by admin | okt 5, 2025 | Boeken
Klaar Hammenecker is kinderpsycholoog en een veelgevraagd expert in de media. Ze combineert het geven van trainingen en opvoedingsondersteuning met werk in haar eigen praktijk Weerkracht. Ze coacht daarnaast ook deelnemers van Bake Off Junior en The Voice Kids.
Samenvatting
De 5 BASICS voor krachtig ouderschap
#1 Opvoeden is maatwerk
Want dé opvoeding bestaat niet en elk kind is – gelukkig maar! – anders.
#2 Eerst verbinden, dan begrenzen
Want alles begint en eindigt bij onvoorwaardelijk ouderschap.
#3 Zelf doen geeft zelfvertrouwen
Want hoe meer je in jezelf gelooft en op jezelf vertrouwt, hoe veerkrachtiger je in het leven staat.
#4 Zorg(en)voor later
Want opvoeden is een langetermijnopdracht, waarbij kinderen steeds meer zelf richting geven aan hun leven.
#5 De beste ouders maken zichzelf op termijn overbodig
Want krachtige ouders staan ook stil bij wat ze zelf nodig hebben.
Ouderschap gaat vaak gepaard met heel wat stress. De vele – vaak tegenstrijdige – opvoedadviezen waarmee je als ouder om de oren wordt geslagen, brengen je mogelijk nog meer aan het twijfelen.
Klaar Hammenecker gaat in dit boek terug naar wat de essentie van opvoeden is: kinderen geven wat ze nodig hebben om uit te groeien tot zelfredzame, veerkrachtige en liefdevolle jongvolwassenen. Op basis van haar jarenlange ervaring als kinderpsychologe reikt ze 5 opvoedbasics aan die in elk levensfase van je kind een welkome basis zijn om op terug te vallen. Zo kun jij – op maat van jouw gezin en je eigen opvoedstijl – jezelf én je kind in zijn kracht zetten, zodat je kind kan uitgroeien tot de beste versie van zichzelf.
Want de beste ouders? Die maken zichzelf op termijn overbodig!
Verkrijgbaar via Bol.com
by admin | okt 5, 2025 | Boeken
Jürgen Peeters werkt ruim 30 jaar met ouders en professionals in jeugdzorg, kinderopvang en onderwijs. Hij is oprichter van het Netwerk Afgestemd Opvoeden en medezaakvoerder van ‘De Onderstroom’, een praktijk voor psychotherapie, vorming, supervisie en coaching. Met Afgestemd opvoeden deelt hij niet alleen zijn rijke ervaring, maar ook zijn persoonlijke zoektocht naar verbinding, veerkracht en zinvolheid in opvoeding.
In een wereld waar tradities vervagen en opvoeden steeds meer voelt als balanceren op een dunne koord, biedt Afgestemd Opvoeden:Vertrouwen op het pedagogisch kompas een helder antwoord. Met zijn decennialange ervaring in jeugdzorg, onderwijs en kinderopvang gidst Jürgen Peeters ouders en professionals door de complexe uitdagingen van vandaag.
Hoe kunnen we echt in verbinding blijven met onze kinderen in een maatschappij die ons voortdurend afleidt? Wat leren kinderen ons met hun gedrag, en hoe kunnen we daarop afstemmen in plaats van ertegenin te gaan? Dit boek biedt niet alleen concrete handvatten voor dagelijks opvoeden, maar plaatst opvoeding ook in een breder maatschappelijk kader.
Met scherpe inzichten, praktijkvoorbeelden en een blik op thema’s zoals leiderschap, zelfsturing, digitalisering, stress, diversiteit, scheiding, weerbaarheid, seksualiteit en gender, geeft Jürgen ouders en opvoeders een krachtig pedagogisch kompas. Of je nu ouder bent, leerkracht of professional in de jeugdzorg, Afgestemd Opvoeden is een uitnodiging om opvoeding opnieuw te bekijken, als een levenslange kans om samen te groeien – met vertrouwen, verbinding en zinvolheid als fundament.
Dit boek helpt je zowel je kind beter te begrijpen, als jezelf als opvoeder.
Over de auteur
Jürgen Peeters werkt ruim 30 jaar met ouders en professionals in jeugdzorg, kinderopvang en onderwijs. Hij is oprichter van het Netwerk Afgestemd Opvoeden en medezaakvoerder van ‘De Onderstroom’, een praktijk voor psychotherapie, vorming, supervisie en coaching. Met Afgestemd opvoeden deelt hij niet alleen zijn rijke ervaring, maar ook zijn persoonlijke zoektocht naar verbinding, veerkracht en zinvolheid in opvoeding.
Verkrijgbaar via Bol.com
by admin | okt 5, 2025 | Geen categorie
Nee, echt wild worden Belgen niet van het bedrag dat op het einde van de maand op hun rekening verschijnt. Slechts 16 procent van de werknemers is echt tevreden met zijn salaris. Zo’n 5 procent is ronduit ontevreden. Dat blijkt uit een bevraging die hr-dienstverlener Partena en arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) hebben uitgevoerd bij 2.000 Belgische werknemers.
Wie een goed loon wil, woont maar beter in Vlaanderen of Brussel, blijkt uit het onderzoek. Zo vindt een vijfde van alle Franstaligen in ons land zijn loon onvoldoende, bij de Nederlandstaligen is dat ‘slechts’ 13 procent.
Dat verschil tekent zich ook geografisch af: in Oost-Vlaanderen (6,8) en Antwerpen (6,7) is de loontevredenheid het hoogst, terwijl er bij werknemers uit Henegouwen en Luxemburg duidelijk nog marge voor verbetering is: zij geven hun salaris maar een 5,9 op 10.
Ook maakt het uit wat voor werk je doet en hoe groot het bedrijf is waar je voor werkt. Bijna een kwart van de arbeiders vindt dat er maandelijks te weinig geld op de rekening verschijnt. Bedienden zijn iets gelukkiger, maar het zijn vooral de ambtenaren die het op financieel vlak getroffen hebben (gemiddelde scores van 6,0, 6,5 en 7,1).
Wel neemt de tevredenheid over het salaris toe naarmate het bedrijf groter wordt waar iemand aan de slag is. In bedrijven met minder dan tien personeelsleden zegt een kwart van de werknemers zijn loon onvoldoende te vinden. Wie in een bedrijf met meer dan 250 werknemers werkt, geeft zijn loon gemiddeld 6,6 op 10.
“Die grote bedrijven hebben vaak meer ruimte voor voordelen en doorgroeimogelijkheden. Dat zie je terug in de loontevredenheid”, ziet Yves Stox van Partena als mogelijke verklaring daarvoor. Op die manier kunnen die bedrijven ook vermijden dat hun werknemers op zoek gaan naar een andere job: “Wie zich eerlijk verloond voelt, presteert beter en blijft langer trouw aan de organisatie.”
Een pijnpunt blijft het verschil tussen mannen en vrouwen. Mannen kunnen over het algemeen beter leven met hun loon dan vrouwen. De oorzaak voor die cijfers is waarschijnlijk te zoeken in de loonkloof, die hardnekkig blijft. In een eerder onderzoek over eerlijke verloning vonden vrouwen gemiddeld vaker dat ze oneerlijk verloond werden.
Bron: Demorgen.be
by admin | okt 5, 2025 | Sectoren
De Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk reageren op twee recente Sociaal.Net-artikels waarin kritiek wordt gegeven op de opleidingen. Eén over neoliberalisme dat de opleiding binnensijpelt en een andere over gebrekkige aandacht voor ouderen binnen het sociaal werk. “We willen nuanceren, weerleggen en laten zien hoe wij vandaag werken en opleiden.”
Kritische bijdragen
Recent verschenen op Sociaal.Net kritische bijdragen over de sociaalwerkopleidingen door Bart Van Bouchaute over neoliberalisme in het sociaal werk en de opleidingen en Guido Cuyvers over de manier waarop het sociaal werk met ouderen omgaat.
Ze benoemen reële zorgen: werkdruk, de invloed van neoliberale logica, het zorgdiscours dat ouderen vaak herleidt tot ‘kwetsbare individuen’. Als opleidingen sociaal werk gaan we graag in dialoog. We willen tegelijk nuanceren, weerleggen en laten zien hoe wij vandaag werken en opleiden, met de vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk als fundament.
Neoliberalisme als containerbegrip
We delen de zorg van Bart Van Bouchaute dat neoliberale logica’s hun weg vinden naar het onderwijs- en welzijnslandschap. Ook onze lectoren voelen de impact van financieringsdruk, managerialisme en de student als consument. Tegelijk is het voor ons cruciaal om precies te blijven in onze analyses.
Kritische stemmen, zoals Bart Van Bouchaute, lezen neoliberalisme als méér dan economisch beleid. Het is een alomvattende rationaliteit die burgers herleidt tot homo economicus: zelfsturend, competitief, ondernemend.
Dat perspectief is prikkelend en legitiem. Het toont hoe marktlogica doordringt in domeinen die hier ooit immuun voor leken. Maar het risico bestaat dat neoliberalisme wordt opgevoerd als allesverklaring, waardoor nuance en context verdwijnen.
Belang van context
Een sociaalwerkopleiding is het resultaat van dominante posities en meningen in opleidingsteams en daarbuiten, maar is ook een gevolg van de specifieke omgeving. Elke opleiding is gesitueerd in een andere (stedelijke) context, met verschillende noden, beleid en politieke constellatie (er zijn in Vlaanderen veertien graduaatsopleidingen, elf bacheloropleidingen en drie masteropleidingen).
Het is jammer dat hier te weinig wordt bij stil gestaan. In onze curricula besteden we namelijk veel aandacht aan een kritische analyse van deze mechanismen: de historische context en hoe marktlogica doorwerkt in beleid en in het sociaal werk. Studenten leren dit niet enkel theoretisch, maar zien het ook in de praktijk van ondermeer grootstedelijke contexten waar ongelijkheid, voorwaardelijkheid, commercialisering en individualisering zichtbaar zijn.
Dat we daarbij instrumenten gebruiken zoals portfolio’s of peer assessment, betekent niet dat we studenten in een neoliberaal keurslijf duwen. De vraag is steeds: hoe zetten we methodieken in? Vanuit meten en controleren, of vanuit reflectie, eigenaarschap en mensenrechten? Die keuze maken we bewust.
Kritisch-reflectieve sociaal werkers
Tegelijk moeten we scherp zijn: sociaalwerkopleidingen bestaan niet om het neoliberalisme te bekampen. We missen een alternatief voor wat sociaal werk dan wél moet zijn.
Wie alleen neoliberalisme aanwijst, zegt niets over de eigen finaliteit van het sociaal werk. Die finaliteit is helder: we leiden kritisch-reflectieve sociaalwerkprofessionals op die hun relatie met mensen, doelgroepen en de samenleving bevragen.
Dat unieke dubbelperspectief krijgt concreet gestalte in de vijf krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk: nabijheid, politiserend werken, procesmatig werken, generalistisch werken en verbindend werken. Daar ligt ons kompas. Niet in een defensieve strijd tegen een systeembegrip, maar in de positieve opbouw van een onderwijspraktijk.
Sociaal werk en sociaalwerkonderwijs zijn geen producten, maar praktijken van kritische reflectie, mensenrechten en sociale verandering. Dit komt expliciet terug in onze leerlijnen en in vakken als Politiserend Sociaal Werk.
Studenten leren zowel relationeel als structureel te kijken, machtsverhoudingen te analyseren en sociale verandering mee vorm te geven. Ook sociaal ondernemen benaderen we niet vanuit een marktlogica, maar als een manier om vanuit solidariteit en creativiteit vernieuwende antwoorden te bieden op complexe maatschappelijke uitdagingen.
Financiering en structuur van het hoger onderwijs
We herkennen de analyse dat het hogeschoollandschap zelf deels functioneert vanuit neoliberale logica’s. De financieringsmechanismen zetten opleidingen onder druk en beïnvloeden werkdruk en organisatie. Dat is een realiteit die wij niet ontkennen.
Maar: dit bepaalt niet onze inhoudelijke keuzes. Onze opleidingen blijven stevig verankerd in de waarden van sociaal werk en de krachtlijnen van Sterk Sociaal Werk. Vanuit VOSW geven we ook signalen aan het beleid om dit scherp te houden.
Ouderen in het sociaal werk
Ook het artikel van Guido Cuyvers doet de werkbrauwen fronsen. We zijn het niet eens met de stelling dat sociaalwerkopleidingen ouderen en vergrijzing onvoldoende aandacht geven. Onze insteek is generalistisch: studenten worden voorbereid op werken met alle doelgroepen, met aandacht voor mensbeelden in al hun diversiteit.
Concreet zien we vandaag zelfs meer studenten dan vroeger kiezen voor stages en werkplekleren in woonzorgcentra, bestrijden we ageisme als een vorm van discriminatie, en worden globale uitdagingen en kansen van vergrijzing behandeld. Studenten leren ouderen niet te reduceren tot zorgobjecten, maar te zien als volwaardige burgers met rechten, netwerken en beleidsimpact.
We erkennen wel het punt dat het zorgdiscours maatschappelijk dominant is en dat andere disciplines soms taken opnemen die sociaal werk vanuit een ander perspectief zou benaderen. Precies daarom leggen wij in de opleiding nadruk op de beleids- en maatschappijanalyse die sociaal werk uniek maakt.
Samen in dialoog
We hebben nood aan open debat en onderzoek dat de relatie tussen opleiding en werkveld voortdurend kritisch bevraagt. We kijken dan ook uit naar de empirische onderbouwing van de theoretische claims die in de bijdragen geformuleerd worden. Net die wisselwerking tussen theorie en empirie kan het sociaal werk en de opleidingen sterker maken.
Het sociaal werk heeft impact, de uitdagingen zijn reëel. Wij discussiëren dagelijks binnen onze opleidingen en zoveel mogelijk met de praktijk hoe we studenten daarop het best voorbereiden. Studenten zijn veelal tevreden over de kritische inzichten die ze aangereikt krijgen. We nodigen iedereen uit om dit gesprek verder te voeren, met respect voor nuance en context. Niet door te vervallen in etiketten, wel door scherp te benoemen wat beter kan en te versterken wat vandaag al stevig aanwezig is.
Veerle Van Gestel schreef dit artikel als voorzitter van en in naam van de Vlaamse Opleidingen Sociaal Werk.
We vroegen Bart Van Bouchaute en Guido Cuyvers om reactie, omdat in dit artikel direct op hun teksten gereageerd wordt.
Reactie Guido Cuyvers
Ik waardeer de reactie van de sociaalwerkopleidingen en erken dat er in curricula en stages enige aandacht is voor ouderen en vergrijzing. Dat studenten leren ouderen niet te reduceren tot zorgobjecten maar te zien als burgers met rechten en netwerken, sluit aan bij mijn ideaalbeeld.
Maar mijn kritiek gaat over iets fundamentelers. Het probleem zit niet alleen in de opleiding, maar vooral in de manier waarop sociaal werk zich maatschappelijk positioneert. In het publieke debat blijft het dominante zorgframe overeind: ouderen worden nog altijd voorgesteld als kostenposten en kwetsbare last. En precies daar laat sociaal werk kansen liggen. Het toont zich te vaak als individuele begeleider, terwijl de stem die het meest nodig is – de maatschappijkritische stem die dit schadelijke narratief doorbreekt – nauwelijks gehoord wordt.
Dat er studenten kiezen voor woonzorgcentra of dat beleidsanalyse in het curriculum zit, verandert weinig aan die vaststelling. Waar was sociaal werk toen ouderen in het regeerakkoord vooral als financiële uitdaging werden neergezet? Waar was de verontwaardiging toen media vergrijzing opnieuw als bedreiging framen?
Mijn oproep is helder: erken de inspanningen, maar durf verder te gaan. Sociaal werk moet de stilte doorbreken, het negatieve narratief uitdagen en ouderen eindelijk krachtig positioneren als volwaardige burgers.
Reactie Bart Van Bouchaute
In dit korte bestek kan ik niet grondig ingaan op deze interessante repliek. Daarom beperk ik me tot een paar algemene reacties:
- Ik benader neoliberalisme inderdaad als een rationaliteit, eerder als termieten die opleidingen van binnenuit ondermijnen dan als de leeuw buiten aan de poort. In internationaal onderzoek zien we die rationaliteit duidelijk aan het werk in het discours, het overheidsbeleid, de praktijk van onderwijs en onderzoek en ook in de subjectvorming van studenten en docenten. Die tendensen van neoliberalisering vinden we, uiteraard altijd in wisselende mate afhankelijk van de context, ook terug in onze opleidingen sociaal werk. Dit is dus geen allesverklaring. Er zijn (gelukkig) ook andere waarden en praktijken in opleidingen. En er is altijd de optie van individueel of collectief verzet.
- Concepten als ‘talenten’ of ‘persoonlijke veerkracht’, waarden als ‘ondernemerschap’ en technieken als ‘persoonlijke ontwikkelingsplannen’, ‘portfolio’s’ of ‘peer assessment’ zijn niet neutraal, maar zijn precies technieken van self-governance binnen een neoliberale rationaliteit. Ze verdienen dus een meer kritische benadering in de opleidingen.
- Opleidingen kunnen niet volhouden dat ze toewerken naar finaliteiten als democratie, mensenrechten of sociale rechtvaardigheid als ze niet tegelijk kritisch afstand nemen van een neoliberale rationaliteit die dergelijke finaliteiten radicaal ondermijnt. Als sociaalwerkopleidingen “het neoliberalisme bekampen” dan houden ze minstens de mogelijkheid voor een eigen finaliteit van sociaal werk (opleidingen) open.
Om deze noodzakelijke discussie met meer nuance verder te voeren ga ik graag in gesprek met lectoren en teams in de opleidingen. Wie neemt deze warme uitnodiging aan?
Bron: sociaal.net
by admin | okt 5, 2025 | Varia
Tien jaar geleden, in september 2015, toonden burgers zich in het Brusselse Maximiliaanpark solidair met mensen op de vlucht. Dat historische moment lijkt ver weg. Onderzoekers (UGent) Marlies Casier en Robin Vandevoordt blikken terug en vooruit: “Waar is de burgersolidariteit naartoe? En komt die nog terug?”
Een golf van solidariteit
Het is september 2015. In het Maximiliaanpark, net buiten het treinstation van Brussel-Noord, ontstaat een tentenkamp dat onderdak biedt aan duizend mensen op de vlucht, de meesten uit Syrië en Irak. Jonge mannen en gezinnen met kinderen slapen er in iglotentjes.
Het raakt de harten van vele mensen. Er ontstaat een onophoudelijke stroom van burgers die kleren, dekens en voedsel brengen. Er worden juridische infostands opgericht, een school, een verdeelpunt voor kleding, kinderanimatie en een openluchtcinema.
Beschamend voor imago
Politici reageren sceptisch op die spontane solidariteit. Toenmalig vice-premier Alexander De Croo (Open Vld) was geen supporter: “Als ik burgemeester zou zijn, zou ik nooit tolereren dat er in mijn gemeente een publiek park op die manier bezet wordt, als er alternatieven bestaan. Het lijkt daar soms een camping, een markt, ja zelfs een muziekfestival.” Bart De Wever, toen nog voorzitter van N-VA, ging een stap verder en noemde het Maximiliaanpark een ‘extreemlinkse activistenpost’.
Zijn partijgenoot en toenmalig staatssecretaris van Asiel en Migratie Theo Francken voerde een registratiequotum in bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waardoor pas aangekomen vluchtelingen tot enkele maanden moesten wachten vooraleer ze een asielaanvraag konden doen. Tot dan hadden ze geen recht op opvang. Intussen verspreidde hij ook officieuze brieven die Irakezen wezen op de lange behandeltermijnen van hun aanvragen en het bestaan van terugkeerpremies.
Opnieuw naar het kamp
Die afwijzende houding van de politieke elite stond in schril contrast met een breed gedragen en divers samengestelde burgerbeweging: jong en oud, links en rechts, rijk en arm, mensen met en zonder migratieachtergrond haasten zich naar het Maximiliaanpark.
Op 6 september 2015, daags nadat de foto van het levenloze lichaam van het Koerdische jongetje Alan Kurdi de wereld rondging, vond een grote ‘Assemblée Génerale’ plaats. Meer dan 1.600 mensen verzamelden zich aan de trappen van Brussel-Noord. Ze organiseerden zich in werkgroepen voor onder meer logistiek, communicatie en beleid. Een dag later liet de federale regering weten dat ze in een kantoor van het WTC-gebouw 500 veldbedden zou voorzien voor de vooropvang van mensen op de vlucht.
Die vooropvang bleef echter onderbenut. “Na negen uur ’s avonds kan niemand meer in of uit het gebouw. En overdag worden de mensen die er de nacht hebben doorgebracht, toch weer op straat gezet zonder dat ze er zelfs hun persoonlijke spullen kunnen achterlaten. En dus komen die mensen opnieuw naar het kamp”, legde een woordvoerder van het Burgerplatform uit, dat inmiddels ontstond uit de Assemblée Génerale.
Spontane solidariteit vult gaten
Het werd steeds duidelijker dat deze crisis in de eerste plaats het gevolg was van het onvermogen en de onwil van het beleid. In een interview met de VRT stelt de woordvoerder van het Burgerplatform: “Al de hele zomer zijn het de Europese burgers die de handen uit de mouwen steken om deze mensen op te vangen en te helpen, omdat de politici achterblijven. In België heeft het gebrek aan structuren ervoor gezorgd dat er in het Maximiliaanpark een tentenkamp is ontstaan dat enkel draait op vrijwilligers. Sinds een maand slapen in Brussel mensen op straat omdat de regering weigert adequate opvang te voorzien.”
De oorzaken van die onmenselijke toestanden liggen inderdaad bij politieke beslissingen. In 2013 hervormde de Vlaamse regering de integratiesector, wat vooral uitliep op een bezuinigingsoperatie. Aan federale zijde bouwde begin 2015 de regering Michel I de opvangcapaciteit sterk af, zonder de nodige buffers te voorzien. In september 2015 vult de spontane solidariteit op het Maximiliaanpark de gaten die de verschillende overheden hadden geslagen.
De laatste zondag van september 2015 trekken naar schatting 20.000 mensen de straat op met een duidelijk appél aan het adres van de federale regering. Begin oktober besluit het Burgerplatform, niet zonder interne verdeeldheid en wrevel bij andere bewegingen, om het kamp te ontruimen en haar activiteiten verder te zetten in een nabijgelegen pand.
Nieuwe opvangcrisis
Zes jaar later, in november 2021, trekken verschillende organisaties aan de alarmbel: de opvangcrisis is opnieuw volledig ontspoord. Al vier weken botsen asielzoekers die zich willen registreren aan het Klein Kasteeltje op een weigering. Lange rijen vormen zich aan de ingang en mensen slapen er op de stoep of brengen de nacht in kraakpanden door, vermits ook de noodopvang voor daklozen dichtgeslibd is.
Opnieuw organiseren burgers en NGO’s zich. Ze brengen de wachtenden slaapzakken, warme kleren en soep, en informeren hen over hun rechten. Ze spannen de eerste rechtszaken aan tegen de Belgische Staat en Fedasil voor het niet respecteren van het recht op opvang. In december spreekt een rechtbank een eerste veroordeling uit.
5.000 keer schuldig
Als in de maand daarop Fedasil opnieuw weigert asielzoekers te registeren, keren de NGO’s terug naar de rechtbank om hogere boetes te eisen voor de niet-naleving van rechterlijke uitspraken, in de hoop zo de druk op te voeren.
In het voorjaar van 2022 wordt op initiatief van de Brusselse Orde van Advocaten in samenwerking met lokale advocatenpraktijken en NGO’s een ‘Legal Helpdesk’ geïnstalleerd. Via deze helpdesk ondersteunen vrijwilligers asielzoekers bij het nemen van juridische stappen om hun uitsluiting van de opvang aan te klagen bij de rechtbank.
In september 2022 tellen we 5.000 uitspraken waarin de Staat en Fedasil schuldig bevonden worden aan het niet verlenen van opvang. In november zijn er dat 7.000. In een symbolische processie dragen advocaten en mensenrechtenactivisten de rechtsstaat ten grave.
Salon van de schaamte
Ondertussen hebben asielzoekers hun toevlucht gezocht in een groot leegstand pand in de Paleizenstraat dat ze omdopen tot ‘Palais des Droits’. Op haar hoogtepunt verblijven er meer dan 800 mensen in het pand.
Na een chaotische evacuatie van het pand in februari slaan 200 asielzoekers zonder opvang hun tentjes op langs het kanaal aan de overzijde van het Klein Kasteeltje. “Nicole, hoe krijgen we dit nog uitgelegd aan onze kinderen?”, staat op een banner van bezorgde buurtbewoners te lezen. Na de ontruiming van de kaai en de verhuis naar een ander pand, bezet het collectief ‘Stop de Opvangcrisis’, samen met thuisloze asielzoekers, het toekomstige federale crisiscentrum.
Omdat de overheid blijft weigeren om de dwangsommen voor niet-opvang uit te betalen, gaat de rechtbank over tot inbeslagname en openbare verkoop van onroerende goederen. Burgers kopen de zetels van Fedasil op en installeren voor de deur van het Federaal crisiscentrum een ‘salon van de schaamte’. Op de banners staat de niet mis te verstane boodschap: “No bed for us. No couch for you.”
Niet naar België
September 2025. Tien jaar na de burgersolidariteit in het Maximiliaanpark, bevinden we ons al vier jaar in een nieuwe opvangcrisis. De Belgische overheid is intussen meer dan 10.000 keer veroordeeld. De Nederlandse Raad van State besliste dat alleenstaande mannelijke asielzoekers niet naar België teruggestuurd mogen worden, omdat ze daar geen recht op opvang meer hebben. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde het ‘systematisch falen’ van de federale overheid aan de kaak.
Asielzoekers moeten vandaag nog steeds drie tot vier weken wachten voordat zij hun wettelijk verankerd recht op opvang kunnen opeisen. Wie ‘geluk’ heeft vindt een tijdelijke slaapplaats in de noodopvang, maar ook daar gaat een wachtperiode aan vooraf.
Ondertussen blijft de federale regering de beslissingen van de rechtbanken naast zich neerleggen. Ze maakt zich sterk ‘het strengste migratiebeleid ooit’ te voeren. Niet het gebrek aan opvang is het probleem, maar de ‘instroom’, zo luidt het. En zo wordt de oorzaak van het falende regeringsbeleid opnieuw bij de asielzoekers zelf gelegd die met te veel zouden zijn.
Solidariteit in de schaduw
Toch lijkt er nog weinig publieke verontwaardiging te zijn over een overheid die rechterlijke uitspraken negeert, kromme redeneringen maakt en gezinnen die op straat laat leven. Het contrast tussen de situatie vandaag en de zomer van 2015 kan haast niet groter zijn. Het lijkt alsof we in de herfst van de solidariteitsbeweging zijn aanbeland. Is dat zo?
Tot op zekere hoogte was de zomer van 2015 een uniek historisch moment. Het beeld van het levenloze lichaam van Alan Kurdi vond, samen met de beelden van dolende families in Brusselse straten de weg naar de woonkamers en smartphones van Belgische burgers. De schok was even groot als de kans om iets te doen.
De verontwaardiging om het politieke discours van staatssecretaris Theo Francken gooide olie op het vuur. “Achteraf bekeken was Francken een ongelooflijk cadeau voor ons”, vertelt een woordvoerder van het Burgerplatform ons in een gesprek. “Bij iedere tweet stroomden nieuwe vrijwilligers binnen.”
Voor veel vluchtelingen én burgers betekende die zomer een breuk in hun leven. Er werden banden gesmeed. Het vertrouwen in de overheid kreeg een ferme deuk. Veel mensen engageerden zich voor een lange tijd, soms als vrijwilligers, soms als professionele hulpverlener.
Van onthaal naar inclusie
Hun engagement is samen met de trajecten van vluchtelingen opgeschoven van onthaal naar inclusie. Noodopvang, veilige ontmoetingsplaatsen voor vrouwen, geïmproviseerd onderwijs en vrijetijdsbesteding evolueerden naar georganiseerde taal-oefenkansen, het zoeken naar een woonst, zich inschrijven bij de gemeente of diensten die de weg wijzen in de Belgische bureaucratie.
De afgelopen tien jaar hebben honderden kleinschalige vrijwilligersgroepen zich verenigd in vzw’s, feitelijke verenigingen en professionele NGO’s. Het Burgerplatform is uitgegroeid tot een van de grootste publieke dienstverleners in Brussel.
Engagement onder druk
Door die ‘institutionalisering’ is spontane solidariteit vandaag een stuk minder zichtbaar. Toch zijn de obstakels waarmee mensen op de vlucht worden geconfronteerd er niet bepaald minder op geworden, zoals recent onderzoek uitwijst.
Organisaties die zich engageren met en voor mensen op de vlucht, staan onder zware druk. Door het gebrek aan een degelijk opvangbeleid, moet er voortdurend naar noodopvang gezocht worden voor pas aangekomen asielzoekers. Door de wooncrisis loopt het integratietraject van erkende vluchtelingen dan weer nodeloos veel vertraging op.
Ook hier moeten we de oorzaken in politieke hoek zoeken: de Vlaamse regering probeert de wooncrisis te verlichten door nieuwkomers uit te sluiten van de sociale woonmarkt. En dan hebben we het nog niet over de integratiesector die door de voorbije Vlaamse regeringen werd uitgekleed en gedepolitiseerd.
Nieuwe vonk
Door dit gebrek aan een humaan overheidsbeleid vallen er opnieuw grote gaten. Wie vult die naar best vermogen in? Inderdaad: veel vrijwilligersgroepen bieden vandaag opnieuw de laagdrempelige hulpverlening die enkele jaren geleden nog door professionals werd verzorgd.
Als humanitaire noden hoog zijn en de politiek niet thuis geeft, drukt burgersolidariteit zich opnieuw door. Dat is zowel een geruststellende als verontrustende gedachte. Het toont dat mensen nog steeds in grote getale de handen uit de mouwen steken om problemen aan te pakken. Het gevolg is evenwel dat zo politieke oplossingen buiten schot blijven.
Zal die burgersolidariteit vroeg of laat opnieuw ontsteken in een massale mobilisatie, zoals tien jaar geleden? De geschiedenis toont dat daarvoor vaak weinig nodig is. Een vonk, op het juiste moment, op de juiste plaats, volstaat.
Bron: sociaal.net