De echte reden waarom begrotingsonderhandelingen vastlopen

In de praatprogramma’s wordt er volop gespeculeerd over de onderhandelingsstrategie van de eerste minister, het karakter van verschillende politici en de betekenis van de uitdrukking ‘parfum de crise’. Maar wie verder kijkt dan het mediaspektakel ziet vooral hoe een belangenconflict tussen werkende mensen en het grote geld tot uiting komt.

“Wij gaan naar onze reporter aan de Wetstraat. Is er al nieuws daar?”
“Neen, de onderhandelingen zijn nog aan de gang. Voorlopig valt er niets nieuws te melden.”

Zo gaat het al een tijdje dag in dag uit in de journaals. In de kranten wordt er ondertussen gespeculeerd over de onderhandelingsstrategie van Bart De Wever of het moeilijke karakter van Georges-Louis Bouchez. 

Het gaat eigenlijk al jaren zo. Politieke verslaggeving lijkt vaak erg op hoe Felix Heremans in De slimste mens verslag uitbracht van Thuis: er is overal drama, maar eigenlijk is er niets gebeurd. 

In de meer serieuze praatprogramma’s waarin duiding zou moeten worden gegeven, zijn de formats uit de sport dan weer dominanter. Welke partij haalt welke trofeeën binnen? Wie komt er als winnaar uit de onderhandelingen? Hangt de regering wel goed aan elkaar als team? Op sociale media worden er ondertussen explainervideos in elkaar gestoken om de oorsprong van de uitdrukking parfum de crise te duiden.

Een mens zou bijna vergeten dat in de politiek normaal gezien een heel andere logica speelt dan in een soap of in een sportwedstrijd. Het gaat er niet om wie ruzie heeft met wie. Het gaat er ook niet om wie wint of verliest. Het gaat erom dat we op een democratische wijze van mening kunnen verschillen over hoe we onze samenleving inrichten en welk beleid het algemeen belang het beste dient.

Starve the beast

Wie voorbij het opgeklopte mediaspektakel kijkt, ziet nochtans dat ook de begrotingsonderhandelingen die momenteel plaatsvinden in essentie daarover gaan.

Als eerste minister wil Bart De Wever die fundamentele discussie over hoe de samenleving eruit zou moeten zien het liefst sluiten nog voor die begonnen is. “There is no alternative”, zo herhaalde hij letterlijk de woorden van Margaret Thatcher. We staan aan de rand van de afgrond, we moeten besparen en er zijn geen vijf manieren om dat te doen. Dat herhaalt de premier tegen iedereen die het wil horen.

Wat De Wever niet zint, is dat zijn verhaal steeds meer op tegenspraak stuit. Zo berekende denktank Minerva dat maar liefst 85 procent van de verslechtering van het begrotingssaldo het gevolg is van de dalende inkomsten in de sociale zekerheid.

De denktank maakt duidelijk dat de regering de strategie van Starve the beast toepast: eerst belastingen voor bedrijven verlagen en, als de inkomsten dan voorspelbaar tegenvallen, doen alsof er geen andere keuze mogelijk is dan te besparen in de sociale zekerheid.

“Het is een oude politieke truc om vrees aan te jagen, om dan te beloven redder van het vaderland te worden”, weet ook professor economie en voormalig parlementslid van Open VLD Paul De Grauwe. In plaats van de huidige besparingspolitiek pleit hij voor een beleid dat de economische groei stimuleert met publieke investeringen.

Hij stelt voor om de hoogste inkomens meer te belasten. “De top 1 procent betaalt minder dan 25 procent belastingen op reeds superhoge inkomens, dat is de helft van wat de modale Belg betaalt”, zo rekent De Grauwe ons voor.

Belangenconflict

Dat veel mensen niet meegaan in het doemverhaal van De Wever werd ook duidelijk op dinsdag 14 oktober, toen meer dan 100.000 mensen de straat op gingen. De vakbonden kondigden ook al een nationale staking aan op 26 november.

Het is niet toevallig dat Vooruit nu opnieuw een miljonairstaks op tafel legt. De Wever mag zo vaak herhalen als hij wil dat staken geen enkel nut heeft, het is duidelijk dat de druk van de vakbonden weegt op Vooruit en CD&V en zo op de begrotingsonderhandelingen.

Tegenover de druk van onderuit is er echter ook de druk van bovenaf. Als onze kredietscore verlaagd zou worden, dan zullen banken hogere rentelasten aanrekenen op de Belgische staatsschuld. Laat dat nu net het grootste drukkingsmiddel van vooral de N-VA zijn aan de onderhandelingstafel.

Wat zich aan de onderhandelingstafel afspeelt, is met andere woorden een klassiek belangenconflict. Aan de ene kant staan de banken en het grote geld met de kredietbeoordelaars als spreekbuis. Aan de andere kant staan de werkende mensen en gewone burgers met de vakbonden en middenveldorganisaties als spreekbuis.

Het karakter van Bouchez zal best lastig zijn en er valt ongetwijfeld van alles te zeggen over de onderhandelingstechniek van De Wever, maar fundamenteel is het dit belangenconflict dat ervoor zorgt dat de onderhandelingen momenteel vastlopen. De regering heeft duidelijk de kant van het grote geld gekozen, maar voelt de druk van onderuit toenemen.

Alternatieven voor het huidige besparingsbeleid zijn er zeker, maar het zal mee van het succes van de staking eind november afhangen of ze een kans maken om ook beleid te worden.

Bron: dewereldmorgen.be

Agressie tegen hulpverleners: ‘Het went razendsnel’

Voor OCMW-medewerkers, ambulanciers en spoedverpleegkundigen is agressie bijna dagelijkse kost. Wie de job volhoudt, kweekt onvermijdelijk een olifantshuid. Vier ervaren zorg- en hulpverleners getuigen. “Van je eerste schreeuwende cliënt schrik je. Maar het went razendsnel. Op de duur haal je je schouders op.”

Frontlijn

Tot 2024 werkte Deborah Bureau als onthaalmedewerker in een West-Vlaams OCMW. Zeven jaar lang stond ze op de eerste lijn. Een frontlijn, zo blijkt. “Ik kan het aantal incidenten niet meer op twee handen tellen. Sommige gebeurtenissen kruipen onder je vel. Toen een cliënt een groot keukenmes op mijn onthaaldesk legde, beefde ik van schrik. ‘Het is niet voor jou, maar voor je collega’, verduidelijkte hij. Waarop hij haar naam noemde. Echt hallucinant.”

“Een vergelijkbare paniek voelde ik toen iemand ons OCMW binnenwandelde met jerrycan in de hand. Hij overgoot het meubilair met de inhoud. We waren allemaal in shock. Wat zit er in die jerrycan? Gaat hij de boel echt in brand steken? Uiteindelijk bleek het frituurolie te zijn. De man had ernstige psychische problemen. Hij had eerder al gedreigd om een school in brand te steken.”

“Gelukkig zijn dit uitzonderlijke cases”, nuanceert ze. “Anderzijds komen incidenten met materiële schade vaak voor. Er vliegt hier af en toe een baksteen door het raam.”

Spuwen

Deborah vertelt verder: “Mensen zijn niet per se kwaad op jou maar op ‘het systeem’.  Ze raken gefrustreerd over de wachttijden, over het feit dat hun dossier werd afgekeurd of omdat anderen, vaak nieuwkomers, volgens hen veel sneller geholpen worden. Dat laatste klopt niet, maar die indruk leeft wel.”

Ook maatschappelijk werker Jana Brusselmans komt de laatste jaren steeds vaker in contact met agressieve cliënten. Ze volgt de leefloondossiers op in hetzelfde OCMW. “Van je eerste schreeuwende cliënt schrik je. Maar het went razendsnel”, vertelt ze. “Op de duur haal je je schouders op.”

Jana wordt vaker persoonlijk aangevallen dan haar collega’s aan het onthaal. Ze verwijst naar een man die haar in het gezicht spuwde, nota bene toen ze zwanger was. “Mensen vereenzelvigen de dossierbeheerders met het systeem waarop ze kwaad zijn. Nochtans beslissen wij niet over hun dossier, dat doet het bijzonder comité voor de sociale dienst. Maar we zijn wel het belangrijkste aanspreekpunt.”

“Persoonlijke dreigementen gaan soms heel ver”, zegt Jana. “Collega’s vertellen me dat sommige cliënten hun gezin bedreigen. Ze zien een foto van je kinderen op je bureau en verwijzen daarnaar. Onlangs ontving een collega een mail waarin een cliënt haar thuisadres noemde en vroeg of zij en de kinderen goed waren thuisgeraakt. Heel akelig.”

Straffeloosheid

Ook in de gezondheidszorg botsen eerstelijnshulpverleners steeds vaker op agressie. Kris De Rocker was tien jaar ambulancier in de Vlaamse Ardennen. In 2025 koos hij voor een andere job. “Het laatste jaar telden we minstens één incident per week. Toen ik startte als ambulancier was dat ongeveer een per maand. Een kwart van de collega’s waarmee ik samenwerkte, stopte als ambulancier omwille van agressie.”

“Na een incident is het vaak woord tegen woord. Hoe bewijs je dat iemand je uitschold of belaagde? Ook na fysiek geweld dienen we zelden klacht in bij de politie. Er gebeurt toch niets mee. Medische verslagen die letsels bij collega’s vaststellen, volstaan niet. Men klasseert onze klachten verticaal, bij gebrek aan harde bewijzen. Jammer, want die straffeloosheid maakt het probleem erger.”

Kris: “Bij incidenten of risicovolle situaties kan je bijstand vragen van de politie. Maar in landelijke gebieden zoals de Vlaamse Ardennen duurt het vaak lang voor die ter plaatse is.” Daarom pleit hij voor hulpmiddelen zoals bodycams en een vaste camera in de ziekenwagen. “Beelden geven politie en parket iets concreets. Het kan straffeloosheid tegengaan.”

Daarnaast pleit hij voor meer opleiding. “We komen vaak in situaties met huislijk geweld en personen onder invloed. Als een vrouw de hulpdiensten belt omdat haar man haar in elkaar sloeg, kom je op gevaarlijk terrein. Vaak staat de geweldpleger klaar om ook ons een pak rammel te geven. Hoe ga je daarmee om? Als ambulancier krijg je een of twee uurtjes opleiding per jaar rond dit thema. Dat is veel te weinig.”

Overbelast

“Ook op de spoeddiensten neemt het probleem toe”, vertelt hoofdverpleegkundige Geert Berden. In het verleden werkte hij ook als ambulancier. “Messen, vuurwapens, buitensporige verbale agressie: ik heb mijn deel gehad.”

Al bijna 30 jaar ijvert hij voor een betere aanpak van agressie. Zo was hij initiatiefnemer van de werkgroep Agressie in de Zorg en opleider rond onder andere veiligheid en agressiebeheersing. Hij ziet een duidelijke link met ons overbelaste zorgsysteem. “Mensen worden minder snel geholpen dan vroeger. Dat leidt tot frustratie, radeloosheid en gevoelens van onmacht.”

Bij frustratie-agressie is communicatie met de patiënt cruciaal, aldus Geert. “Leg mensen uit waarom ze niet onmiddellijk geholpen kunnen worden. Bijvoorbeeld via duidelijke infoschermen in de wachtzaal. Geef tussentijdse updates, communiceer open over eventuele vertragingen en probeer risicovolle situaties tijdig te herkennen. Iemand die zwaar onder invloed is, kan onvoorspelbaar uit de hoek komen. Ook een overvolle wachtzaal houdt risico’s in.”

Frustratie

Deborah en Jana merken ook op dat minder toegankelijke dienstverlening tot problemen leidde. Jana: “Voor 2020 kon je ons OCMW bezoeken zonder afspraak. Het gaf een gevoel van bereikbaarheid. Sinds de pandemie werken we verplicht op afspraak, ook om kleine zaken te regelen. Soms duurt het weken voor cliënten hun dossierbeheerder vastkrijgen. Dat zorgt voor frustratie.”

Deborah: “Op afspraak werken betekent dat cliënten zich eerst via het onthaal moesten aanmelden, waarna ze doorverwezen worden naar hun dossierbeheerder. Dat leek veiliger, maar leidde tot meer boze cliënten en meer druk op het onthaal. Persoonlijk vind ik dat een OCMW zo laagdrempelig mogelijk moet zijn. Je werkt met kwetsbare mensen. Al begrijp ik even goed dat andere collega’s een systeem met afspraken beter vinden, bijvoorbeeld om veiligheidsredenen.”

“Agressie is niet altijd vermijdbaar”, aldus spoedverpleegkundige Geert. “Probeer in gesprek te gaan als iemand zijn geduld verliest, erken de bron van zijn of haar frustratie, maar begrens ook. Zorg bieden aan iemand die niet kalm is, is bijna onmogelijk. We koppelen geen voorwaarden aan dringende zorg, maar het moet werkbaar blijven.”

Geert pleit voor meer opleiding, technologische hulpmiddelen en een laagdrempelig meldpunt voor incidenten. Hij ijvert ook voor een agressiecommissie die het probleem sector-overstijgend aanpakt. “Geef zorgverleners de boodschap dat agressie nooit oké is. Als je incidenten en de impact ervan op zorgverleners minimaliseert, jaag je getalenteerde hulpverleners weg. En we hebben nu al mensen te kort.”

Gewenning en verloop

“Onze dossiers worden zwaarder en complexer”, haalt Jana aan. “Veel mensen hebben nood aan psychologische zorg, maar moeten er maanden op wachten. Dat geldt ook voor vluchtelingen. Je voelt hoe getraumatiseerd sommigen zijn.”

“Werkdruk en agressie zorgen voor een hoog personeelsverloop”, vervolgt ze. “Te veel jonge starters geven er al na enkele maanden de brui aan. Ze onderschatten de emotionele impact van dit werk. Bij mensen die volhouden, treedt er onvermijdelijk gewenning op. Na verloop van tijd zien ze agressie als deel van de job.”

Het OCMW van Jana en Deborah investeerde de laatste jaren sterk in preventie en bescherming van personeelsleden. “We melden incidenten via een nieuw rapportagesysteem”, legt Jana uit. “Daarnaast scoren we elk incident volgens type en ernst. Die dataverzameling vormde de basis voor andere initiatieven zoals noodknoppen en psychologische ondersteuning na incidenten.”

Deborah: “Er is zelfs een ‘hufterloket’. Geen officiële benaming, maar ik noem het wel zo. Het focust op cliënten die zich in het verleden extreem agressief of onbehoorlijk gedroegen. Voor die groep kan het OCMW een plaats- of toegangsverbod opleggen. Helaas blijkt zo’n verbod weinig invloed te hebben: mensen blijven komen en blijven zich agressief gedragen.”

“Dat loket speelt daarop in. Het biedt een veilige, afgesloten ruimte waar medewerkers in contact kunnen blijven met deze cliënten. Zo garanderen we het recht op maatschappelijke steun zonder de veiligheid van het personeel in gevaar te brengen.”

Lik-op-stukbeleid

Deborah en Jana zien een verruwing en verrechtsing van de samenleving. Jana: “Een deel van onze cliënten wil onmiddellijk geholpen worden. Ze beschouwen hun dossier als het allerbelangrijkste. In hun ogen is een OCMW-medewerker een dienstverlener, geen begeleider binnen een systeem van rechten en plichten. Voeg het hardnekkige idee dat nieuwkomers sneller hulp krijgen daaraan toe, en je krijgt een explosieve situatie.”

“Huftergedrag is een groeiend probleem”, bevestigt Geert. “Patiënten die je persoonlijk bedreigen om sneller aan de beurt te komen, moet je begrenzen. Zeg dat je op die manier niet in gesprek kan blijven en al zeker geen zorg kan bieden. Als dat geen oplossing biedt, pleit ik voor een lik-op-stukbeleid. Dan weiger je voor onbepaalde duur hulp. Uiteraard geldt dit alleen voor niet dringende zorg.”

Tsunami

Wat als je wil, maar geen hulp kan bieden? OCMW ’s verzuipen in het werk. “We voelen ons gesteund door het management, maar zijn al jaren onderbemand”, vertellen Jana en Deborah. Beterschap is volgens hen nog niet voor morgen. Jana: “In januari verwachten we minstens 300 nieuwe leefloondossiers. De federale regering beperkte de werkloosheid in de tijd. In onze stad zullen ongeveer 1000 mensen hun uitkering verliezen. Een aanzienlijk deel daarvan stroomt door naar het OCMW.”

Uit een enquête van ACOD LRB – Vlaams ABVV blijkt dat de helft van alle OCMW-medewerkers minstens maandelijks agressie meemaakt. Volgens dezelfde enquête verwacht 88% van de medewerkers een geweldstoename als gevolg van de afschaffing van de werkloosheid in de tijd.

Jana en Deborah zien een kloof tussen wat politici beslissen en wat sociale diensten dagelijks doen op het terrein. Jana: “Ook voor men besliste om de werkloosheid in de tijd te beperken, kampten we met administratieve overlast en personeelstekort. Dat toont elke nieuwe werklastmeting duidelijk aan. Ik zie niet hoe we de verwachte tsunami aan nieuwe leefloondossiers kunnen opvangen. Ik zie al helemaal niet hoe beleidsmakers onze job veiliger en aantrekkelijker willen maken.”

Bron: sociaal.net

Basisschool Balder: ‘Brugfiguur maakt wereld van verschil’

Iedereen kent sinds kort de Brusselse Basisschool Balder. Tv-kijkend Vlaanderen zag in een docureeks hoe de school worstelt. Wat je niet zag, was hoe een brugfiguur mee probeert te bouwen aan structurele netwerken die de school, de gezinnen en de buurt sterker maken. Onderzoekers van Hogeschool Odisee en de directeur van Balder vertellen hoe belangrijk die brugfiguur is voor de school.

Realistisch beeld

De documentairereeks over basisschool Balder vertelt de verhalen van kinderen, hun ouders en een schoolteam in Sint-Gillis. De reeks geeft een realistisch beeld van het leven in een arme wijk in Brussel  waar nieuwkomers aankomen en op zoek gaan naar een toekomst voor zichzelf en hun gezin. We zien hoe publieke ruimte tekortschiet, hoe kinderen opgroeien in wijken met weinig groen maar wel met doorgaand verkeer, drugshandel en geweld.

Veel van de kinderen die bij Balder schoollopen, groeien op in zeer kwetsbare omstandigheden. De indicatoren van armoede, werkloosheid en schooluitval scoren hoog in Brussel. De sociale context en maatschappelijke uitdagingen die de docu in beeld brengt, zullen dan ook voor menig Brusselse school herkenbaar zijn.

In het publieke debat naar aanleiding van de reportage is er veel aandacht voor het onderwijskundige aspect. Terecht. Ieder kind heeft recht op kwaliteitsvol onderwijs. Het schoolteam van Balder neemt haar taak serieus en doet er alles aan om kwaliteitsvol onderwijs te bieden aan alle kinderen, ondanks het lerarentekort en het wegvallen van de directie.

Een school is geen eiland

Met velen liggen we er wakker van. Met velen willen we daar ook iets aan doen. Er ligt hier een belangrijke maatschappelijke opdracht klaar: kinderen, gezinnen en schoolteams ontzorgen, zodat er opnieuw geleerd en gespeeld kan worden.

Binnen het project Bondgenotennetwerk tegen kinderarmoede werkt Odisee al enige tijd samen met het schoolteam van Balder. Samen bouwen we aan de ‘warme school’ die Balder wil zijn. Een school waar kinderen voelen dat ze belangrijk zijn, waar ze zichzelf mogen zijn. Een school die gezinnen betrekt, die samenwerkt met zorg-, jeugdwerk- en vrijetijdspartners, en die de buurt versterkt.

We weten dat mensen in kwetsbare omstandigheden een kleiner sociaal netwerk hebben en minder makkelijk toegang vinden tot diensten of voorzieningen. Daarom zetten we met het Kenniscentrum Gezinswetenschappen en Resokit van Odisee onze schouders onder de netwerken van Balder.

Brugfiguren: de spil in sterke en levendige netwerken

Hoe sterker de netwerken van een school, hoe rijker de kansen voor kinderen en hun ouders. Zo wordt de school een kansenhub: een plek die gezinnen en de buurt versterkt en verbindt. Maar zo’n netwerk bouw je niet op in een handomdraai. Het vraagt inzicht in de noden van kinderen en gezinnen, voeling met de school en de buurt, en vooral: aanwezigheid, toewijding en luisterbereidheid.

Daarom zijn brugfiguren onmisbaar. Zij zijn de sleutel om netwerken duurzaam uit te bouwen en te voeden. Zonder hen dreigt het lerarentekort een vicieuze cirkel te blijven: leerkrachten vallen uit door gebrek aan ondersteuning, terwijl er geen netwerk is omdat er te weinig tijd is om het op te zetten. Met brugfiguren doorbreken we die cirkel. Ze bouwen mee aan structurele netwerken die de school, het gezin en de buurt sterker maken – en kinderen meer kansen geven.

Wat doet een brugfiguur?

Balder stelt vandaag een brugfiguur tewerk. De kern van wat zo’n brugfiguur in het onderwijs doet? Netwerken van burgers versterken.

Brugfiguren slaan letterlijk en figuurlijk een brug tussen maatschappelijk kwetsbare kinderen en hun ouders, en het onderwijsaanbod of de ruime dienstverlening van de gemeente of stad. Daarnaast zet een brugfiguur preventief en proactief in op de samenwerking tussen onderwijs en welzijn in functie van een vlotte schoolloopbaan.

Brugfiguren werken aan een goed partnerschap tussen ouders, scholen en buurt. Dat doen ze met verschillende concrete doelen in het achterhoofd. Zo willen ze ontmoeting en informatiedoorstroom tussen gezin en schoolteam versterken. Ze vergroten de mogelijkheid tot inspraak en advies van ouders op school, bijvoorbeeld via ouderbevragingen. Ze stimuleren ook de actieve samenwerking tussen gezin en school. Denk aan ouders die komen voorlezen in de klas of meedoen aan een klusdag.

Daarnaast zorgt de brugfiguur ervoor dat er meer samenwerking met buurtpartners is. En tot slot wil de brugfiguur zowel het gezin als de school versterken. Bijvoorbeeld door een gezin toe te leiden naar gezinsondersteuning en de school te ondersteunen rond positieve communicatie.

Werken als brugfiguur

Om de rol te begrijpen van brugfiguren, is het interessant om te kijken naar de principes die hen richting geven.

Een eerste belangrijk uitgangspunt is dat vertrouwen opbouwen met gezinnen in een kwetsbare positie tijd vraagt. Continuïteit en een langdurige aanwezigheid zijn daarom onmisbaar.

In Balder staat de brugfiguur dagelijks aan de schoolpoort. Zo leert ze de gezinnen via informele contacten kennen. Tijdens die gesprekken krijgt zij zicht op de noden van ouders en kinderen, en groeit ze uit tot een vertrouwenspersoon. Ook binnen de school zelf neemt ze actief deel aan groepsactiviteiten met kinderen of ouders, waardoor ze steeds beter ingebed geraakt in de leefwereld van de gezinnen.

De brugfiguur van Balder is in dienst van de school. In andere gemeenten moet een brugfiguur vaak meerdere scholen opvolgen. Maar de innesteling in één school versterkt de kansen tot aanklampend werken en snel inspelen op de noden van de gezinnen.

Naast dit relationele werk zet een brugfiguur ook sterk in op samenwerking tussen onderwijs en welzijn, met het oog op een vlotte schoolloopbaan. Door de sociale bescherming van kinderen en ouders te verbeteren en onderbescherming tegen te gaan, ontstaat er meer stabiliteit.

De brugfiguur kent de sociale kaart van de buurt en is actief betrokken bij overlegstructuren zoals die van het OCMW over gezinsondersteuning, het Huis van het Kind, de jeugddienst en de preventiedienst van de gemeente. Dankzij dit netwerk kan ze gezinnen gericht doorverwijzen naar de juiste hulpverleners of hen, indien nodig, persoonlijk begeleiden naar de bevoegde instanties. Ook de samenwerking met de bredeschoolcoördinator en het lokaal cultuurbeleid verlagen de drempel naar vrijetijdsinitiatieven voor kinderen.

Dichter bij de gezinnen

Daarbij werkt ze proactief – ook een belangrijk principe voor de brugfiguur. Diensten en hulpverleners worden dichter bij de gezinnen gebracht door met hun aanbod aanwezig te zijn op laagdrempelige ontmoetingsplaatsen. Zo vinden informele kennismakingen plaats. Mooie initiatieven in Balder zijn bijvoorbeeld oudercafés of welzijnsmarkten, waar buurtorganisaties zich voorstellen aan ouders.

Dit werk kan enkel slagen vanuit fysieke en relationele nabijheid. Samenwerkingen met HOPON, dat oudercafés organiseert, of met het expertisecentrum meertaligheid van Foyer, waar een ‘talendokter’ aanwezig is tijdens ontmoetingsmomenten, illustreren dit principe. Soms gaat het ook om heel concrete inzet waarbij de brugfiguur nieuwkomers letterlijk naar school begeleidt en bemiddelt in hun dagelijkse leefwereld met gemeentelijke of gewestelijke diensten.

Die nabijheid hangt nauw samen met een ander principe: outreachend werken. Om gezinnen opnieuw aansluiting te laten vinden met onderwijs en andere levensdomeinen, is het essentieel dat de brugfiguur zelf de eerste stap zet. Zij zoekt gezinnen op aan de schoolpoort, bij hen thuis of tijdens gezamenlijke uitstappen.

Empoweren en signaleren

Alles wat de brugfiguur doet, heeft tot doel om betrokkenen te empoweren. De brugfiguur probeert krachten en mogelijkheden bij mensen naar boven te halen. Zo zal ze bijvoorbeeld gezinnen ondersteunen bij het digitaal inschrijven van hun kinderen voor vrijetijdsactiviteiten. Zo kunnen ouders zelf keuzes maken, wat hun autonomie versterkt.

Maar de brugfiguur empowert niet enkel ouders. Ze organiseerde mee een professionaliseringstraject rond divers-sensitief handelen voor het schoolteam. Dat draagt ertoe bij dat leerkrachten vanuit een verbindende en cultuurbewuste houding met ouders kunnen omgaan, wat de onderlinge samenwerking en betrokkenheid bevordert. Tegelijk is de brugfiguur een belangrijke aanvulling op het schoolteam, net doordat ze de kinderen en gezinnen mee ondersteunt en toeleidt naar partners.

Ten slotte hebben brugfiguren een belangrijke signaalfunctie. Door hun unieke positie, dicht bij  de leefwereld van gezinnen, kunnen zij drempels en lacunes aan het beleid of het schoolbestuur kenbaar maken. Het projectteam wil dit op Balder realiseren door een actieplan ouderbetrokkenheid op te stellen, waarin jaarlijks in overleg prioriteiten en concrete activiteiten worden vastgelegd.

Ook op wijkniveau is die signaalrol duidelijk zichtbaar. Naar aanleiding van signalen van de brugfiguur ontstond in de wijk ‘ouderpauze’. Daar wordt gratis kinderopvang voorzien voor alleenstaande ouders, waardoor niet enkel de kinderen, maar ook hun ouders beter ondersteund worden.

Ondersteuning is nodig

Een belangrijke randvoorwaarde om bruggen te kunnen bouwen, om aan de zijde van ouders, gezinnen, en schoolteam te kunnen staan, is ondersteuning van de brugfiguur. Een brugfiguur verbindt namelijk partijen met uiteenlopende visies op leven, leren, zorg of vrije tijd. De brugfiguur probeert flow te creëren in het interactieproces tussen deze partijen. Dat is uitdagend.

Binnen het Bondgenotennetwerk helpen we de brugfiguur van Balder. Ook vanuit de Vlaamse Gemeenschapscommissie vindt in Brussel momenteel uitwisseling en ondersteuning plaats. Ondersteuningsnoden zijn onder andere: casusbespreking, intervisie, professionalisering, uitwisselen van inspiratie en expertise, juridische vragen, de sociale kaart in beeld brengen. Of gewoon eens een concrete vraag of aanpak kunnen aftoetsen en een uitlaatklep hebben bij lastige momenten.

Impact op welzijn, maar nog geen duurzaam beleid

Wat betekent de inzet van een brugfiguur voor kinderen en hun ouders? Op de trefdag van SAAMO West-Vlaanderen over brugfiguren in het onderwijs was de consensus duidelijk: ze spelen een sleutelrol in de strijd tegen armoede. Wanneer ze ingebed zijn in het lokale armoedebeleid, kunnen ze echt het verschil maken. Hun focus ligt op een sterk flankerend beleid dat gezinnen vooruithelpt.

Maar ook onderzoek naar gezinscoaches toont aan dat brugfiguren die een verbinding leggen tussen gezinnen en ondersteunende diensten een wezenlijk verschil maken in de strijd tegen armoede. Ze signaleren sociale drempels en leveren zo waardevolle input voor een doeltreffend armoedebeleid. Met hun signaalfunctie dragen ze rechtstreeks bij aan structurele oplossingen.

In Brussel en Vlaanderen lopen verschillende projecten die brugfiguren inzetten om onderwijs en welzijn dichter bij elkaar te brengen. Toch ontbreekt zekerheid over hun toekomst. Bij Balder is de brugfiguur personeelslid van de school, maar de middelen en manier van administratieve aanstelling zijn onzeker, evenals de middelen voor de omkadering vanuit Odisee.

Brugfiguren dienen erkend te worden voor hun meerwaarde. Projectmatig werken  ondermijnt de continuïteit van brugfiguren. Wat nodig is, is helder: een beleid dat brugfiguren blijvend ondersteunt en hen structureel verankert. Bij Balder zien we duidelijk dat de brugfiguur een wereld van verschil maakt. Voor de ouders. Voor de wijk. Voor de school. En vooral voor de kinderen.

Bron: sociaal.net

Democratie stopt niet in het stemhokje

Door het afschaffen van de opkomstplicht gingen minder mensen stemmen in 2024. Maar dat betekent niet dat zij geen interesse hebben in de politiek, stelt Benaissa Nams (SAAMO). Het middenveld moet hen via andere wegen betrekken bij het maatschappelijke debat: “Sociale organisaties vormen de brug tussen de politiek en de samenleving.”

Opkomstplicht verdwenen

In 2024 trok de kiezer voor het eerst naar de stembus zonder enige verplichting. Het verdwijnen van de opkomstplicht voor de lokale verkiezingen laat zich voelen: een derde van de Vlamingen bleef thuis. Daarmee staat onze democratie op een kruispunt. Want net de groepen die al structureel minder gehoord worden, dreigen nu nog stiller te blijven.

Onderzoek geeft aan dat vooral kwetsbaar gemaakte groepen zoals kortgeschoolden, minderheden en jongeren minder vaak hun stem uitbrengen. Wie die kenmerken combineert, loopt nog veel vaker de stembus voorbij. Niet-stemmers blijven vaak niet thuis uit onwil, maar door een diep gevoel van uitsluiting. Dat gevoel vindt zijn wortels in een onderwijs- en representatiesysteem dat ongelijkheid bestendigt.

Geen onwil maar uitsluiting

Onderzoek toont keer op keer hetzelfde pijnlijke patroon: kortgeschoolden verdienen minder, hebben minder (politieke) kansen en zijn vaak afwezig uit het publieke debat. Nederlandse onderzoekers Bovens en Wille noemen dit de ‘diplomademocratie’: vooral witte, hoogopgeleide profielen wegen op beleid en profiteren van dit systeem.

Die ongelijkheid krijgt ook een etnisch gezicht. Terwijl witte kinderen doorgaans de weg naar succes vinden, worden leerlingen met een migratieachtergrond structureel achtergesteld in een systeem dat eerder kansen afknijpt dan biedt.

Wat op het eerste gezicht gelijke kansen lijken, blijkt in werkelijkheid een systeem dat sociale en etnische verschillen reproduceert. De kloof tussen de verschillende sociale groepen wordt dus alsmaar groter.

Democratie als alledaagse bezigheid

Die groeiende kloof tussen groepen raakt aan de kern van onze democratie. Ze leeft dus niet enkel bij verkiezingen maar in het dagelijks handelen van burgers en organisaties. Sociale organisaties spelen daar een grote rol in. Ze vormen de brug tussen de politiek en de samenleving.

Voor de gevestigde middenveldspelers blijft het echter een uitdaging omdat de standpunten die ze innemen in het publieke debat niet altijd stroken met de meningen van hun steeds diversere achterban.

Zelforganisaties staan vaak wel dichtbij de achterban. Dit zijn initiatieven  – vaak  van minderheidsgroepen – die inspelen op concrete noden waar klassieke middenveldorganisaties niet langer of onvoldoende in slagen te voorzien. Ze zijn van onschatbare waarde, maar juist deze organisaties krijgen structureel te weinig ruimte in ons huidige democratische model.

Net daarom moeten middenveldspelers meer dan ooit intensief samenwerken om een inclusiever democratisch model te bouwen en kwetsbaar gemaakte groepen niet verder uit te sluiten.

Groeiende kloof

In het middenveld, ooit motor van sociale rechtvaardigheid, zien we diezelfde ongelijkheid. Professionalisering trok steeds meer hogeropgeleiden aan en creëerde onbewust nieuwe drempels, zo waarschuwde onderzoeker Sara Elloukmani op Sociaal.Net. In hetzelfde interview vertelt Jamal Belmahi van SAAMO dat zij die logica doorbreken door naast diploma’s ook ervaringskennis te waarderen, maar het blijft vechten tegen structurele ongelijkheid.

Tegelijk ontstaan zelforganisaties van minderheidsgroepen die deze leegten opvullen. Ze werken met ervaringsdeskundigheid, bieden ruimte voor nieuwe identiteiten en strijden tegen racisme en uitsluiting. Toch krijgen ze vaak vanuit de overheid te maken met wantrouwen, beperkte middelen en gebrekkige erkenning. Hen wordt verweten dat ze segregatie in de hand werken. Onderzoek toont echter net het omgekeerde aan. Volgens socioloog Dirk Jacobs stimuleert het beleven van de eigen identiteit in een open sfeer juist lokale inclusie, politieke participatie en samenwerking met andere organisaties.

De dynamiek van het klassieke middenveld dat steeds meer professionaliseert en zelforganisaties die onder druk staan, creërt een kloof tussen beleidsmakers, middenveld en burgers in een kwetsbare positie. Die afstand voedt gevoelens van vernedering, kwaadheid en apathie tegenover verkiezingen.

Maar, nogmaals: afwezigheid bij de verkiezingen betekent geen onverschilligheid over de politiek of maatschappij. Net daar liggen kansen voor nieuwe vormen van politieke betrokkenheid. De vraag is of het middenveld de moed vindt om opnieuw een echte tegenmacht te worden.

Meer dan bolletjes kleuren

Een van de vele misvattingen is dat democratie om de vier jaar een bolletje kleuren is in het verkiezingshokje. Met de opkomstplicht kon je nog zeggen dat de stem van alle burgers maximaal vertegenwoordigd wordt. Maar met de afschaffing ervan en dalende opkomstcijfers is dat niet meer het geval.

Veel erger is te denken dat het behalen van een verkiezingsmeerderheid ‘de wil van het volk’ is. Dit idee wordt gebruikt als verantwoording voor het primaat van de politiek. Verkozen beleidsmakers voeren hun wil uit, zelfs als hun eigen administratie, onderzoekers en het middenveld daartegenin gaan. In die zin ontkennen ze het idee van pluralisme en alternatieve vormen van participatie.

Wie democratie verengt tot de wil van de meerderheid, miskent hoe burgers vandaag werkelijk betrokken zijn. Hun engagement beperkt zich allang niet meer tot het stemhokje. Het uit zich op sociale media, via buurtinitiatieven, protestacties of tijdelijke netwerken rond concrete thema’s.

Middenveld als uitvoerder

Democratie is dus een levende praktijk. De uitdaging is het erkennen van deze vormen van betrokkenheid en ze vertalen naar een formele stem. Daarbij speelt het maatschappelijk middenveld een sleutelrol. Het vormt een ruimte waar burgers samenkomen, gemeenschappelijke doelen nastreven, sociale cohesie versterken, mensenrechten bewaken en beleid kritisch bevragen.

Althans, dat was altijd de bedoeling. Want in de laatste decennia heeft de politiek het middenveld steeds meer opzijgeschoven of uitvoerder laten worden van het beleid. Daarbij moest ze steeds meer verantwoording afleggen over het gebruik van overheidsmiddelen.

Marktlogica

Begrijp me niet verkeerd: transparantie over hoe belastinggeld wordt besteed is nodig en belangrijk. Maar dat heeft een wrange keerzijde. De administratieve rompslomp met allerlei voorwaarden, protocollen en prestatie-indicatoren zorgde voor een groeiende vermarkting en  depolitisering van de sector.

Middenveldorganisaties nemen geleidelijk aan een marktlogica over door zich onbedoeld steeds meer te gedragen als concurrende ondernemingen. Als gevolg daarvan komt hun maatschappelijke missie onder druk te staan en gaan ze meer namens in plaats van met groepen spreken.

Bovendien moeten organisaties die rond thema’s zoals migratie, asiel en diversiteit werken extra waakzaam zijn. Zo moesten Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Motief de laatste jaren het onderspit delven en werd het Minderhedenforum uiteindelijk opgerold. Het is een steeds terugkerend en problematisch patroon: een verkozen meerderheid die overheidssteun koppelt aan zijn eigen politieke agenda.

Naar een radicale solidariteit

De inperking van het middenveld door de overheid is één ding. Maar de groeiende depolitisering binnen het middenveld is ook zorgwekkend, zeker in het licht van de recente opeenvolging van crisissen: de oorlog in Oekraïne, de genocide in Gaza, de sociale afbraak in eigen land en de opkomst van extreemrechts. Daarbovenop dreigt de afschaffing van de opkomstplicht de betrokkenheid van burgers verder te verzwakken.  Juist daarom is er nu nood aan middenveldorganisaties die positie innemen, een eigen verhaal durven brengen en het maatschappelijk debat niet schuwen.

Het is tijd om terug te keren naar de basis door meer in te zetten op nabijheid en engagement. Door mensen te informeren over systemische uitsluitingsvormen zoals armoede, racisme en discrminatie. En vooral: door mensen bewust te maken van hun handelingsvermogen en collectieve macht.

Zelfreflectie

Herpolitisering vraagt ook om zelfreflectie binnen organisaties. Een radicaal democratisch middenveld betekent dat organisaties zichzelf intern democratiseren en diversifiëren.

Mensen moeten zich herkennen in de organisaties waar ze komen. Een grondige herstructurering en democratisering van interne organisatieprocessen is onmiskenbaar belangrijk als organisaties de waarden die ze extern uitdragen waar willen maken.

Sommige middenveldorganisaties hebben die weg al ingeslagen, maar de weg is nog lang. Uit onderzoek van Socius blijkt dat de gemiddelde werknemer in het erkende sociaal-cultureel volwassenenwerk in Vlaanderen en Brussel nog steeds vooral een Belgische nationaliteit (95,7 procent) en Belgische herkomst (81,3 procent) heeft.

Meer samenwerken

Tegelijkertijd moeten sociale organisaties meer samenwerken. Ook met minder zichtbare spelers zoals zelforganisaties. Hun stem is onmisbaar in elk proces dat zich rechtvaardig en representatief wil noemen. Hen betrekken is dus geen extraatje, maar een democratische noodzaak. Een solidaire noodzaak.

Samenwerking is een voorwaarde om organisatorische macht en structurele verandering te bewerkstelligen. Ook al is die samenwerking niet altijd eenvoudig. Ze vraagt creativiteit in het omgaan met overheidsmiddelen en een voortdurende zoektocht naar complementariteit. Maar bovenal vraagt ze de erkenning van verschillen en de bereidheid verantwoordelijkheid te nemen voor elkaars onderdrukking.

Precies daar ligt de kiem van wat politiek activiste Houria Bouteldja ‘radicale liefde’ noemt: geen vals ideaal van universele verbondenheid, maar een bewuste keuze om ruimte te maken voor andere manieren van weten en organiseren. Zij omschrijft het als een moeilijke solidariteit, die niet vanzelf ontstaat, maar des te noodzakelijker is in een verdeelde samenleving.

Het middenveld moet haar politieke rol herwaarderen, meer inzetten op interne democratisering en structurele samenwerkingen aangaan met zelforganisaties. Alleen zo kan het middenveld haar democratische belofte waarmaken en de kloof dichten met groepen die vandaag te vaak afhaken: kortgeschoolden, jongeren en minderheden.

Bron: sociaal.net

Miljard euro voor sociale woningen raakt niet op: ‘Bezwaren geschreven met ChatGPT’

Miljard euro voor sociale woningen raakt niet op: ‘Bezwaren geschreven met ChatGPT’

Hoewel er 200.000 mensen op de wachtlijst voor een sociale woning staan, blijft de bouw van sociale woningen tergend traag verlopen. Het voorziene budget van een miljard euro dit jaar raakt zelfs niet opgebruikt. ‘Geld is niet het grootste probleem.’

De Vlaamse regering voorziet een recordbedrag van zes miljard euro voor de bouw en renovatie van sociale woningen in de periode 2024-2029. Het miljard dat dit jaar voorzien is, zal echter niet worden opgebruikt.

Uit cijfers die Vlaams Parlementslid Nadia Naji (Groen) opvroeg, blijkt dat er in de eerste negen maanden van 2025 slechts 577 miljoen euro werd toegekend. Bij dit tempo dreigt dit jaar 231 miljoen onbesteed te blijven. Aan Het Laatste Nieuws zegt Naji ‘dat (huidig minister van Wonen) Depraetere (Vooruit) het zwakke beleid van haar voorganger gewoon voortzet’. Ook onder Matthias Diependaele (N-VA) raakte het budget niet op.

De behoefte aan sociale woningen blijft echter immens groot. 200.000 Vlamingen staan op de wachtlijst en dat vaak al jarenlang. ‘We moeten echt een tandje bijzetten’, zegt Björn Mallants, directeur van Woontrots, een woonmaatschappij actief in 13 Vlaams-Brabantse gemeenten. Daar beheren ze meer dan 4000 sociale huurwoningen.

In de eerste negen maanden van 2025 werd 577 miljoen euro toegekend voor de nieuwbouw en renovatie van sociale woningen. Bij dat tempo dreigt 231 miljoen euro onbesteed te blijven. Hoe kan dat?

Björn Mallants: Geld is niet het grootste probleem. Veel moeilijker dan geld vinden, is vergunningen krijgen voor de bouw van sociale woningen. Vooraleer een gemeente een bouwvergunning aflevert, duurt het al heel lang. Daarna komt vaak een stortvloed aan bezwaarschriften terecht bij de provincie, en daarna bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zo zitten drie dossiers van Woontrots vast bij die raad. 120 sociale woningen in Kortenberg kunnen we daardoor voorlopig niet bouwen.

Zijn het buurtbewoners die bezwaarschriften indienen?

Mallants: Niet uitsluitend, ook mensen die verderop wonen dienen bezwaarschriften in. Vaak zijn die inhoudelijk op vrijwel niets gebaseerd, ze lijken geschreven met ChatGPT. Als die burgers ongelijk krijgen, zijn daar geen kosten aan verbonden. Bij een burgerrechtelijke procedure zouden ze bij ongelijk tot duizenden euro’s rechtsplegingsvergoeding moeten betalen, maar bij deze procedure niet.

Ik ben voor laagdrempelige toegang tot rechtspraak, maar nu is het echt té makkelijk om een mailtje te sturen met als boodschap ‘ik zie dat niet zitten’. Daardoor worden broodnodige sociale woningbouwprojecten op de lange baan geschoven, of sneuvelen ze helemaal.

Zijn er andere oorzaken waarom het geld niet besteed raakt?

Mallants: Soms heb je gewoon pech met aannemers die failliet gaan. Of is het heel moeilijk om geschikte locaties te vinden. Wij kunnen niet zomaar eengezinswoningen neerpoten zoals projectontwikkelaars dat doen. Sociale woningbouw vereist een hoge kwaliteit én densiteit. Daardoor zijn de geschikte projectlocaties beperkter.

Twee jaar geleden reorganiseerde de Vlaamse overheid de sociale woonmaatschappijen. We gingen van 90 naar 41 woonmaatschappijen. Die schaalvergroting zorgt ervoor dat er in elke gemeente nu nog maar één maatschappij actief is. Over tien jaar zal dat vruchten afwerpen. Maar de huidige overgangsfase maakt het moeilijker om projecten op te starten.

Ook onder de vorige minister van Wonen, Matthias Diependaele (N-VA), raakte het voorziene budget jaar na jaar niet op. Diezelfde oorzaken speelden toen ook al?

Mallants: Ja, Depraetere kampt met dezelfde problemen als Diependaele. De bouwprocedures zijn natuurlijk wat ze zijn: complex. Er ligt veel nadruk op het ‘goed besteden van openbaar geld’. Terecht uiteraard, maar als we het geld niet op krijgen, is dat geen prioriteit. We moeten het geld niet door ramen en deuren naar buiten gooien, maar de nood aan sociale woningen is al zo lang zo hoog dat we vooral iets moeten doen met het beschikbare geld.

Bij Woontrots kopen we soms iets duurdere bouwgronden of opgeleverde appartementen op de privémarkt. Goedkoop zijn die zeker niet, maar ik vind het mijn verantwoordelijkheid om het beschikbare geld te gebruiken. Zolang we goedkoop geld kunnen lenen van de overheid, is dat onze plicht. Maar veel collega’s zijn voorzichtiger.

Omdat ze vrezen anders over de kop te gaan?

Mallants: De financiering van onze sector is al langer een probleem. Met elk nieuw socialewoningproject maken we verlies. Als een woonmaatschappij weinig overschot heeft, eet het zo zijn reserves op. Dan is de appetijt om nog meer geld te lenen uiteraard afwezig.

Tegen de vorige minister van Wonen, Matthias Diependaele (N-VA) zei ik: ‘Als het geld dan toch niet opraakt, bied dan leningen van 2 procent rente aan in plaats van min 1 procent?’ Hij vond dat allemaal ‘niet nodig’ en ‘belachelijk’. Ik stel vast dat minister Depraetere nu wél leningen heeft ingevoerd aan min 2 procent.

Minus 2 procent? U krijgt dus geld om geld te lenen.

Mallants: Dat klinkt raar, maar het is eigenlijk een werkingssubsidie die via die lening wordt meegegeven. Die min 2 procent zorgt ervoor dat de cashflow op projectbasis veel interessanter is geworden. Met huurinkomsten van 400 à 450 euro per woning, kan dat nu break-even in 33 jaar. Dat excuus van de cashflow valt dus weg. De woonmaatschappijen moeten nu écht leveren.

En zonder voldoende sociale woningen kan een gemeente ook beboet worden. Is dat voldoende als stok achter de deur?

Mallants: Ik ben een grotere voorstander van de wortel dan van de stok. Al geven die boetes een goed signaal: we nemen het nu echt serieus. Een gemeentebestuur dat zo’n torenhoge boete moet betalen, zal aan zijn burgers mogen uitleggen waarom het geen sociale woningen heeft gebouwd om die boete te vermijden.

Een gemeente moet een bepaald aantal sociale woningen hebben, het bindend sociaal objectief (BSO). Hoeveel kost het als een gemeente dat niet haalt?

Mallants: Als een gemeente het BSO niet haalt of onvoldoende inspanningen levert om het te halen, moet ze 4000 euro per jaar betalen per woning die ze te weinig heeft gerealiseerd. Vorige keer deden slechts zes gemeenten in Vlaanderen zogezegd te weinig. Die impact is dus nog zeer beperkt. De eerste keer dat een gemeente haar BSO niet haalt, wordt slechts 25 procent aangerekend en pas om de zoveel jaar is er een meting. Het zou dus veel strenger kunnen.

Pas tegen 2035 zal het gevolg hiervan duidelijk zijn. Als een gemeente dan honderd sociale woningen te weinig heeft, kan een boete van 400.000 euro toch doorwegen op het gemeentebudget.

Bron: Knack.be