by admin | mei 1, 2026 | Varia
Armoede is een complex kluwen dat zich niet laat ontwarren door één organisatie of één beleidsdomein alleen. Het vraagt om een krachtenbundeling over de muren van het gemeentehuis en de sectoren heen. Het vraagt om bondgenoten.
Op 9 juni verwelkomen we lokale besturen, (lokale) partners en geïnteresseerden voor een dag die volledig in het teken staat van samen (kinder)armoede bestrijden. Hoe bouwen we aan een lokaal netwerk dat écht het verschil maakt voor gezinnen in kwetsbare situaties? Wat zijn de succesfactoren van de huidige lokale bondgenotennetwerken en hoe vertalen we die naar de praktijk in jouw gemeente?
We vertrekken vanuit de lokale bondgenotennetwerken tegen kinderarmoede. Deze netwerken verbonden de voorbije 2 jaar verschillende lokale actoren. Tijd om een balans op te maken en inzichten te delen.
Laat je inspireren door praktijkervaringen, leer van de ‘rode draden’ in de verschillende projecten en ga tijdens de inspiratietafels het gesprek aan met collega’s die voor dezelfde uitdagingen staan. Samen leggen we de fundamenten voor een toekomst waarin elk kind alle kansen krijgt.
Programma
9u: Ontvangst
9u30: Inleiding door het departement Zorg, het Netwerk tegen Armoede en deLink
10u: Panelgesprek met drie projectcoördinatoren en drie lokale besturen
11u: Pauze
11u30: De rode draden en werkzame principes van de lokale bondgenotennetwerken.
12u: Keynote door Peter Raeymaeckers
12u30: Middagpauze met lunch
13u30: Inspiratietafels
- Kwetsbare gezinnen bereiken
- Netwerken en samenwerken
- vrije tijd en participatie
- Brug tussen onderwijs en welzijn – brugfiguren
- Materiële hefbomen
- Brug over schulden: hulp bij collectieve schuldenregeling
15u30: Slotwoord
Receptie
Praktisch
9 juni
9u – 16u
Belpaire, Brussel
Het inschrijvingsgeld is 35 euro. Je inschrijving is pas definitief na betaling.
Ben je deel van een lokaal bondgenotennetwerk? Elk netwerk mag drie gratis deelnemers inschrijven. Dit kan je aanduiden in de inschrijving.
Inschrijven kan via de website
Bron: NetwerkTegenArmoede.be
by admin | mei 1, 2026 | Varia
Mensen die uit de arbeidsmarkt vallen door ziekte ervaren een verhoogd armoederisico. Er is een sterke relatie tussen gezondheid, werk en armoede: arm maakt ziek, ziek maakt arm. Ziek worden zorgt vaak voor het verlies van werk met een minder gunstige financiële situatie en een verhoogd armoederisico tot gevolg. In dit dossier staat de stem van ervaringsdeskundigen centraal. Het gaat om mensen die met een langdurige ziekte op en/of onder de armoedegrens leven. Zij formuleerden zes aanbevelingen om de terugkeer naar duurzaam werk mogelijk te maken.
Beleidsmedewerkers Sanne Coremans en Christophe Teirlinck gingen in gesprek met mensen in langdurige ziekte en een eventuele terugkeer naar werk: “Besteed meer aandacht aan de geleidelijke opbouw van ziekte naar werk.” Ze schreven een artikel met verhalen en aanbevelingen dat Sociaal.Net publiceerde op 29/1/2026.
Het aantal mensen in langdurige arbeidsongeschiktheid neemt jaar na jaar toe
Sinds 2019 zijn er in België meer mensen met langdurige arbeidsongeschiktheid dan mensen in werkloosheid. Eind 2023 rapporteerde het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) over 526.507 mensen in langdurig zieken en invaliditeit in België. Afgelopen 5 jaar zijn er zo’n 100.000 mensen in langdurige ziekte bij gekomen.
Heel wat mensen, politici, onderzoekers, werkgevers, professionals uit de gezondheids- en tewerkstellingssector hebben een visie over langdurig zieken en hoe zij terug aan het werk kunnen (of moeten) gaan. De stem van mensen met langdurige ziekte ontbreekt vaak en is weinig gehoord in het politieke en maatschappelijke debat. In dit dossier staat de stem van ervaringsdeskundigen centraal. Het gaat om mensen die met een langdurige ziekte op en/of onder de armoedegrens leven.
“Onze maatschappij is sterk gericht op het hebben van werk. Bijdragen aan de samenleving wordt vaak heel eng bekeken en betaalde arbeid wordt gezien als de enige manier om bij te dragen. Als mens die ziek is, is het niet eenvoudig om terug aan die standaard te voldoen. Nochtans kan ik op vele manieren bijdragen aan de samenleving, ook als mens waarvan de gezondheid niet zo goed is.”
Lees het volledige dossier
Bron: NetwerkTegenArmoede.be
by admin | mei 1, 2026 | Varia
Het Netwerk tegen Armoede stelt vast dat er een toename van drempels is die de toegang tot sociale grondrechten belemmeren en afbouwen. De stijgende voorwaardelijkheid van rechten wordt ingegeven vanuit wantrouwen en negatieve denkbeelden over mensen in armoede. Dit terwijl armoede structurele oorzaken heeft en een verantwoordelijkheid is van de hele samenleving. De toenemende voorwaardelijkheid van sociale grondrechten bemoeilijkt structurele armoedebestrijding. Steeds meer mensen vallen uit de boot of haken af door de wirwar aan regels, bewijzen en administratieve rompslomp om sociale grondrechten te kunnen opnemen. We schreven een dossier om aan te tonen dat de voorwaardelijkheid van rechten armoede vergroot.
De Belgische Grondwet waarborgt in artikel 23 het recht op een menswaardig bestaan voor iedereen. Dat recht omvat onder meer het recht op behoorlijke huisvesting, arbeid, sociale zekerheid en maatschappelijke en culturele ontplooiing. Artikel 24 van de Belgische Grondwet garandeert het recht op kosteloos onderwijs waarbij ouders keuzevrijheid hebben.
18,2% van de Belgische bevolking en 12,9% van de Vlamingen lopen het risico op armoede of sociale uitsluiting. Die cijfers zijn te hoog voor een van de meest welvarende regio’s ter wereld. Structurele armoede is een schending van de sociale grondrechten uit artikel 23 van de Belgische Grondwet. Mensen die structureel in armoede leven, worden sociaal uitgesloten en hebben geen menswaardig bestaan. Eén of meerdere van hun sociale grondrechten uit artikel 23 worden geschonden.
De verschillende overheden in België zijn door de Grondwet ook gebonden aan beleidsvoering die deze sociale grondrechten waarborgt. De overheid mag geen beslissingen nemen die zorgen voor een aanzienlijke achteruitgang van reeds verworven rechten zonder redelijke verantwoording.
Toegang tot grondrechten
Armoede is een complexe, multidimensionale problematiek. Als je armoede structureel wil bestrijden, is het essentieel dat mensenrechten op al die domeinen onvoorwaardelijk, toegankelijk en proactief te garanderen.
De mensenrechten staan steeds meer onder druk. We horen steeds meer het ‘eigen schuld, dikke bult’-verhaal weerklinken in de samenleving en de media. De toegang tot sociale rechten wordt steeds moeilijker voor mensen in maatschappelijk kwetsbare positie, omwille van de verbinding van voorwaarden aan de toegang tot rechten. Maar ook door de digitaliseringstrend en de complexiteit van regelgeving en administratie.
Lees het volledige dossier
Bron: NetwerkTegenArmoede.be
by admin | mei 1, 2026 | Sectoren
Hoe kan je kwetsbare mensen begeleiden richting duurzaam werk? Een relevante vraag, nu de werkloosheid in de tijd beperkt werd en activering zo’n hot issue is. We gingen te rade bij psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen. “De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk.”
Arbeidsmarkt bezaaid met drempels
Iedereen heeft het over activering. Zo veel mogelijk mensen aan het werk krijgen staat hoog op de politieke agenda. Het is het doel van de beperking van de werkloosheid in de tijd en van de re-integratie van langdurig zieken.
Maar wat met mensen voor wie ‘gewoon’ gaan werken geen evidentie is? Voor wie de arbeidsmarkt bezaaid is met drempels omwille van hun kwetsbaarheid? Neem mensen met psychische en psychiatrische moeilijkheden, geheugen- of aandachtsproblemen, chronische vermoeidheid of pijn. Of bijvoorbeeld mensen die erg moeilijk met stress om kunnen gaan of zo angstig zijn dat ze niet buiten durven komen. Of mensen met een verslaving en mensen die problemen hebben met hun woonsituatie. Hoe ziet duurzaam begeleiden naar werk er voor hen uit?
Zorg én werk naast elkaar
“De sleutel ligt in een aanpak die op twee sporen loopt: zorg en werk”, zegt psycholoog en casemanager zorg Mieke Vermeulen van UPC KU Leuven Campus Kortenberg. “Je moet holistisch kijken naar de problematiek van de persoon en naar de invloed daarvan op de werkvloer. Door niet alleen begeleiding te bieden, maar ook een stage, kan je in de praktijk zien waar iemand op botst en er vervolgens mee aan de slag gaan.”
Mieke werkt al sinds 1990 in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg en is daar al bijna twintig jaar bezig rond activering. De tweesporenaanpak is sinds 2014 decretaal verankerd in zogenaamde ‘werk- en zorgtrajecten’. In die intensieve activeringstrajecten van maximum 18 maanden begeleidt een casemanager zorg, zoals Mieke, in duo met een casemanager werk mensen die nog niet klaar zijn voor betaald werken.
Het doel? Samen met de persoon achterhalen of die na het wegwerken van drempels wel betaald aan de slag kan. Bij ongeveer de helft blijkt dat mogelijk. Velen gaan kort na het traject aan de slag. En die tewerkstelling is dankzij deze aanpak ook duurzaam, vertelt Mieke. “Ook een jaar later blijken de meesten nog aan het werk. Je ziet dus dat als je de componenten zorg en werk naast elkaar zet, mensen echt wel kunnen groeien.”
Samenwerkingsverband
Het begint allemaal bij de VDAB wanneer een bemiddelaar inschat dat betaald werk niet, niet meer of nog niet mogelijk is en dat komt door cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale (CMPPS) belemmeringen. Het gaat om erg diverse profielen van alle mogelijke leeftijden. Sommigen zijn werkloos, anderen arbeidsongeschikt of ontvangen een leefloon. Sommigen nog maar recent, anderen al jarenlang.
Kort gezegd belandt het dossier van de persoon uiteindelijk bij het ‘samenwerkingsverband zorg’ van zijn regio. Rond de tafel van dit samenwerkingsverband zitten regionale welzijnspartners, zoals CAW, OCMW’s of mutualiteiten, partners uit de geestelijke gezondheidszorg en VAPH-partners.
Naast haar job als casemanager coördineert Mieke ook dit intersectoraal netwerk in Vlaams-Brabant. “Afhankelijk van de kwetsbaarheden van de persoon, bekijken we met de organisaties rond de tafel wie het best geplaatst is om de rol van casemanager zorg op te nemen. Omwille van mijn achtergrond, volg ik vooral mensen op met een psychische of psychiatrische problematiek”, vertelt Mieke. “Al gaat het in de praktijk vaak om multiproblematieken.”
GTB – Gespecialiseerd Team Bemiddeling – levert de casemanager werk aan. Samen met de cliënt en de casemanager werk maakt Mieke een trajectplan op met concrete doelen en acties rond zorg en werk. Wat willen ze bereiken? Hoe? En met wiens hulp? “De cliënt wordt de hele tijd betrokken. Ze zijn evenwaardig en beslissen mee.”
Voor de uitvoering van het plan worden er dienstverleners mee aan boord getrokken, zowel voor het luik werk als het luik zorg. In Vlaams-Brabant staan de casemanagers zorg vaak zelf in voor de begeleiding of behandeling van de cliënten. En de dienstverlener op vlak van werk zorgt dat er tijdens een werkervaringsstage geoefend kan worden.
Draagkracht als rode draad
“Mensen zijn in het verleden altijd om een of andere reden vastgelopen of uitgevallen”, zegt Mieke. “Daarom is de rode draad van elke begeleiding draagkracht: wat iemand kan en niet kan. We proberen de draagkracht te verhogen door te werken aan de moeilijkheden die het zetten van stappen naar werk verhinderen.”
“Neem bijvoorbeeld een jonge vrouw die op haar vorige job in de zorg uitgevallen was”, vertelt Mieke. “Na haar opname lukte het niet meer om de draad weer op te pikken en opnieuw te gaan werken. Onderliggend bleek een angstprobleem te spelen. We probeerden uit te klaren waar de angst vandaan kwam en zagen dat het om angst voor het onbekende ging die haar volledig verlamde. Het voordeel bij haar was dat we haar ouders mee konden inschakelen. Zij hebben haar toen de eerste keren naar de stage gebracht, dat bood veiligheid.”
Tijdens de stage werd duidelijk dat ze zeer intelligent was. “Ze had veel uitdaging nodig, maar tegelijk durfde ze die uitdaging niet aan. Het was paradoxaal. Uiteindelijk bleek dat ze hoogbegaafd was, en zowel ADHD als een autismespectrumstoornis had. Plots was er een verklaring voor waarom het in het verleden zo moeilijk ging. Daarnaast legde ze de lat voor zichzelf altijd heel hoog, waardoor ze uiteindelijk onderuitging.”
Over grenzen gaan
In de werk-zorgtrajecten is het belangrijk om te zoeken naar die achterliggende problemen, vertelt Mieke. “Zo weten we waaraan we moeten werken. Is iemand over zijn grenzen heengegaan? Dan werken we aan het herkennen en bewaken van die grens.”
De hele tijd tot aan de grens gaan, is intens. Daarom heeft Mieke daar ook bij de stages aandacht voor: na zo’n stagedag volgt soms een weerslag. “We onderzoeken goed hoe de recuperatie verloopt. Wat doet een halve dag stage met je? Kan je nog heel je huishouden doen? Of lig je een ganse dag in bed om te recupereren? Door die stage kan je dingen testen en oefenen, en waar nodig proberen bijsturen.”
“Neem opnieuw die hoogbegaafde jonge vrouw. Ze wilde graag meer uitdaging en moeilijkere taken opnemen, maar dat bleek tegelijk te overweldigend. Dus gingen we op zoek: hoe kan je enerzijds accepteren dat je draagkracht niet mee volgt, maar toch af en toe nog uitgedaagd worden? Doorheen het traject is ze daarin gegroeid. Vandaag werkt ze op haar voormalige stageplek en doet ze een mix van uitdagende en minder uitdagende taken. Belangrijk daarbij is natuurlijk dat de werkgever daarvoor openstaat.”
Helemaal op maat
Zoals het voorbeeld van de hoogbegaafde vrouw illustreert, verloopt de begeleiding helemaal op maat. Zo kan er ingezet worden op het versterken van stressbestendigheid, verandering brengen in coping, vergroten van het zelfvertrouwen en zelfbeeld, grenzen bewaken, perfectionisme, slaapproblemen, chronische pijn… De lijst is lang.
Dat gebeurt via individuele gesprekken, indien nodig psychodiagnostisch onderzoek, opbouw van het netwerk rond de cliënt en regelmatig ook groepsmodules, schetst Mieke. “Psycho-educatie is belangrijk. Omdat bepaalde thema’s vaak terugkeren, hebben we samen met zorgpartners van ons netwerk een groepsaanbod ontwikkeld. In kleine groepjes brengen we mensen bijvoorbeeld samen rond omgaan met chronische pijn. Dat benaderen we niet medisch, want we zijn geen dokters, maar vanuit de vraag: hoe ga je daarmee om? Het gaat over dit leren dragen, aanvaarden en vaak ook jezelf weer graag zien.”
Parallel met de begeleiding die Mieke biedt, loopt ook een werk-luik met de casemanager en dienstverlener werk. Dat traject biedt een veilige ruimte om in anderhalf jaar tijd te voelen en proberen: wat lukt en wat niet, en kan die grens nog opschuiven? Mieke: “Die veilige experimenteerruimte is belangrijk, want veel mensen zijn bang om opnieuw stappen naar werk te zetten. Ze zijn bang om hun moeilijkheden te vergroten, hun symptomen te verergeren en in een nog diepere put te vallen.”
Beginnen met wat wel lukt
Het startpunt is dus altijd gebaseerd op wat de persoon op dat moment wél kan, vertelt Mieke. “Je mag niet onderschatten wat een opeenstapeling van faalervaringen met deze mensen gedaan heeft. Vaak hebben ze al andere trajecten doorlopen die niet op maat bleken en niet het gewenste resultaat opleverden. Daardoor zijn ze moedeloos geworden.”
“We beginnen daarom met iets waar iedereen van denkt: dit gaat wel lukken. Een functie, een sector, binnen de mensen hun interessegebied en sterktes. Iets waar ze zelf enthousiast over zijn. De collega’s van het werkspoor zoeken dan een werkgever in de regio die wil meewerken. Meestal is dat in de reguliere economie.”
De werkervaringsstage begint meestal klein. “Het start bijvoorbeeld met twee halve dagen per week. Na een tijdje bekijken we samen of het lukt. Kan er misschien wat meer? Zo bouwen we stilaan op. Maar we checken ook in: zijn er dingen die moeilijk lopen? Daar gaan we dan verder rond aan de slag.”
“Dat is het voordeel van het werk- en zorgspoor tegelijk te lopen. Komt iemand op de werkvloer bijvoorbeeld ongemotiveerd over, dan houdt het elders bij die feedback vaak op. Wij kijken naar: wat speelt er waardoor die persoon zo overkomt? En hoe werken we daaraan?”
Tot slot: een advies
Op het einde zit de cliënt rond de tafel met de casemanagers en de zorg- en werkactoren om tot een gedeeld eindadvies voor de VDAB te komen. Is de persoon klaar om betaald te werken? En kan dat in het regulier economisch circuit, of heeft de persoon nog extra hulp of zorg nodig op de werkvloer en is bijvoorbeeld maatwerk aangewezen?
Bij ongeveer 30 procent van de mensen is de conclusie na het traject dat betaald werk nog niet lukt. Er is eerst nog andere hulp of zorg nodig. Zij krijgen een advies Welzijn. Maar dat betekent niet terug naar af. “Het grootste deel van deze mensen doet nadien zogenaamde ‘arbeidsmatige activiteiten’: vrijwillige werkgerelateerde acties op het niveau van hun draagkracht in de sociale economie of bij welzijnsorganisaties. Zo hebben ze een doel en verantwoordelijkheid en betekenen ze iets in de maatschappij. Herstelgerichte zorg blijft ook in die begeleiding aanwezig. Nazorg is erg belangrijk in de werk- en zorgtrajecten, op beide sporen.”
Een andere groep gaat betaald aan de slag, in de regio van Mieke gaat het over ongeveer de helft. Regelmatig kan dat bij hun stageplek. “Komt iemand in aanmerking voor een subsidie via individueel maatwerk, dan bespreken de collega’s die het werkluik op zich nemen dit met de werkgever van de stageplek.”
Maar ook als die subsidie niet mogelijk is, is het een win-win voor iedereen. Mieke: “In het begin moet de werkgever misschien wat meer tijd in de persoon investeren, maar op het einde van de rit halen ze zo talent binnen dat er via een gewone sollicitatieprocedure niet door was geraakt. Want ondanks de rugzak die ze meesleuren, hebben deze mensen wel sterktes die voor werkgevers interessant zijn.”
Beperking werkloosheid
Mieke gelooft duidelijk in de werk- en zorgtrajecten. “Eigenlijk is dit traject een ideale manier om objectief in te schatten wie kan en wil werken, wie met bepaalde hulp kan werken en voor wie het nog niet lukt.”
Men zou veel vroeger op de rit op deze trajecten moeten inzetten, vindt Mieke. “Wij zien vaak mensen die al heel lang ziek of werkloos zijn. Andere trajecten duwen hen soms te snel richting betaald werk, maar dan loopt het weer mis. Pas na een lange tijd komen ze bij ons terecht, als een andere aanpak niet blijkt te lukken.”
Maar de context waarbinnen het werk- en zorgtraject plaatsvindt wijzigde begin dit jaar grondig doordat de werkloosheidsuitkering in de tijd beperkt werd tot maximaal twee jaar. De impact van deze maatregel is niet te min op de cliënten van Mieke. “Voor veel mensen is dit een drama.”
“Ik hoor de ene na de andere cliënt die een brief kreeg dat de uitkering zal wegvallen. Sommigen reageren gelaten, anderen worden kwaad. Hoe dan ook komen we natuurlijk in een heel andere dynamiek terecht. Er is niet langer sprake van rustig, op maat, gedurende 18 maanden bekijken wat kan. Ineens is er bij bepaalde mensen een harde deadline, veel te vroeg in het traject.”
Het gevolg? “Sommigen stappen naar een interimkantoor, maar dat is niet noodzakelijk duurzaam. En er zijn cliënten die vrij snel een job vinden waarvan je weet dat ze echt nog niet klaar zijn met het aanpakken van de onderliggende problemen. Maar hoe lang tot ze weer uitvallen? Dat is dan weer een nieuwe faalervaring.”
Alles door elkaar geschud
De maatregel maakt het ook moeilijker om mensen aan het einde van hun traject los te laten. Want wat als de conclusie is dat iemand nog niet klaar is om te werken en hij een advies Welzijn krijgt, maar zijn uitkering stopt binnen een maand? Wat gaat er dan gebeuren met deze persoon? “Vroeger kon ik op beide oren slapen, want ik wist dat de persoon verder opgevolgd werd. Nu kan ik het toch niet zo makkelijk loslaten.”
“Alles wordt ineens door elkaar geschud”, vat ze het samen. “We doen dit al zo lang en iedereen die met deze doelgroep werkt, noemt het een good practice. Wie er middenin zit gelooft ook dat er nu eenmaal een groep is die tijd nodig heeft om te groeien. Maar de regering en ook de bredere samenleving scheert iedereen over dezelfde kam: ‘Ga toch gewoon werken!’ Terwijl de maatschappij alsmaar drukker wordt en hogere eisen stelt. Wie niet kan volgen, heeft niet veel nodig om in moeilijkheden te komen.”
Bron: Sociaal.net
by admin | mei 1, 2026 | Onderwijs
Waarom lijken leerkrachten alles zo veel mogelijk bij het oude te willen laten? ‘Als de samenleving verandert, moet het onderwijs volgen. Maar dan wel omdat het zin heeft en niet omdat er toevallig een nieuwe minister is’, zeggen de leerkrachten van de West-Vlaamse Leraarskamer van Knack.
Deze week komen de vijf Leraarskamers van Knack voor de derde keer samen. Alle panels hebben het over hetzelfde thema: de hardnekkige vooroordelen en misverstanden over hun beroep. ‘Er wordt vaak beweerd dat wij vastgeroest zijn, maar dat klopt totaal niet. Alleen worden ons te veel nutteloze veranderingen opgelegd’, klinkt het in de West-Vlaamse Leraarskamer, die in Kindcentrum De Tandem in Brugge aanschoof.
Er wordt vaak beweerd dat leerkrachten niet tegen verandering kunnen. Begrijpen jullie dat?
Ansger Perquy (leerkracht pedagogisch handelen): Als leerkrachten zich tegen veranderingen verzetten, is dat doordat die van bovenaf worden opgelegd. Het Vlaamse onderwijs scoort slecht in het een of andere onderzoek? Meteen komt de Vlaamse minister van Onderwijs weer met een rits maatregelen aanzetten. Wij worden dus telkens weer op de vingers getikt, want eigenlijk zegt de minister dan: ‘Jullie deden het niet goed en dus moet het nu anders.’ Geen wonder dat daar weerstand tegen is.
Dominiek Segaert (leerkracht Nederlands en godsdienst): Zeker als het om onnodige veranderingen gaat. Nu roept iedereen plots moord en brand omdat kinderen niet meer goed kunnen schrijven, maar dat komt wel door een koerswijziging die jaren geleden in het onderwijs is ingezet. Sindsdien hoeven onze leerlingen in de klas veel minder te schrijven. Zelfs de klassieke boekbespreking is zo goed als verdwenen. Daarnaast erger ik me verschrikkelijk aan al die superintelligente mensen die het onderwijs blijkbaar veel beter kennen dan wij en ons uitleggen hoe wij het in de klas moeten aanpakken. Ze zouden beter eens komen kijken hoe het er in de praktijk aan toegaat als je les moet geven aan 24 heel verschillende leerlingen.
Shauni Celis (leerkracht grafische technieken): De overheid legt ons soms ook veranderingen op die er op papier heel goed uitzien maar moeilijk uit te voeren zijn. Zoals het M-decreet destijds.
Kristof Vandevoorde (leerkracht magazijn in het buitengewoon onderwijs): Om de vijf jaar treedt er een nieuwe minister aan die alles weer helemaal wil veranderen. Denk maar aan de Digisprong: van Ben Weyts (N-VA), de vorige Vlaamse minister van Onderwijs, moesten alle leerlingen een computer hebben, en nu draait zijn opvolgster dat weer terug. Dat is toch veranderen om te veranderen? Ik ken geen enkel bedrijf in de privésector dat om de vijf jaar compleet van strategie verandert. Toch geen goed draaiend bedrijf.
Celis: Iets anders zijn natuurlijk de veranderingen die ons niet van bovenaf worden opgelegd maar die scholen uit eigen beweging doorvoeren. Zelf heb ik nu, met de steun van de directie, het document ter voorbereiding van de klassenraden aangepast zodat we efficiënter kunnen werken. Ik moet toegeven dat er ook collega’s zijn die zich tegen dat soort veranderingen verzetten. Wellicht komt dat doordat die extra werk met zich meebrengen.
Vandevoorde: Ik heb 32 jaar in de privésector gewerkt en daar moet alles heel snel vooruitgaan. Als je in het onderwijs zo te werk gaat, bots je bij sommige collega’s al snel op een muur. Zelfs als ze eigenlijk heel goed weten dat er veranderingen nodig zijn, verzetten ze zich daartegen. De extra werklast zal daar zeker iets mee te maken hebben.
Matthias Allegaert (leerkracht zesde leerjaar): Ik werk nu al tien jaar in een team dat lange tijd de reputatie had elke verandering tegen te houden. Tot er twee jaar geleden een nieuw directieteam aantrad. Die mensen hebben ontzettend veel veranderd en wij zijn daar allemaal in meegegaan. Als je ons op voorhand had gezegd dat we in korte tijd zo veel veranderingen zouden moeten slikken en er heel wat extra werk bovenop zouden krijgen, dan waren veel collega’s waarschijnlijk beginnen te protesteren. De reden dat ze dat nu wel aanvaarden, is dat onze directie de tijd neemt om uit te leggen waarom veranderingen worden doorgevoerd en ook hoe dat zal gebeuren. We voelen ook dat ze echt geloven in wat ze doen. Het gevolg is dat ons team onherkenbaar is veranderd.
Sofia Ben Moussa (leerkracht PAV): Toen ik vier jaar geleden startte, merkte ik bij veel collega’s inderdaad een soort veranderingsmoeheid. Daarom hield ik me een beetje in en probeerde ik niet te veel voorstellen te doen om dingen te veranderen. Maar daar ben ik van afgestapt. Als je mensen tijd gunt om zich aan te passen en hun niet het gevoel geeft dat ze ergens toe worden gedwongen, staan ze daar meestal wel voor open. Zo heb ik er als taalcoach een hele tijd over gedaan om alle collega’s ervan te overtuigen dat het echt wel een goed idee is om sommige leerlingen een woordenlijst in hun thuistaal te geven.
Inge Demeyer (leerkracht derde leerjaar): Hoewel ik al vele jaren in het derde leerjaar lesgeef, ben ik iemand die hunkert naar verandering. Ik ben altijd op zoek naar manieren om mijzelf en onze school te verbeteren. Dat moet ook, want zowel de samenleving als onze leerlingenpopulatie is enorm veranderd. Het lijkt me logisch dat we onze werking daaraan aanpassen. Sommige collega’s worden daar inderdaad heel zenuwachtig van. ‘Zal dat allemaal wel werken? Zullen we dan nog wel een echte freinetschool zijn?’ vragen ze dan. Maar als je genoeg tijd neemt om veranderingen door te voeren, lukt dat allemaal wel. Dat is net het probleem met veel maatregelen die de overheid ons oplegt: dat moet allemaal heel snel gebeuren. Neem nu de nieuwe minimumdoelen. Als je die eens goed leest, weet je dat er geen reden is tot paniek. Maar dan moeten ze ons wel genoeg tijd geven.
Ben Moussa: De samenleving is inderdaad heel snel veranderd en het onderwijs is moeten volgen. Daardoor moeten wij soms ook lesgeven over dingen waar we niet helemaal mee vertrouwd zijn, zoals artificiële intelligentie. Dat is best eng. Het lijkt me ook normaal dat je je daar als leerkracht wat onzeker over voelt. Dus moet je de nodige tijd nemen om je die nieuwe dingen eigen te maken en moet je daar indien nodig ook bij worden begeleid.
Vandevoorde: Bij elke verandering zou de vraag moeten zijn: is het wel in het belang van onze leerlingen? Sommige maatregelen die in Brussel worden genomen, zijn dat niet. Ze schaden de leerlingen zelfs. Dan lijkt het me ook normaal dat leerkrachten zich daartegen verzetten.
De Beir (leerondersteuner kleuteronderwijs): Daar ben ik het mee eens. Als leerondersteuner zie ik, bijvoorbeeld, veel kinderen met autistische kenmerken die in een grote klasgroep worden gedropt en daar grotendeels aan hun lot worden overgelaten. Dat is totaal niet in het belang van veel van die kleuters, maar de overheid schrijft nu eenmaal voor dat zij in een gewone klas moeten meedraaien. Natuurlijk voelen veel leerkrachten zich daar niet goed bij.
Ben Moussa: Ik erger me dan weer aan de Vlaamse toetsen die totaal niet op mijn leerlingen uit de B-stroom zijn afgestemd. Nog los van de inhoud moeten ze voor die test ook nog eens twee of drie uur in één grote ruimte op een stoel zitten. Veel van mijn leerlingen hebben dat nog nooit gedaan en kunnen dat ook niet goed. Geen wonder dat de resultaten dan rampzalig zijn.
Perquy: De doorstroomfinaliteit, zoals we het aso nu moeten noemen, is nog altijd de norm. Alle maatregelen en veranderingen worden op die onderwijsvorm gebaseerd. Dat getuigt natuurlijk van een grote minachting voor leerlingen uit technische en beroepsopleidingen.
Celis: Ik heb zelf beroepsonderwijs gevolgd. Toen ik na mijn zevende jaar verder wou studeren, leek iedereen te denken dat ik dat nooit zou kunnen. ‘Dat zal toch héél moeilijk zijn,’ zeiden ze. Dat wist ik natuurlijk ook wel. Maar ik heb het toch gedaan, want ik wou toen al grafisch vormgever en leerkracht worden. Nu ik zelf als praktijkleerkracht in het onderwijs sta, merk ik keer op keer dat zowel het beleid als de rest van de samenleving nog altijd neerkijkt op jongeren die een beroepsopleiding volgen. En dan bloedt mijn hart.
De Leraarskamer van Knack komt tot stand met de steun van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij.
Bron: Knack.be