by admin | jan 5, 2026 | Sectoren
De Vlaamse media staan op een kantelpunt: Big Tech rukt op, winsten slinken en vijf mediagroepen controleren bijna alles. Als nieuws koopwaar wordt, wie bewaakt straks nog onze democratie?
Grote concentratie
De Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) windt er in zijn laatste rapport Mediaconcentratie in Vlaanderen 2025 geen doekjes om: de Vlaamse mediasector zit op een kantelpunt. Al jaren zakken advertentie-inkomsten weg richting GAFAN, terwijl de digitalisering het publiek steeds preciezer en dus goedkoper laat bespelen. GAFAN is het acroniem voor Google, Apple, Facebook, Amazon en Netflix.
Dat alles gebeurt in een landschap waar vijf groepen 80 tot 100 procent van de klassieke mediaproducten controleren. Het gaat om VRT, DPG Media, Mediahuis, Roularta en Play Media.[1]
DPG Media, met titels als Het Laatste Nieuws, De Morgen, VTM, Dag Allemaal, Humo, QMusic en Joe duikt werkelijk overal op en is hét voorbeeld van een crossmediaal conglomeraat dat kranten, tv, radio en online in één hand bundelt.
Formeel is er geen enkele speler die de hele sector domineert. Maar als vijf concerns bijna alles bezitten, hoeveel echte keuze blijft er dan nog over voor de mediagebruiker?
Op papier lijkt er niks aan de hand: de omzet stijgt licht. Maar in 2023 kreeg de winst wel een zware klap en in 2024 zakte die nog verder weg. Kosteninflatie, duurdere distributie en keiharde concurrentie vreten de marges aan.
Gevolg: het aantal werknemers daalt, redacties slanken af, vaste jobs verdwijnen en worden vervangen door tijdelijke contracten en freelancers. De mediabedrijven draaien dus nog wel, maar de rek is eruit. En als er gesneden wordt, gebeurt dat zelden bij de aandeelhouders.
Radio, tv en productiehuizen
Op de radiomarkt blijft de concentratie groot: VRT pakt nog altijd meer dan de helft van het marktaandeel, al zakken vooral Radio 2 en Studio Brussel, terwijl Qmusic, Joe en Nostalgie winnen. Ook de radioreclame schuift steeds meer naar een paar grote spelers op, omdat radio goedkoop veel volk bereikt en dus reclamegeld aantrekt.
Wie wil zien hoe hard internationale spelers toeslaan, moet naar het voetbal kijken: alle rechten van de Belgische competitie zitten nu bij DAZN, dat zowel de content als het platform controleert. Lokale zenders staan buitenspel.
VTM en Play trokken eind 2024 aan de alarmbel: vanaf 2026 dreigen ze structureel verlies te draaien. Mensen zeggen hun kabelabonnement op, reclamegeld verhuist naar Netflix, YouTube en TikTok. Play Media stapelt de verliezen op en wordt voorlopig rechtgehouden door Telenet. Ook regionale zenders wankelen. De omzet schommelt en jobs verdwijnen.
De Vlaamse productiesector boekte in 2023 een recordjaar: meer reeksen, grotere budgetten, met Streamz als motor. Dat klinkt goed, maar terwijl de kosten stijgen volgen de budgetten niet. De productiehuizen waarschuwen voor faillissementen en harde besparingen, zoals bij Woestijnvis.
Intussen groeit de buitenlandse greep. Telenet (Liberty Global) en groepen als Banijay, Warner Bros., RTL en TF1 zitten diep in Vlaamse productiehuizen. De winsten vloeien steeds meer naar het buitenland.
Kijkgedrag wijzigt
Volgens de Digimeter kijkt nog 41 procent van de Vlamingen dagelijks lineaire tv, maar die groep krimpt en uitgesteld kijken vangt dat verlies niet meer op. Het totale bereik van tv gaat jaar na jaar omlaag.
Elk jaar knippen 50.000 tot 100.000 gezinnen de kabel door en stappen over op goedkopere of gratis alternatieven: VRT MAX, VTM GO, GoPlay, maar ook vooral sociale media. Bij deze laatste bepalen influencers en algoritmes steeds meer wat we te zien krijgen.
Jongeren groeien op in een wereld waar scrollen belangrijker is dan zappen. Traditionele zenders verliezen hen, en daarmee ook hun rol als gedeeld referentiekader in de samenleving.
Streamingoorlog
De streamingmarkt zit in een nieuwe fase: giganten als Netflix, Disney, Warner Bros., Discovery en Paramount draaien intussen structureel winst.
In Vlaanderen blijft Netflix de grootste, maar niet langer onaantastbaar. Streamz zag in 2024 de kijktijd met 52 procent stijgen. Dat bewijst dat wie inzet op sterke, lokale verhalen, het publiek zal meekrijgen.
De streamingmarkt lijkt stabiel – 57 procent van de Vlamingen heeft een abo – maar mensen hoppen vlot van platform naar platform. De strijd om onze aandacht is dus nog lang niet gestreden.
Papieren pers
Voor de geschreven pers waren de voorbije jaren een perfecte storm: dalende verkoop, verdwijnende advertenties, duurdere distributie en inflatie.
Kranten die zwaar inzetten op digitale abonnementen – De Tijd, De Morgen en Het Laatste Nieuws – vangen de klap deels op. De HLN-app haalt meer dan drie keer zoveel bezoekers als de eerstvolgende concurrent. Wie die digitale bocht niet neemt, blijft achter.
Nieuws als koopwaar, democratie als bijzaak
De Vlaamse Regulator voor de Media waarschuwt dat door de grote concentratie de diversiteit in het medialandschap in het gedrang komt. Die concentratie is het logische gevolg van het gevecht om omzet, winst, marges en marktaandeel.
Als je het rapport leest, dan lijkt het erop alsof media in de eerste plaats een ‘markt’ is en pas in de tweede plaats een publieke voorziening die burgers informeert en macht kritisch controleert. In die logica is ‘nieuws’ een product en journalistiek een kostenpost.
Dat kan ook moeilijk anders, want de meeste Vlaamse media zitten stevig ingekapseld in grote kapitaalgroepen. Voor die aandeelhouders is winst geen detail, maar de kern van de zaak. Alles wat nieuws, cultuur of kritische duiding heet, moet in dat kader passen. Wat niets oplevert, wordt geschrapt of weggedrukt naar de marge.
Daarbovenop blijft reclame de levenslijn van het systeem. Hoe aantrekkelijker je bent voor adverteerders, hoe veiliger je businessmodel. Dat zet redactionele keuzes onder druk: welk publiek willen we? Welke toon verkoopt beter? Welke thema’s houden adverteerders tevreden en welke vermijden we liever? Wie afhankelijk is van advertenties, wordt vroeg of laat afhankelijk van de logica van de adverteerder.
Het gevolg is een perverse omkering. Media die in theorie de macht moeten controleren, worden in de praktijk steeds meer gestuurd door diezelfde macht, in de vorm van grote bedrijven, investeringsfondsen en ‘partners’ zonder enige democratische legitimiteit.
De maatschappelijke rol van journalistiek – burgers informeren, conflicten blootleggen, machtsstructuren doorlichten en alternatieven tonen – verschraalt tot een bijproduct van een commercieel model.
Als we die spiraal willen doorbreken, volstaat het niet om hier en daar een subsidie te verhogen of een nieuw platform te lanceren. Dan moeten we de vraag durven stellen welk mediasysteem we wíllen.
Willen we een landschap gedomineerd door enkele giganten die informatie behandelen als koopwaar? Of willen we een publiek aangestuurd model waarin diversiteit, kritische controle en toegankelijke informatie centraal staan, en waar winst niet de maat van alle dingen is?
Die keuze bepaalt wie aan het woord komt, wie onzichtbaar blijft, en hoe we samen begrijpen in wat voor wereld we leven, en hoe die kunnen verbeteren. In die keuze zijn eigendomsverhoudingen centraal, maar die worden door de media zelf meestal keurig uit het vizier gehouden.
Het is de zoveelste reden waarom alternatieve media als DeWereldMorgen meer dan ooit belangrijk zijn.
Note:
[1] Mediahuis is de uitgever van de Vlaamse kranten De Standaard, Het Nieuwsblad, Gazet van Antwerpen, De Gentenaar, Het Belang van Limburg. Roularta is de groep boven Knack, Trends, De Tijd, De Zondag en Libelle. Play Media bezit verschillende commerciële televisiezenders met de naam Play alsook de radiozender Nostalgie.
bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Onderwijs
Terwijl leerkrachten zich uit de naad werken, portretteert Zuhal Demir hen als plantrekkers. Haar kruistocht tegen vrije schooldagen maskeert het echte probleem: een onderwijs dat bloedt door een chronisch lerarentekort.
Het moet gezegd, de minister heeft gevoel voor timing. Net op het moment dat leerkrachten zich uit de naad werken om alles op tijd verbeterd te krijgen en overuren kloppen voor de deliberaties en het oudercontact, schildert ze leerkrachten af als plantrekkers die te weinig voor de klas staan en uit zijn op zoveel mogelijk vakantie.
De minister vindt namelijk dat er teveel ‘verloren onderwijstijd’ is. Daarom wil ze pedagogische studiedagen in het basisonderwijs beperken tot drie halve dagen en wil ze die in het secundair onderwijs helemaal afschaffen.
Ook de facultatieve vakantiedagen gaan op de schop. Dat zijn dagen die scholen zelf mogen vastleggen, vaak als brugdag of rond lokale activiteiten. Daarnaast wil de minister de deliberatietijd inperken en wil ze dat de eerste en laatste schooldag opnieuw volwaardige lesdagen worden. Volgens Demir moet dit alles helpen om de achterstand op andere OESO-landen in te halen.
Vakbonden woedend
Bij de vakbonden valt het plan bijzonder slecht. Volgens ACOD-topvrouw Nancy Libert kijkt de minister met haar cijfers “enkel naar lesdagen, niet naar het aantal effectieve lesuren per week”. Zowel op het vlak van het aantal verplichte uren per jaar op de schoolbank, als op de effectieve instructietijd scoren de Vlaamse leerkrachten boven het OESO-gemiddelde.
Het probleem van ons onderwijs vandaag is dus niet dat leerlingen te weinig op school zijn. Het meeste prangende probleem is het lerarentekort. Libert noemt de maatregelen dan ook “pure symboolpolitiek”. Haar beeld is duidelijk: “Wie zijn huis verbouwt, begint ook niet met nieuwe gordijnen te hangen. De eerste stap naar meer onderwijskwaliteit is een goede, gekwalificeerde leraar voor de klas.”
Ook het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) spreekt van een “motie van wantrouwen” richting leraren. De minister komt opnieuw met ingrepen die diep ingrijpen in hun werk, zonder hun realiteit ernstig te nemen. De onderwijsbonden vragen zich af wat het oplevert om studiedagen, brugdagen en evaluatiemomenten af te bouwen in een sector die nu al kraakt onder de werkdruk.
Studiedagen
De pedagogische studiedag is een van de heetste hangijzers. Volgens Marianne Coopman (COV) zijn die dagen “broodnodig” voor professionalisering. Scholen moeten nieuwe minimumdoelen invoeren, taalbeleid aanscherpen en omgaan met steeds meer gedragsproblemen in de klas. Dat vraagt tijd, opleiding en overleg.
Directeur Sabine Verheyden van het Lutgardiscollege in Oudergem legt uit dat zo’n studiedag vaak het enige moment is waarop het hele team samen kan nadenken over schoolbrede keuzes. In haar school plannen ze al een studiedag eind augustus om tijdens het jaar zo weinig mogelijk lestijd weg te nemen.
Door die momenten te beperken of te schrappen, duwt de overheid scholen richting oppervlakkige bijsturingen in plaats van diepgaande vorming. Drie halve dagen, zeggen directies, volstaan niet om nieuwe competenties aan te leren.
Deliberatietijd en werkdruk
Volgens de krant De Morgen toont Demirs voorstel om de deliberatietijd na de examens in te korten, weinig kennis van de huidige schoolrealiteit. Deliberaties duren langer omdat scholen rekening moeten houden met complexe leerlingendossiers, zorgnoden en strikte regels die ze niet zelf hebben uitgevonden.
Evaluaties en commentaren moeten zeer nauwkeurig worden genoteerd, want bij de kleinste discussie staan advocaten klaar – vaak namens dezelfde ouders die nu klagen over ‘tijdverlies’. Zo zijn deliberaties uitgegroeid tot een zware administratieve last. Net daar zou een minister iets aan kunnen doen, maar dat levert politiek weinig op.
Haar plannen raken vooral aan de manier waarop de werkdruk wordt ervaren. De minister doet alsof de periode na de examens een soort luilekkerland is. Maar leerkrachten beschrijven die weken als een storm: verbeterwerk, rapporten, klassenraden, feedbackgesprekken met leerlingen.
Verheyden vertelt hoe leerkrachten een heel weekend verbeteren en daarna dagenlang van ’s ochtends tot ’s avonds in klassenraad zitten. En dan nog krijgen ze het beeld voorgeschoteld dat ze niet veel doen. “Dat komt binnen”, zegt ze.
Pedagoog Pedro De Bruyckere verwacht dat scholen zullen schuiven in hun organisatie: meer permanente evaluatie, sportdagen verschuiven naar de periode na de examens om elders lestijd te winnen. Maar dat soort puzzelwerk verandert niets aan de grote werkdruk op het einde van elk trimester.
Facultatieve dagen
Een apart onderdeel van het plan is het afschaffen van de facultatieve vakantiedagen. Die dagen werden begin jaren 90 ingevoerd, bij de overheveling van Onderwijs naar de Vlaamse Gemeenschap. Scholen zouden zo lokale festiviteiten kunnen volgen, zoals een jaarmarkt of kermis. Basisscholen kregen twee dagen, secundaire scholen één.
Vandaag zetten sommige (basis)scholen die dagen nog altijd in voor lokale activiteiten. Veel secundaire scholen gebruiken ze als brugdag, bijvoorbeeld rond 11 november, na een schoolfeest of in combinatie met pinkstermaandag.
Voor vakbonden en directies zijn die dagen een klein stukje autonomie. Ze laten toe het schooljaar menselijker te organiseren. Dat Demir ze nu voorstelt als een soort luxeprobleem, botst met hoe die dagen op het terrein worden ervaren.
Carrièrekansen
In plaats van zich bezig te houden met symbooldossiers die goed scoren bij haar politieke achterban, zou de minister beter het kernprobleem van het onderwijs ten gronde aanpakken: het lerarentekort. Geen enkele kalenderwijziging verandert daar iets aan, integendeel.
In De Morgen werpt Bart Eeckhout de minister de volgende vraag voor: “Wat duwt de kwaliteit in de klas het meest naar beneden? Het lerarentekort of een pedagogische studiedag?” Volgens hem “vereist het antwoord geen diploma kernfysica”.
Nieuw onderzoek van KU Leuven toont dat één op de vijf afgestudeerde leerkrachten secundair nooit voor de klas komt te staan. Vooral de beperkte carrièremogelijkheden schrikken af. Voor toekomstige leerkrachten voelt die beperkte doorgroei als een daling van het nettoloon met ruim 8 procent. Daarnaast speelt ook de hoge werkdruk een rol. Opvallend is dat het net de sterkste profielen zijn die het meest afhaken, terwijl zij cruciaal zijn voor de kwaliteit van het onderwijs.
Daarnaast overweegt een op vijf van de huidige leerkrachten het onderwijs te verlaten. Idealisme is een sterke factor bij leerkrachten, maar die volstaat blijkbaar niet meer om mensen in het onderwijs te houden als loon, werkdruk en toekomstperspectief tegenvallen. Dat de minister de leerkrachten andermaal wegzet als plantrekkers is in deze allerminst bevorderlijk.
Weinig kans op slagen
CD&V, toch coalitiepartner, wijst openlijk op de verkeerde prioriteiten van de minister. Vlaams Parlementslid Loes Vandromme zegt dat Zuhal Demir eerst moet zorgen dat elke klas een leraar heeft. Zij verdedigt ook de tijd voor klassenraden. Dat is volgens haar geen vrijblijvend “hobbyclubje”, maar het enige moment waarop alle leerkrachten samen beslissen over de toekomst en schoolloopbaan van leerlingen. Minder tijd daarvoor betekent risico op minder doordachte beslissingen.
De kritiek van CD&V sluit aan bij die van de vakbonden: wie echt werk wil maken van onderwijs, moet eerst zorgen voor voldoende menskracht, een sterke omkadering en vertrouwen, niet bij het afvinken van ‘extra lesdagen’. Het voorstel van Demir moet nog voor overleg naar de onderwijskoepels en de vakbonden. De kans is zeer gering dat haar plannen werkelijkheid zullen worden.
Bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Varia
Het geloof in de democratie wankelt. In heel wat landen groeit onvrede over politieke stilstand en het gevoel dat verkiezingen weinig veranderen. Tegelijk slagen gevestigde partijen er niet in om overtuigende antwoorden te bieden op de grote uitdagingen van onze tijd. Hoe maken we onze democratie terug democratisch?
Hoe zou het komen dat het geloof in de democratie wankelt? Is dat de vraag? Of moeten we wellicht eerder de fundamenteel-existentiële vraag stellen of het huidige politieke systeem dat doorgaans “democratisch” wordt genoemd, wel effectief een democratie is?
De mythe van de volksvertegenwoordiging
Het begrip democratie is uitgehold. Veel regeringen claimen ‘democratisch’ te zijn, omdat ze bestaan uit zogenaamd verkozen vertegenwoordigers. Maar in de praktijk worden parlementen niet samengesteld door burgers, maar door partijbesturen. Burgers hebben geen zeggenschap over de lijsten en kunnen niet stemmen op kandidaten buiten hun district.
De ‘volksvertegenwoordigers’ zijn in de eerste plaats partijvertegenwoordigers. Hun stemgedrag in het parlement wordt rechtstreeks gecontroleerd door de partijhoofdkwartieren, niet door de burgers die ze horen te dienen. We zijn verplicht om binnen dit keurslijf onze ‘vertegenwoordigers’ aan te duiden, maar het is ons verboden om zelf direct de wetten in te voeren die we wensen.
Deze manier van politiek bedrijven vergroot meer en meer de kloof tussen de burgers en de politici. Als de mensen wetten of besluiten als onrechtvaardig of disproportioneel ervaren, rest hun alleen nog betogen, protesteren en staken.
Wanneer kunnen we over democratie spreken en wanneer niet, of wanneer wordt ze bedreigd? En als de democratie ziek is, wat is dan de remedie?
Wat is democratie?
Voor veel mensen is ‘democratie’ een vaag begrip. Nochtans is de oorsprong helder: de Griekse woorden demos (volk) en kratein (heersen), oftewel volksheerschappij. Dit impliceert een revolutionaire gedachte: geen enkele instantie, leider of macht staat boven de verzameling burgers. Democratie is de bestuursvorm waarin de wil van de mensen de bron is van legitieme macht. Alle burgers bouwen mee aan de samenleving door onderling wetten af te spreken.
De mensen vertegenwoordigen zichzelf in de politieke besluitvorming. Het basisbeginsel zou dus niet enkel indirecte representatie mogen zijn. Als democratie uitsluitend bestaat uit vertegenwoordiging via partijen, is de kans groot dat burgers zich nauwelijks gerepresenteerd voelen. Dit bouwt frustraties op.
Het startpunt van onze politieke instellingen moet zelfrepresentatie zijn. In een moderne democratie hoort het volk beslissingen te nemen over het bestuur, via directe democratische besluiten.
De Nederlandse auteur Eva Rovers bepleit in haar boek Waarom we de politiek niet alleen aan politici kunnen overlaten de installatie van een geloot burgerparlement naast de verkozen kamers. Haar hoop is dat zulke nationale burgerparlementen nieuwe inzichten opleveren van “mensen die niet vastzitten aan een partijprogramma en niet de volgende verkiezingen hoeven te winnen”.
De vraag blijft echter in hoeverre een gelote derde kamer de échte democratische injectie is om geloofwaardige antwoorden te formuleren? Een ware democratie is een samenleving waarin burgers, ook al beslissen ze in de praktijk niet alles zelf, wel steeds het laatste woord kunnen hebben. Die vorm, ‘directe democratie’, is feitelijk democratie tout court.
Het wezen van democratie
De vergaande individualisering van nu drijft de mens naar zelfbeschikking en autonomie. We accepteren steeds minder een autoriteit boven ons. Politiek vertaalt dit zich in de eis voor ‘zelfrepresentatie’ in het besluitvormingsproces.
Democratie is het maatschappelijke gesprek waarin we als gelijkwaardige burgers afspraken maken over hoe we met elkaar omgaan en welke wetten we willen. Dit vormt de rechtsstaat, waar de verhoudingen van mens tot mens worden geregeld – iets wat elk individu aangaat en resulteert in wetten.
De diepe menselijke behoefte om tegemoet gekomen te worden, vindt zijn antwoord in deze afspraken en regelgeving. Voorbij alles wat ons als individu kleurt en kenmerkt ligt ons diepere mens-zijn, dat we ook in alle andere mensen kunnen herkennen. Wat komt de mens toe louter op basis van zijn mens-zijn? Hoe wil ik dat de andere mens behandeld wordt – zoals ook ikzelf? Daar liggen de diepere vragen van een rechtvaardige samenleving.
Democratie: het ‘hart’ van de samenleving
Democratie is het ‘hart’ van de samenleving, waar ons rechtvaardigheidsgevoel spreekt: iedereen is gelijk voor de wet. Maar gelijkheid vereist meer dan alleen gehoorzamen. Om écht gelijk te zijn voor de wet, moet iedereen op gelijke wijze kunnen deelnemen aan de productie van die wetten. In een rechtvaardige maatschappij moeten degenen die de gevolgen dragen logischerwijs ook mee beslissen.
Gelijkheid in wetgeving wordt gerealiseerd door een democratie die elk individu een gelijke, vrije stem in de wetsproductie garandeert. Alleen dan zijn die wetten een weerspiegeling van ons collectieve rechtvaardigheidsgevoel.
Democratie in de praktijk
De huidige particratie bedreigt niet alleen onze democratie (zelfbestuur van de burgers), maar maakt die feitelijk onmogelijk. Dit systeem druist in tegen de kernbeginselen en moet overwonnen worden.
In de praktijk vereist democratie dat burgers de mogelijkheid krijgen om via zelf ingediende wetsvoorstellen te bepalen hoe zij hun samenleving willen inrichten. Dit kan via directe democratie met een al dan niet geloot parlement én referenda op burgerinitiatief. De burgers zelf dienen (naast het parlement) wetsontwerpen in en laten deze goed- of afkeuren via referenda.
Mensen hoeven dan niet te stemmen op een partij of politicus, maar stemmen zelf over wetten en besluiten. Zo groeit het geloof in de democratie, omdat mensen ervaren dat hun stem écht telt en zij het zelf voor het zeggen hebben.
In een echte democratie hebben burgers het laatste woord via referenda op burgerinitiatief. Er is geen ‘overheid’, want de burgers beslissen zelf. De echte verantwoording ligt bij de burgers zelf, die de gevolgen van hun beslissingen dragen. Dit leidt tot zorgvuldigere en rechtvaardigere beslissingen.
Het referendum
Het referendum op basis van een volksinitiatief staat in schril contrast met een ‘volksraadpleging’, vaak misleidend een ‘plebisciet’ genoemd. Veel van wat wij zien, zoals de Brexit en aanverwante raadplegingen, zijn geen echte referenda, maar plebiscieten: nep-referenda van bovenaf, uitgeschreven door politici om hun eigen doelen te dienen. Plebiscieten zijn manipulatietools voor politici.
De werking van het echte referendum is precies omgekeerd: het stelt burgers in staat om politici te corrigeren als hun beslissingen onrechtvaardig worden ervaren.
Waarom Directe Democratie?
Onderzoek onder meer dan 6.500 Belgen, uitgevoerd door politicoloog Jean-Benoît Pilet (ULB), toont aan dat de burger klaar is met louter meer ethiek, transparantie of efficiëntie. Kiezers eisen grondige hervormingen en meer inspraak. De roep om politieke vernieuwing is groter dan ooit. Meer dan 70 procent van de Belgen wil bindende referenda over belangrijke kwesties.
Wanneer burgers naast het parlement zelf wetsontwerpen kunnen indienen en laten goed- of afkeuren via referenda, wordt met alle lagen van de bevolking rekening gehouden. Elke burger, ongeacht zijn achtergrond, krijgt de mogelijkheid om via een gegarandeerd vrije en gelijke stem deel te nemen aan de wetsproductie, zowel door initiatieven te nemen als door erover te stemmen.
Democratie kan de samenleving rechtvaardig(er) maken
Onze ‘democratie’ wordt zwaar gedomineerd door economische belangen. De lobbymachines van multinationals zetten nationale wetgeving en media naar hun hand, vaak met schending van het gelijkheidsprincipe en soms zelfs via omkoping. De waakhondfunctie van het volk en een echt feedbacksysteem ontbreken totaal.
In een échte democratie hebben burgers de mogelijkheid om via bindende referenda zelf orde op zaken te stellen. Dan hoeft er niet geprotesteerd te worden tegen een zogenaamde ‘overheid’. Wanneer burgers hun samenleving via referenda zelf vormgeven, groeit het democratische bewustzijn en verdwijnt het huidige wantrouwen, omdat de burgers zichzelf besturen.
Dit gaat niet om een democratie die een ‘hemel op aarde’ belooft, noch om een veelbelovend programma of ideologie. Democratie is nooit ‘af’, maar een steeds evoluerend proces. Een ware democratie biedt simpelweg de basis: het stelt de burgers in staat om zélf de best mogelijke maatschappelijke structuren te creëren, zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel.
Wat staat ons te doen?
We moeten de particratie doorbreken. Democratie is levendiger dan we denken, mits correct toegepast. Door bindende referenda op volksinitiatief zowel lokaal als nationaal mogelijk te maken, bepalen mensen daadwerkelijk de vormgeving van hun gemeenschap. Dit zorgt ervoor dat het democratisch bewustzijn groeit en sterker wordt in brede lagen van de bevolking. Burgers zullen actief deelnemen aan het beleid en de smaak van actief burgerschap te pakken krijgen.
Word lid van Meer Democratie vzw en steun onze actie om bindende referenda mogelijk te maken. Hiervoor moet de Belgische Grondwet worden aangepast.
Beste medeburger, doe met ons mee en teken de petitie: Grondwetswijziging voor invoering van bindende referenda.
Marc Vanvelk is bestuurslid van Meer Democratie vzw.
Bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Economie, Sectoren
Als jeugdhulp moet bedelen om diepvriesgroenten, is er iets fundamenteel mis. Vijftien jaar aan koude besparingen laten diepe, pijnlijke sporen na op het bord van onze kwetsbaarste kinderen.
Sluipende aanval op de zorg
Terwijl de kosten voor het dagelijks leven de hoogte in schieten, blijft de Vlaamse overheid doof voor de noden van de meest kwetsbaren. Sinds 2010 zijn de werkingsmiddelen van de zorgvoorzieningen in Vlaanderen niet meer geïndexeerd. Wat aanvankelijk een kleine ingreep leek, is uitgegroeid tot een structurele uitholling van deze sector.
Door de weigering om budgetten aan te passen aan de reële prijzen van energie, voeding en onderhoud, is er in feite sprake van een bikkelharde besparing. Volgens ramingen gaat het om een verlies van maar liefst 40 procent aan koopkracht voor instellingen die jongeren en gezinnen in nood ondersteunen.
Neem nu Ter Wende, een therapeutisch centrum in Leuven. Directeur Mattias Bouckaert kent zijn cijfers uit het hoofd: een werkingsbudget van 389.000 euro voor veertig bedden en zeventig medewerkers. Dat bedrag is al vijftien jaar ongewijzigd.
Bouckaert legt de pijnlijke realiteit bloot: “Als dat bedrag geïndexeerd zou zijn – aangepast aan het feit dat werkelijk alles, van voeding tot energie, de voorbije jaren duurder is geworden – zou dat 160.000 euro meer zijn.” In de loop van die vijftien jaar heeft zijn organisatie in totaal meer dan een miljoen euro aan broodnodige middelen misgelopen.
“Het is een sluipende besparing, die aanvankelijk onschuldig lijkt”, zegt hij, maar de gevolgen zijn inmiddels allesbehalve onschuldig.
Overleven op voedseloverschotten
Wanneer de overheid de kraan dichtdraait, moeten instellingen wanhopig creatief worden. Bij Lionshulp vzw in Gent is de situatie zo nijpend dat ze sinds 2024 samenwerken met de lokale voedselbank voor diepvriesvoeding en droge producten.
Directrice Hilde De Borger windt er geen doekjes om: “Het voelt ethisch moeilijk om van een voedselbank gebruik te maken, maar het kan momenteel niet anders.”
Het is een hallucinante vaststelling: in een van de rijkste regio’s ter wereld moet de professionele jeugdhulp bedelen om eten om de jongeren onder hun hoede een maaltijd te kunnen aanbieden. Ook Ter Wende overleeft dankzij de goodwill van lokale supermarkten die hun voedseloverschotten schenken.
De strategie in de sector is vandaag simpelweg: “Besparen, besparen, besparen.” Elke euro wordt drie keer omgedraaid. Dat betekent dat investeringen in gebouwen worden uitgesteld, computers pas worden vervangen als ze echt uit elkaar vallen, en de verwarming een graadje lager gaat.
Bij vzw Huize Sint-Vincentius hanteren ze een strikt dagbudget van 5,5 euro per kind voor drie maaltijden. Directrice Fran Segaert benadrukt de absurditeit daarvan: “Met 5,5 euro per dag per jongere verzorgen onze medewerkers drie maaltijden. Geen dure biefstuk of scampi – luxe kennen we hier niet – maar gelukkig wel nog steeds voedzaam en gezond.”
Het vraagt een bovenmenselijke inspanning van het personeel om met dergelijke bedragen nog iets fatsoenlijks op tafel te toveren.
Afbraak van de toekomst
De besparingen raken niet alleen de materiële middelen, maar ook de kwaliteit van de begeleiding. Omdat de werkingsbudgetten tekortschieten, hevelen sommige instellingen noodgedwongen geld over vanuit hun personeelsbudget naar de dagelijkse werking.
In Ter Wende betekent dit concreet dat ze het moeten doen met 2,5 voltijdse medewerkers minder. Het gevolg? Jongeren die niet naar school kunnen gaan, krijgen overdag geen zinvol alternatief programma.
Eén begeleider moet de dag doorkomen met zeven jongeren met complexe problematieken. De tijd voor individuele aandacht en echte therapeutische diepgang verdwijnt, terwijl de werkdruk voor het resterende personeel onhoudbaar wordt.
Het gebrek aan een financiële buffer is een tikkende tijdbom. Infrastructuur veroudert en dringende renovaties worden vooruitgeschoven. Fran Segaert waarschuwt dat het op korte termijn “nijpend” wordt als er geen reserve kan worden opgebouwd voor deze investeringen.
Maar de grootste kost is de menselijke kost. Jongeren in de jeugdhulp dragen vaak al een loodzware rugzak. Hilde De Borger herinnert ons aan de essentie van hun werk: “Hoe meer wij in deze jongeren kunnen investeren, hoe groter de kans dat zij uitgroeien tot mensen die durven te geloven in zichzelf, die naar school gaan, een diploma halen, een leven uitbouwen.”
Door nu te beknibbelen op hun zorg, riskeert de samenleving de rekening later dubbel en dik te betalen via het OCMW, de psychiatrie of de gevangenis.
Een kwestie van menselijkheid
De reactie vanuit de Vlaamse regering blijft mager. Minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) wenst niet te reageren op de huidige noodkreet. Hoewel er voor 2025 een minimale indexering van 1 procent is toegestaan, dekt dit bijlange niet de opgestapelde tekorten van de afgelopen vijftien jaar.
Pas in 2028 en 2029 wordt er opnieuw gekeken naar een gedeeltelijke indexering, wat betekent dat de sector nog jarenlang in de kou blijft staan.
Oppositiepartij Groen heeft inmiddels een ontwerpdecreet ingediend om vanaf 1 januari 2026 opnieuw een volledige indexering toe te kennen. Volgens parlementslid Jeremie Vaneeckhout is de maat vol: “De Vlaamse regering heeft onze zorgsector door die niet-indexering kapot bespaard.” Hij noemt het hallucinant dat de absolute basis, zoals budget voor maaltijden en kledij, is wegbezuinigd.
Deze schandelijke situatie is het resultaat van bewuste politieke keuzes. Terwijl er miljarden worden gevonden voor prestigeprojecten – denk maar aan de dure fietsbrug over de Schelde – moeten de meest kwetsbare jongeren rekenen op de voedselbank.
De zorgsector vraagt geen extraatjes of luxe, maar simpelweg een correcte financiering om hun kernopdracht te kunnen uitvoeren. De sector vraagt dringend dat de Vlaamse regering stopt met deze “sluipende besparingen” en dat ze de jeugdhulp de middelen geeft die ze verdient. Een samenleving die bespaart op het bord van haar kwetsbaarste kinderen, heeft een ernstig probleem met haar morele kompas.
Bron: dewereldmorgen.be
by admin | jan 5, 2026 | Economie
Vlak voor kerst werd een wet doorgeduwd die de jacht opent op langdurig zieke werknemers. In plaats van re-integratie en preventie komt er controle, sanctie en besparing op de kap van zieken.
Zonder veel publiek debat stemde het federaal parlement op 18 december de dikke bundel maatregelen rond langdurige ziekte, die op 1 januari al van kracht zijn. Volgens het ACV kiest de regering hiermee voor het “goedkoop en snel afschrijven van zieke werknemers”.
Zowel de mensen die dit beleid op het terrein moeten opvolgen als diegenen die er de gevolgen van dragen, worden binnen twee weken geconfronteerd met ingrijpende regels. De uitwerking van dit beleid is voor een groot deel nog onduidelijk, wat voor veel onzekerheid zorgt op de werkvloer.
Het ACV is dan ook bikkelhard voor deze gang van zaken: “Met de stemming van de ‘Terug Naar Werk’-wet nog vlak voor het kerstverlof, duwt de regering zonder veel debat een beleid door dat de problematiek van langdurige ziekte nog groter zal maken”.
Ontslagmachine draait warm
In het regeerakkoord was afgesproken om prioritair in te zetten op preventie. In de praktijk blijkt dat luik een dode letter. De regering pakt de gekende oorzaken van ziekte niet aan, maar richt haar pijlen op de zieke werknemer zelf.
We weten waarom de cijfers stijgen: mensen moeten langer werken, terwijl hun job of gezondheid dat niet toelaat. Er zijn steeds meer aandoeningen door ziekmakend werk en de werkdruk in sectoren met veel vrouwelijke tewerkstelling is vaak niet vol te houden tot aan het pensioen.
Een beleid dat deze structurele oorzaken negeert en enkel focust op sancties, is volgens de vakbond simpelweg “dweilen met de kraan open”. In plaats van ondersteuning komen er zwaardere uitkeringssancties. Wie bijvoorbeeld een afspraak met een arbeidsarts mist, kan zijn volledige ziekte-uitkering verliezen.
Een van de meest schadelijke punten in de nieuwe wet is de versoepeling van het ontslag. De regering wil het mogelijk maken om aanzienlijk sneller het arbeidscontract van zieke werknemers te beëindigen zonder dat er een ontslagvergoeding betaald moet worden.
Dit beleid ondergraaft cruciale hefbomen voor de terugkeer naar werk, zoals het behoud van de arbeidsrelatie en de ruimte voor re-integratie. Het ACV waarschuwt dat de regering hiermee een “ontslagmachine” aanmoedigt die nu al verantwoordelijk is voor zo’n 26.000 procedures per jaar.
In plaats van werknemers te beschermen, moedigt de hervorming werkgevers aan om de kosten van een zieke werknemer af te schuiven op de sociale zekerheid. De wettelijke verplichting om voor aangepast werk te zorgen, wordt zo heel gemakkelijk omzeild.
Mythe van de ‘profiteur’
Om dit asociale beleid te rechtvaardigen, wordt vaak een sfeer van achterdocht gecreëerd. De PVDA wijst erop dat er bewust ‘fake news’ wordt verspreid om miljardenbesparingen op de kap van zieken te vergoelijken. Zo wordt beweerd dat België veel slechter scoort dan Duitsland, een claim die volgens RTBF niet overeind blijft.
Vandaag zijn er meer dan een half miljoen mensen in België die al langer dan een jaar ziek zijn. Dat is een verdubbeling sinds 2010. Dit komt niet door een plotseling leger van profiteurs, maar door de realiteit op de werkvloer. Twee derde van deze mensen lijdt aan fysieke slijtage of mentale aandoeningen zoals burn-out.
Het onderzoek van het RIZIV, dat beweerde dat een kwart van de zieken ‘vals’ zou zijn, bleek volgens de krant Le Soir onbetrouwbaar. Toch werden deze cijfers gelekt op een politiek strategisch moment. De realiteit is dat de meeste zieken arbeiders, vrouwen en 55-plussers zijn die simpelweg ‘op’ zijn.
Achter de kille cijfers zitten mensen die jarenlang de samenleving draaiende hebben gehouden. De PVDA brengt hun verhalen naar buiten om de menselijke kost van het beleid te tonen. Paul, Maria en Marc zijn geen nummers, maar werknemers die gebroken zijn door hun job.
Paul (63), een bouwvakker, getuigt: “Ik heb mijn hele leven in de bouw gewerkt. Mijn rug en schouders zijn gebroken en eerlijk gezegd heb ik geen energie meer. Ik ben aan het eind van mijn latijn.” Maria (57), een huishoudhulp, zag haar lichaam bezwijken onder de “dubbele werkdag” van zwaar poetswerk en haar eigen huishouden.
Ook Marc (49), logistiek medewerker in de haven, kan niet meer. “Mijn schouders zijn helemaal versleten. Ik heb zelfs hulp nodig om mijn jas aan te trekken. Als ik hoor dat we tot ons 67e moeten doorwerken, vraag ik me af in welke wereld dat haalbaar is.” Voor deze mensen is de pensioenleeftijd van 67 jaar een wrede illusie.
Kiezen voor winst boven mens
Het ABVV stelt vast dat de nieuwe wetgeving werknemers flagrant discrimineert. Bert Engelaar van het ABVV is duidelijk over de ongelijkheid: “Er wordt weer eens met twee maten en twee gewichten gewerkt. De regering-De Wever trekt de sancties voor werknemers op, maar niet voor zelfstandigen.”
Wanneer een werknemer een afspraak bij de terug-naar-werkcoördinator mist, stijgt de financiële sanctie naar 10 procent van de uitkering. Voor zelfstandigen blijft diezelfde sanctie echter op 2,5 procent staan.
Bovendien worden werkgevers nauwelijks geresponsabiliseerd. De solidariteitsbijdrage voor bedrijven geldt enkel als ze meer dan vijftig werknemers tellen en enkel voor personeel jonger dan 55 jaar. De zieke werknemer daarentegen wordt altijd en overal gestraft, ongeacht zijn leeftijd of de grootte van het bedrijf waar hij werkte.
De huidige gezondheidscrisis op de werkvloer is het resultaat van een systeem dat productiviteit boven alles stelt. Vakbonden en gezondheidsexperts trekken aan de alarmbel omdat de arbeidsvoorwaarden steeds verder verslechteren.
“Systemen die winst boven mens stellen, hebben vaak onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van werknemers”, stelt de gezondheidscoalitie. In sectoren zoals de schoonmaak is elke dag één op de vijf werknemers ziek. Dat is geen toeval, maar het gevolg van zware fysieke belasting en chemische stoffen.
De drang naar constante flexibiliteit, nachtwerk en het combineren van meerdere jobs maakt mensen ziek. De regering kiest er echter voor om deze “ziekmakende arbeidswereld” in stand te houden en de slachtoffers ervan te stigmatiseren als lui of bedrieglijk.
Hardvochtig gelaat
Een effectief beleid begint bij het aanpakken van de oorzaken, niet bij het straffen van de zieken. Om de toename van het aantal langdurig zieken echt te stoppen, is er een radicale koerswijziging nodig die vertrekt vanuit menselijke waardigheid.
Dit betekent dat er fors geïnvesteerd moet worden in risicopreventie op de werkvloer en dat de arbeidsduur collectief moet worden verminderd om de werkdruk te verlichten. Ook het opnieuw invoeren van een waardig brugpensioen voor zware beroepen is essentieel om te vermijden dat mensen volledig opgebruikt aan de zijlijn belanden.
Echte oplossingen liggen in gezonde werkomstandigheden, voldoende personeel in knelpuntberoepen en een respectvolle begeleiding van wie uitvalt. Alleen door het ziekmakende systeem zelf te veranderen, kunnen we werknemers echt gezond aan de slag houden.
Met de ‘Terug Naar Werk’-wet toont de Arizona-regering zijn hardvochtige gelaat. Ze voert een beleid dat mensen reduceert tot kostenposten, net wanneer ze bescherming nodig hebben. Extra pijnlijk is dat deze wet vertrekt vanuit besparingsoverwegingen en niet uit oprechte zorg voor langdurig zieken.
In deze kerstperiode zullen Vooruit en CD&V dit wellicht moeilijk aan hun achterban kunnen uitleggen.
Bron: dewereldmorgen.be