by admin | aug 8, 2026 | Economie
Het Europees Comité voor Sociale Rechten velde op 19 maart 2025 een bijzonder scherp oordeel over het Vlaamse woonbeleid. Het Comité stelde vast dat Vlaanderen het recht op wonen onvoldoende garandeert. Woonzaak, waar SAAMO deel van uitmaakt, was op donderdag 4 juni uitgenodigd in de Commissie Wonen binnen het Vlaams parlement. Trekker Gilles Guillaume en woordvoerder Hugo Beersmans lanceerden een oproep voor een nieuw woonpact, als basis voor een rechtvaardig woonbeleid.
Bekijk de hoorzitting in de Commissie Wonen
In de praktijk ondervinden honderdduizenden mensen woonproblemen. 20.000 mensen zijn dakloos. Daarnaast hebben zo’n 250.000 mensen recht op een sociale woning, maar zijn ze door het grote tekort aangewezen op de private huurmarkt. Woningen op die markt zijn te duur en van onvoldoende kwaliteit.
Voor deze schrijnende realiteit bestaan structurele oplossingen. Omdat ons Vlaamse woonbeleid er nog geen werk van maakte, werd het door het Europees Comité voor Sociale Rechten veroordeeld.
Vernietigend oordeel van Europees Comité
Het Europees Comité voor Sociale Rechten oordeelde dat:
– er een groot tekort is aan sociale woningen;
– Vlaanderen nauwelijks extra sociale woningen bouwt;
– de private huurmarkt niet betaalbaar en kwalitatief is;
– ongeveer 250.000 huishoudens hun recht op wonen geschonden zien;
– er onvoldoende beleid en oplossingen zijn voor dak- en thuisloosheid;
– belangrijke gegevens ontbreken voor een sterk woonbeleid;
– sommige maatregelen leiden tot uitsluiting en ongelijkheid;
– het huidige beleid rond betaalbaarheid vooral negatief is voor de meest kwetsbare huishoudens.
Standpunt van Woonzaak
Woonzaak vraagt:
– een versnelde uitbreiding van sociale woningen;
– een krachtiger beleid tegen dak- en thuisloosheid;
– structurele maatregelen voor een betaalbare en kwaliteitsvolle huurmarkt.
Woonzaak roept de Vlaamse regering op om deze veroordeling om te zetten in een trendbreuk met het verleden.
Concreet roept Woonzaak Minister Bonte en de Commissie Wonen op om samen met middenveldorganisaties en andere betrokken actoren werk te maken van een woonpact, dat de basis legt voor een nieuw en rechtvaardig woonbeleid.
Over Woonzaak
Woonzaak is een coalitie van meer dan 70 organisaties. De coalitie diende in 2021, samen met FEANTSA, een klacht in bij het Europees Comité voor Sociale Rechten, omdat het Vlaamse woonbeleid volgens haar niet voldoet aan het Herziene Europees Sociaal Handvest.
Bron: SAAMO.be
by admin | aug 8, 2026 | Varia
Op 8 juli 2026 bestaan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn 50 jaar. Precies een halve eeuw geleden werd de Organieke Wet betreffende de OCMW’s aangenomen. Die wet wil via maatschappelijke dienstverlening “ieder persoon in staat stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”. Die nadruk op menselijke waardigheid maakt onze OCMW-wet uniek in de wereld.
Toch is er op deze verjaardag weinig reden tot feest. Wat ooit bedoeld was als het laatste vangnet van onze sociale bescherming, staat vandaag onder druk. Door opeenvolgende beleidskeuzes worden de mazen van dat net steeds groter, en krijgen de OCMW’s het moeilijker om die menselijke waardigheid te garanderen. Onze politici handelen steeds vaker vanuit wantrouwen, zowel tegenover OCMW-gerechtigden als tegenover maatschappelijk werkers.
De Coalitie voor een Humaan OCMW-beleid hoopt dat politici de komende vijftig jaar eindelijk de geest van de OCMW-wet volledig durven waarmaken. Dat is niet alleen goed voor mensen in armoede, maar voor de samenleving als geheel. Want de rekening van armoede – onder de vorm van slechtere gezondheid, lagere onderwijskansen, problematische schulden … – ligt veel hoger dan de kostprijs van haar bestrijding.
We lijsten 10 redenen op waarom 8 JULI 2026 geen feestelijke verjaardag is.
1. Het recht op maatschappelijke integratie (RMI) wordt steeds meer uitgehold.
Het leefloon ligt nog steeds onder de Europese armoedegrens en alzo te laag om een menswaardig bestaan te garanderen. Het leefloon voor een koppel met kinderen bijvoorbeeld, bereikt amper 70 procent van de Europese armoedegrens. Ethisch is dat natuurlijk onaanvaardbaar, maar ook arbeidsmarktgericht is dit zeer kortzichtig beleid. Als je mensen de middelen ontzegt om in zichzelf te investeren, zal het enkel moeilijker worden om hen naar duurzaam werk toe te leiden.
Bovendien zorgen recente maatregelen voor nog grotere problemen. Zo heeft de huidige inkrimping van de welvaartsenveloppe een rechtstreeks negatief effect op de welvaartsvastheid van het leefloon. Bovendien zorgt de nieuwe berekeningswijze van het leefloon van samenwonende personen voor nefaste gevolgen. Met name het leefloon van alleenstaande ouders, studenten en mantelzorgers dreigt flink te dalen. Ook blijft het statuut samenwonende de familiale solidariteit ondermijnen en bemoeilijk het alternatieve woonvormen die de wooncrisis mee kunnen bestrijden. Tenslotte Is er nog het afstoten en privatiseren van lokale publieke diensten, zoals ziekenhuizen, crèches, sociale restaurants … Dit ontneemt OCMW’s de broodnodige instrumenten om een betaalbare en sociale dienstverlening te organiseren.
2. De non-take-up van het leefloon blijft torenhoog.
Wetenschappelijk onderzoek geeft aan dat 43 tot 46 procent van de mensen die op een gegeven ogenblik recht hebben op het leefloon dat toch niet aanvragen.
Non‑take‑up van het leefloon is geen individueel probleem, maar een systeemprobleem door de combinatie van ingewikkelde regels, administratieve drempels, persoonlijke en psychologische barrières en een moeilijke maatschappelijke context. Bij niet-opname van het leefloon verliezen mensen meteen ook hun sociale rechten zoals bijvoorbeeld het recht op verhoogde tegemoetkoming of de maximumfactuur die hen moet beschermen tegen hoge medische kosten bij de dokter, het ziekenhuis en de apotheker.
Naast het recht op sociale tarieven voor energie, waterfactuur en telecom gaan ook rechten op dienstverlening verloren, zoals voedselhulp, budgetbegeleiding en sociale huisvesting.
3. Eerst een sterke sociale zekerheid
We dragen allemaal solidair bij aan de sociale zekerheid. Bij pech kan je gebruik maken van onder meer de werkloosheidsverzekering en de ziekteverzekering. Dit is een recht. OCMW’s komen tussen wanneer deze beschermingsmechanismen tekortschieten. Bij de oprichting van de OCMW’s in 1976 ontvingen minder dan 10 000 mensen een leefloon. Vandaag zijn dat er meer dan 280 000 (leefloon en equivalent leefloon). De besparingen en verstrengingen maken dat steeds meer mensen niet langer recht hebben op het systeem van sociale zekerheid. Je meet een goed functionerende samenleving niet aan de kwaliteit van het laatste vangnet, maar aan het vermogen om te voorkomen dat mensen een beroep moeten doen op het laatste vangnet. Door de grote gaten in het vangnet is het OCMW geen armoedebestrijder. Een grote groep mensen wordt steeds verder weggeduwd uit de samenleving.
4. Stijgende voorwaardelijkheid bemoeilijkt hulpverlening
Er worden steeds meer en strengere federale én lokale voorwaarden opgelegd aan wie hulp vraagt aan het OCMW. Dat gaat van een strikte invulling van de arbeidsbereidheid over verplichte trajecten bij verslavingsproblematiek tot onrealistische taaleisen. Bij het leefloon worden deze voorwaarden verankerd via het GPMI. Dat zogenoemde contract tussen OCMW en uitkeringsgerechtigde zou de wederzijdse engagementen moeten vastleggen en rekening houden met de mogelijkheden en noden van de gebruiker. In de praktijk is er echter sprake van een fundamenteel machtsonevenwicht: wie niet tekent, riskeert immers geen inkomen. Het GPMI wordt voorgesteld als een begeleidingstool, maar is verworden tot een controle- en sanctie-instrument dat de ziel van het sociaal werk en de broodnodige vertrouwensrelatie ondergraaft. Ook wie andere financiële steun dan het leefloon aanvraagt, botst vaak op een muur van steeds strengere (berekenings-)voorwaarden.
5. Uitsluiting van buitenlanders en voorwaarden voor sociale bijstand ter bevordering van integratie
Er staan wetswijzigingen op stapel die binnen de sociale bijstand een onderscheid willen maken op basis van nationaliteit en verblijfsstatus. Nieuwkomers zullen zo gedurende de eerste vijf jaar van hun legaal verblijf in België worden uitgesloten van sociale bijstand. Personen die internationale bescherming genieten maar onvoldoende inspanningen zouden leveren om te integreren, zullen een verminderde sociale bijstand ontvangen. De aanstaande hervormingen creëren een samenleving van A- en B-burgers, waarin nieuwkomers beschouwd worden als een subcategorie van mensen die zelfs met een verblijfsvergunning geen aanspraak meer zouden kunnen maken op een leven in overeenstemming met de menselijke waardigheid.
Mensen zonder wettig verblijf zijn al heel lang uitgesloten van sociale bescherming. Zij hebben enkel een zeer beperkte toegang tot gezondheidszorg via het OCMW-systeem van de Dringende Medische Hulp. Dit systeem met hoge drempels produceert in hoge mate gezondheidsongelijkheid met nefaste gevolgen voor de gerechtigden en ernstige risico’s voor de volksgezondheid.
Bovendien zullen deze hervormingen het integratieproces van nieuwkomers bemoeilijken: de hulp van het OCMW is immers vaak net dat duwtje in de rug dat zij nodig hebben om zich bijvoorbeeld volledig op de arbeidsmarkt te kunnen integreren.
6. Klemtoon verschuift van menselijke waardigheid naar activering
Besparingen in de sociale zekerheid, zoals de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, schuiven steeds meer verantwoordelijkheid door naar de OCMW’s en de lokale besturen die hen financieren. Tegelijk dwingt het bonus-malussysteem – dat OCMW’s die mensen activeert financieel beloont en andere bestraft – lokale besturen om mensen zo snel mogelijk naar werk te leiden. Zo verschuift de opdracht van het OCMW fundamenteel: van een instelling die het recht op menselijke waardigheid waarborgt naar een instrument van arbeidsmarktbeleid.
7. OCMW-hulp verschilt per gemeente
Er bestaan grote verschillen in de manier waarop OCMW’s het recht op een menswaardig leven invullen. Sommige steden en gemeenten hanteren een emancipatorische benadering en geven mensen de tijd en ondersteuning om opnieuw hun plaats in de samenleving te vinden. Andere leggen de nadruk op snelle activering en sturen mensen zo snel mogelijk richting arbeidsmarkt. Of we zien hoe sommige OCMW’s zich al te gemakkelijk ‘territoriaal onbevoegd verklaren’ en soms op basis van onwettige argumenten hulpvragers doorsturen naar een andere gemeente. We zien dit pingpong-fenomeen tussen gemeenten niet enkel opduiken bij leefloonaanvragen, ook mensen in dak- en thuisloosheid die een referentie-adres aanvragen vangen vaak bot.
Hierdoor hangt de toegang tot rechten en ondersteuning nog te vaak af van de gemeente waar iemand woont. Die rechtsongelijkheid heeft ook een financiële oorzaak. Gemeenten met de grootste armoedeproblemen beschikken vaak over de kleinste budgettaire draagkracht, terwijl meer welvarende gemeenten minder sociale noden kennen. Op federaal niveau zijn op korte tijd meerdere systemen afgeschaft die lokale OCMW’s ondersteunen om lokale armoede te bestrijden en financiële steun te verlenen aan behoeftige mensen. Door de drooglegging van deze federale ondersteuning, dreigen vooral de armere gemeenten binnenkort niet meer in de mogelijkheid te zijn om vitale noden, zoals tussenkomsten in huishuur of medische kosten, te lenigen.
8. Te hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers
Uit bevragingen bij OCMW-medewerkers blijkt dat de werklast structureel te hoog ligt. Maar liefst 86 procent geeft aan te zwaar belast te zijn. Bijna één op vier spreekt zelfs van een onhoudbare situatie. Daarnaast meldt 63 procent dat er openstaande vacatures zijn voor maatschappelijk werkers, dossierbeheerders of trajectbegeleiders, terwijl 15,8 procent aangeeft dat er nood is aan extra personeel, maar daar geen budget voor beschikbaar is. 89 procent maakt zich bovendien zorgen over de verdere toename van de werkdruk, wat meer ziekte-uitval en burn-outs met zich mee zou brengen. Hierdoor komen de diensten nog verder onder druk te staan. Deze werkdruk en onderbestaffing leidt er vaak toe dat gebruikersrechten geschonden worden en dat de continuïteit van de hulpverlening niet kan geboden worden. Mensen moeten te lang wachten op een eerste afspraak, hulpaanvragen gaan verloren of worden niet tijdig beantwoord, mensen worden zonder sociaal onderzoek afgewezen, hulpvragers moeten hun verhaal steeds opnieuw brengen naar aanleiding van personeelswissels, …
9. De vertrouwensband tussen OCMW-gerechtigde en maatschappelijk werker staat onder druk
In het begeleidingstraject is de vertrouwensrelatie tussen OCMW-gerechtigde en maatschappelijk werker essentieel. Toch komt die relatie steeds meer onder spanning te staan door een reeks beleidswijzigingen. De toenemende voorwaarden die aan OCMW-steun worden gekoppeld verschuiven de rol van maatschappelijk werkers geleidelijk van begeleider naar controleur. Daarnaast wordt hun beroepsgeheim steeds verder ingeperkt en nemen meldingsplichten toe. Recente beleidsmaatregelen en voorstellen leggen onder het mom van fraudebestrijding een doorgeschoten nadruk op controle en sanctionering.
Hierbij ondergraven de beperkingen bij het inroepen van billijkheidsredenen de discretionaire ruimte van de maatschappelijk assistent. Niet alleen miskent dit het beroep van het sociaal werk, het zorgt er ook voor dat het steeds moeilijker wordt om een relatie van vertrouwen op te bouwen.
10. Onmacht leidt tot agressie
Door de afbrokkeling van de sociale zekerheid en de sociale bijstand en door de schendingen van de gebruikersrechten, neemt de radeloosheid van veel kwetsbare mensen toe. Die context vertaalt zich in oplopende spanningen aan het OCMW-loket. Maatschappelijk werkers worden steeds vaker geconfronteerd met de moeilijke taak om slecht nieuws te brengen. Bijna de helft van de OCMW-medewerkers geeft aan maandelijks met verbale of fysieke agressie geconfronteerd te worden, en 88 procent verwacht dat dit verder zal toenemen. Maatschappelijk werkers geven aan dat het daarbij vooral om uitingen van frustratie en onmacht gaat, vaak in situaties waarin mensen al herhaaldelijk zijn doorverwezen en vastlopen in het systeem. Ook psychische problemen worden in dit verband regelmatig als oorzaak genoemd.
De coalitie Humaan OCMW-beleid bestaat uit: ACOD LRB, Belgisch Netwerk Armoedebestrijding, CBCS, CIRÉ, Comité de Vigilance en Travail Social, De Link, Fédération des Services Sociaux, Federatie van Maatschappelijk Werkers, Le Front Commun SDF – Gemeenschappelijk Daklozenfront, Ligue des droits humains, Réseau wallon de lutte contre la pauvreté, SAAMO, SAM – Steunpunt Mens en Samenleving, Vlaams ABVV, Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Transit asbl
Bron: SAAMO.be
by admin | aug 8, 2026 | Varia
Al tien jaar lang werkt Chris Vandenhaute (51) dagelijks met dakloze mensen. Niet als sociale professional, maar als politieman. “Er zijn nog te veel vooroordelen tussen sociaal werkers en agenten.”
Politie als boeman?
Of Chris Vandenhaute tijd heeft voor een interview, vragen we hem per mail. We krijgen meteen antwoord. Ondanks zijn drukke agenda zitten we een week later al op zijn bureau in de Wetstraat, pal tegenover het parlement.
“Ik vind het belangrijk dat mensen weten dat we bestaan, dat ook de politie initiatieven als deze neemt”, zegt Vandenhaute, die inspecteur is bij de politiezone Brussel Hoofdstad Elsene.
“In het bredere middenveld wordt de politie vaak als grote boeman gezien. Wij zijn de rechtse rakkers die tegenover linkse sociale werkers staan. Daartussen zou dan een grote leegte gapen. Maar ik wil graag de brug zijn. In se hebben zowel politiemannen als sociale professionals hetzelfde doel: mensen een beter leven geven. Wij hebben elkaar nodig. Dat zou ik graag vertellen.”
Herscham
Als inspecteur leidt Vandenhaute het Herscham-team. Die ploeg van vijf agenten werkt al sinds 2003 met dakloze mensen in de zone Brussel Hoofdstad-Elsene. “Destijds waren er zo’n 1.500 à 2.000 daklozen in Brussel”, vertelt Vandenhaute.
“Velen verbleven ’s nachts in de metro. ’s Ochtends moesten ze van de politie opkrassen. Mijn voorganger bij Herscham vroeg zich af of de politie niets structureel kon doen. Uit gesprekken met daklozen bleek dat velen hun identiteitskaart kwijt waren. Zonder identiteitskaart geen referentieadres en dus geen rechten.”
Herscham begon dakloze mensen te helpen met identiteitsdocumenten. Er ontstond een ‘attestation de passage’, een papier waarmee dakloze mensen hun identiteit konden bevestigen. Dankzij een afspraak tussen Herscham en het OCMW konden dakloze Brusselaars zo toch een referentieadres krijgen.
“Mensen waren daarmee niet direct van straat, maar konden wel opnieuw tot hun rechten komen. Situaties werden gedeblokkeerd, door een administratieve ingreep vanuit de politie.”
10.000 Brusselse daklozen
Vandaag neemt Herscham die administratieve taak nog steeds op zich. Alleen is de context enorm veranderd. “Vandaag zitten we met 10.000 Brusselse dak- en thuislozen. Als je telt dat er maximum 3.600 plaatsen in de opvang zijn, dan weet je dat een grote groep elke nacht opnieuw oplossingen moet zoeken”, zegt Vandenhaute.
“Veel daklozen vinden die oplossingen: een kraakpand, een sofa ergens. Maar elke nacht blijven zo’n 1.000 tot 1.500 mensen buiten liggen. Als dat op een discrete manier gebeurt, is dat vanuit ons perspectief als politie geen probleem. Maar soms creëert het overlast. Dat is het tweede, belangrijke deel van ons werk. We gaan naar die mensen toe, op een humane manier: ‘Wij zijn van de politie, het is niet oké dat u hier ligt, maar wat kunnen we doen om u te helpen?’”
En wat kunnen jullie doen?
“Die documenten blijven de eerste stap. Als dat niet mogelijk is, kijken we wat we wel kunnen betekenen.”
“We gaan elke dag de straat op, knopen het gesprek aan. Zonder uniform. Iedere woensdag hebben we permanentie in ons lokaaltje, ook op feestdagen. Daklozen weten dat ze hier kunnen binnenwandelen. Ze kunnen papieren vragen maar ook hun verhaal doen, als ze bijvoorbeeld zelf slachtoffer zijn van feiten.”
“Nu, uiteindelijk is het vooral brandjes blussen. Ons werk wordt moeilijker en moeilijker.”
Hoe komt dat?
“Omdat de groep veranderd is. De daklozen die we aan documenten kunnen helpen, is min of meer hetzelfde als 20 jaar geleden: zo’n 2.000 mensen. Er zijn geen officiële cijfers, maar ik schat dat de overige 8.000 Brusselse dak- en thuislozen bestaan uit mensen die wachten op een beslissing over hun asielaanvraag of hier zonder verblijfsvergunning leven. Dat gaat om zo’n 4.000 EU-burgers en nog eens 4.000 mensen van buiten Europa. Zij kunnen hier geen referentieadres aanvragen en dus geen aanspraak maken op een leefloon of ziekteverzekering.”
“Voor die EU-burgers is er een kleine opening. Enkele jaren geleden heb ik alle 26 consulaten in Brussel aangeschreven. Het heeft een tijdje geduurd, maar voor dakloze Europeanen kan ik daar nu ook gratis identiteitsdocumenten bekomen. Dat opent nog geen rechten in België, maar geeft toch al hun identiteit en waardigheid terug.”
Wie zijn die dakloze Europeanen?
“Mensen van alle mogelijke lidstaten. Elke week tref ik in het station nieuwe jonge gasten aan. Er is hen verteld dat ze hier 2.000 euro kunnen verdienen in de bouw. Dat klopt wellicht, maar wel alleen als ze voor vertrek een werkcontract en Belgisch rekeningnummer hebben, als ze zich hier inschrijven, enzovoort.”
“Wij verliezen die gasten in het zwartwerkcircuit. Sommigen vinden hun weg en komen we niet meer tegen. Maar de jongens bij wie het niet lukt, glijden vaak op korte tijd weg. Die vallen dan snel in de groep daklozen met zware alcoholproblemen.”
Dan is er nog de groep niet-Europeanen die hier asiel aanvragen of in onwettig verblijf zijn?
“De situatie van mensen die asiel aanvragen, is schrijnend. Eigenlijk doen die mensen alles wat ze moeten doen. Maar als het gezonde, jonge mannen zijn, moeten ze hun plan trekken zonder opvang.”
“De sans-papiers zijn hier vaak al jarenlang. We krijgen hen niet van straat, maar kunnen hen ook niet aan papieren helpen. Als ze in contact komen met de politie, krijgen ze van Dienst Vreemdelingenzaken een bevel om het grondgebied te verlaten. Waarna iedereen de ogen sluit. Dat levert problemen op: diefstal, drugs, andere criminaliteit. Als je niks geeft, gaan mensen altijd manieren zoeken om te overleven, dat is de realiteit.”
“Die groep van 8.000 niet-Belgische daklozen legt een fameuze druk op de stad. We creëren ons eigen zwartwerkcircuit en voor een deel ook onze eigen criminaliteit. (Denkt na) Ik wil niet aan politiek doen, maar mag ik toch mogelijke oplossingen voorstellen?”
Ga je gang.
“We moeten overwegen of we die dakloze EU-burgers geen referentieadres kunnen geven. Niet om hen dezelfde rechten te geven als Belgen. Wel zodat ze makkelijker een officieel werkcontract kunnen afsluiten, een bankrekening kunnen openen… Ik denk dat we minstens de helft van de dakloze EU-burgers zo opnieuw kunnen lanceren. Je zou hen na één jaar referentieadres kunnen evalueren: we hebben je een kans gegeven, is het gelukt?”
“Als dat geen optie is, zou ik een Europees OCMW overwegen. Een fonds waarin alle lidstaten bijdragen, om hun eigen onderdanen elders te ondersteunen. Er zitten niet alleen Polen en Roemenen in Brussel, maar ook Belgen in Barcelona en Parijs.”
En wat met de niet-Europeanen?
“Voor de groep sans-papiers zie ik het somber in. Daar zie ik alleen betere terugkeerakkoorden met het land van herkomst. Maar we blijven daar in cirkeltjes draaien.”
“Voor mensen die asiel aanvragen, zouden we tot een spreidingsplan moeten komen, met onthaalkantoren in andere steden. Nu ligt de druk bij Brussel, terwijl alles en iedereen ons al onder vuur neemt.”
Hoe is jullie relatie met al die dakloze mensen?
“Ze kennen ons. Ze weten dat we er niet zijn om hen op te jagen, hun tent weg te gooien. Er is wederzijds respect. Dat is niet evident, want die mensen zijn wel vaker slachtoffer geworden van repressie, vaak in hun landen van herkomst. Als ik verhalen hoor van flikken uit Oost-Europa, dan zijn wij koorknapen.”
Mogelijk. Maar ook hier gebeuren ‘opkuisacties’. Als 200 agenten Brussel-Zuid binnenvallen, is dat niet met zachte hand.
“Ik kan alleen maar voor mijn politiezone spreken,maar ik ben blij dat je het voorbeeld aanhaalt. Ben je via Brussel-Centraal gekomen? Vergelijk eens met Noord en Zuid? Wat vind je van Centraal?”
Rustig, zou ik zeggen.
“Twee collega’s en ik komen zelf met de trein. Elke ochtend om 6u45 doen wij onze ronde. Voor we naar huis gaan, doen we hetzelfde. Wie zit waar, wat gebeurt er, moeten we iemand aanspreken?”
“Het heeft geen zin om op één dag 200 agenten in te zetten, de dag erna nog eens met grote groep te verschijnen, om dan een jaar weg te blijven. Daar los je geen enkel probleem mee op.”
Klinkt logisch. Maar toch gebeurt het.
“Ja. Maar ik zie de geesten ook wel rijpen. Begrijp me niet verkeerd: agenten moeten geen softies worden. Ik ben ook geen sociaal werker, verre van. Maar ook als politie moet je toch een verhaal hebben. Ik kan helpen met papieren, maar heb ook het telefoonnummer van goede straathoekwerkers op zak.”
“Met repressie alleen kom je er niet. Je moet mensen op een of andere manier proberen te triggeren. Elke keer opnieuw ga ik in gesprek. Sommige daklozen komen al na een week naar ons kantoor, bij anderen duurt het vier maanden.”
“Al wordt het dus steeds moeilijker. Ik zie zoveel psychische problemen op straat. Wij zijn geen psychiaters, maar het komt wel in ons bakje.”
Ik schrijf wel vaker over dakloosheid, ik ontmoet vreselijk veel mensen met zware psychische problemen.
“Vroeger hadden we om de paar maanden iemand die de pedalen volledig kwijt was, sinds Covid lijkt dat dagelijkse kost. Ik weet ook niet precies hoe het komt. Ik vermoed dat het met drugs te maken heeft. We hebben testen gedaan op de middelen die in Brussel circuleren. De cocaïne is vandaag 98 procent puur. Als je daar crack uit destilleert… Ook de THC in marihuana is veel zwaarder geworden.”
Met mensen die in een parallelle werkelijkheid leven, is het bijzonder moeilijk werken.
“Vaak worden die mensen wel opgevolgd, maar op straat zorg bieden is moeilijk. Ik denk dat onze focus op outreach op een bepaald moment is doorgeslagen. Vijftien jaar geleden keek onze politiek naar Scandinavië, waar mobiele psychologische teams het goed deden. Alleen werd er bij ons beslist om ook 200 bedden in de psychiatrie te schrappen. Zelfs ‘normale’ mensen komen nu op wachtlijsten voor gespecialiseerde zorg.”
“Dit gaat de sociale wereld choqueren, maar 30 jaar geleden is de wet op landloperij afgeschaft en zijn de kolonies gesloten. In die tijd was dat de juiste keuze. Maar we gaan toch eens moeten nadenken hoe we bepaalde daklozen vandaag opnieuw beter kunnen omkaderen, in speciale centra of huizen. Een grote groep blijft dolen, terwijl we helemaal niks achter de hand hebben.”
Je zei net categoriek dat je geen sociaal werker bent. Waar zit het verschil met de politieman?
“Als iemand iets uitsteekt, steek ik hem binnen. Gisteren kwam hier een gast die ik nog nooit gezien had. Een vluchteling die zijn papieren kwijt was. Jammer genoeg zat hij drie uur later in de gevangenis van Haren. Hij had nog een celstraf openstaan.”
“We werken goed samen met sociale organisaties. Maar ze moeten me ook niet contacteren met de vraag of iemand al dan niet gezocht wordt. Sorry, zo werkt het niet. Wij blijven agenten.”
Is dat toch niet moeilijk? Ik sprak de laatste maanden veel dakloze mensen. Ik zou nu makkelijk wegkijken als iemand eten steelt in de supermarkt. Dat moet toch herkenbaar zijn?
“Neen. ‘I don’t buy it.’ Ik begrijp dat het moeilijk is, maar dat geeft je nooit het recht om feiten te plegen. (Wijst naar de muur) Daar hangt de sociale kaart van Brussel, die is enorm. Je kan overal eten en kleren krijgen, medische zorgen of douches. Als dakloze heb je niet meer excuses dan iemand anders.”
“Aan de andere kant probeer ik de clichés over daklozen ook wel onderuit te halen. Tegen de jonge collega’s van de politieschool zeg ik altijd hetzelfde: ga nooit het terrein op met vooroordelen. Ieder mens op straat heeft zijn verhaal. Niemand droomt ervan om op zijn achttiende dakloos te worden.”
Hoe loopt de samenwerking met de sociale kaart?
“Goed. Ik ken de mensen achter de kaart, dat vind ik belangrijk. Ik kan mensen opbellen. Ik doe dit niet om mezelf populair te maken, maar omdat we elkaar nodig hebben. Net als goeie flikken heb je goeie straathoekwerkers nodig. We moeten weg van het beeld dat de politie de vijand van het sociale veld is.”
Sociale professionals kaarten graag problemen binnen de politie aan. Maar draai de spiegel eens om. Hoe kijken agenten naar sociaal werkers?
“Goh. Ik vind het jammer dat er vooroordelen zijn. Als ik naar overlegmomenten ga, voel ik dat wel. Onlangs zei een bevriende sociaal werker na een vergadering dat zijn collega’s geklaagd hadden – dat er niet zo open gepraat mocht worden met een flik aan tafel. Dan denk ik: ‘Gasten, écht, ik kom naar jullie met open vizier, om samen te werken. Wat kan ik meer doen?’”
“Misschien moet ik toch eens vertellen hoe moeilijk ons werk geworden is. Men verwacht heel veel van ons, hoor, na amper een jaar opleiding. En dan is er nog de constante stress. We moeten altijd tussenkomen op het moment dat de mens op zijn kwetsbaarst is, met enorme emoties zit. Ik zoek geen excuses. Ook agenten moeten gestraft worden als ze fouten maken. Maar de realiteit is nu eenmaal dat het door al die stress ook bij ons wel eens fout kan lopen.”
“Als een buurtbewoner mij belt voor een tent met bierblikjes en flessen urine, verwacht die dat ik daar binnen vijf minuten ben, maar ook dat het probleem direct opgelost is. Als ik een goed gesprek heb met die buurtbewoner, kan ik misschien kaderen dat ik wat meer tijd nodig heb. Maar meer dan een week krijg ik niet, hoor. Terwijl,n bepaalde wijken zijn problemen met mensen met wie sociaal werkers al jaren werken. Het antwoord: ‘We doen een traject met die mensen’. Een sociaal werker komt daar misschien mee weg, ik niet.”
Word je soms moedeloos van je werk?
“Neen. ’s Avonds bij het tandenpoetsen moet je jezelf afvragen: heb ik vandaag alles gedaan wat ik kon met de middelen die ik ter beschikking heb? Is het antwoord ja, slaap dan. Anders houd je het niet vol. Je mag niet ongevoelig worden, maar je moet dingen wel kunnen afsluiten.”
“Wij worden elke dag opnieuw geconfronteerd met negativiteit. Dus zeg ik tegen mijn collega’s: ‘Eentje per keer, gasten. We trekken ons op aan die paar mensen die we eruit kunnen halen.’ Die ene gast die van straat geraakt en ons maanden later komt bedanken, dat is onze overwinning.”
Bron: Sociaal.net
by admin | aug 8, 2026 | Sectoren
Een bouwadviseur, die werkt als een schakel tussen bouwheren, architecten en aannemers, klaagde malafide praktijken aan bij de Orde van Architecten, maar vond geen gehoor. Als reactie op de wanpraktijken die hij aankaart, slepen architecten de klokkenluider voor de rechter, in een poging hem de mond te snoeren.
Bouwadviseur Bruno Covemaecker werkte van 2014 tot 2024 voor een sleutel-op-de-deurfirma uit de provincie Luik en startte dit jaar bij een gelijkaardig bedrijf in Vlaams-Brabant.
Covemaecker kwam als adviseur bij bouwprojecten in contact met verschillende architecten die er de kantjes afreden en de wet overtraden, onder meer door werfverslagen te vervalsen of achteraf erelonen eenzijdig aan te passen. Dat blijkt ook uit verschillende getuigenissen die Apache bereikten.
Nog voor de bouw goed en wel begonnen is, stoten bouwheren soms al op problemen met de architect. Bouwadviseurs worden pas betaald wanneer de bouwfase van start gaat en daarom snijden architecten hen soms de pas af.
“Onze verloning is berekend op een percentage van de bouwkost van een aannemer. Ik heb in tientallen dossiers gezien hoe architecten lieten weten dat projecten niet doorgingen, of andere smoezen gebruikten om niet langer samen te werken, terwijl die woningen er ondertussen wel staan. Als aandrager van dossiers en technisch onderlegde adviseur werd ik telkens buitenspel gezet.”
Covemaecker en zijn klanten, en de gedupeerden waarmee Apache sprak, stellen vast dat de klachten die ze indienen tegen malafide architecten vaak op een sisser uitdraaien.
Valse hoop
“Ik signaleerde sinds 2020 aan verschillende instanties, waaronder de Orde van Architecten, wat er verkeerd liep met sommige architecten, maar word al jaren van het kastje naar de muur gestuurd”, zegt Covemaecker.
“Niemand kon me helpen, zelfs niet na allerlei meldingen met bewijzen en getuigenissen voor de rechtbank. Ik vind dat confronterend in een democratie, waar allerlei controleorganen bestaan.”
Wat Covemaecker beschrijft, keert ook terug in getuigenissen die Apache verzamelde bij verschillende bouwheren. Hun casussen staan los van die van Covemaecker, zij waren aan andere bouwprojecten verbonden.
De rode draad doorheen de getuigenissen van bouwheren is het vals gevoel van veiligheid dat de Orde van Architecten hen gaf door een dossier te openen en stukken op te vragen. “In feite krijgen mensen voortdurend hoop”, zegt Covemaecker. “Finaal wordt er geen deontologische fout gevonden, waarna gedupeerden niet durven te procederen. Die uitspraken van de Orde worden ook misbruikt voor de rechter.”
Voor de strafrechter
Terwijl bouwadviseur Covemaecker misbruiken in de sector aanklaagde, werd hij zelf juridisch aangevallen.
In oktober 2020 legde een Ieperse architect-op-rust een klacht met burgerlijke partijstelling neer tegen Covemaecker bij de Ieperse onderzoeksrechter.
Dat gebeurde nadat de Ieperse architect de professionele samenwerking met Covemaecker verbrak en die laatste achterstallige vergoedingen opeiste. Volgens Covemaecker is de samenwerking verbroken omdat hij vervalste werfverslagen en andere wanpraktijken aan de kaak stelde, volgens de Ieperse architect na een discussie over erelonen en commissies.
De architect, ooit plaatsvervangend raadslid bij de West-Vlaamse Orde van Architecten, betichtte Covemaecker in zijn klacht van “bedreiging en intimidatie, belaging en stalking, laster en eerroof en lasterlijke aangifte, belediging, kwaadwillige ruchtbaarmaking, misbruik van inlichtingen, misbruik van elektronische communicatiemiddelen”.
“Ik werd verhoord door de politie”, vertelt Covemaecker. “Ondertussen maakte die Ieperse architect mij overal zwart bij klanten. Hij contacteerde mijn klanten en liet hen weten dat het gerecht een onderzoek naar mij voert.”
“Ik werd afgeschilderd als een dure oplichter die slechte kwaliteit levert voor een te hoge prijs”, herinnert Covemaecker zich. “De architect pleegde een professionele karaktermoord en ik kon me daar heel moeilijk tegen verdedigen. Daardoor haakten klanten af en werd de samenwerking met het bedrijf waarvoor ik toen werkte onleefbaar”, zegt Covemaecker.
Vrijspraak
Covemaecker haalde in eerste instantie zijn gelijk. Het openbaar ministerie vorderde halfweg april 2022 een buitenvervolgingstelling. Maar in de raadkamer diende de Ieperse architect bijkomende stukken in. “Mijn advocaat en ik wisten dat het om valse stukken ging en hebben ons daardoor laten doorverwijzen naar de correctionele rechtbank”, zegt Covemaecker
Voor de rechtbank eiste de Ieperse architect 2.000 euro per door de bouwadviseur aangebrachte klant die nog contact had met Covemaecker. “Op die manier werd ik met mijn rug tegen de muur gezet: ik kon niet meer verder werken. Hij wilde niet dat ik zijn klanten zou waarschuwen voor zijn werkwijze. Aangezien er ook een gerechtelijk onderzoek op basis van valse klachten, met valse stukken en valse verklaringen naar mij werd gevoerd, waarvoor de architect betaalde (een klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter, red.), mocht ik in het belang van het onderzoek niets zeggen.”
Drie jaar lang sleepte de procedure aan. De Ieperse strafrechter analyseerde meer dan twintig gelijkaardige getuigenverklaringen van klanten van de architect. Zij beschrijven hoe hij met werfverslagen knoeide en contracten aanpaste.
Eind 2023 kwam dan uiteindelijk de vrijspraak. In het vrijspraakvonnis argumenteert de strafrechter dat er geen bewijs was dat Covemaecker “op een niet-aflatende, steeds terugkerende of irritante wijze de klager lastig had gevallen”.
Ook bij de waarschuwingen over te hoge ereloonkosten, aan het adres van een handvol klanten, “is er geen sprake van grove, gefantaseerde, louter willekeurige of manifest overdreven beschuldigingen die de grenzen van de vertroebelde commerciële sfeer kennelijk te buiten gaan”.
De vrijspraak was voor Covemaecker dan wel een overwinning , maar “die twee jaar onzekerheid waren een hel”, blikt hij terug.
Sinds november 2023 is bouwadviseur Covemaecker beschermd als klokkenluider en krijgt hij ondersteuning van het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens (Firm). Die mogelijkheid tot bescherming is er voor wie in de privésector (of bij de federale overheid) misstanden vaststelt en die meldt bij het Firm. Melders doorlopen een procedure en wanneer ze erkend worden, kunnen ze juridische, psychologische, technische en financiële ondersteuning krijgen.
“De waaier aan klachten waartegen ik me moest verdedigen zorgde voor veel advocatenkosten, meer dan 40.000 euro in totaal. De financiële steun van het Firm is te bescheiden om die kosten helemaal te dekken.”
Geen alleenstaand geval
De Ieperse architect-op-rust is niet de enige architect die werfverslagen maakt zonder de werf effectief te bezoeken.
Covemaecker ontdekte bij verschillende werven onder meer foto’s die niet klopten met de vooruitgang van de werken. Daarvoor stapte hij naar de Orde van Architecten, die de klacht seponeerde. Nadien diende een andere architect uit Diksmuide ook een klacht in tegen Covemaecker. Het parket seponeerde ook die klacht in 2024.
Het parket zag geen redenen om Covemaecker te vervolgen voor laster. Het zag eerder een onderliggend burgerrechtelijk en semi-contractueel probleem.
Het parket verwijst daarbij naar een vordering van Covemaecker tegenover de architect uit Diksmuide voor aangebrachte dossiers waar hij finaal niet werd ingeschakeld. De magistraat schreef in een toelichting naar Covemaecker dat hij zich tot de burgerlijke rechtbank moest richten.
Het parket deelde Covemaecker mee dat discussies over bouwtechnische fouten voor de Orde van Architecten of bij Buildwise, het onderzoeks- en innovatiecentrum van de bouwsector, beslecht worden.
Covemaecker stuurde daarop een factuur met verlies aan commissies voor geannuleerde projecten naar de klager. De Diksmuidse architect beantwoordde dat verzoek in 2025 met een klacht met burgerlijke partijstelling wegens “bedreiging, intimidatie, belaging, stalking, laster en eerroof, lasterlijke aangifte, beledigingen, kwaadwillige ruchtbaarmaking en misbruik van inlichtingen”.
De Diksmuidse architect spreekt over “jarenlang achtervolgen” en wees erop dat de Orde hem eerder vrijsprak voor deontologische inbreuken. “Het zijn die vrijspraken van de Orde die architecten graag misbruiken om de toon te zetten bij een rechter”, zegt Covemaecker.
De onderzoeksrechter beval dit voorjaar een persoonlijkheidsonderzoek van de bouwadviseur. Covemaecker eist een tegenexpertise, waarop het nu wachten is.
Klacht tegen de Orde
Omdat de Orde zijn veelvuldige klachten seponeerde, besliste Covemaecker halfweg oktober 2025 zelf een klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen tegen de Orde wegens valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen en oplichting. Hij is ook in die zaak nog niet verhoord.
Covemaecker diende halverwege maart van dit jaar ook een klacht in bij het parket wegens laster tegen een derde architectenkantoor uit Jabbeke. Ook hier had Covemaecker vervalste werfverslagen ontdekt en was er discussie over vergoedingen. De procedure die hij opstartte bij het parket was voor de Orde meteen een reden om de behandeling van zijn klachten tegen het architectenduo in Jabbeke on hold te zetten.
“Dat een deontologisch onderzoek niet kan terwijl er een gerechtelijk onderzoek loopt is onzin”, zegt Covemaecker.
Bouwheren in beroep
Ook klanten stappen soms naar de rechter tegen architecten, met wisselend succes. Een veertiental klanten van Covemaecker trokken naar de burgerlijke rechtbank om de discussie over de contracten − gesloten ruwbouw dan wel afgewerkte woning − te laten beslechten.
“Bouwheren die moeilijk deden, werden eerst via een advocatenbureau onder druk gezet om een dading te tekenen”, zegt Covemaecker. Toch won niet iedereen zijn zaak. Op Ronny Seda na, verloor voor de Ieperse rechtbank de helft van de bouwheren. De andere helft won een gelijkaardige discussie voor de Brugse rechtbank of voor het Gentse hof van beroep.
Ronny Seda kreeg ongeveer 4.000 euro onterecht gevorderd ereloon terug. In beroep won een ander slachtoffer tegen een architect die met balpen op een contract de geschatte bouwkosten (waarop zijn ereloon berekend wordt) met bijna 100.000 euro verhoogde tot ongeveer 228.000 euro.
Bouwheren die vaak maar één keer in hun leven bouwen of verbouwen, komen tegenover goed georganiseerde bureaus te staan, wat verweer moeilijk maakt. Het uitblijven van effectieve bescherming van consumenten maakt dat rotte appels ongestoord verder kunnen werken.
De namen van de architecten en anonieme gedupeerden zijn gekend bij de redactie. De Orde der Architecten reageerde niet op vragen van Apache.
Bron: Apache.be
by admin | aug 8, 2026 | Sectoren
In serres onder een loden zon plukken Roemeense seizoensarbeiders aardbeien voor een minimumloon. De Belgische aardbeienteelt wordt in sneltempo geautomatiseerd, maar plukrobots zijn nog niet voor morgen. “Zonder handen ben je in onze sector niets”, zegt een teler. Om sociale dumping tegen te gaan, verdubbelen sociale inspectiediensten de controles.
Het is een komen en gaan van wagens met Roemeense nummerplaten bij Carrefour Meer (Hoogstraten) in de Antwerpse Noorderkempen. Op een doordeweekse dinsdag tussen 16 en 18 uur doen aardbeiplukkers inkopen voor de avond en de volgende dag.
Of het zwaar werk was in de serrecomplexen? “Zeker, maar we zijn het gewoon”, zegt een plukker. “Moeilijk, ik ben vroeger begonnen en tegen de middag gestopt”, zegt een andere.
Plukarbeiders werken zich dag na dag uit de naad, tropische temperaturen of niet, om met een specifieke draaitechniek en de nodige zachtheid aardbeien van de moederplant te plukken.
“Als je dit niet gewoon bent en leuk vindt, houd je het niet vol”, zegt een plukker aan een serrecomplex in Meer. “Ik heb zeven jaar in Londen gewerkt en verhuis na het plukseizoen naar Nederland. Ze zeggen dat je daar beter verdient.”
Arbeidsintensieve aardbeiteelt
De economische waarde van de sector is groot, want aardbeien zijn na peren het belangrijkste product voor de Vlaamse fruitteelt. In 2025 telde België 439 aardbeibedrijven, waarvan 294 in Vlaanderen, vooral in West-Vlaanderen (86), Antwerpen (73) en Limburg (63).
De aardbeiteelt is geclusterd rond Hoogstraten, Roeselare en Beveren. Er zijn een derde minder bedrijven dan tien jaar geleden. De beteelde oppervlakte fluctueert elk jaar en is sinds 2021 dalende. Vorig jaar bedroeg de oppervlakte 1.114 hectare, bijna een tiende minder dan het gemiddelde van de afgelopen tien jaar.
Jaarlijks worden tussen de 45 en 50 miljoen kilo zoete vruchten geplukt. Land- en tuinbouwers zetten steeds meer machines in om het werk te verlichten of over te nemen. Aardbeitelers dromen over oogstrobots, maar die droom lijkt nog ver weg.
Minder bedrijven produceren steeds meer in (verwarmde) serres die – op de winter na – het jaar rond telen. In combinatie met substraatteelt (dat is telen op een kunstmatige bodem) levert dat een veel hogere productiviteit en winst op.
“Telers zijn al lang vragende partij om het plukken te automatiseren en ongeveer tien jaar geleden zetten we eerste stappen”, zegt Stef Laurijssen.
Hij onderzoekt innovaties in aardbeiteelt bij het Horticultural Applied Research Center for Vegetables and Strawberries, Innovation en Science (Harvestis). Dat onderzoeksinstituut werd gevormd na het samengaan van Proefcentrum Hoogstraten en Proefstation voor de Groenteteelt uit Sint-Katelijne-Waver.
“Sommige bedrijven startten met het ontwikkelen van een oogstrobot, maar de praktijk bleek heel complex. Aardbeien hangen soms in bosjes, waardoor het moeilijk is om rijpe vruchten automatisch te detecteren, ze met een grijper los te maken en in een doosje te zetten”, zegt hij.
“De ontwikkeling is naar de achtergrond verdwenen, het plukken gebeurt nog steeds handmatig. Toch is de wens er nog steeds, want aardbeien plukken is heel arbeidsinstensief. Lonen maken een groot deel van de productiekost uit en het wordt steeds moeilijker om mensen te vinden én ze gemotiveerd te houden.”
Seizoensarbeiders aan zet
In Vlaanderen zijn er amper arbeiders te vinden voor de pluk. Het zijn seizoensarbeiders uit het buitenland die met zachte hand de vruchten de serres uitkrijgen. Liefst met een kroontje en in elk geval zonder deuk.
Bij VDAB stonden halfweg juli slechts een dertigtal vacatures open voor plukkers. Telers werken doorgaans via gespecialiseerde uitzendkantoren, zoals ESG of Link2Europe. Sommige telers hebben ook eigen systemen om werkvolk te lokken, al dan niet via mond-tot-mondreclame in thuislanden. Hoewel seizoensarbeiders de fruitteelt schragen, is hun werk onderbelicht in de sector.
In 2024 werkten er volgens de laatste beschikbare cijfers 57.361 seizoensarbeiders in de tuinbouwsector, meer dan de helft daarvan in de fruitteelt.
“Omgerekend naar voltijdse equivalenten komen we uit op 9.789 seizoensarbeiders”, zegt woordvoerder Tessa De Prins van Boerenbond. Dat is ongeveer een kwart meer seizoensarbeiders dan werknemers (7.315).
Zowat 15% van de werknemers (voltijdse equivalenten) in de tuinbouwsector werkt in de fruitteelt, terwijl dat voor de seizoensarbeiders om 45% gaat. Fruitteelt draait dus grotendeels op seizoensarbeid.
“Seizoensarbeid is in samenspraak met de vakbonden tot stand gekomen”, zegt Tessa De Prins. “Het wetgevend kader houdt zowel rekening met de noden van de werkgevers als met het welzijn van de werknemers.” De Prins merkt op dat de reguliere tewerkstelling in zowel de land- als tuinbouwsector doorheen de jaren stijgt.
Laag loon voor zwaar werk
Werkgevers kunnen al meer dan een kwarteeuw plukkers inzetten via een flexibel en fiscaal gunstig stelsel van ‘gelegenheidswerk’. Sinds de coronapandemie kunnen seizoensarbeiders tot honderd dagen per jaar in de tuinbouwsector werken. Voorheen was dat 65 dagen. Er geldt een limiet van elf werkuren per dag en vijftig per week.
De (verminderde) sociale bijdragen die werkgevers en werknemer betalen, zijn berekend op basis van een forfaitaire dagvergoeding en niet op basis van het werkelijke loon. Fiscaal is er ook een vrijstelling op het doorstorten van de bedrijfsvoorheffing.
Een seizoensarbeider in de fruitteelt verdient bruto (minimaal) 13,38 euro per uur. Vanaf 30 dagen werk komt daar een getrouwheidspremie van 0,50 euro per dag bij en vanaf 50 gewerkte dagen een eindejaars- en koopkrachtpremie van 240,71 euro.
“In 2023 slaagden we erin om de lonen te verhogen boven de 13 euro, want daarvoor schommelde de verloning rond het gewaarborgd minimuminkomen”, zegt Filip Feusels, co-voorzitter van de socialistische vakbond ABVV-Horval.
“Het blijft uiteraard wel een laag loon voor heel zwaar werk. Of men dat in vergelijking met de lonen in herkomstlanden ook laag vindt, is een andere vraag. We zien dat mensen vaak terugkeren naar dezelfde werkgevers, dat zijn allicht mensen die tevreden zijn over hun loon- en arbeidsvoorwaarden. Als vakbond laten we het thema ‘verloning’ in elk geval niet los, zeker niet op het sociaal overleg.”
Geen flexi-job
De federale regering zette dit voorjaar dan wel de deur open voor flexi-jobs in de land- en tuinbouw, maar die komen er voorlopig nog niet. Voor Boerenbond konden flexibele systemen naast elkaar bestaan, maar in het paritair comité werd duidelijk dat er gekozen moest worden tussen seizoenarbeid en flexi-jobs.
“In dat geval kiezen wij voluit voor seizoenarbeid omdat dit de meest stabiele, kostenefficiënte en sectorgebonden oplossing is om pieken in de werkdruk op land- en tuinbouwbedrijven op te vangen”, zegt De Prins.
“Seizoensarbeid is een atypische vorm van tewerkstelling eigen aan de groene sectoren, net als flexi-jobs voor de horeca”, zegt Feusels van ABVV-Horval. “Wij blijven wel de impact op de vaste tewerkstelling bekijken en zetten in op preventie en veiligheid”, zegt hij.
“Daarbij ondersteunen we werkgevers met vorming en opleiding, want finaal komt dat de werknemer ten goede. Wat de vergoeding betreft, zetten we ook in op de voordelen die vaste werknemers krijgen, zoals maaltijdcheques.”
Feusels benadrukt dat er grote stappen gezet zijn in de sector. “In 2017 tekenden we een plan voor eerlijke concurrentie in de groene sectoren (PEC)”, zegt hij. Feusels wijst daarbij ook op het belang van ‘sociale conditionaliteit’. “Werkgevers die subsidies willen krijgen, moeten voldoen aan de arbeidswetgeving om in aanmerking te komen. Maar ik zie weinig inspanningen bij de Belgische regering voor het uitvoeren van controles.”
Betere huisvesting dankzij ‘Katarakt’
In het verleden leidden schrijnende verhalen over uitbuiting en huisvesting tot een belangrijke decreetswijziging. Het ‘Kataraktdecreet’ uit 2008, dat verwijst naar de gelijknamige succesvolle televisiereeks over uitbuiting van seizoensarbeiders in de fruitteelt, legde huisvestingsnormen op. Wie seizoensarbeiders te slapen legt, moet minstens 8 vierkante meter per persoon voorzien.
Die kwaliteitsvolle ruimtes kosten telers geld en vaak wordt een bijdrage in de energie- of verblijfskosten doorgerekend. Een studie uit 2019 van de Vlaamse overheid kwam uit op ‘huurprijzen’ van 100 tot 150 euro per maand per bed.
In de sector is te horen dat een bijdrage van 7 euro per gewerkte dag niet uitzonderlijk is. Een werkgever mag wettelijk maximaal een vijfde van het loon als bijdrage voor huisvesting voorzien.
Inspectiediensten verdubbelen controles
Sociale dumping is een reëel probleem in de sector. Er is doorheen de jaren dan wel veel wetgeving gestemd tegen sociale dumping, maar de handhaving schoot tekort. De coördinatie hiervan gebeurt door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) van de federale overheid.
In het Actieplan sociale fraudebestrijding 2026-2027 zijn dit jaar honderdvijftig gemeenschappelijke controles voorzien en dat loopt op tot tweehonderd in 2027. Dat is een verdubbeling van het aantal controles in vergelijking met de jaren voordien.
In hoofdzaak voeren sociale inspectiediensten de onderzoeken, maar bij specifieke acties worden ook de fiscale-, economische- en gezondheidsinspectiediensten of de RVA, Dienst Vreemdelingenzaken en politiediensten betrokken.
“De focus ligt hierbij niet op de bonafide ondernemer, maar op de harde aanpak van sociale dumping, georganiseerde fraude en malafide constructies”, klinkt het in het actieplan. “Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de problematiek van mogelijke illegale tewerkstelling van seizoenarbeiders uit derde landen (landen die geen lid zijn van de Europese Unie, red.) zonder geldige verblijfsvergunning.”
Uit cijfers van het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie (Wewis) van de Vlaamse overheid blijkt dat er dit jaar al 5.829 werkvergunningen zijn afgeleverd voor seizoensarbeiders van buiten de EU.
Ongeveer negen op de tien seizoensarbeiders is afkomstig uit Oekraïne. Oekraïners kunnen in Polen makkelijk een visum krijgen en gebruiken dan het recht op detachering om elders in Europa te werken, verklaarde het federaal migratiecentrum Myria eerder.
Precaire omstandigheden
Er zijn vorig jaar maar liefst 458 controles gerealiseerd in de land- en tuinbouwsector, een veelvoud van de vooropgestelde 100, zo blijkt uit het jaarverslag van SIOD.
De sociale inspectiediensten werken ‘risicogestuurd’, verklaart Hilaire Willems (SIOD). “Ze stemmen hun operationele inzet gedurende het jaar voortdurend af op onder meer risicoanalyses, meldingen, gezamenlijke controleacties en operationele opportuniteiten. Hierdoor kan het uiteindelijke aantal uitgevoerde controles hoger uitvallen dan de vooropgestelde minimumdoelstelling.”
In het arrondissement Antwerpen-Mechelen-Turnhout lopen momenteel verschillende gerechtelijke onderzoeken naar sociaalrechtelijke inbreuken in de tuinbouwsector.
“Deze hebben onder meer betrekking op mensenhandel met het oog op economische uitbuiting, Dimona-inbreuken, de tewerkstelling van personen zonder verblijfsvergunning, looninbreuken en RSZ-inbreuken”, verduidelijkt substituut-auditeur Danaïs Fol.
In een recent jaarverslag over mensenhandel en -smokkel stelt Myria dat de dossiers die het gerecht behandelt in de land- en tuinbouwsector draaien rond seizoenarbeiders en flexibele werkkrachten die in precaire omstandigheden gehuisvest zijn. In 2024 nog werd een fruitboer uit Leuven tot een jaar cel veroordeeld voor het mensonwaardig huisvesten en onderbetalen van Roemeense plukkers.
Onzichtbaar werk
Ondanks de inspanningen van het beleid en de sector, blijft het risico op uitbuiting in de tuinbouwsector groot. Daarvan getuigen de resultaten uit controles en de voorgenomen verdubbeling van de sociale inspecties tegen volgend jaar.
Op de akkers in Meer gaat het werk onverminderd door. De zon zakt er tussen de windmolens en varkensbedrijven, akkers met vooral maïs en aardappelen, en daartussen gigantische serrecomplexen. Met het geraas van de E19 in de achtergrond bolt een minibusje van ESG vol plukarbeiders over een verbrede landbouwweg.
Morgen wacht een nieuwe dag in de totaal geïndustrialiseerde landbouwregio, waar de aardbeiteelt draait op het onzichtbare werk van duizenden goedkope werkkrachten.
Bron: Apache.be