg te relativeren: wat je vandaag niet ziet, kan je morgen ontkennen.

Maar precies daarom is een strenge en vooruitziende overheid nodig. Die ontbreekt vandaag in Vlaanderen. In plaats van de volksgezondheid voorop te zetten, kiest de Vlaamse regering voor een beleid dat de juridische en economische comfortzone van de industrie bewaakt en de bevolking sust met halve waarheden.

Zolang PFAS in ons bloed zitten, in onze tuinen, rond onze scholen, in ons kraanwater én in ons voedsel, volstaat het niet dat de Vlaamse regering de grote vervuilers “partners” noemt. Ze moet de industrie niet napraten, maar juist begrenzen. 

Teken hier een petitie van Groen om PFAS te verbieden. 

bron: dewereldmorgen.be