Waarom werken we nog eigenlijk?

Waarom werken we nog eigenlijk?

1 mei is een dag van trots, maar ook van vragen. “In een land vol burn-outs moeten we niet alleen werk vieren, maar ook een dag inlassen om er radicaal bij stil te staan,” vinden Nadia Kara en Martijn Strobbe van Co-Searching vzw, een community voor werkzoekenden.

Op 1 mei vieren we wereldwijd de Dag van de Arbeid. Een moment van trots op rechten waar generaties voor vochten zoals de 38-urenweek, betaald verlof en zwangerschapsverlof. Meer recent nog kwamen 100.000 mensen op straat tegen maatregelen die werk als een louter neoliberaal product beschouwen.

Maar in een land waar het aantal burn-outs stijgt (volgens het RIZIV kampte in 2025 één op de vier werknemers met burn-outklachten) moeten we verder durven kijken. Ook mensen jonger dan 34 jaar vallen steeds vaker uit. Ook zelfstandigen. Tijdsarmoede, het chronische gevoel te veel te doen te hebben met onvoldoende beschikbare tijd, is geen individueel falen: het is een collectief probleem. 

De filosofe Nancy Fraser noemt het een symptoom van een economie die enkel oog heeft voor winst, niet voor mensen. De Amerikaanse beweging The Nap Ministry gaat nog verder: rust is geen luxe, rust is verzet. Naast de Dag van de Arbeid hebben we een ‘Dag Zonder Arbeid’ nodig: een dag waarop we collectief stilstaan bij de plaats van werk in onze maatschappij en bij het belang van vrije tijd.

Werk is ons grootste statussymbool, maar ook een valkuil

Werk is in onze samenleving heel belangrijk. Het is een van de grootste statussymbolen. Zo vanzelfsprekend dat we zelden stoppen om ons af te vragen: is dit het meest zinvolle wat we met onze tijd kunnen doen?

Onze cultuur waardeert mensen die werken. En met ‘werken’ bedoelen we vooral betaald werk, liefst voltijds, liefst wat economische waarde creëert. Beroepen in zorg en onderwijs zijn daardoor systematisch ondergewaardeerd. En onbetaald werk zoals kinderzorg, mantelzorg of vrijwilligerswerk? Dat telt nauwelijks mee. Toch levert het een onmisbare waarde, menselijk én economisch. Wie bepaalt eigenlijk wat arbeid is? En waarom is dat historisch zo gegroeid dat zorg vooral als ‘vrouwenwerk’ wordt gezien, en dus minder waard?

Economische groei is een keuze, geen natuurwet

Hoe komt het dat economische groei onze belangrijkste indicator is geworden? Waarom is dat onze grootste prioriteit? Deze keuze (want het is een keuze, geen natuurwet) gebeurt ten koste van andere zaken: vrije tijd, gezondheid, relaties, geluk.

Als burgers zitten we vast in een systeem. We moeten geld verdienen, niet alleen voor vakantie of etentjes met vrienden, maar steeds meer voor onze basisbehoeften. We werken omdat het moet: om rond te komen, om het gevoel te hebben dat we bijdragen. Uit onzekerheid over de toekomst, om te sparen, onze CV te vullen. Zelden nog omdat het intrinsiek zin heeft.

Econoom John Maynard Keynes voorspelde in 1930 dat we door technologische vooruitgang in 2030 nog maar 15 uur per week zouden werken. Zijn redenering: als productiviteit stijgt, kunnen we dezelfde welvaart creëren met minder arbeid. Die voorspelling is niet uitgekomen: niet omdat de technologie er niet is, maar omdat we al die extra productiviteit telkens weer omzetten in méér productie en consumptie, in plaats van in meer vrije tijd. We moeten in onze werkuren presteren, hoe productief we ook zijn. 

Efficiënter werken betekent dus niet per se minder werken, maar eerder: meer werken in evenveel tijd. Onze levensstijl is zodanig geëvolueerd, dat we er ook meer voor moeten werken; maar als we minder zouden consumeren, zouden we minder uren kunnen kloppen. We kiezen dus collectief voor meer spullen, niet voor meer leven.

Gedwongen worden werkt averechts

Dat iedereen die kan bijdragen, dat moet kunnen, is terecht. Maar dat iedereen, altijd, volgens dezelfde maten en regels aan het werk wordt gedwongen, gecontroleerd, gestraft: dat kan toch niet de evolutie zijn van een democratische, moderne maatschappij? Voor wie werken we dan eigenlijk? Voor onszelf, voor de miljardairs, voor de regering?

“Ziek zijn gaf mij de ruimte om in te zien dat het tempo dat ik heel mijn leven probeerde te volgen, mij ongelukkig, moe en leeg maakte”, hoorden we nog onlangs bij iemand in herstel van burn-out. Terugkeren naar een voltijdse ‘gewone’ job is voor veel mensen geen optie meer. De huidige aanpak is niet duurzaam: de burn-outcijfers zijn het zichtbaarste symptoom.

Onze tijd is het kostbaarst, maar we verkopen ze

Onze tijd is het kostbaarste wat we hebben. En we worden gedwongen die te verkopen tegen een loon, niet altijd met veel zingeving. We verdienen geld alsof ons leven ervan afhangt, maar durven zelden te vragen of dat ook echt zo is.

Het kan ook anders. In IJsland liep tussen 2015 en 2019 een grootschalig experiment met een vierdaagse werkweek zonder loonverlies. De resultaten: productiviteit bleef gelijk of steeg, werknemers rapporteerden minder stress en een betere balans tussen werk en privé, en mannen namen meer deel aan het gezinsleven. Inmiddels werkt 90 procent van de IJslandse werknemers korter. De economische groei? Die steeg naar 5 procent in 2023, het op een na hoogste in Europa. Minder werken leidde daar niet tot armoede, maar tot meer geluk én een florerende economie.

Die vanzelfsprekendheid van geld verdienen houdt ons hier gevangen in schuldgevoelens bij ‘niets verdienen’, een obsessie met drukte en status. In de Belgische cultuur wordt een job te vaak gelijkgesteld aan menselijke waarde. Beleidsmakers zien werk vooral als motor van economische groei, vaak ten koste van ons welzijn.

Laten we collectief kritischer kijken naar hoe we onze levens invullen. En het systeem durven bevragen: wat als we allemaal wat minder zouden werken? Of dat ten minste faciliteren voor wie dat wil? Wat als we onze levens zouden vullen met zinvolle activiteiten, liefdevolle relaties, lange nachten slaap?

Een ‘Dag Zonder Arbeid’ is geen oproep tot luiheid. Het is een uitnodiging om werk weer te verbinden met zingeving en menselijk geluk. Niet langer gedwongen, maar vanuit vrijheid. Dat zou pas echte vooruitgang zijn.

Co-Searching vzw brengt werkzoekenden van allerlei leeftijden en achtergronden samen op weg naar een duurzame job. Elk jaar roepen ze 2 mei uit tot ‘Dag Zonder Arbeid’ – dit om bewustzijn te creëren rond werk en werkloosheid. Op 30 april organiseren ze een inspiratiedag, tickets zijn nog beschikbaar. 

Bron: DeWereldMorgen.be

Planbureau toont prijs pensioenhervorming: minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro

Planbureau toont prijs pensioenhervorming: minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro

Berekeningen van het Planbureau tonen voor het eerst hoeveel onze pensioenen zullen dalen wanneer alle aparte maatregelen samen doorgevoerd worden. Zo daalt het minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro.

Begin 2025 kondigde de regering-De Wever een grote pensioenaanpassing aan. Sindsdien komen minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) en zijn collega’s stapsgewijs naar buiten met allerlei losse ingrepen en plannen die daar allemaal deel van uitmaken.

Heel wat van die maatregelen zullen snijden in de koopkracht van gepensioneerden: een pensioenmalus voor wie ‘te vroeg’ stopt, een beperking van gelijkgestelde periodes zoals SWT, werkloosheid en landingsbanen, een lagere index in 2026 en 2028 voor pensioenen boven 2.000 euro bruto. En een welvaartsenveloppe die in de koelkast belandde.

Deze week werd ook duidelijk dat het geboorteverlof van vaders of meemoeders – het vroegere vaderschapsverlof – evenmin meetelt om vervroegd op pensioen te gaan. 

Daarnaast volgde nog een hele reeks meer technische ingrepen. Door die opeenstapeling van nieuwe regels was de concrete impact op het totaalplaatje moeilijk in te schatten. Wat het effect was op de armoederisico’s, daar bleef ook het raden naar. Tot het Federaal Planbureau onlangs die taak op zich nam.

Daaruit komt een duidelijk beeld: veel mensen zullen wat voorligt voelen in hun pensioen. Het gaat daarbij niet alleen over mensen die bijna met pensioen zijn. Ook wie vandaag nog midden in zijn loopbaan zit, of zelfs pas begonnen is, krijgt met andere spelregels te maken. Vooral wie geen ‘perfecte loopbaan’ heeft, komt sneller in de vuurlinie. Denk aan periodes van ziekte, werkloosheid, deeltijdwerk of zorgverlof. Daarover is het Planbureau duidelijk: wie pech heeft of zorgt, verliest bescherming en pensioen.

Binnenkort op pensioen? 2,4 procent minder

Tegen 2029 daalt het brutopensioen van wie binnenkort op pensioen gaat al gemiddeld met 2,4 procent. Bij alle gepensioneerden samen is dat 2,6 procent. “Dat klinkt misschien beperkt, maar het zijn gemiddelden over een grote groep”, waarschuwt Maarten Gerard, hoofd van de ACV-studiedienst. “Achter dat gemiddelde zitten heel wat mensen die een grotere klap krijgen, omdat meerdere ingrepen tegelijk op hen wegen.”

“Bovendien worden de gevolgen pas echt duidelijk wanneer de maatregelen volledig op kruissnelheid zijn”, vervolgt Gerard. Verschillende maatregelen worden immers stapsgewijs ingevoerd. “Zodra ze allemaal volledig doorwerken, leveren nieuwgepensioneerden met het laagste inkomen maar liefst gemiddeld 12,1 procent van hun brutobedrag in.”

De hervorming bespaart niet alleen, maar vergroot ook de risico’s, merkt het Planbureau verder op. Zo is er minder bescherming bij onderbrekingen in je loopbaan, zijn er strengere voorwaarden om vroeger te stoppen zonder verlies, en groeien pensioenen trager in de tijd.

Gerard trekt daaruit een scherpe conclusie: “De zogenoemde harmonisering tussen beroepsgroepen komt in de praktijk gewoon neer op knippen in pensioenrechten.”

Wie afwijkt van de loopbaannorm is gezien

De hervorming vertrekt duidelijk van een lange en voltijdse loopbaan als norm, liefst ook nog eens zo weinig mogelijk onderbroken. Wie daarvan afwijkt, verliest. Dat ziet het Planbureau ook terug in de ongelijkheid. Bij nieuwgepensioneerden stijgt de pensioenongelijkheid tegen 2029 met 9,1 procent. Het gaat dus niet alleen om een algemene pensioendaling, maar ook om een grotere kloof tussen lage en hogere pensioenen. 

Ook het armoederisico bij gepensioneerden zal door de plannen toenemen, besluit de nieuwe studie. Het Planbureau wijst daarbij hoofdzakelijk naar het stilleggen van de welvaartsaanpassingen, vooral van de minimumpensioenen. Nochtans moesten net die aanpassingen vermijden dat uitkeringen en pensioenen langzaam achteropraken op de rest van de samenleving.

Minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro

Uit cijfers van de Federale Pensioendienst blijkt dat in bijna 68 procent van de gevallen waarin de pensioenmalus zou gelden, het gaat om mensen die vandaag al amper recht hebben op een minimumpensioen. Voor hen kan die malus zwaar doorwegen: wie nu recht heeft op 1.722 euro bruto, kan door de malus terugvallen tot ongeveer 1.378 euro.

Nogmaals bevestigd door het Planbureau: de hervorming raakt vrouwen harder dan mannen. Bij nieuwgepensioneerden daalt het gemiddeld pensioen van vrouwen met 2,6 procent, tegenover 2,3 procent bij mannen. De pensioenkloof neemt dus opnieuw toe.

“Dat heeft veel te maken met de realiteit van de loopbanen van vrouwen”, verduidelijkt Marte Billen, genderexpert bij het ACV. “Vrouwen werken vaker deeltijds en hebben meer onderbrekingen voor zorg. Daardoor benadelen de nieuwe regels vooral vrouwen.” Ook de Raad van State waarschuwde in februari al voor juridisch drijfzand voor de hervorming door die ongelijke behandeling.

Het Planbureau merkt tot slot op dat veel maatregelen tegen 2029 nog niet op kruissnelheid zijn. De volledige impact zal pas daarna zichtbaar en vooral voelbaar worden, wanneer jongere generaties hun hele loopbaan met die strengere regels hebben doorlopen.

Bron: DeWereldMorgen.be

Waarom valt de N-VA de ziekenfondsen aan en waarom doet HLN hieraan mee?

Waarom valt de N-VA de ziekenfondsen aan en waarom doet HLN hieraan mee?

Wist je dat Het Laatste Nieuws een onderzoeksgroep heeft? Wie de onderzoeken van de krant op een rij zet, merkt dat het erg gefocust is op het negatief in beeld brengen van de ziekenfondsen. Dat past naadloos in de agenda van de N-VA, maar waarom eigenlijk?

Het Laatste Nieuws heeft misschien de reputatie vooral op zoek te gaan naar sensationele clickbait, maar de redactie heeft wel degelijk een onderzoeksgroep. Dat is een goede zaak, want Het Laatste Nieuws is de grootste krant van Vlaanderen en onderzoek doen is een belangrijk onderdeel van wat goede journalistiek inhoudt.

Ziekenfondsen onder vergrootglas

Wat echter opvalt, is dat de onderzoeken die de onderzoeksgroep voert een bijzondere focus hebben. Eerder deed Het Laatste Nieuws onderzoek naar de financiering en radicalisering van Code Rood, onderzoek dat nu gebruikt wordt om het meest kritische deel van het middenveld monddood te maken. De afgelopen maanden lag de focus sterk op de ziekenfondsen.

‘EXCLUSIEF. Zo rijk is jouw ziekenfonds: verborgen fortuin van 6,1 miljard euro in kaart gebracht’, zo kopte HLN op woensdag 10 december 2025. En diezelfde dag nog‘EXCLUSIEF. 0 euro belasting op 1,45 miljard winst: waarom minister Jambon nu overweegt om in te grijpen in gunstregime voor ziekenfondsen.’

‘EXCLUSIEF. Zijn ziekenfondsen nog nodig? “Ze kosten belastingbetaler te veel en werken niet efficiënt’, klonk het op donderdag 11 december 2025. En op zaterdag 4 februari‘EXCLUSIEF. Socialistisch ziekenfonds krijgt 50 keer meer subsidies voor jeugdkampen dan concurrentie: “niet fair”’.

En nu als laatste, op 13 april 2026, kopte de krant: ‘EXCLUSIEF. Dit rapport over langdurig zieken hield de overheid jarenlang verborgen: “Er zijn miljarden verspild”’. In de papieren versie van de krant zette de redactie boven hetzelfde artikel ook de kop: ‘Meer dan helft langdurig zieken kan wel werken’.

Aantoonbaar onwaar

Wie al die artikels naast elkaar legt, kan zich niet van de indruk ontdoen dat men bij Het Laatste Nieuws op zoek is gegaan naar schandalen bij de ziekenfondsen. Dat is natuurlijk niet verboden, maar het risico bestaat dat als je heel graag ergens een schandaal wil blootleggen, je die schandalen al wat sneller gaat zien, ook als ze er niet noodzakelijk zijn.

Wie de methodologie van de verschillende onderzoeken onder de loep neemt, merkt dan toch vaak dat de realiteit een stuk complexer is dan de titels doen vermoeden. Van het laatste artikel over de helft van de langdurig zieken deden we met DeWereldMorgen een factcheck. Wie de steekproef bekijkt waarop de conclusie is gebaseerd dat de helft van de langdurig zieken wel kan werken, ziet dat die vertekend is en dat de titel dus volledig onwaar is.

Het verspreiden van dit soort aantoonbare onwaarheden is niet alleen problematisch omdat het voorzien van betrouwbare informatie een kernopdracht is van de journalistiek. Het is extra problematisch wanneer je rekening houdt met de context waarin die onwaarheden verspreid worden.

Naast het bieden van betrouwbare informatie is een andere kernopdracht van de journalistiek namelijk het bevragen van de macht. In een context waarin de grootste partij van Vlaanderen, die ook de eerste minister levert, zeer duidelijk de aanval heeft ingezet op de ziekenfondsen, weet men bij Het Laatste Nieuws dat hun zeer onnauwkeurige onderzoeken gebruikt zullen worden voor de politieke agenda van de machthebbers. In plaats van de macht te bevragen, stelt HLN zich hier dus eerder dienstbaar op tegenover de macht.

Vakbonden afschaffen?

“Degene die de controle doen, de ziekenfondsen, dat zijn de profiteurs en de saboteurs”, zo vertelt Axel Ronse (N-VA) bij de VRT. Hij verwijst daarbij voorspelbaar naar de aantoonbaar onware conclusies van het onderzoek van HLN. Ook de bewering dat het de ziekenfondsen zijn die langdurig zieken controleren, is overigens op zijn minst onnauwkeurig te noemen. Die controle gebeurt door verschillende artsen die een eed hebben gezworen en die niet heel blij zijn dat ze nu worden weggezet als saboteurs.

Eerder had N-VA-voorzitter Valerie Van Peel het idee om de uitbetaling van uitkeringen weg te halen bij de ziekenfondsen. Dat is iets waar de N-VA al veel langer voor pleit. Zo willen ze ook de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen weghalen bij de vakbonden. Het doel daarvan is dubbel: enerzijds willen ze natuurlijk besparen in de sociale zekerheid, maar anderzijds willen ze ook de tegenmacht aanpakken.

Op Terzake spreekt Axel Ronse ietwat eufemistisch over ‘ontzuiling’, maar voor de camera van het extreemrechtse ’t Pallieterke is N-VA-parlementslid Eva Demesmaeker een stuk minder beschaamd om te zeggen waar het uiteindelijk om gaat. “Wat ons betreft kunnen we gewoon de vakbonden afschaffen”, zo zegt ze daar. Over de ziekenfondsen zegt N-VA in haar ledenblad precies hetzelfde. “Onze gezondheidszorg heeft geen ziekenfondsen nodig”, prijkte groot op de cover van hun magazine. 

Demesmaeker kan de vakbonden (of de ziekenfondsen) natuurlijk niet zomaar afschaffen. Ze heeft ze namelijk niet opgericht. Dat deden miljoenen werkende mensen gewoon zelf. Ook de sociale zekerheid is niet opgericht door de staat en al helemaal niet door de nationalisten, zoals Bart De Wever in zijn boek vertelt. De sociale zekerheid is opgericht door de werkende mensen zelf door zich te organiseren in vakbonden en ziekenfondsen. Het is ook om die reden dat het uitbetalen van uitkeringen tot de vele taken van vakbonden en ziekenfondsen behoren.

Er zijn natuurlijk wel historische voorbeelden van regimes die het recht op vereniging hebben ingeperkt of enkel staatsgeleide vakbonden of ziekenfondsen wilden toestaan, maar die regimes noemen we met recht en rede autoritair. Het zijn precies het soort regimes die ook de vrijheid van de pers aan banden leggen. Misschien zou men bij Het Laatste Nieuws dus beter eens nadenken alvorens mee te doen aan de aanvallen op de ziekenfondsen en de oorlog tegen het middenveld.

Bron: DeWereldMorgen.be

Wat is de staatsschuld, waar komt ze vandaan en wie profiteert ervan?

Wat is de staatsschuld, waar komt ze vandaan en wie profiteert ervan?

In dit uitgebreid dossier analyseren het federale regeerakkoord tot op het bot. In dit artikel gaan wie dieper in op de staatsschuld. Waar komt die vandaan? En als elke staat een staatsschuld heeft: aan wie moet deze dan eigenlijk worden afbetaald?

“Het enige deel van de zogenaamde nationale rijkdom dat werkelijk het gemeenschappelijk bezit is van de moderne volkeren”, schreef Marx al in Het Kapitaal, “is hun staatsschuld.”

Staatsschulden bestaan al sinds de Middeleeuwen. Koningen hadden de neiging om af en toe oorlog te voeren, wat toen al vrij prijzig was. Dus ging de vorst langs vermogende mensen en steden in zijn land. In ruil voor een bijdrage kreeg zo’n stad of persoon privileges en rechten, zoals een adellijke titel of stadsrechten. Toen stadhouder Willem III koning van Engeland werd en zijn oorlog tegen Frankrijk moest financieren, richtte hij een instituut op zodat de overheid centraal geld kon lenen: de centrale bank.

“Vanaf hun geboorte”, schrijft Marx, “waren de met nationale titels opgesmukte grote banken niets anders dan vennootschappen van particuliere speculanten, die aan de zijde van de regeringen stonden en die dankzij de verworven voorrechten in staat waren de regering geld voor te schieten.” Eigenlijk is het de eenvoudigste manier om, als je veel geld hebt, nog meer geld te krijgen. Je gaat naar de centrale bank, je leent je geld uit, je ontvangt elk jaar rente en een aantal jaar later krijg je het originele bedrag dat je hebt uitgeleend terug.

Liberale economen spreken graag over “de financiële markten”. Wie daar precies achter zitten, is door allerhande ingewikkelde constructies steeds moeilijker te achterhalen, maar achter die “financiële markten” schuilen steeds concrete mensen. Rijke mensen, die elk jaar rente ontvangen en dus nog rijker worden naarmate de bevolking zich dieper in de schulden steekt.

Waar komen de schulden vandaan?

Dat we in de schulden zitten, valt niet te ontkennen. Als we Bart De Wever mogen geloven, is dat de schuld van alles wat links is. De uitgaven van de sociale zekerheid en onze publieke diensten zouden uit de pan rijzen en dus moet er drastisch worden bespaard, maar is dat wel zo?

Een blik op de evolutie van de Belgische staatsschuld van de afgelopen jaren vertelt een heel ander verhaal.

De overheidsschuld, zo leren we uit de sociaal-economische barometer van het ABVV, bedraagt 105 procent van het bbp. Het grootste deel van die schuld dateert van veertig jaar geleden: tussen 1979 en 1983 is de schuldgraad gestegen van 66,6 procent naar 106,8 procent. België boekte toen hoge begrotingstekorten net op het moment dat de internationale rente historisch hoog stond.

Sindsdien is het Belgische begrotingstekort echter vooral gedaald. België boekte van 1985 tot 2009 onafgebroken primaire overschotten. Als die trend de afgelopen jaren wat gekeerd lijkt, heeft dat in de eerste plaats met twee belangrijke gebeurtenissen te maken. Ten eerste was er de financiële crisis van 2008, waarin de overheid miljarden euro’s uitgaf om de banken te redden. Ten tweede was er recenter de coronacrisis, waarin de overheid opnieuw serieus geld uitgaf om de economie overeind te houden.

Het lek in de sociale zekerheid

Als we De Wever mogen geloven, is de toestand van de sociale zekerheid onhoudbaar vanwege de stijgende uitgaven, onder meer door de kosten van de vergrijzing. Wat hij er echter nooit bij vertelt, is dat het vooral de inkomsten van die sociale zekerheid zijn die de afgelopen decennia zijn gedaald.

De belangrijkste bron van inkomsten voor de sociale zekerheid zijn de bijdragen van werknemers en werkgevers.

Een deel van je brutoloon – in de meeste gevallen 13,07 procent – gaat naar de sociale zekerheid. Die werknemersbijdragen zijn de afgelopen decennia relatief constant gebleven.

De werkgever legt hier bovenop de werkgeversbijdrage. Dat deel is echter systematisch gedaald in de afgelopen decennia. Waar eind jaren 90 de werkgeversbijdragen nog ongeveer 34 procent van de loonmassa bedroegen, ligt dat cijfer vandaag bijna 10 procent lager.

Dat is het gevolg van een reeks vrijstellingen én de zogenaamde tax-shift. In 2014 verlaagde toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) de patronale bijdragen op arbeid, waardoor de sociale zekerheid vandaag jaarlijks miljarden aan inkomsten verliest.

“Die belastingverlaging”, zo schrijft algemeen secretaris van ACV Puls Lieveke Norga daarover in De Standaard, “zou zichzelf terugverdienen door jobcreatie, klonk het toen. Intussen is gebleken dat zo’n cadeau doorgaans rechtstreeks naar de aandeelhouders gaat. Dat zijn miljarden minder om onze levensstandaard te beschermen tegen inkomensverlies bij ziekte, ontslag of ouderdom. Als het doel van de tax-shift was om onze sociale zekerheid veilig te stellen, dan kunnen we dat een dure mislukking noemen.”

De studiedienst van ACV berekende dat het overheidstekort voor 2024 vrijwel samenvalt met de inkomsten die de staatskas door de tax-shift misloopt, samen met de loonsubsidies die werkgevers kregen van diezelfde regering.

Lees hierover ook: De taxshift – een verborgen loondiefstal

Rijkdom activeren

Als De Wever vandaag paniek zaait over het begrotingstekort, dan is dat met andere woorden een tekort dat hij zélf heeft gecreëerd door belastingvoordelen aan bedrijven toe te kennen. En die truc wil hij in deze regering nog eens herhalen, want opnieuw is er een serieuze belastingverlaging voor bedrijven opgenomen in het regeerakkoord.

De Wever, zo vatte journalist Alain Mouton het eerder samen in Knack, voert dezelfde strategie als de Amerikaanse president Ronald Reagan in de jaren tachtig: starve the beast. De belastingen worden verlaagd, de inkomsten vallen daardoor tegen en dan moet er maar verder in de uitgaven worden gesnoeid.”

Door stelselmatig belastingverlagingen voor bedrijven door te voeren, wordt er kunstmatig schaarste gecreëerd. Er is nochtans geld genoeg in België. Wij zijn geen arm land. Aan de top van de samenleving stapelt de rijkdom zich op en jaarlijks worden er tientallen miljarden versluisd naar belastingparadijzen. Willen we uit de eindeloze cyclus van besparingen raken, dan komt het erop aan om die rijkdom te activeren.

Bron: DeWereldMorgen.be

De Buurtkar levert hulp aan huis: ‘Bemoei je meer met elkaar’

De Buurtkar levert hulp aan huis: ‘Bemoei je meer met elkaar’

De Buurtkar zoekt in Aarschot naar mensen die door de mazen van het hulpverleningsnet glippen. Outreacher Marika Ceulemans probeert beetje bij beetje hun vertrouwen te winnen en hulp te installeren. Het initiatief won onlangs een Gouden Duim, een prijs die de stille krachten in mentaal welzijn in Vlaams-Brabant in de bloemetjes zet.

De Buurtkar

Door de straten van de Vlaams-Brabantse stad Aarschot rijdt dagelijks een witte camionette: de Buurtkar. Achter het stuur zit Marika Ceulemans, outreacher van de Dienst Welzijn van de stad. “Ik zoek en bezoek mensen die de weg naar de hulpverlening niet vinden”, vertelt ze. “Soms staan ze weigerachtig tegen hulp vragen, omwille van slechte ervaringen in het verleden. We proberen hun vertrouwen te winnen zodat we informele en professionele netwerken rond hen kunnen installeren.”

Haar functie ontstond in de nasleep van de coronacrisis. Toen belde de Dienst Welzijn van Aarschot alle 65-plussers op om te polsen hoe ze zich voelden, of ze genoeg sociale contacten hadden en of ze hulp nodig hadden met zaken zoals boodschappen.

Daaruit bleek dat veel mensen problemen hadden, maar geen hulp. Een aantal diensten, zoals de Dienst Welzijn, het OCMW en het CAW sloegen de handen in elkaar, want dit was informatie die ze niet zomaar naast zich neer konden leggen. Zo groeide het idee van een outreachend project.

Vanwaar het idee van de camionette, en dus ook de naam Buurtkar?

Marika: “We wilden graag rondrijden met iets dat zichtbaar is in het straatbeeld, zodat we makkelijk aanspreekbaar zijn. Tegelijk is de naam Buurtkar niet stigmatiserend. Het is laagdrempeliger dan ‘het OCMW’. Maar de camionette heeft ook een praktische functie. Tweewekelijks bedeel ik pakketten van de voedselbank bij mensen die zelf niet tot daar geraken omwille van fysieke of mentale gezondheidsproblemen. Daarvoor hebben we zo’n grote bestelwagen nodig met koelcel.”

Hoe kom je mensen op het spoor die hulp nodig hebben?

“Vooral in het begin gingen we actief naar hen op zoek: we reden door de stad en keken goed rond. Zagen we bijvoorbeeld dat iemand duidelijk al lang zijn gras niet meer afgereden had of dat de rolluiken al lang gesloten waren, dan belden we aan. We polsten of alles oké was en vroegen of er iets was waar we mee konden helpen.”

“Ondertussen komen we meestal bij mensen terecht omdat andere diensten signaleren dat ze mogelijks hulp nodig hebben. Bijvoorbeeld als ze een persoon helemaal niet meer vastkrijgen en niet weten wat er aan de hand is. Met de wijkagenten hebben we ook een goede samenwerking. Zij kennen hun wijk en de bewoners goed en als ze zich zorgen maken, bellen ze ons. Doordat we zo veel signalen krijgen, hebben we vandaag niet veel ruimte meer om zelf op zoek te gaan.”

Ik neem aan dat je niet met de deur in huis valt met: ‘We denken dat je hulp nodig hebt’?

“Inderdaad. Ik stel me meestal voor als: ‘Ik ben Marika en werk als buurtwerker bij de stad. Ik ga bij mensen langs om te horen of alles oké is.’ De meeste mensen zijn niet geschoffeerd. Ze zijn oprecht blij met de vraag.”

“Het is heel intuïtief werken. Ik moet goed proberen aanvoelen wat ik kan zeggen en wat niet. Op het moment dat iemand de deur opendoet, krijg je daar al een idee over door de lichaamstaal van de persoon en de woonomgeving. En zeker als ik geen informatie kreeg vooraf, ben ik heel voorzichtig.”

“Dat is anders bij de mensen waar we een voedselpakket komen brengen. Voor hen is het natuurlijk geen verrassing dat ik voor de deur sta. En soms is er nog contact met andere hulpverlening. Zij hebben dan vooraf gevraagd of het oké is dat ik eens langskom om te bekijken welke extra hulp mogelijk is.”

Het gaat vaak om mensen die wantrouwig zijn tegenover hulpverlening?

“Ja, en net daarom start het meestal met een gewone babbel aan de voordeur. Je moet eerst kennis maken. En dan hoop je dat ze je op een bepaald moment zeggen: ‘Kom anders maar even binnen.’ Het eerste gesprek gaat over wat je opmerkt in de leefomgeving van de persoon. Je gebruikt daarbij al je zintuigen: wat hoor je? Wat zie je? Wat ruik je?”

“Zie ik foto’s, dan kan ik vragen: ‘Zijn dat je kleinkinderen?’ Of ik ruik bepaalde kruiden en pols wat iemand aan het koken is. Als je ziet dat iemand spulletjes verzamelt, kan je daar interesse in tonen. Daar draait het eigenlijk om: mensen zien, aandacht geven en interesse tonen in wie ze zijn. Zo win je stilaan vertrouwen.”

“Ik probeer met een open vizier te kijken. Je weet niet wat er allemaal voorafgegaan is aan je bezoek. Daar moet je respect voor hebben. Niet meteen wijzen naar problemen en met oplossingen komen aandraven, maar je bescheiden opstellen.”

Hoelang duurt die kennismakingsfase?

“Alles groeit heel organisch, op het tempo van de persoon. Vertrouwen winnen kost tijd. Bij mensen die wantrouwig zijn kan dat niet in één gesprek. Dan vraag ik of het oké is als ik nog eens terugkom. En hebben ze graag dat ik eerst bel of mag ik gewoon passeren? Het is een enorm voordeel dat ik geen afgebakende procedures moet volgen.”

“Helemaal in het begin kwam ik via een wijkagent terecht bij iemand die psychotische kenmerken vertoonde. De buren hadden al verschillende keren geklaagd dat ze ’s nachts aan het roepen was. Na twee bezoeken schakelde ik al de huisarts in. Dat bleek te snel. De huisarts had haar doorgestuurd voor allerlei onderzoeken en dat vond ze niet fijn. Het heeft lang geduurd voor ik weer binnen mocht.”

Niet iedereen vindt dus zelf dat ze hulp nodig hebben?

“Dat is erg wisselend. Er zijn mensen die aangeven dat ze graag zouden hebben dat hun leven er anders uitzag. Dan is hulp minder een taboe. Er is ruimte om het over de moeilijkheden te hebben en daarin stappen te ondernemen.”

“Maar best vaak ervaren mensen zelf niet dat ze met problemen zitten. Mensen met een psychose, vinden bijvoorbeeld zelf niet altijd dat de situatie problematisch is. Dan neem ik tijd om vertrouwen te winnen. Ik kan helpen met kleine praktische dingen zoals administratie, samen even bellen of een boodschap doen. Uiteindelijk kan je dan het gesprek openen over of het niet goed zou zijn als er wat ondersteuning komt zoals van gezinszorg of meer gespecialiseerde hulpverlening.”

Het is niet de bedoeling dat jij de mensen langdurig blijft helpen?

“Ik ben zelf niet de hulpverlener. Ik verbind mensen met andere hulpverlening. Maar tegelijk is het niet te vermijden dat ik regelmatig in de rol van hulpverlener beland terwijl ik aan de vertrouwensband werk.”

“Veel trajecten lopen heel vlot en duren niet lang. Mensen zijn al vooruitgeholpen met iets relatief eenvoudigs. Bijvoorbeeld iemand die een pakket van de voedselbank wil, maar die geen auto heeft en omwille van gezondheidsredenen geen lange busrit aankan. Dan regelen we dat wij het voortaan brengen. Of iemand heeft hulp nodig in het huishouden. Dat is één telefoontje naar gezinszorg, één gezamenlijk bezoek voor de kennismaking en klaar.”

“Maar bij mensen die het moeilijk hebben op meerdere domeinen tegelijk loopt het anders. Ik volg hen voor een langere periode op, want je kan niet alles in een keer aanpakken. Dat zou ook te bedreigend zijn. We bekijken dan rustig wat het eerste is waar je samen aan wil werken. Je moet ook altijd oog blijven hebben voor wat de mensen energie geeft.”

Hoe bedoel je?

“Ik probeer altijd te weten te komen wat er nog licht geeft in mensen hun leven, ondanks de miserie waarin ze zitten. Die energie heb je nodig om aan de andere domeinen te kunnen werken.”

“Neem een cliënte die slecht in haar vel zat door een traumatische ervaring. Ze werd opgevolgd door een psychiater maar ze zat thuis en was geïsoleerd. Ze kookte graag. We regelden dat ze op een lokale ambachtelijke markt kon staan met een eetstandje. Dat gaf haar opnieuw energie. En overal in haar huis hingen zelfgemaakte schilderijtjes. Dus polste ik of ze niet naar de academie wilde. Daar was ze achteraf super enthousiast over. Ze leerde er leuke nieuwe mensen kennen.”

Zie je veel eenzaamheid?

“Eenzaamheid is een rode draad bij de mensen waarmee ik werk. Bijna negen op de tien vernoemt het ook. Door de moeilijkheden die ze ondervinden op andere domeinen, raken ze vaak meer en meer geïsoleerd. Mobiliteit speelt daar een grote rol in. Ze hebben geen auto en zijn afhankelijk van het openbaar vervoer, dat hier niet zo goed georganiseerd is.”

“Met de mensen bij wie we pakketten van de voedsel- of dierenvoedselbank brengen, slaan we ook altijd een praatje. Het is niet zomaar een leveringsdienst. Tijdens die babbels horen we soms heftige verhalen. Het zijn mensen die veel meegemaakt hebben en blij zijn om eens te kunnen praten. Je merkt dat mensen daarnaar uitkijken. Onlangs vroeg een vrouw die niet langer recht had op een pakket of wij niet toch nog konden blijven langskomen.”

“Natuurlijk kan ik niet langdurig bij iedereen die eenzaam is wekelijks langsgaan. Ik wil mezelf overbodig maken. Ik breng hen dan bijvoorbeeld in contact met een dienstencentrum, waar je elke weekdag gewoon binnen en buiten kan lopen. In de hoop dat mensen zo opnieuw een netwerk opbouwen.”

Waarom lukt het de Buurtkar wel om contact te leggen en hulp in te schakelen bij mensen die hulpverleningsschuw zijn? Wat doe jij dat de reguliere hulpverlening niet doet?

“Bij andere hulpverlening is er meestal te weinig tijd om zo outreachend te werken. Ze zullen wel bellen of een e-mail sturen, maar als iemand een slechte ervaring had met hulpverlening in het verleden is er weinig kans dat ze zullen reageren.”

“Mensen onderschatten soms hoeveel drempels je tegenkomt op weg naar hulp. Het begint al met toegeven dat je ondersteuning nodig hebt. Vervolgens moet je zelf de telefoon nemen, een afspraak maken met een sociale dienst en naar daar gaan om een hulpvraag te bespreken. Dat is niet vanzelfsprekend, zeker als je niet goed in je vel zit. Ik probeer die drempels weg te nemen door tot bij hen thuis te gaan en aanklampend te werken.”

“Een voordeel is dat ik in de grijze zones kan opereren. Ik kan dingen doen waarvan je voelt dat ze belangrijk zijn voor de mensen, maar waarvan andere organisaties allemaal zeggen dat het niet in hun takenpakket valt of dat ze er te weinig tijd voor hebben. Kleine dingen, zoals helpen met een boodschap, maar ook grotere dingen, zoals een verhuis regelen terwijl iemand in het ziekenhuis ligt.”

“Bij de hulpverlening loopt het vaak vast op dat iemand niet in een hokje past. ‘Deze persoon is niet voor ons.’ Soms lijkt het alsof er meer wordt gekeken naar waarom iemand niet binnen de doelgroep past, dan waarom wel. Maar organisaties kunnen ook samenwerken rond één persoon. Je hoeft het niet alleen te doen. Gelukkig is dat besef in Aarschot de laatste jaren beginnen groeien.”

Gebeurt het soms dat de mensen geen enkele hulp toelaten en je hen moet loslaten?

“Gelukkig niet zo vaak. Ik probeer altijd te werken aan verbinding tot ik het gevoel heb dat ik wat directer uit de hoek mag komen. Dan benoem ik dat ik me serieus zorgen begin te maken. Als mensen blijven aangeven dat ze het anders zien, dat zij vinden dat ze wel zo kunnen leven, moet je hun keuze respecteren. Dan komt er een moment waarop je het moet loslaten. Zolang de situatie geen bedreiging vormt voor hun gezondheid of iemands veiligheid, kunnen we geen hulp afdwingen.”

“Enkele jaren geleden werd een oudere man gesignaleerd door de wijkagent. De politie was al regelmatig opgeroepen omdat hij op weg naar de winkel neerviel, maar niet meer rechtop geraakte. Hij was erg onverzorgd, dementerend en er was geen familie. Toen ik langsging, deed hij de deur nooit open. Dus zijn we elke week soep aan de deur gaan zetten. De derde keer deed hij open. We babbelden kort en spraken af dat we voortaan dagelijks soep zouden brengen.”

“Na enkele babbels op de stoep liet hij me binnen. Zoals gevreesd, was het daar een ravage. Ik heb het Zorgloket ingeschakeld en zij kwamen mee op bezoek. Maar verder dan dat we af en toe eens mee binnen mochten, zijn we niet geraakt. Hij wilde geen hulp. Op een dag, net toen ik in verlof was, is hij dood aangetroffen in zijn huis. Dat is pijnlijk. Dat zijn verhalen die aan je blijven plakken.”

Bij de uitreiking van de Gouden Duim riep je mensen op om zich te bemoeien met elkaars leven.

“Vlamingen denken vaak ‘Ieder huisje heeft zijn kruisje’. Iedereen mag toch op zijn manier leven, we moeten ons niet te veel moeien. Mensen veronderstellen dat iemand zelf wel hulp zal vragen als die dat nodig heeft. Ik zie elke dag in mijn job dat dat niet waar is. Mensen hebben er niet de moed of de energie voor, voelen zich onzeker of trots. Als we vasthouden aan de overtuiging dat iedereen wel naar ons zal komen met een hulpvraag, mogen we nog lang wachten. Dan blijft er een groep mensen zijn die we nooit zullen bereiken.”

“Ook van andere sociale professionals hoor ik wel eens: ‘Hebben deze mensen wel een hulpvraag?’ Nee. Ze stellen die niet nadrukkelijk. Maar kom bij de mensen binnen en dan zie je dat alles om hulp schreeuwt. Zelfs als ik zou vragen of ik ergens mee kan helpen, klinkt het: ‘Nee hoor, ik red me wel’. Dan kan je beslissen om je om te draaien en weg te gaan. Je hebt het tenslotte gevraagd. Maar daar ben ik het niet mee eens. We moeten voorbij de hulpvraag durven kijken.”

Hoor ik er meer dan naar burgers ook een oproep in naar de hulpverlening?

“Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van de hele samenleving. Als je ziet dat een buurvrouw er wat minder verzorgd uitziet en misschien wat verwarder overkomt dan vroeger, doe dan iets. Zeker als je niet weet of de persoon omringd is door familie of een netwerk. Je mag echt wel zeggen dat je je zorgen maakt. Kijk rond, zie elkaar en laat weten dat je wil helpen.”

Bron: Sociaal.net