by admin | sep 7, 2025 | Economie
De beperking van werkloosheid in de tijd heeft niets te maken met het toeleiden naar jobs. Het werkt net de creatie van kwalitatieve jobs tegen.
Theoretisch gezien legt een krappe arbeidsmarkt het bal in het kamp van de werkzoekende: “keuze te over, jij bent gewild, jij hebt onderhandelingsruimte.” De keerzijde hiervan is dat werkloosheid wordt weggezet als een individueel probleem: “er zijn genoeg jobs, toch? Als je nu geen werk vindt, moet het wel aan jouw motivatie liggen”.
De heersende politieke trend is dan ook onverbiddelijk: werkzoekenden moeten met de harde hand richting jobs worden geduwd door ze extra verplichtingen op te leggen, de sanctionering op te drijven en de toegang tot uitkeringen te beperken in de tijd.
Dit is niet alleen een misvatting, het is een gevaarlijke en destructieve maatregel die niet alleen de meest kwetsbare groepen treft maar de arbeidsmarkt ontwricht en de onderhandelingsruimte van alle werknemers beperkt.
De macro-economische benadering die stelt dat er “genoeg jobs zijn” negeert structurele barrières op onze arbeidsmarkt. Talloze onderzoeken tonen aan dat discriminatie op basis van leeftijd, migratieachtergrond of werkloosheidsduur een feit is. De getuigenissen van werkzoekenden die negatieve ervaringen hebben, zijn legio. Zo ook Paul, een 50-plusser die in ons onderzoek naar de ervaringen van langdurig werkzoekenden aangaf: “In uw gezicht zeggen de werkgevers met een glimlach: je bent te oud_”.
Anderzijds is er een fundamentele mismatch tussen beschikbare jobs en de competenties van werkzoekenden. 4 op 10 van de werkzoekenden hebben geen secundair diploma. Vlaanderen kent een grote kwalitatieve mismatch: de aanwezige competenties op de arbeidsmarkt komen steeds minder overeen met wat organisaties nu of in de toekomst nodig hebben.
De weinige vissen in de vijver zijn niet de vissen die de bedrijven zoeken. Het structurele probleem van werkloosheid wordt ten onrechte afgewenteld op werkzoekenden. Terwijl het werkgevers zijn die beslissen wie wordt aangeworven. Niet de werkzoekenden, hoe gemotiveerd je ook bent.
Het beleid gaat ook uit van de verkeerde premisse: als mensen hun uitkering verliezen, gaan ze wel ‘beter hun best doen’ om snel een nieuwe job te vinden. Maar de realiteit is dat de helft van de werkzoekenden vandaag al in armoede leeft. Studies tonen aan dat zulke financiële prikkels niet leiden tot duurzame tewerkstelling, maar eerder tot een verschuiving naar andere stelsels zoals het leefloon, volledige inactiviteit of minder kwalitatieve jobs. Deze precaire en vaak tijdelijke jobs leiden keer op keer tot instroom in de werkloosheid. Zo komen werkzoekenden in een vicieuze cirkel van kortlopende jobs en werkloosheid terecht. Duurzame tewerkstelling blijft uit.
Bovendien zijn er ook negatieve neveneffecten. De beperking van de werkloosheidsuitkeringen verhoogt armoede en psychologische stress, wat werk vinden juist bemoeilijkt. Wie constant moet strijden om financieel te overleven, heeft minder mentale ruimte om zich effectief op werk te focussen. Werken moet lonen, maar dat betekent niet dat werkloosheid financieel ondraaglijk moet worden gemaakt.
Daarnaast houdt het upskilling tegen. Ondanks het feit dat er nood is aan een enorm opleidingsoffensief bij werkzoekenden wordt de tijd die nodig is om een opleiding te volgen, beperkt. Terwijl competentieversterking net dé meest duurzame manier is om uit de werkloosheid te geraken. Je neemt elke incentive af om te investeren in een degelijke opleiding.
Ook het draagvlak voor sociale zekerheid komt onder druk: een systeem dat mensen onvoldoende beschermt, verliest zijn legitimiteit. 1 op 2 werkzoekenden leeft vandaag al in armoede. De beperking in de tijd en bijkomende verstrenging zal mensen niet vooruithelpen maar net afremmen in de zoektocht naar duurzame tewerkstelling. Hoe meer je het systeem uitkleedt en hierdoor de doelstelling ondergraaft, verdwijnt het draagvlak ervan als sneeuw voor de zon.
Beperking van werkloosheid in de tijd heeft niets te maken met het toeleiden naar jobs. Het werkt net de creatie van kwalitatieve jobs tegen. 1 op 3 van de knelpuntberoepen bieden slechte loons- en arbeidsvoorwaarden aan. Door werkzoekenden te dwingen voor dit soort jobs te kiezen, ontneem je elke incentive voor werkgevers om te investeren in de loons- en arbeidsvoorwaarden van kwalitatief slechte jobs.
De helft van de openstaande vacatures betreft tijdelijke jobs. De verhoogde flexibilisering van de arbeidsmarkt, zoals voorzien in het nieuwe regeerakkoord, zal het aantal precaire en zware jobs laten toenemen.
Werkzoekenden worden zo met hun rug tegen de muur gezet. Omwille van tijdsdruk worden zij gedwongen te kiezen voor minder kwaliteitsvolle jobs. Zo creëer je een groep aan precaire werknemers die vastzitten in slecht betaalde, onwerkbare kortdurende jobs zonder duurzaam arbeidsmarktperspectief en met een hoge kans op uitval naar de werkloosheid of ziekte. Dit is niet enkel nadelig voor werkzoekenden, maar ook voor werknemers. Als de sociale zekerheid er niet in slaagt om mensen in waardigheid naar werk te laten zoeken, zal een werknemer er alles aan doen om de job te behouden, ook al is die niet kwalitatief.
De impact van dit beleid reikt verder dan alleen de arbeidsmarkt. De sociale cohesie komt onder druk te staan wanneer een significante groep mensen wordt uitgesloten van stabiele tewerkstelling en financiële zekerheid. Dit leidt tot meer sociale ongelijkheid en polarisatie. Bovendien dreigen publieke diensten zoals OCMW’s overbelast te raken door een toename in het aantal mensen dat afhankelijk wordt van leefloon of andere sociale hulp. Het is dus niet alleen een economisch inefficiënte maatregel, maar ook een maatschappelijk destructieve.
Conclusie? De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd is geen beleid dat duurzame tewerkstelling stimuleert, maar een instrument om de onderhandelingspositie van werkzoekenden en werknemers te verzwakken. De beperking in de tijd raakt iedereen, omdat het de druk op lonen en arbeidsvoorwaarden verhoogt. In plaats van te investeren in inclusieve en kwalitatieve arbeidsmarktmaatregelen, kiest men ervoor om mensen te bestraffen voor omstandigheden waar ze geen controle over hebben. Dit is niet alleen oneerlijk, maar ook contraproductief.
Een alternatief is nochtans mogelijk. In plaats van bestraffing en sociale uitsluiting, zijn er betere oplossingen om mensen duurzaam aan het werk te helpen:
- meer begeleiding die inzet op jobhunting en competentieversterking zijn essentieel;
- werkgevers moeten worden geresponsabiliseerd in hun aanwervingsbeleid en om betere loons- en arbeidsvoorwaarden te creëren;
- daarnaast kan een werkgarantie door de creatie van kwaliteitsvolle jobs een uitkomst bieden, zodat iedereen een plek op de arbeidsmarkt vindt.
Enkel zo kan werkloosheid structureel worden aangepakt en wordt de arbeidsmarkt écht toegankelijk voor iedereen, zonder de rechten en waardigheid van mensen in gevaar te brengen.
Bron: Sampol.be
by admin | sep 7, 2025 | Economie
Europa dreigt zijn sociale ziel te verliezen in een storm van ongelijkheid, deregulering en extreemrechts. Vakbonden moeten nu het stuur grijpen – voor werk, rechtvaardigheid en democratie.
Europa lijkt tegenwoordig op een verdwaalde fietser zonder gps in de Ardennen: vol goesting en motivatie begonnen, maar compleet de pedalen kwijt. Ooit gestart als een droom van vrede en samenwerking – staal, kolen en goede bedoelingen – maar vandaag? Vandaag hobbelen we achter de geopolitieke mastodonten aan als een knikkende dashboardhond. Zonder visie, zonder smoel, en zeker zonder sociale ankerpunten. Zeker en vast, ook de democratie piept en kraakt in haar voegen. Tijd dus dat iemand aan de noodrem trekt. Enter: de vakbonden.
En niet met een pamflet op een flap-over in een Brussels seminariezaaltje, maar met een écht project voor wie werkt, leeft en zich zorgen maakt. Want wie zich afvraagt wat het Europees project vandaag nog betekent voor werkende mensen, krijgt vaak koude rillingen. Botte bezuinigingen, platte deregulering, een ruk naar rechts en extreemrechts, en ondertussen loert een nieuwe technologische revolutie om de hoek. De cocktail is gekend, maar daarom niet minder giftig.
STORM OP KOMST
We zitten middenin een nieuwe Europese realiteit: stijgende ongelijkheid, importheffingen, geopolitieke instabiliteit en een keihard concurrentiediscours dat zelfs Mario Draghi applaudisseert. Het rapport over Europese competitiviteit dat hij schreef op vraag van Ursula von der Leyen wordt als een handleiding gelezen door de Europese Commissie – alsof dit het evangelie is. Alsof sociale rechten een last zijn, geen fundament.
Neen, het is niet alleen een economisch verhaal. Het is ook cultureel, politiek en democratisch. In heel Europa schuiven partijen op naar rechts. Extreemrechts zit in de regering in Italië, in Finland, en heeft een voet tussen de deur in nog een half dozijn andere lidstaten. Het discours van haat en uitsluiting, dat jarenlang onder de knoet werd gehouden, zit nu in het hart van de besluitvorming. En elke sociale concessie wordt afgeschilderd als een obstakel voor groei.
Tegelijk wordt er met percentages en defensiebudgetten gegoocheld alsof het om een Sinterklaaslijstje gaat. En de poetshulp in het rusthuis krijgt nog altijd een contract van week tot week. Ja, we focussen op tanks, drones en defensieprojecten, maar de sociale bescherming, pensioenen, kwalitatieve jobs, arbeidsomstandigheden en collectieve onderhandelingen? Die worden eerder als bijzaak behandeld. Is sociale vooruitgang voor sommigen dan echt een luxeprobleem?
Maar wie dacht dat vakbonden stilzitten, vergist zich. Ook wij kreunen, ook wij zuchten, maar we herbronnen. Dat is niet zomaar een werkwoord – dat is een belofte.
NEVER WASTE A GOOD CRISIS
We zijn niet aan ons proefstuk toe. Het Europees Vakverbond (EVV) werd opgericht in 1973, toen de eerste oliecrisis Europa door elkaar schudde. Energieprijzen schoten omhoog, jobs stonden op het spel, inkomens kregen klappen. We hadden het toen goed begrepen. Als vakbonden hebben we toen gezegd: dit lossen we niet op met nationale navelstaarderij, dit vraagt Europese solidariteit. Vijf decennia later staan we voor een nieuwe generatie crisissen. De vraag blijft dezelfde: doen we dit samen, of laten we iedereen aan hun lot over?
Die solidariteitsvraag is vandaag weer brandend actueel. Net als toen raken crisissen het dagelijks leven van miljoenen mensen. Denk aan de wooncrisis in veel Europese steden, de tekorten in de zorgsector, de wankele positie van jonge werknemers op de arbeidsmarkt. We mogen die situaties niet als individuele problemen wegzetten. Dit zijn structurele symptomen van een systeem dat mensen uitperst en dan weggooit.
We zien pogingen om internationale vakbondssolidariteit strafbaar te maken, aanvallen op syndicale rechten in landen als Polen, Italië, Hongarije. Het tempo is moordend, de richting ongezond. Het ‘sociaal’ dreigt het ‘economisch’ nog langer te moeten dienen dan een butler in een Brits kostuumdrama.
DE COMEBACK VAN DE VAKBOND BEGINT HIER
We moeten realistisch zijn. Het EVV is in 15 jaar tijd van 60 naar 40 miljoen leden gezakt. Dat zijn geen cijfers om zomaar aan voorbij te gaan. Dat is geen administratieve dip, dat is een structurele wake-upcall. Minder leden betekent minder middelen. Minder slagkracht. Minder druk. Dat dwingt ons tot zelfonderzoek. Waar hebben we steken laten vallen? Hoe maken we onze meerwaarde weer tastbaar – in de fabriek, het ziekenhuis, de supermarkt, het distributiecentrum?
Zeker bij jongeren zijn er uitdagingen. We moeten durven vragen: waarom zien zij ons niet meer automatisch als bondgenoot? Wat moeten wij veranderen? Dat is geen marketingvraag, dat is een existentiële vraag voor onze beweging.
We stellen vier heldere prioriteiten voorop.
1. Heropbouw van de Europese vakbondsbeweging
We moeten opnieuw een aantrekkelijke, eigen agenda neerleggen. En daarmee het speelveld op trekken. Nu blijven we te vaak hangen in defensieve reflexen en proberen we als een soort van ultieme laatste man nog net op de doellijn de pijnlijkste punten uit voorstellen van de Commissie weg te halen. De Europese Pijler voor Sociale Rechten is een goede start, maar wat we nodig hebben is actie. Bindende richtlijnen, meetbare doelen, handhaving. Geen wollige verklaringen die verdwijnen in voetnoten van verordeningen. En het moet gaan over thema’s die mensen raken: betaalbaar wonen, werkbaar werk, eerlijke lonen, recht op rust en tijd. Daarmee trek je het spel naar je toe.
2. De kracht van het getal herwinnen
Zonder leden geen macht. Punt. We moeten investeren in het aantrekken van jongeren, nieuwkomers, vrouwen – groepen die vaak precair werken en ons niet altijd vanzelf vinden. Dat vraagt om nieuwe methodes, minder bureaucratie, meer nabijheid. Ja, het betekent ook heilige syndicale huisjes in vraag durven stellen. Organiseren begint bij luisteren. Gewoon beginnen met te durven vragen: wat kunnen wij voor jou betekenen? En op de antwoorden spelen we De Bruyne-gewijs in: met diepgang om zo het verschil te maken.
3. Betere communicatie, meer zichtbaarheid
Wie weet wat het EVV doet? Wie weet dat wij onderhandeld hebben over de richtlijn inzake platformwerk? Of over zorgvuldigheidseisen voor bedrijven, de verordening tegen dwangarbeid, de bescherming tegen lood en andere stoffen? Wij wéten het, maar de Europese werknemers die we hiermee beschermen, nochtans ‘onze achterban’, weet dat te weinig. In tijden van fake news en extreemrechtse beïnvloeding is dat dodelijk. We moeten verhalen brengen die aanspreken, informeren, activeren. Geen saaie lange teksten, maar pamfletten die raken. En laten we het medium kiezen waar mensen zijn – online, fysiek, in de buurt, op het werk.
4. Tegenmacht organiseren
Een golf van deregulering en sociale afbouw beukt niet aflatend in op onze laatste zekerheidsdijken. Geloof me, die stopt niet vanzelf. Wij moeten mobiliseren – over landsgrenzen heen. Tegen de afbraak van arbeidsrechten, van collectieve onderhandelingen, van openbare diensten. De geschiedenis leert wat er gebeurt als mensen geen toekomst meer zien: dan wint de haat. Dan wint extreemrechts. Onze strijd voor sociale rechtvaardigheid is dus ook een strijd voor vrede. Wie vandaag investeert in sociale cohesie, in samenspel, voorkomt de conflicten van morgen.
SOCIALE RECHTVAARDIGHEID: HET BESTE VACCIN TEGEN HAAT
We gaan de stemmers van extreemrechts niet terughalen met een kleffe beleidsnota. Maar wél met een begeesterend sociaal project dat geloofwaardig is, zichtbaar, en gebaseerd op solidariteit en collectieve vooruitgang. Eén dat niet praat óver mensen, maar mét mensen. Daaraan moeten wij bouwen. Met vakbonden, met middenveld, met alle progressieve krachten die het verschil willen maken.
Laat ons verplichten het kind bij naam te noemen: zonder ons, geen verandering. Zonder vakbonden, geen sociaal Europa. Zonder tegenmacht, geen democratie die overeind blijft. Dus ja, we herbronnen, we heroriënteren, en we botsen onderweg zeker nog op drempels. Maar we doen het samen, verenigd. En we weten waarvoor we het doen: voor al wie werkt, leeft, hoopt.
Zelfs Ursula von der Leyen zou het moeten toegeven, al is het met tegenzin in een Eurostar vol lobbyisten: “Zonder vakbonden? Dan is er straks nog minder over van het sociale Europa dan van mijn kapsel na een NAVO-top.”
Bron: Sampol.be
by admin | sep 7, 2025 | Varia
Schepen Marc Schepers (Rood Groen +) werkte het Hasseltse woonmodel uit, waarbij de stad in dialoog gaat met projectontwikkelaars en zo de prijs van een aantal koopwoningen drukt. “Ook de politiemens, de verpleger en de leerkracht moeten in Hasselt een woning kunnen kopen”. Nu hij de politiek verlaat, hoopt hij dat het model door andere gemeenten en Vlaanderen wordt overgenomen.
Zes jaar geleden trok Marc Schepers de lijst Rood Groen + Hasselt. Die lijst haalde 11 zetels, één minder dan de N-VA van gewezen minister van Defensie Steven Vandeput. Een groot stemmenkanon was Schepers niet. Hij kwam van buiten de politiek en had als geograaf een verleden als wetenschappelijk onderzoeker (VUB), bedrijfsadviseur (mobiliteit, stadsontwikkeling en geotechnologie) en ondernemer (slimme bevoorrading van steden).
Vandeput werd burgemeester, Schepers eerste schepen. Hij mocht zich buigen over stadsontwikkeling, mobiliteit en wonen. Met zijn achtergrond een logische keuze. Bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen stond Schepers niet meer op de lijst van Vooruit, dat na 24 jaar niet langer samen met Groen naar de kiezer trok. Niemand bij Vooruit haalde meer stemmen dan Schepers zes jaar eerder. Maar die keek van aan de kant toe.
Bij wijze van afscheid schreef Schepers het boek De herovering van de ruimte (2014) met volgens Het Belang van Limburg “Tips voor politici met ballen”. Over de vereenvoudiging van de stedelijke bouwregels, de kwaliteitsmeter voor nieuwbouw, de kwartierstad (alles bereikbaar in 15 minuten en nadruk op wijken) en over het Hasseltse woonmodel. Eerst legt de vertrekkende schepen uit waar Hasselt vandaag staat.
“Hasselt is zoals veel steden in transitie. Maar anders dan de meeste Vlaamse steden zetten we ook nog de stap van het dorpse naar stedelijkheid. Hasselt heeft natuurlijk al lang het label van stad, maar in de hoofden van de mensen bleef het toch een groot dorp van ons kent ons. Met mobiliteit en stadsontwikkeling werd hier lang op een dorpse wijze omgesprongen. Steve Stevaert (SP, voorloper Vooruit) heeft daar als burgemeester (1995-2005) verandering in gebracht door onder meer van de kleine ring een groene boulevard met enkelrichtingsverkeer te maken. Steve stond zowel in Hasselt als in Brussel zo sterk dat hij dat relatief makkelijk kon doorduwen.”
In welke fase van die transitie bevindt Hasselt zich nu?
“Inzake mobiliteit en stadsontwikkeling hebben we de voorbije zes jaar grote stappen gezet. Denk aan het autoluw maken van de binnenstad, of de vergroening en verduurzaming van bouwprojecten. Maar we kwamen van ver. De stad is qua transitie nog niet halfweg. En het gevaar bestaat dat er een conservatieve terugslag komt, vooral op het vlak van mobiliteit. Zo van: laten we het maar wat rustiger aandoen en de auto opnieuw meer plaats geven. Ik vrees dat er in Hasselt de komende jaren minder op de duurzame ontwikkeling van de stad zal worden geduwd.”
Is het voor de transitie van Hasselt erg dat het door Stevaert gelanceerde Spartacusplan – sneltramverbindingen met Maastricht, Maasmechelen en Pelt – niet wordt uitgevoerd?
“Ja. Maar we moeten dat breder bekijken. Het is voor Hasselt spijtig dat er op provinciaal niveau geen efficiënt openbaar vervoer wordt ontwikkeld, dat pendelaars van en naar de provinciehoofdstad een alternatief voor de auto biedt. Wat Spartacus betreft, moet worden gedaan wat is beloofd en dat is de realisatie van de vrije bedding over de hele lengte van alle Spartacuslijnen. Verder hebben we ons in Limburg in één vervoerregio georganiseerd waardoor de stem van Herstappe, waar 80 man woont, even zwaar weegt als die van Hasselt. Zo organiseer je geen performant openbaar vervoer. Dat moet zich enten op de ruimtelijke morfologie, de bevolkingsdichtheid en de verplaatsingsvraag. Bovendien moet het inhaken op andere vervoersmodi zoals deelmobiliteit en fietsen, of op randparkings. Dat krijg je in de huidige vervoerregio niet rond.”
Wat zijn de signalen dat uw beleid zal worden teruggedrongen?
“Velen zijn geschrokken van de snelheid van onze besluitvorming. Dat is binnen mijn partijafdeling aangegrepen als argument om mij niet langer te steunen. De schijnbare en figuurlijke afstand tussen mij en de Hasselaren over grootstedelijk denken heeft zich vertaald in het moeizaam zoeken naar een draagvlak voor doorgedreven beleid. Doorgedreven is eigenlijk niet het juiste woord. Voor mij is dat noodzakelijk beleid. Want hoelang gaan we het klimaatprobleem en andere dringende maatschappelijke uitdagingen nog voor ons uit duwen?
Ik ben er trouwens van overtuigd dat ook in Hasselt, Vlaanderen en andere regio’s en landen een grote groep mensen wél daadkrachtig beleid weet te waarderen. Maar die mensen hangen niet aan de toog van de sociale media en herkennen zich ook niet in de politici van vandaag. Politici die kiezen voor beleidskracht in plaats van beleidsangst, zouden daarvoor volgens mij vandaag zeker worden beloond. Maar dan moeten hun partij en collega’s in het schepencollege dat idee ook dragen. Ikzelf had de volle steun van het schepencollege, maar niet van mijn partijafdeling.”
Geef eens voorbeelden van beleidsangst in Hasselt?
“Als je over parkeren begint, staat het kot op stelten. Maar wat is sturender voor de ‘modal shift’ en dus voor duurzaam verplaatsingsgedrag dan een doordacht parkeerbeleid? De stad kan de regie in handen nemen en bepalen waar in de stad auto’s kunnen belanden en welke vervoerskeuzen mensen maken. Dat was mijn aanpak. Maar dat maakte ook dat de auto niet meer voor de deur van de winkel of de school kan stoppen. Daar kwamen in de sociale media veel vragen over. De kleinhandel zou daar grote hinder van ondervinden. Maar waarom? De straal van de Hasseltse binnenstad bedraagt 400 meter, de diameter 800 meter. Transponeer dat eens op Gent en Antwerpen. Dat gaat over niks, hé. Het hart van de stad autoluw maken viel ondanks het uitgebreide communicatie- en participatieproces moeilijk. De lokale krant pikte dat ongenoegen op en mijn partijafdeling vond vervolgens dat ik moest dimmen. Een kleine minderheid klagers kreeg een zware stem. Geen kritische analyse en onderbouwd beleid, maar dorpspolitiek. Het algemeen belang dien je niet met Facebook als leidraad, maar met een strategie van participatie, co-creatie en betrokkenheid. Dan pas krijg je een kritische massa achter je beleid. Helaas zijn vele van onze steden nog niet voldoende georganiseerd om transitiebeleid op een kwaliteitsvolle en strategische doordachte manier aan te pakken.”
Ze hebben daarvoor onvoldoende geschikt personeel?
“In november werd in Hasselt op de ‘Werelddag van de stedenbouw’ van de Vereniging voor Ruimte en Planning de vraag gesteld waarom die ‘modal shift’ er maar niet komt, hoewel er al dertig jaar over wordt gesproken. Het antwoord was dubbel: beleidsangst én geklungel, zoals professor Tom Rye (Universiteit Molde, Noorwegen) zei. Elke politicus is afhankelijk van zijn stadsdiensten. Die hebben nog een hele weg naar professionalisering af te leggen. Ik wil onze hardwerkende en bekwame personeelsleden niet afvallen: het is een systemisch probleem. Het is moeilijk om de machine aan verandering te laten werken.”
Had u zes jaar geleden durven denken dat u vandaag tot deze analyse zou komen?
“Neen, dat had ik niet gedacht. Ik ben enthousiast de politiek ingestapt. Ik had wel als voorwaarde dat ik op korte termijn tastbare resultaten wilde behalen – ik ben nu eenmaal een ondernemer. Ik wist uiteraard dat er een groot verschil bestond tussen een stad besturen en ondernemen. En ik wist dat ik me met goede mensen moest omringen. Waarvan ik wel schrok is dat stedelijke overheden nog een lange weg naar professionalisering hadden af te leggen. Het gevolg was dat ik zelf ging controleren en sturen, aan micromanagement deed. Intussen is de transitie bij de diensten wel ingezet. Als dat eerder was gebeurd, hadden we meer zaken beter kunnen realiseren en had ik er misschien nog zes jaar kunnen bij doen.”
U hebt het in uw boek vaak over buurtontwikkeling.
“Hasselt heeft veel deelgemeenten en kernen met een eigen identiteit. Daarvoor werken we buurtontwikkelingsplannen uit, die we aan mobiliteitsplannen koppelen. Dat is een participatief proces. Alle bewoners denken na over hoe hun wijk er over 15 jaar kan uitzien. Dat leidt tot een niet-juridisch plan met visie en acties, dat bestuursperioden overstijgt.”
Koppel uw buurtontwikkelingsplannen eens aan de titel van uw boek: De herovering van de ruimte. Stadsontwikkeling is doorgaans ruimte innemen.
“De enge interpretatie van herovering van de ruimte is: stoppen met morsen met ruimte. Maar het kan ook gaan om het afschaffen van wegen of de ontharding ervan. Twee: de ruimte is van de mensen en niet van projectontwikkelaars. Wie in Vlaanderen grond bezit, rekent zich rijk en wil zo veel mogelijk bebouwde oppervlakte door de stadsdiensten jagen. Ik stel het scherp, want niet elke projectontwikkelaar handelt zo. Maar ruimtelijke ontwikkeling is veel meer dan het businessplan van een vastgoedpromotor. Het gaat ook om betaalbaarheid en om beschikbaarheid van ruimte voor, bijvoorbeeld, recreatie. Dat kan de markt niet realiseren. De overheid moet daarom haar rol spelen, grenzen trekken, een duwtje in de rug geven, zelf initiatief nemen.”
De overheid moet ook grond bezitten en desnoods tot onteigening overgaan?
“De overheid moet geen grootgrondbezitter zijn. Ik ben voor een regulerende en kader scheppende overheid. Maar als de overheid dan toch grond bezit kan ze die uiteraard ook gebruiken om maatschappelijke doelen te realiseren, zoals de aanleg van groene openbare ontmoetingsplekken of het aanbieden van betaalbaar wonen. Als eigenaar kan de overheid bovendien gronden met voorwaarden naar de markt brengen, met zo veel procent sociale huisvesting, bijvoorbeeld. En zeker op beeldbepalende, strategische plaatsen moet de overheid aan de knoppen zitten.”
Wat is het door Jeroen Janssens (projectcoördinator stadsontwikkeling) uitgewerkte Hasseltse woonmodel? U zet in op koopwoningen.
“Kopen is in steden erg duur geworden. Een koper moet daarbij zelf over een stevige spaarpot beschikken, die voor een woning van 300.000 euro al snel 70.000 tot 90.000 euro bedraagt. Als Hasselt gewoon de markt laat spelen, wordt er alleen voor babyboomers gebouwd: mensen uit de hele provincie die door de dynamiek en gezelligheid van de centrumstad worden aangetrokken. Die mensen zijn kort na de Tweede Wereldoorlog geboren, hebben gespaard en hun grotere huis verkocht. Zo neemt de vergrijzing nog toe. En nu al zijn we na Oostende de snelst vergrijzende stad van de 13 Vlaamse centrumsteden. Dat is sterk, want Hasselt is ook een stad met een groeiende universiteit en florerende hogescholen. We willen dat jonge afgestudeerden hier na hun studie blijven hangen. Maar ze vinden gemakkelijker een betaalbare woning in andere steden en zeker in de brede groene rand rond Hasselt.
Met ons woonmodel willen we die jongeren over de drempel van die 70.000 à 90.000 euro eigen kapitaal tillen, want ze hebben met een diploma op zak uitzicht op een goede job en dus afbetalingsmogelijkheden. Alleen missen ze eigen kapitaal. Daarom maken we de huizen en appartementen goedkoper. Als stad gaan we met een projectontwikkelaar in dialoog. Als overheid kunnen we heel wat meerwaarde bieden aan een woonproject. Als we extra woongebied creëren, wil de stad een deel van de gegeneerde meerwaarde terugzien die we dan bijvoorbeeld omzetten in korting op woningen. We hebben onze verordeningen ook eenvoudiger gemaakt en een dialoogkader met woonkwaliteitsparameters ontwikkeld, zodat we aanvragen beter in hun context kunnen beoordelen. Op de ene plek is er nu eenmaal meer bouwvolume mogelijk dan op een andere. Maar daar staat maatschappelijke meerwaarde tegenover: vergroening, slimmere mobiliteit…”
Andere steden kennen ook stedelijke ontwikkelingskosten waarbij de privésector in gemeenschapsvoorziening of openbaar domein voorziet.
“Nieuw aan het Hasseltse woonmodel is dat we de prijs van de koopwoning drukken. Daarmee bereiken we niet de kleinste portemonnees, maar wel mensen die het moeilijk hebben op de koopmarkt. Dat zijn die afgestudeerde studenten. Ook de politiemens, de verpleger en de leerkracht moeten in Hasselt een woning kunnen kopen. Er zijn een paar voorwaarden aan verbonden: kandidaten mogen nog geen eigen woning bezitten, ze engageren zich tot domiciliëring in de woning en hebben geen gezinsinkomen dat ver boven het gemiddelde uitstijgt.
Hasselt werkt met kooprechten, die de stad verwerft van de projectontwikkelaar en vervolgens aan kandidaat-kopers doorgeeft. Dat kan door meer woningen te laten bouwen waardoor we korting voor betaalbaar wonen kunnen geven. Kandidaat-kopers spreken met ons contractueel af dat als ze ooit verkopen, dat aan de stad is. Dat gebeurt tegen de aanvankelijke koopwaarde plus de gezondheidsindex, die ver onder de vastgoedindex ligt. Dat is een vorm van borgstelling voor de bank. We maken een overeenkomst met de bank en de kopers, zodat die tot 100 procent van de som kunnen lenen. Als stad onderhandelen we tussen ontwikkelaar en koper, maar de overeenkomst wordt tussen die twee gesloten. We tekenen de akte wel mee. Het interessante is dat het snel gaat. Voor elk project met dertig wooneenheden willen we x-aantal betaalbare woningen.”
Hoeveel zijn dat er op pakweg 30 woningen?
“Dat varieert. In het Dokter Willems Kwartier gaat het om 45% betaalbare woningen, soms is dat cijfer nul. We raken met dit systeem niet aan de winstmarge van de ontwikkelaar en we slaan ook geen gat in de stadskas. De betaalbare woningen blijven 30 jaar in dat model zitten, maar bij elke verkoop komt de teller weer op nul en begint die 30 jaar opnieuw te lopen. Wil de eerste eigenaar na zes jaar verhuizen, dan komt zijn huis terug bij de stad die het gebouw opnieuw op de markt brengt, zelfs nog iets goedkoper dan de eerste keer doordat we zoals gezegd niet de vastgoedindex hanteren. Zo groeit het patrimonium en worden deze woningen goedkoper.”
Waar staat u daarmee vandaag?
“Het model en de modelcontracten zijn uitgetekend, en academisch en juridisch afgetoetst. Alles is door de gemeenteraad goedgekeurd en er lopen 3 projecten. Op een jaar tijd worden 100 betaalbare woningen vergund en deels op de markt gezet. Zonder dat het de overheid veel moeite of geld kost.”
Zal er continuïteit in dit beleid zitten?
“Daarin heb ik alle vertrouwen. Ook ideologisch valt er weinig tegen in te brengen. We kannibaliseren de markt niet, we laten haar spelen in een vorm van publiek-private samenwerking. Dit is een model dat andere gemeenten kunnen kopiëren. Het zou ook fijn zijn mocht de nieuwe Vlaamse minister van Wonen, Melissa Depraetere (Vooruit), dit overnemen.”
U legt veel nadruk op de samenwerking met de privésector. In uw boek schrijft u dat de overheid de werking van nieuwe markten moet faciliteren.
“Kijk naar de uitdagingen van onze steden op het vlak van duurzaamheid, energiebesparing, elektrisch laden… Ofwel wacht de overheid tot de markt oplossingen aanreikt. Ofwel wacht de markt tot de overheid zegt wat er moet gebeuren. Waarom zouden we op elkaar zitten wachten? Inzake grote maatschappelijke uitdagingen heeft de overheid de plicht om markten te creëren. Die markt kan dan oplossingen op het terrein brengen. In Nederland heeft de overheid door het uitroepen van stiltegebieden de productie van stille vrachtwagens uitgelokt. De innovatiekracht van het bedrijfsleven heeft een begin en een einde, en vooral het begin is moeilijk. Zoek maar eens risicokapitaal! Daarom moet de overheid het eerste stukje rijden en ondernemers die grote maatschappelijke uitdagingen mee willen aangaan op weg zetten. Dat is ook wat professor economie Mariana Mazzucato schrijft.”
Bron: Sampol.be
by admin | sep 7, 2025 | Onderwijs
Vanaf dit schooljaar kost volwassenenonderwijs plots 2,5 keer meer. Wat bedoeld is als ‘sociale correctie’ dreigt vooral de deuren te sluiten voor wie het het hardst nodig heeft.
Mei 2025. Velen horen het in Keulen donderen wanneer onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) zonder voorafgaand overleg aankondigt dat vanaf het schooljaar dat vandaag begint de bijdrage van cursisten in het volwassenenonderwijs 2,5 keer zo duur zal worden (van 1,5 tot 4 euro per lesuur). Zogezegd om de meest kwetsbare groepen meer en beter te dienen. Een vreemde redenering, want drempels verhogen leidt nooit tot meer participatie. Voor minder kapitaalkrachtigen wordt het hoge inschrijvingsbedrag wellicht een onoverkomelijk obstakel. Ondertussen blijkt dat de CVO’s massaal cursisten verliezen.
DE ZWAARSTE SCHOUDERS
Zuhal Demir wil naar eigen zeggen een “gigantisch Mattheüseffect-probleem” aanpakken, ofte: diegenen die veel diensten gekregen hebben, kunnen in de ogen van de minister best voortaan wat minder krijgen. De 287.809 levenslangleerders die zich vorig jaar voor een cursus inschreven, zijn – volgens haar – overwegend mensen die veel “publiek gefinancierd onderwijs” genoten. De nieuwe maatregel zorgt er bijgevolg voor dat “de zwaarste schouders de zwaarste lasten [dragen]”. Voilà, een koekje van eigen deeg voor de socialisten, moet ze gedacht hebben. De “sociale correcties” die de minister toepast, zijn echter erg eenzijdig: beroepsopleidingen en Nederlands krijgen geen prijsstijging. Al de rest wel.
Onderwijsexpert Dirk Vandamme haast zich in juni om het voorstel van minister Demir te verdedigen. Na de obligate lofzang op het volwassenenonderwijs, wijst hij in zijn opiniestuk in De Standaard op het belang van de individuele investering. “De positieve baten van bijleren voor het individu komen er pas wanneer mensen er zelf gaan in investeren, ook financieel. […] Wanneer je het bijleren als een investering ziet, ben je meer bereid je er echt voor in te zetten.” Vandamme denkt wellicht aan wat mensen vandaag bereid zijn te geven aan fitness en andere op het individu gerichte sportieve activiteiten. Een dergelijke logica is echter verre van algemeen toepasbaar op cursussen binnen het volwassenenonderwijs.
INDIVIDUELE KIJK EN ARBEIDSMARKT
De individuele kijk op investeren in leren verklaart de ministers denigrerende uitsmijter van “hobby-opleidingen” helemaal. Los van een grove veralgemening, legt een dergelijke uitlating vooral een utilitaire, liberale visie op het leerproces bloot. Leren is een bezigheid die pas interessant wordt als je er op de arbeidsmarkt ook iets mee kunt doen, is het adagium. Zou het echter niet kunnen dat de arbeidsmarkt de dag van vandaag gebaat is bij weerbare, sociale en meertalige werknemers, die goed situaties kunnen lezen, mee kunnen nadenken en goed samenwerken? Is het niet de taak van gemeenschapsvoelende politici om de samenleving in haar geheel voorop te stellen en te kiezen voor wat het maatschappelijke weefsel het meest versterkt?
Elke opleiding zorgt ervoor dat mensen elkaar vinden en samen kennis opbouwen. Sociale vaardigheden komen samen met de inhoud. In het geval van talen, zorgt dit voor ontmoeting met anderen en voor empathie onder sprekers. In tijden van extreme atomisering is bevordering van intellectueel en sociaal welzijn geen overbodige luxe. Een vreemde taal en cultuur ontdekken is bovendien niet voor iedereen een hobby. Veel cursisten willen een taal bijspijkeren in het kader van hun werk, of hebben kinderen (en kleinkinderen) in het buitenland.
Het volwassenenonderwijs is essentieel voor individuele groei en voor economische ontwikkeling, maar dat is het ook voor het individuele en het maatschappelijke welzijn. In een arbeidsmarkt met meer thuiszittende zieke werknemers dan werklozen, is dit welzijn geenszins triviaal. Economie en welzijn moeten sporen. Niet voor niks vaardigde Europa een doelstelling uit die eist dat minstens 60% van alle volwassen Europeanen tegen 2030 een opleiding volgt. Vlaanderen onderschreef die doelstelling, maar het is momenteel onduidelijk hoe we die kunnen bereiken. Volgens Bruzz, zag CVO Brussel voor de opleidingen Frans en Engels, die vandaag beginnen, de leerlingenaantallen kelderen van 842 naar 10. Beide talen zijn, naast het Nederlands, nochtans erg belangrijk voor onze arbeidsmarkt.
WAT IS HET VOLGENDE?
Met de focus op de individuele meerwaarde van levenslang leren in Demirs en Vandammes aanpak bevinden we ons op een gevaarlijk hellend vlak. Wat vandaag het volwassenenonderwijs overkomt, kan morgen het deeltijds kunstonderwijs te beurt vallen. In Vlaanderen bekwamen duizenden volwassenen zich elke week gedurende vele uren in beeldende kunsten, muziek, woord, en dans. In onze samenleving zijn de cursisten vaak burgers die heel wat “publiek gefinancierd onderwijs” genoten hebben. Maar onze kunstscholen zijn niet alleen de spiegel voor de ziel van alle leerders, ze zijn ook de humus voor de cultuurproductie in onze samenleving. Vele professionele kunstenaars zetten hun eerste stappen in de academies en conservatoria, vaak zijn ze jong, maar niet zelden zijn het volwassenen met een late roeping. Maar velen zien het ook als een hobby. Niettemin exposeren ze en gaan ze zo in interactie met het brede publiek. Niks mis met een hobby dus.
Zijn er dan geen efficiëntiewinsten te boeken in de bredere vormingssector voor volwassenen? Ongetwijfeld wel. Vlaanderen geeft immers heel wat mogelijkheden tot bijscholing. Naast de centra voor basiseducatie van Ligo, heb je de VDAB, de Syntra’s en de centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s). Geert Schelstraete geeft voor de zomer in De Standaard aan dat duidelijke taakafspraken tussen de verschillende instellingen tot meer duidelijkheid en minder dubbel werk kunnen leiden. En hier kon minister Demir een belangrijke rol spelen, want ze heeft zowel het beleidsdomein Onderwijs als het beleidsdomein Werk in haar ministerportefeuille. Beleidsdomeinen die vaak niet structuren hebben die naast elkaar werken. De verkokering bij de Vlaamse Overheid in kaart brengen ware een goede eerste stap geweest. De wetenschappelijke toetsing van het opleidingsaanbod een tweede. Overleg met de opleidingsverstrekkers een derde stap. Drie stappen die ze niet overwogen heeft om te besparen en beschadiging van de sector te vermijden.
Trouwens, de beoogde besparing met de prijsstijging per uur is 33 miljoen euro. Door de dramatische terugval van het aantal georganiseerde uren, riskeert de maatregel haar doel echter voorbij te schieten. Tenzij het sowieso de bedoeling was om de sector drastisch af te bouwen.
Bron: Sampol.be
by admin | sep 7, 2025 | Varia
Op basis van point-in-time-tellingen wordt geschat dat er in 2024 in Vlaanderen 20.363 mensen dak- en thuisloos waren, waarvan 6.295 kinderen (-18 jaar). Gemiddeld een vijfde van alle getelde personen in 2024 was tussen 16 en 26 jaar. Dat zijn duizenden kinderen en jongeren die opgroeien zonder veilige thuis en zonder plek om tot rust te komen. De open brief van de Woonzaak kaartte aan wat de impact hiervan is op hun onderwijskansen, hun fysieke en mentale gezondheid en hun toekomstperspectief. De Kinderrechtencoalitie benadrukt het belang van een woonst om kinderen tot hun rechten te laten komen.
Ook politiek krijgt dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren extra aandacht. Het VN-Kinderrechtencomité toonde zich bezorgd over ‘de omvang van ontoereikende huisvesting, dakloosheid en gedwongen uitzettingen’ in België. De Belgische overheid engageerde zich door het ondertekenen van de EU Kindgarantie om prioriteit te geven aan adequate huisvesting en het terugdringen van dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren. In Vlaanderen werd de preventie van dak- en thuisloosheid bij jongvolwassenen één van de speerpunten van het Actieplan ter voorkoming en bestrijding van dak- en thuisloosheid 2020-2024.
Na kennispagina’s over preventie van uithuiszetting, woonoplossingen en het belang van bovenlokale samenwerking, willen we met dit artikel een specifieke doelgroep in de kijker zetten: kinderen en jongeren die dak- en thuisloos zijn. We kijken zowel naar preventie als naar het bieden van woongerichte oplossingen en we belichten de rol die opvang kan spelen. Dit artikel kwam tot stand met hulp van de expertengroep ‘wonen & dak- en thuisloosheid’ van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) en de bovenlokale netwerken dak- en thuisloosheid.
1. Preventie
In de ideale wereld moeten we geen oplossingen zoeken voor dak- en thuisloze kinderen en jongeren maar kunnen we dit voorkomen.
Preventie van dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren gaat in eerste instantie over het waarborgen van grondrechten. Dit betekent dat een kind kan opgroeien in een samenleving met voldoende betaalbare en kwalitatieve huisvesting, waar armoede, sociale uitsluiting en discriminatie aangepakt worden en waar de hulpverlening toegankelijk en kwalitatief is.
Hieronder volgen een aantal maatregelen waarop kan ingezet worden om dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren te voorkomen. Specifieke maatregelen met betrekking tot huisvesting komen aan bod bij de woonoplossingen in het volgende onderdeel.
1. Vroegdetectie en -interventie
Onderzoek toont aan dat ingrijpende jeugdervaringen, zoals opgroeien met een ouder met psychische problemen, een ouder in detentie of in geweld- of misbruiksituaties, het risico op dak- en thuisloosheid sterk verhogen. Problematische thuissituaties snel detecteren en met de grootste zorg voor de aanwezige kinderen ingrijpen is cruciaal om te voorkomen dat een situatie escaleert. De Kindreflex kan hierbij helpen.
Een andere methodiek die inzet op de vroegdetectie van risicofactoren voor dak- en thuisloosheid is Upstream. Upstream identificeert kwetsbare jongeren door middel van een screening van middelbare scholieren (13 tot 15 jaar) aan de hand van een vragenlijst waarin onder andere naar de huisvestingssituatie gepeild wordt. Aan de resultaten worden zowel individuele begeleiding van de jongere als een bemiddelingstraject met de ouders gekoppeld. In Vlaanderen lopen momenteel drie Upstream projecten (meer info: Upstream: voorkomen van schooluitval en jongerenthuisloosheid | Opgroeien).
2. Luisteren naar kinderen en jongeren
Als hulpverlener en beleidsmaker hebben we soms de neiging om te vertrekken van wat wij denken dat mensen nodig hebben. Zeker bij kinderen en jongeren, want ‘die weten niet wat goed voor hen is’. Het klopt uiteraard dat kinderen en jongeren vaak nog geen volledig inzicht of overzicht hebben van wat er nodig is om hen zo goed mogelijk te ondersteunen, maar dat wil niet zeggen dat we zomaar voorbij kunnen gaan aan hun noden en wensen.
Een mooi voorbeeld van hoe er wel geluisterd kan worden naar jongeren rond het thema wonen is de Woonpartij van Betonne Jeugd en Uit de Marge. Zij doorkruisten Vlaanderen en Brussel om in gesprek te gaan met jongeren over dak- en thuisloosheid en het recht op wonen. De bevindingen werden gebundeld in een Woonrapport. Volgende thema’s werden door de bevraagde jongeren naar voor geschoven als prioritair op de weg naar een volwaardig recht op wonen:
- woonkwaliteit
- mentaal welzijn
- een netwerk opbouwen
- administratie
- toegankelijkheid van de private woonmarkt
- de kost van wonen
- bestrijden van dakloosheid
- onderwijs
3. Aandacht voor zelfstandig wonen op school
Dakuzie, een netwerk rond dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren, pleit in haar signaalnota voor meer ruimte voor maatschappelijke discussie en informatiedeling over volwassen worden en zelfstandig wonen in de leerplannen van het secundair en hoger onderwijs. Thema’s die aan bod kunnen komen zijn budgetbeheer, kennismaken met instanties die kunnen helpen om tot je rechten te komen en leren over maatschappelijke discussies die jongeren aangaan (bv. woningnood, armoede, wachtlijsten in de hulpverlening, …).
Een voorbeeld van een programma dat hierop inzet is Dromen van alleen wonen van Wonen aan de Demer.
4. Brugfiguren en safe spaces
Een ander idee waar Dakuzie heil in ziet om dak- en thuisloosheid te voorkomen is inzetten op vertrouwensfiguren die de brug kunnen maken tussen jongeren en verschillende levensdomeinen (bv. school, werk, huisvesting en hulpverlening). Ook veilige omgevingen waar jongeren zichzelf kunnen zijn, tot rust kunnen komen en een sociaal netwerk kunnen opbouwen, kunnen een verschil maken. Voorbeelden hiervan zijn:
- OverKop-huizen: jongeren kunnen hier zonder afspraak binnenlopen om te ontspannen of een luisterend oor te vinden.
- Betonne Jeugd: biedt vanuit een vrijetijdswerking een veilige thuisbasis aan jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties.
- JUMP: een inloophuis waar jongeren terecht kunnen voor activiteiten, begeleiding of om iets te eten of hun was te doen
- Homie vzw: tracht jongvolwassen dak- en thuislozen een veilige plek te bieden door jongeren een tijdelijk dak boven het hoofd te geven, in combinatie met individuele begeleiding en het voorzien van een sociaal netwerk.
5. Hulpverlening toegankelijker maken
Als we willen dat jongeren vlot de weg vinden naar de hulpverlening, moeten we zorgen dat die hulpverlening bereikbaar, betaalbaar en beschikbaar is voor alle jongeren. Elementen die hiertoe kunnen bijdragen zijn:
- Communicatie: zet in op laagdrempelige communicatiekanalen, zorg voor een snelle respons en zorg voor toegankelijk taalgebruik.
- Participatie: zorg dat jongeren zich betrokken en gehoord voelen in de hulpverlening door hen mee te laten denken en beslissen over de hulpverleningsaanpak en door te werken met ervaringsdeskundigen.
- Toegankelijkheid: zorg voor inloopplekken zonder afspraak, beperk de administratieve romplomp, werk outreachend en kies voor een locatie die jongeren al kennen.
- Inclusiviteit: zorg dat ook jongeren met een migratieachtergrond en LGBTQIA+ jongeren zich welkom voelen.
- Zorgcontinuïteit: zorg dat de hulpverlening op elkaar afgestemd is en dat er goed doorverwezen en samengewerkt wordt over de verschillende sectoren en disciplines heen.
- Vertrouwen: zet extra in op de vertrouwensband met jongeren door voldoende tijd te nemen om contact te leggen, een betrouwbare aanwezigheid van hulpverleners te voorzien, in te zetten op een niet-oordelende basishouding en voldoende autonomie te geven aan de jongeren.
Organisaties die hierbij kunnen ondersteunen zijn Cachet vzw en Uit de Marge vzw.
6. Begeleiding van instellingsverlaters
Een kwart van de jongvolwassen dak- en thuislozen zijn jeugdhulpverlaters (bron: Zoom Dak- en thuisloosheid bij jongvolwassenen). Ook jongeren die na een periode van detentie of na het afronden van een psychiatrische opname doorstromen naar een eigen woning, worden nog te vaak aan hun lot overgelaten. Vaak zijn ze onvoldoende voorbereid op een zelfstandig leven of missen ze een netwerk om hen hierbij te ondersteunen. Daarnaast botsen ze op het tekort aan betaalbare huisvesting en hebben ze te kampen met discriminatie. Het standaard aanbieden van begeleiding kan hier een hulp zijn.
Die begeleiding kan heel laagdrempelig zijn. Cachet doet dit bijvoorbeeld door jongeren die op het punt staan om de jeugdhulp te verlaten in contact te brengen met jongeren die deze stap al gezet hebben. Dit doen ze via een brochure, kampen en workshops. Soms is er echter meer nodig. Dan kan Critical Time Intervention (CTI) een oplossing bieden. CTI gaat uit van de zelfstandigheid en eigen kracht van de jongere. In een kortdurend traject wordt het sociaal netwerk geactiveerd en versterkt. Samen met de jongere worden sleutelfiguren geïdentificeerd die ondersteuning kunnen bieden in tijden van crisis en onzekerheid.
Een belangrijk aandachtspunt bij deze doelgroep is dat jongeren die begeleid zelfstandig wonen of die zelfstandig willen wonen en die hierin begeleid worden door een erkende dienst of OCMW zich voor hun achttiende verjaardag kunnen inschrijven op de wachtlijst van een sociale woning. In verschillende gemeenten komen zij bovendien ook in aanmerking voor een versnelde toewijzing. Als dit zo is, worden zij als doelgroep voor versnelde toewijzing benoemd in het lokale toewijzingsreglement.
7. Preventie van uithuiszetting
Uit de dak- en thuislozentellingen blijkt dat maar liefst 18% van de dak- en thuisloze kinderen en jongeren in een woning verblijft die ze binnen de maand dreigen te verliezen door uithuiszetting. Deze woononzekerheid legt een enorme druk op het gezin en de ontwikkeling van de aanwezige kinderen. In dit kennisartikel vind je goede praktijken die inzetten op het voorkomen van uithuiszetting.
Specifiek voor kinderen en jongeren pleit de Kinderrechtencoalitie voor een verbod op uithuiszetting wanneer er kinderen betrokken zijn. Ook Dakuzie schaart zich achter deze eis. Ze voegen hier aan toe dat wanneer een uithuiszetting onafwendbaar is, er onmiddellijk intensieve trajectbegeleiding moet worden opgestart en er noodopvang of een alternatieve woonoplossing voorzien moet worden.
8. Netwerkvorming
Dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren valt niet op te lossen door één organisatie of lokaal bestuur. Uiteraard heeft elke organisatie een verantwoordelijkheid en kunnen ook kleinschalige projecten het verschil maken voor individuele dak- en thuisloze kinderen en jongeren. De impact wordt echter des te groter als er samengewerkt wordt over organisatie-, sector- en gemeentegrenzen heen.
Er zijn momenteel al heel wat netwerken rond dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren actief. Vlaanderenbreed is er Dakuzie, getrokken door Caritas Vlaanderen en Betonne Jeugd. Dakuzie brengt organisaties, academici en experten samen om dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren zichtbaar te maken. Dakuzie schreef ook een signaalnota ter voorbereiding van het Vlaams Actieplan ter preventie en bestrijding van dak- en thuisloosheid 2025-2029. Daarnaast zijn er in verschillende regio’s A Way Home coalities actief. Dit zijn netwerken waar (boven)lokaal samengewerkt wordt om dak- en thuisloosheid bij kinderen en jongeren op een structurele manier te voorkomen en te beëindigen. Deze coalities zijn complementair aan de bredere (boven)lokale netwerken ter preventie en bestrijding van dak- en thuisloosheid (Krachten bundelen tegen dak- en thuisloosheid | samvzw). De netwerken zijn samenwerkingsverbanden tussen verschillende lokale besturen en/of organisaties en sectoren die de krachten bundelen om dak- en thuisloosheid in hun regio te voorkomen en bestrijden.
2. Woongerichte oplossingen
Toegang tot een stabiele woonst is cruciaal om kinderen en jongeren de rust en zekerheid te geven die nodig is om hun leven verder uit te bouwen.
Voor een eerder kennisartikel verzamelden we een reeks woongerichte oplossingen voor mensen die dak- en thuisloos zijn. Hieronder focussen we op woongerichte oplossingen die zich specifiek richten op gezinnen met kinderen en alleenstaande jongeren.
1. Meer woningen voor grote gezinnen en jongeren
Volgens de SERV ervaarden in 2024 meer dan 30% van de Vlaamse huishoudens een woonnood. Dat zijn meer dan 800.000 gezinnen en alleenstaanden. Ook de wachtlijsten van de woonmaatschappijen tonen een grote woonnood in Vlaanderen. In 2024 stonden bijna 200.000 huishoudens op de wachtlijst voor een sociale woning (bron: Aantal kandidaat-huurders in Vlaanderen: cijfers).
Grote gezinnen die van een beperkt inkomen moeten rondkomen ervaren zowel op de private markt als in de sociale huisvesting bijzonder veel moeite om een kwalitatieve, betaalbare woonst te vinden. Een analyse van de wachtlijstcijfers in 2022 toont aan dat 10% van de huishoudens op de wachtlijst gezinnen van vijf personen of meer zijn en dat één op drie personen op de wachtlijst jonger is dan achttien. Bovendien blijkt dat hoe groter het gezin is, hoe langer de wachttijd wordt. Gemiddeld is dit vijf jaar voor een gezin met drie of meer kinderen. Het aanbod aan grote sociale woningen is in sommige regio’s zelfs zo beperkt en de regels voor rationele bezetting worden soms zo strikt toegepast dat grote gezinnen er helemaal geen kans maken op een sociale woning (bron: Advies rationale bezetting sociale woningen). Het Kinderrechtencommissariaat en de Vlaams Ombudsdienst adviseren om het aanbod aan sociale woningen voor grote gezinnen te vergroten en de regels voor rationele bezetting te versoepelen als dit in het belang van het kind is.
Naast grote gezinnen ervaren ook jongeren die van een beperkt inkomen moeten rondkomen moeite met het vinden van een geschikte woonst. 12,8% van de mensen op de wachtlijst voor een sociale woning is tussen 18 en 25 jaar. Steden en gemeenten kunnen ervoor kiezen om kwetsbare jongvolwassenen voorrang te geven op een sociale woning via een toewijzingsreglement waarin zij als precaire doelgroep opgenomen worden. Voorbeelden van gemeenten waar dit gebeurt, zijn Mechelen en Gent. Daarnaast kan er ook voor gekozen worden om bij kwetsbare jongeren soepeler om te gaan met de voorwaarden van lokale binding. Op de private markt kan er ingezet worden op het informeren en ondersteunen van verhuurders die aan jongeren in een maatschappelijk kwetsbare situatie willen verhuren, bijvoorbeeld door het aanbieden van woonbegeleiding of een huurgarantie.
2. Samenwonende jongeren niet benadelen
Voor veel jongeren is samenwonen of cohousen een manier om wonen betaalbaar te houden. Wanneer alle samenwonenden een inkomen hebben uit werk betekent samenwonen een grote besparing in woonkosten. Zodra één van de samenwonenden echter afhankelijk is van een uitkering of vervangingsinkomen, daalt het vervangingsinkomen sterk omdat men er vanuit gaat dat er kosten gedeeld kunnen worden. Enerzijds is het niet eerlijk dat mensen met een inkomen uit werk meer voordeel halen uit samenwonen dan mensen met een vervangingsinkomen, anderzijds kan de plotse verlaging van het inkomen ook zorgen voor conflicten of een situatie van afhankelijkheid tussen de samenwonenden.
Belangrijk bij het bepalen of iemand als alleenstaande of samenwonende beschouwd wordt, is de mate waarin er werkelijk samengeleefd wordt. Worden alle kosten gedeeld, worden er samen inkopen gedaan en gekookt of is het samenwonen beperkt tot het delen van een woning en is het verder ‘ieder voor zich’? Ook de woonkost en de hoogte van het inkomen van de andere huisgenoten kan in rekening gebracht worden om te bepalen of iemand als alleenstaande of samenwonende beschouwd moet worden. Hier flexibel mee omspringen kan een groot verschil maken voor jongeren die afhankelijk zijn van een vervangingsinkomen en een situatie van dak- en thuisloosheid voorkomen.
3. Intersectorale samenwerking
In 2024 zijn er in Vlaanderen acht intersectorale teams gestart die intensieve begeleiding aanbieden aan (dreigend) dak- en thuisloze jongvolwassenen, al dan niet in combinatie met een (tijdelijke) woonst (bron: Intersectoraal Aanbod voor Kwetsbare Jongvolwassenen | Opgroeien). Tijdens de begeleiding wordt gefocust op:
- Intensieve, integrale en outreachende begeleiding vertrekkend vanuit de noden van de jongvolwassene. De begeleiding richt zich op verschillende levensdomeinen zoals wonen, werken, leren, dagbesteding, mentaal welzijn en relaties.
- Geïntegreerde intersectorale samenwerking met gedeelde verantwoordelijkheid waardoor snelle en naadloze inzet van expertise vanuit diverse sectoren mogelijk is. Betrokken partners zijn zorg, welzijn, huisvesting, opleiding, OCMW, VDAB, Justitiehuizen en burgerinitiatieven.
- Inclusief en participatief werken waarbij ondersteuning op maat aangeboden wordt en inclusie het uitgangspunt is. Er wordt een flexibel en laagdrempelig aanbod geboden zonder exclusiecriteria waarbij passende ondersteuning op maat wordt geleverd.
4. Specifieke aandacht voor jonge nieuwkomers
We beschouwen ‘nieuwkomer’ hier als een containerbegrip dat verschillende statuten omvat: mensen zonder wettig verblijf, asielzoekers, erkende vluchtelingen, tijdelijk beschermden, gezinsherenigers, arbeidsmigranten, uitwisselingsstudenten, … Uiteraard zijn er grote verschillen in de drempels die deze groepen ervaren in hun zoektocht naar huisvesting. Er zijn echter ook heel wat gelijkenissen zoals het ervaren van discriminatie op de private huurmarkt, een gebrek aan ondersteuning bij de zoektocht naar een woonst, het tekort aan betaalbare kwalitatieve huisvesting, de wachttijd voor het verkrijgen van een huurpremie en de lokale binding als voorwaarde voor sociale huisvesting. Meer informatie over de woonnoden van nieuwkomers en bijhorende beleidsaanbevelingen zijn te vinden in de pasklare zinnen over wonen en de nota over wat lokale besturen kunnen betekenen voor de huisvesting van vluchtelingen van ORBIT.
Organisaties die zich inzetten voor dak- en thuisloze jongeren en/of gezinnen met een vluchtverhaal zijn de CAW’s, Minor-Ndako, Oranjehuis, het Kinderrechtencommissariaat en Orbit.
3. En wat met opvang?
Hoewel preventie en stabiele huisvesting de meest structurele oplossingen voor dak- en thuisloosheid zijn, zal er in noodsituaties nog steeds beroep gedaan moeten worden op tijdelijke opvang.
Dak- en thuisloze alleenstaande jongeren kunnen doorgaans in de reguliere nacht- of noodopvang terecht. Soms zijn er aparte opvanginitiatieven voor jongeren (zie Opvang voor jongeren | CAW), maar vaak komen ze terecht in opvangcentra die niet aangepast zijn aan hun noden. Deze initiatieven worden vaak als intimiderend ervaren en praktijkwerkers geven aan dat jongeren er sneller in een negatieve spiraal terechtkomen door het gebrek aan begeleiding op maat. Onderzoek toont bovendien aan dat een langdurig verblijf in crisis- en noodopvang jongeren hun mogelijkheden ondermijnt om huisvesting te behouden wanneer ze de opvangstructuren verlaten (Mayock, Corr & O’Sullivan, 2012).
Dak- en thuisloze gezinnen kunnen meestal terecht in nood-, doorstroom- of transitwoningen, al dan niet gekoppeld aan begeleiding (hier vind je meer info: Noodwoningen als opstap naar stabiele huisvesting | samvzw). Naast de lokale besturen biedt ook het CAW tijdelijke opvang aan dak- en thuisloze gezinnen aan. In Brussel kunnen gezinnen voor noodopvang naast het CAW ook terecht bij New Samusocial, het Rode Kruis en initiatieven zoals l’ilot , Centrum voor dringend onthaal Ariane en ’T Eilandje. Er zijn in Brussel ook organisaties die een (tijdelijke) woonst aanbieden specifiek voor alleenstaande moeders of zwangere vrouwen (zie hier voor een overzicht: Ik heb geen plaats om te overnachten – Born in Brussels).
Belangrijk hierbij is dat de kinderen in die gezinnen niet alleen gezien worden als onderdeel van het gezin maar als autonome cliënten met een eigen beleving en eigen noden. Ook wanneer de kinderen niet mee opgevangen worden, is het belangrijk dat eventuele betrokken kinderen in beeld gebracht worden en dat cliënten aangesproken worden op hun ouderrol. Inzetten op de Kindreflex in de dak- en thuislozenopvang kan op volgende manieren:
- vorming en intervisie voor hulpverleners
- betrekken van gespecialiseerde hulpverleners zoals kinderwerkers en kindreflex-consulenten/ambassadeurs
- instrumenten zoals het kinderboek Mijn leven als superheld, dat kinderen betrekt bij het traject in de thuislozenzorg en hun veerkracht versterkt
- het mogelijk maken dat kinderen bij hun thuisloze ouder kunnen verblijven bij bezoekrecht
- speelruimte en speelgoed op maat voorzien in de opvang
- communicatiemateriaal voorzien op maat van kinderen
- kinderen uitdrukkelijk aan bod laten komen bij casusbesprekingen
- contact houden met ouders of opvoeders die niet in de opvang verblijven
- samenwerking met Kind & Gezin, het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling, het JAC en andere organisaties die zich richten op kinderen in de regio
- een onthaalgesprek op maat van kinderen, begeleidingsruimte voorzien voor vragen van kinderen en kinderen betrekken bij het uitstroomgesprek, begeleiding van kinderen i.s.m. de jeugdhulp waar nodig
Wat doet SAM?
SAM verzamelt en deelt praktijken die inspirerend kunnen zijn voor beleid en praktijk. We geven advies, brengen praktijkwerkers samen en organiseren activiteiten en vormingen voor sociale professionals die werken aan preventieve en woongerichte oplossingen voor dak- en thuisloze kinderen en jongeren. Daarnaast ondersteunen we de intersectorale teams die werken met jongvolwassenen die (dreigend) dak- en thuisloos zijn met een coachingstraject.
Bron; samvzw.be