by admin | jul 3, 2025 | Economie
Veel mensen denken dat overgewicht het gevolg is van slechte individuele keuzes: een goede gezondheid is je eigen verantwoordelijkheid. Maar is dat wel zo? Onderzoekers stellen dat je omgeving grotendeels bepaalt of je wel gezonde keuzes kan maken.
Risico op overgewicht
Het is een open deur: voldoende beweging en gezond eten zijn essentieel voor een goede gezondheid. Een tekort van beide kunnen overgewicht (matige vetophoping) en obesitas (ernstige vetophoping) veroorzaken. In België heeft bijna de helft van de volwassenen overgewicht, voor kinderen is dat één op drie. Die cijfers blijven stijgen.
Waarom is dat een probleem? Overgewicht en obesitas verhogen het risico op chronische ziekten zoals hartaandoeningen, suikerziekte en psychische aandoeningen zoals depressie of angststoornissen.
Geen persoonlijke keuze
Nog zorgwekkender is dat mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties een hoger risico lopen op overgewicht en obesitas en de daaraan verbonden gezondheidsproblemen. Onderzoek toont aan dat zij minder bewegen. Ze eten ook minder gezond: ze consumeren vaker bewerkte voedingsmiddelen en eten minder fruit en groenten dan mensen met een hoger inkomen.
Dat is niet alleen een kwestie van persoonlijke keuzes. De omgeving speelt een belangrijke rol. Als de plek waar je woont het moeilijk maakt om te bewegen en om gezond te eten, zijn ongezonde opties vaak de gemakkelijkste keuze. Zo’n omgeving noemen we een ‘obesogene omgeving’.
Omgekeerd kan een ondersteunende omgeving gezonde keuzes net stimuleren. De invloed van deze omgevingen wordt niet alleen bepaald door fysieke en ruimtelijke kenmerken, maar ook door sociale, economische en politieke factoren.
Altijd dichtbij?
Doe zelf maar eens de oefening. Beeld je in dat je door je buurt wandelt. Wat zie je? Zijn er brede voetpaden, groene parken en een supermarkt met verse, betaalbare voeding? Of overheersen drukke wegen, fastfoodketens en een gebrek aan veilige speelplekken?
Dat laatste beeld zien we in veel sociaaleconomisch kwetsbare wijken. Winkels met verse producten zijn verder weg, terwijl goedkope, ongezonde voeding makkelijker beschikbaar is. Speelpleinen en groene ruimte zijn schaars. Wie gezondheidsproblemen of financiële beperkingen heeft, ondervindt nog extra drempels om zich te verplaatsen of gezond te eten.
Peri-urbane omgeving
Het meeste onderzoek over dit onderwerp richt zich op stedelijke gebieden. Met CIVISANO – een vierjarig (2020-2024) project van Sciensano, de Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent – keken we naar de peri-urbane omgeving, een gebied met zowel stedelijke als landelijke kenmerken.
Deze gebieden hebben unieke uitdagingen, zoals minder voorzieningen en een beperkt aanbod van openbaar vervoer. Uitdagingen die mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties sterk kunnen treffen.
Objectieve en waargenomen omgeving
Er zijn twee soorten omgevingen: de objectieve en de waargenomen omgeving. De eerste verwijst naar de daadwerkelijke situatie die je kan meten met geografische analysetools. Hoeveel gebouwen, winkels, parken en wegen zijn er? Eerder onderzoek toonde bijvoorbeeld aan dat de bebouwde omgeving invloed heeft op beweeg- en eetgedrag.
Maar twee mensen die in dezelfde buurt wonen, kunnen die toch anders ervaren en beleven. Dat is de waargenomen omgeving. Dat wordt onderzocht aan de hand van vragenlijsten, interviews of groepsdiscussies.
Om de omgeving te verbeteren zodat mensen er gezonder kunnen eten en meer bewegen, is het belangrijk om rekening te houden met die percepties en ervaringen van bewoners. Door ons te richten op de waargenomen omgeving, krijgen we een beeld van hun obstakels en kunnen we ook oplossingen bedenken die inspelen op dagelijkse uitdagingen.
In deze bijdrage zoomen we daarom dieper in op de kwalitatieve resultaten van ons onderzoek, waaraan 61 volwassenen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties deelnamen uit twee middelgrote Vlaamse gemeenten, Duffel en Herselt.
Vicieuze cirkel
Sommige mensen komen terecht in een vicieuze cirkel van gezondheidsproblemen en sociaaleconomische kwetsbaarheid. Ons onderzoek toont hoe dat komt.
Zo blijkt dat mensen in een sociaaleconomisch kwetsbare situatie vaker een negatieve perceptie hebben over hun omgeving. Ze ervaren die als belemmerend voor gezond beweeg- en eetgedrag. Dat leidt vervolgens tot een slechtere gezondheid, wat de sociaaleconomische kwetsbaarheid verder vergroot en zo een vicieuze cirkel creëert.
Financiële drempels
Gezonde voeding en sportactiviteiten kunnen duur zijn. Maar er zijn nog veel meer financiële barrières dan het prijskaartje. Zo toont ons onderzoek dat voedsel verkrijgen, opslaan en bereiden ook kosten met zich meebrengt.
De verplaatsing naar de supermarkt kan duur zijn omdat er openbaar vervoer of brandstof voor nodig is. Thuis zijn er kosten om voedsel vers te houden of te bereiden, zoals koeling en het energieverbruik voor koken. In kleine keukens kan het moeilijk zijn om voedsel in grotere hoeveelheden te bewaren, wat bij aankoop vaak goedkoper is. En een gebrek aan kookapparatuur maakt het lastiger om voedzame maaltijden te bereiden.
Op het vlak van beweging denken velen: wandelen is toch gratis? Toch zijn ook aan recreatief wandelen verborgen kosten verbonden, geven de bevraagden aan. Zo vergt het goede schoenen, regenkleding en een smartphone met mobiele data om wandelroutes te vinden. Andere drempels die ze noemen: kosten in verband met sociale activiteiten, zoals iets gaan drinken na een wandeling met een vriend, of medische kosten zoals een kinesitherapeut.
Sociale omgeving
Ook de sociale omgeving speelt een rol bij gezond eet- of beweeggedrag. Zo blijkt sociaal isolement een factor die deelnemers belemmert in gezonde keuzes. Dat is nauw verbonden aan fysiek isolement: door het gebrek aan openbaar vervoer is het moeilijker om af te spreken met anderen en sociale netwerken op te bouwen en te versterken.
Omgekeerd kan sociale steun, zoals vrienden of buren die een lift aanbieden naar de supermarkt of voedsel delen, dan weer gezonde keuzes toegankelijker maken. Positieve sociale contacten moedigen ook beweging aan, zoals wandelen.
Negatieve sociale ervaringen, zoals het gevoel genegeerd, uitgesloten of veroordeeld te worden, kunnen het tegenovergestelde effect hebben. Dat kan ertoe leiden dat mensen groepsactiviteiten vermijden of geen sociale steun zoeken, wat vaak resulteert in verder isolement.
Voorzieningen in de omgeving
Veel mensen die aan het onderzoek deelnamen, ervaren gezondheids- en mobiliteitsproblemen. Ze vinden dat er te weinig inclusieve openbare ruimten en voorzieningen in hun buurt zijn. De afwezigheid of slechte staat van voetpaden, het gebrek aan bankjes en gratis sanitaire voorzieningen treffen hen onevenredig zwaar en beïnvloedt hun wandelgedrag.
Wat voeding betreft, stippen deze mensen vaak aan dat hun buurt wel fastfoodrestaurants en buurtwinkels op toegankelijke plaatsen heeft, maar dat er weinig opties zijn voor betaalbare en gezonde boodschappen.
Kunnen voedselbedelingen en sociale kruideniers hier een verschil maken? Hoewel ze een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties, voldoen ze niet altijd aan de behoeften van de gebruikers. Zo krijgen sommige mensen diepvriesproducten terwijl ze thuis geen diepvriezer hebben, of voedselpakketten bestaan uit producten die van lage kwaliteit, bijna vervallen en vaak ongezond zijn, of er zitten producten in die niet aansluiten bij voedingswensen of -behoeften.
Weten wat er lokaal beschikbaar is op vlak van beweging en voeding, is een uitdaging op zich. Ineffectieve communicatie en verspreiding van informatie zorgt ervoor dat mensen niet op de hoogte zijn van de opties. Bovendien ontbreekt het velen aan de middelen of digitale vaardigheden om online informatie op te zoeken.
Ook informatie begrijpen, vormt een uitdaging. Sommige mensen hebben moeite met kaartlezen, recepten begrijpen of voedingslabels interpreteren.
Belangrijkste uitdagingen
Sommige hindernissen zijn eigen aan peri-urbane gebieden. Er zijn minder non-profitorganisaties en armoedeverenigingen dan in grote steden. Deze organisaties bieden meestal ondersteunende diensten, zoals sociale programma’s, voedselhulp of belangenbehartiging voor mensen in kwetsbare situaties. Zonder die ondersteuning missen bewoners kansen op sociale contacten.
Peri-urbane gebieden hebben doorgaans meer groene ruimten, zoals velden en bossen. Maar die zijn vaak moeilijk bereikbaar of begaanbaar. Paden kunnen ruw, onverhard en onverlicht zijn. Bovendien liggen groene ruimten vaak ver van het centrum en zijn ze slecht bereikbaar met het openbaar vervoer. Voor inwoners zonder auto zijn er weinig alternatieven.
Tenslotte krijgen peri-urbane gebieden vaak minder politieke aandacht en financiering. Recente regionale veranderingen, zoals de afschaffing van bushaltes en het verdwijnen van geldautomaten, treffen deze gebieden harder. Voor inwoners voelen deze veranderingen als een gemis aan aandacht voor hun noden, wat hun gevoel van afstand en frustratie tegenover lokale en nationale beleidsverantwoordelijken vergroot.
Hoe kan het beter?
We vroegen aan bewoners wat het lokaal bestuur zou kunnen doen om de omgeving beter te maken voor hun beweeg- en eetgedrag.
Ze vinden dat er meer geïnvesteerd moet worden in openbaar vervoer of andere transportmogelijkheden, zoals auto- of fietsdelen. De verbindingen tussen het centrum en groene ruimten of sportfaciliteiten kunnen veel beter.
Een alternatief idee dat ter sprake kwam, is om een bus om te bouwen tot mobiel infopunt en voedingswinkel, om zo tot bij de mensen te komen. De bevraagde mensen zijn ook vragende partij voor gezonde, betaalbare maaltijden aan huis, niet alleen voor ouderen, maar voor iedereen.
Sociale contacten stimuleren
Er zijn ook acties nodig die sociale contacten stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan dienstencentra die outreachend werken en mensen actief uitnodigen om deel te nemen aan activiteiten. De gemeente kan ook zelf het initiatief nemen om bijvoorbeeld laagdrempelige wandelactiviteiten, ontmoetingsplaatsen of lokale gespreksgroepen te organiseren. Een van de bewoners lanceerde het idee van een ‘wandel met de hond van je buren’-campagne om sociaal contact in de eigen straat op gang te brengen.
Verder kan de gemeente bepaalde ingrepen doen om wandelen te stimuleren, zoals onderweg bankjes en toiletten voorzien, wegwijzers, goed aangelegde wandelwegen en toegankelijke voetpaden. Het wandelen kan ook gecombineerd worden met gezonde voeding, bijvoorbeeld door een wandelroute op te stellen langs lokale handelaren of boerderijen met bankjes aan hun deur.
De gemeente kan gezond eetgedrag stimuleren, bijvoorbeeld met workshops over gezond koken met weinig materiaal, een gezonde voedselmarkt, gemeenschapstuintjes met informatie over hoe de groenten klaar te maken of via sociale media een groep opzetten over gezonde voeding.
De gemeente kan ook meer inspanningen doen om informatie over beweging en voeding tot bij alle doelgroepen te brengen en om hen te motiveren om gezonde keuzes te maken. Daarbij is het belangrijk om op meerdere kanalen in te zetten en om visueel te werken. De gemeente zou ook kunnen samenwerken met lokale organisaties die informatie verder verspreiden.
Tenslotte gaven sommige deelnemers aan dat ze meer inspraak willen in hun gemeente over de beweging- en voedingsmogelijkheden, bijvoorbeeld in een werkgroep die acties bedenkt om beweging en gezond eetgedrag te stimuleren.
Ondersteunende omgeving
Lokale beleidsmakers kunnen het verschil te maken. De gesuggereerde acties pleiten voor samenwerking over sectoren heen en een inclusief beleid dat gezondheid bevordert en ongelijkheid aanpakt. Dit betekent dat elk beleidsdomein – of het nu transport, huisvesting of onderwijs is – een rol kan spelen in het bevorderen van gezondheid.
Niet alleen bij het uitwerken van initiatieven, maar ook bij het uitstippelen van beleid moeten mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties betrokken worden. Zij begrijpen hun unieke uitdagingen beter dan wie dan ook en bieden inzichten die anders gemist zouden worden.
De invloed van de lokale omgeving op voeding en beweging sijpelt via verschillende wegen binnen in het leven van sociaaleconomisch kwetsbare burgers. Toch zijn er heel wat aanpassingen mogelijk in de omgeving zodat iedereen gezonde keuzes kan maken. Er moet een shift plaatsvinden in ons denken, waarbij we gezondheid als een sociale kwestie zien die preventief en collectief aangepakt wordt.
De Grote Voedselkaart
We weten nog onvoldoende hoe Vlamingen hun voedselomgeving ervaren. Terwijl objectieve gegevens over voedselomgevingen beschikbaar zijn, blijft de subjectieve beleving onderbelicht. ‘De Grote Voedselkaart’ brengt daar binnenkort verandering in. Dit nieuwe burgerwetenschapsproject heeft als doel de subjectieve voedselomgeving in Vlaanderen in kaart te brengen. Via een app zullen burgers opdrachten kunnen uitvoeren en vragen beantwoorden over hun voedselomgeving. Wil je op de hoogte blijven? Bezoek www.degrotevoedselkaart.be en schrijf je in voor de nieuwsbrief.
Bron: sociaal.net
by admin | jul 3, 2025 | Sectoren
Alexianen Zorggroep Tienen ondersteunt mensen met een ernstige psychische kwetsbaarheid. Naast zorg wordt ook ingezet op activering. Maar voor sommige mensen is het perspectief op reguliere tewerkstelling niet meer realistisch. Voor hen is de beslissing om werkloosheidsuitkeringen te beperken in tijd, een ramp: “Een uitzondering dringt zich op.”
Werk op maat
“We komen hier niet alleen om te werken, we bouwen ook weer aan ons leven.” Het is een zin die je vaak hoort in het arbeidscentrum van Alexianen Zorggroep Tienen. Het arbeidscentrum biedt werk aan, aangepast aan de mogelijkheden en beperkingen van mensen die geen job vinden op de gewone arbeidsmarkt. Vaak gaat het om mensen met een grote psychische kwetsbaarheid, verstandelijke of fysieke beperking of om mensen die in erg complexe sociale situaties leven.
Werk op maat betekent een kans om in een aangename sfeer iets bij te leren. Dat leidt tot succeservaringen, meer zelfvertrouwen en zelfwaarde, structuur en stabiliteit, verantwoordelijkheid en het opbouwen van sociale contacten.
Eigen werktempo
In het arbeidscentrum gaan arbeidscoaches aan de slag met mensen met diverse psychische aandoeningen, complexe achtergronden en specifieke ondersteuningsvragen. Zij weten als geen ander hoe werk zowel hefboom als valkuil kan zijn. Met specfieke methodieken verlagen en overwinnen ze drempels naar de samenleving, en naar de arbeidsmarkt in het bijzonder. Met die aanpak op maat kunnen mensen het eigen werktempo bepalen, naargelang hun draagkracht tijdens hun herstel.
Voor Rita (60) is het belang van arbeidszorg duidelijk: “Na een zware depressie stond ik jarenlang aan de zijlijn. Reguliere jobs waren te veel voor mij. Ik raakte telkens opnieuw overspoeld. Via een activeringstraject kwam ik in het arbeidscentrum terecht. Een verademing: geen druk, wel structuur en begrip. Ik werk hier al meer dan zeven jaar. Mijn werk hier geeft me weer een reden om ’s morgens op te staan.”
Reguliere arbeid geen optie
Een substantieel aandeel in de arbeidszorg zijn de ‘tijdelijke activeringstrajecten’ en ‘arbeidsmatige activiteiten’ (AMA) voor mensen voor wie reguliere arbeid geen optie is. Helaas is dat de realiteit van een grote en diverse groep mensen met een psychiatrische problematiek.
Dat een gewone job (nu) niet lukt, was vaak de conclusie van een screening door werkpartners zoals VDAB en Gespecialiseerd Team Bemiddeling (GTB). Zij gaven een ‘AMA-welzijnsadvies’. Het doel van arbeidszorg is niet productie of rendement, wel het individueel welzijn.
Arbeidszorg is het enige alternatief op effectieve werkloosheid en maatschappelijke uitsluiting dat voor hen beschikbaar is. Psychisch kwetsbare mensen werken zo soms jaren in AMA, vrijwillig, zonder loon, maar met grote inzet. Zij werken vanuit de wil om opnieuw structuur, zelfvertrouwen en e
en toekomst op te bouwen.
Aanbod dun gezaaid
Voor deze mensen is het aanbod aan begeleiding dun gezaaid. Dat zou wel eens te maken kunnen hebben het feit dat de begeleidingsopdracht complex is. Want vaak worstelen deze mensen naast hun grote afstand tot de arbeidsmarkt met een multiproblematiek die ook aangepakt moet worden: schulden, armoede, eenzaamheid of fysieke beperkingen.
De vraag naar trajecten met arbeidsmatige activiteiten neemt toe. Wie ‘toeleidbaar’ is naar regulier werk, stroomt vaak al snel uit naar het gewone economische circuit. Wat rest binnen arbeidszorg is een groep mensen met een grote en steeds groter wordende afstand tot de arbeidsmarkt. Zo stijgt bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijd, waarmee dus opnieuw de al kleine kans op reguliere tewerkstelling daalt.
Arbeidszorg werkt
Een studie van UCLL en POM West-Vlaanderen concludeert dat arbeidszorg de activering en integratie bevordert. Bovendien ervaren mensen in arbeidszorg een duidelijke verbetering van hun psychosociaal welbevinden. Door arbeidszorg vergroot de kans op een positieve beweging op de participatieladder. Investering in arbeidszorg levert ook maatschappelijke en economische winst op: de investering rendeert. Voorwaarde is wel dat er kwaliteitsvolle begeleiding voorzien is.
Van een duidelijke groei richting arbeidsmarkt getuigt Davy (35): “Door mijn psychische kwetsbaarheid ben ik al jaren in begeleiding. Vroeger voelde ik me vooral een probleemgeval. Hier niet. Hier werd ik uitgenodigd om mee te doen, op mijn ritme. Ik kreeg een taak, collega’s, een doel. Dankzij arbeidzorg heb ik vrijwilligerswerk gevonden in een fietsenwinkel. Het heeft mijn zelfvertrouwen hersteld. Op termijn wil ik stappen zetten naar betaald werk. Ik droom zelfs van een eigen fietsenzaak.”
Uitkering op de helling
Een grote groep van de mensen in een AMA-traject ontvangt een werkloosheidsuitkering. Deze uitkering is vanzelfsprekend een belangrijke en noodzakelijke houvast. De federale beslissing om de duur van de werkloosheidsuitkeringen te beperken tot twee jaar zal hen hard raken.
Een uitzondering op de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen voor mensen in erkende AMA-trajecten dringt zich dus op. Niet iedereen in deze trajecten kan terugvallen op een leefloon en zou bijgevolg teruggeduwd worden in armoede en onzekerheid.
Bovendien leidt het schrappen van de uitkering tot de ondermijning van arbeidszorg zelf. Want arbeidszorg is er net op gericht om mensen in hun vaak lange hersteltraject na psychiatrische moeilijkheden, te begeleiden naar volwaardige deelname aan de samenleving.
Niet meer maar minder activering
Het ontnemen van de uitkering is niet alleen een ramp voor de betrokkenen. Het is ook een pijnlijk signaal van exclusie, terwijl het net om mensen met een zekere activiteitsgraad gaat. Mensen die nota bene door diensten als VDAB en GTB niet toeleidbaar tot de arbeidsmarkt worden geacht, maar die ondanks alles wel proberen deel te nemen aan de samenleving. Mensen die vrijwillig meewerken, groeien, leren en herstellen.
Het is een stap terug in de tijd van de hulpverlening aan en het herstel van mensen met een ernstige psychische kwetsbaarheid. Finaal zal het niet leiden tot meer maar minder activering, met uitsluiting van deze mensen tot gevolg. Meer dan dertig jaar activering in de geestelijke gezondheidszorg op de schop?
Bron: Sociaal.net
by admin | jul 3, 2025 | Onderwijs
Het volwassenenonderwijs is op vele vlakken een vergeten en onbekende speler in het onderwijslandschap. Veel volwassenen vinden in het volwassenenonderwijs nochtans een tweede adem in het leven die leidt tot een betere job, een betere positie in de maatschappij of een zelfbewuster vertrouwen in hun functioneren. Daarnaast vinden een heleboel nieuwkomers zo een plek in onze maatschappij.
De recent aangekondigde prijsverhoging heeft het volwassenenonderwijs wellicht meer bekendheid gegeven. Een sector die misschien wat te weinig van zich liet horen, kwam in elk geval nu wel naar buiten met een hele hoop goede argumenten om deze bruuske verhoging aan te klagen.
Ik ga niet al deze argumenten herhalen, maar er werd globaal verzet gepleegd tegen de opdeling hobby-opleidingen en opleidingen naar een job (ik wist trouwens niet dat minstens een kwart van mijn secundaire opleiding als hobby bedoeld was), er werd gepleit voor een levenslange en levensbrede vorming, er werd gewaarschuwd voor een mogelijke privatisering van het volwassenenonderwijs en er werden voorstellen geformuleerd voor duidelijkere afspraken en meer samenwerking in het aanbod.
Dit zijn allemaal valabele en zinvolle invalshoeken. Toch mag en moet er nog dieper gegraven worden.
Ik wil in deze bijdrage drie aspecten aankaarten die, volgens mij, nog te weinig aan bod kwamen en die het belang van het volwassenenonderwijs nog meer in de verf zetten. Ik wil het hebben over het belang van het zelfbeeld en het tanken van (zelf)vertrouwen, het doel van het volwassenenonderwijs als tijdelijke vluchtheuvel en het verschil tussen ‘leren’ en ‘onderwijs volgen’.
Zelfvertrouwen
Heel wat cursisten in het volwassenenonderwijs hebben negatieve ervaringen met het leerplichtonderwijs (basis en secundair). Hun zelfbeeld als ‘lerende’ is mogelijk danig geknakt. Zij kregen in het verleden vaak directe en indirecte feedback waardoor ze zichzelf als minderwaardig, minder intelligent en als minder verdienstelijk zien. Het gebeurt regelmatig dat ze hun traject niet hebben afgemaakt en dat ze via het volwassenenonderwijs een nieuwe adem proberen te vinden.
Maar ook de grote groep anderstalige cursisten vindt zijn plek in het volwassenenonderwijs. Ze komen uit onzekere situaties en zijn op zoek naar vaste grond onder hun voeten, vertrouwen in en van onze maatschappij en de plek die ze daar kunnen innemen. Het volwassenenonderwijs kan zorgen voor een herijking van het zelfbeeld en het opdoen van (zelf)vertrouwen.
Vluchtheuvel
Een tweede punt heeft te maken met het doel van het volwassenenonderwijs. Het doel van het leerplichtonderwijs wordt door Hanne Arendt omschreven als een ‘tussenruimte’ waar een kind of een jongere voorbereid wordt op het echte leven, een oefenplaats als het ware.
Voor volwassenen ligt dit toch enigszins anders. Zij zitten al volop ín de wereld, de bescherming is volledig weggevallen. Ze hebben een bepaalde plaats in de samenleving verworven (misschien geen al te aantrekkelijke), ze hebben werk gezocht (en al dan niet gevonden). Als ze werk vonden, was dat misschien niet de fijnste job.
Ze ervaren mogelijk dagelijks de uitdagingen van een (complex) gezinsleven. Misschien zijn ze moeten vluchten uit een ander land en hebben ze daarbij ontberingen en grote onzekerheid gekend of zijn ze dagelijks in de weer voor hun gehandicapt kind. Kortom, een heleboel grote en kleine uitdagingen hebben hun pad gekruist en die doen dat nog dagelijks.
Voor deze mensen is het onderwijs zeker geen tussenruimte of een voorbereiding op het echte leven. Voor vele cursisten uit het volwassenenonderwijs kunnen we beter spreken over een relatieve rust- en reflectieplek, een tijdelijke vluchtheuvel. Het onderwijs kan hen de kans bieden om even op adem te komen en bij te tanken.
Ik benadruk ‘kan’ omdat de verwachtingen vanuit de maatschappij (gezin, job, financiële onzekerheid, mogelijke schulden, onzekerheid over statuut, …) voortdurend op de deur blijven kloppen. Voor getraumatiseerde vluchtelingen die verplicht Nederlands volgen, is het leren van een vreemde taal bijvoorbeeld (met de druk om te moéten slagen) zeer stresserend.
De pedagogiek voor het volwassenenonderwijs richt zich, meer dan bij kinderen en jongeren, naar de volwassen persoon zelf. Zij vormen het voorwerp van de pedagogiek en minder de wereld en de cultuur.
We trachten die wereld liefst even buiten te houden om de batterijen op te laden en daarna, beter gewapend, die wereld versterkt te kunnen binnentreden. Die versterking kan er zijn op persoonlijk vlak of op werkvlak en niet zelden op beide gebieden. Iets wat ook erg versterkend kan zijn, is het ontmoeten van nieuwe mensen. Het sociale netwerk wordt hierdoor vergroot.
Een laatste aspect heeft te maken met wat Biesta de ‘verlering’ van het onderwijs noemt. Volwassenenonderwijs heeft als doel om de deelnemers te versterken. Dat is een mooie gedachte en veel leerkrachten zullen zich hierin herkennen.
Toch zien we in deze gedachte een evolutie. Waar in het verleden vooral gesproken werd over emancipatie, zien we in toenemende mate het gebruik van het begrip empowerment. Emancipatie verwijst naar een collectieve strijd tegen onrecht en uitsluiting, terwijl empowerment wordt opgevat als het versterken van de individuele verantwoordelijkheid. Vooral in de zin van het optimaliseren van je kansen op de arbeidsmarkt.
Leren vs onderwijs volgen
Maar het gaat nog verder dan dat. We horen meer en meer dat volwassenen moeten ‘leren’. Dat lijkt een neutrale formulering, maar het is toch een subtiel verschil met ‘onderwijs volgen’.
Het volwassenenonderwijs moet ook opkomen voor zijn rol als onderwijsinstelling, waar het ‘leren’ breder is dan enkel de vragen van de arbeidsmarkt invullen. Zo niet, dan ligt de weg vrij voor initiatieven vanuit de vrije markt die via onder andere online cursussen misschien wel even goed zijn in het vervullen van deze instrumentalistische ‘leervraag’.
De sterkte van het volwassenenonderwijs moet net zijn dat ze een bredere invulling van het leren hanteren. Deze invulling wordt vertaald in een manier van lesgeven vanuit verbondenheid en een betrokken relatie, maar ook in een inclusief en cultureel responsief onderwijs.
Volwassenonderwijs vindt niet plaats binnen een moreel vacuüm, het is geen louter technische aangelegenheid. Het kan volwassenen aanmoedigen om bepaalde vooronderstellingen die ze hebben, kritisch tegen het licht te houden. De leerkracht moet hierbij alternatieve kijkwijzen voorstellen. De leerkracht geeft les vanuit een bepaald mens- en maatschappijbeeld en tracht vastgeroeste opvattingen los te weken. Hij moet dit echter doen zonder de cursist te willen ompraten of bang te maken. Hij legt een alternatief voor.
Het is trouwens niet alleen de leraar die vooronderstellingen en vooroordelen zal uitdagen. Dit gebeurt evengoed door de collega-cursisten in de les tijdens de bespreking hiervan. Volwassenenonderwijs is zinvoller en waardevoller als het geplaatst wordt in een context van fundamentele humane en sociale doelstellingen. Leren heeft dan niet als doel te participeren, maar leren is dan participeren.
Bron: De Wereld Morgen
by admin | jul 3, 2025 | Economie
Ouderen zouden onze economie uithollen, de zorg overspoelen en vooral geld kosten. Maar dat beeld is niet alleen fout, het is ook kortzichtig, want het miskent de enorme waarde die deze generatie toevoegt aan onze samenleving.
Eerlijk debat
Ouderen worden in het publieke debat vaak neergezet als een economische last. In discussies over vergrijzing, pensioenen en gezondheidszorg duikt telkens hetzelfde beeld op: een groeiende groep zorgbehoevenden die druk zet op een krimpende werkende bevolking. Dat beeld is hardnekkig, maar vooral fout.
Het idee dat ouderen per definitie kwetsbaar en zorgafhankelijk zijn, klopt niet met de werkelijkheid. Veel ouderen blijven juist actief, zelfstandig en maatschappelijk betrokken. Ze doen vrijwilligerswerk, zorgen voor kleinkinderen of ondersteunen anderen in hun omgeving.
Het stereotype van de passieve oudere doet hen onrecht en voedt onterechte angstbeelden over ‘onbetaalbare ouderdom’.
Ook het idee dat ouderen na hun pensioen geen waarde meer hebben, is misleidend. Hun kennis, levenservaring en inzet blijven van grote betekenis voor de samenleving.
Ouderen kosten de samenleving geld, net als elke andere bevolkingsgroep. Maar wie alleen naar de uitgaven kijkt, mist het volledige plaatje.
De pensioenen vertegenwoordigen ongeveer 11,2 procent van het Belgische bbp, oftewel zo’n 60 miljard euro per jaar. Ook de zorgkosten nemen toe met de leeftijd. Ouderen maken 22 procent van de bevolking uit, maar zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van de jaarlijkse zorguitgaven, goed voor zo’n 25 à 30 miljard euro.
Tel je daar de pensioenen bij, dan kom je aan een totaalplaatje van zo’n 90 miljard euro.
Dat zijn stevige cijfers, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Een eerlijk debat over vergrijzing moet ook oog hebben voor de vaak onzichtbare bijdragen van ouderen aan onze samenleving – economisch, sociaal én cultureel.
Economische bijdrage
Uit tal van indicatoren blijkt dat zestigplussers aanzienlijke bijdragen leveren aan de economische groei, tewerkstelling en innovatie.
Zilvereconomie
De zogenaamde zilvereconomie – alle economische activiteiten gericht op de oudere bevolking – is veel meer dan enkel zorg en medische ondersteuning. Van aangepaste woningen en mobiliteit tot gespecialiseerde reizen en vrijetijdsbesteding. Bedrijven die inspelen op deze groeiende doelgroep stimuleren innovatie én creëren banen in uiteenlopende sectoren zoals technologie, welzijn en dienstverlening.
Ouderen zijn niet alleen zorggebruikers, maar ook actieve consumenten, investeerders en ondernemers. Hun uitgaven versterken de omzet van bedrijven, leveren jobs op én vullen de staatskas via btw en belastingen. In België vertegenwoordigde de zilvereconomie volgens Belfius in 2019 al 109 miljard euro, goed voor 23 procent van het bbp. Tegen 2025 zou dat oplopen tot 27,5 procent.
Precieze cijfers zijn moeilijk, omdat de zilvereconomie niet als aparte sector erkend wordt in officiële statistieken. Toch is haar maatschappelijke en economische impact onmiskenbaar. Ze verbetert levenskwaliteit, bevordert zelfstandigheid en vermindert eenzaamheid.
De zilvereconomie laat zien dat vergrijzing, mits goed benaderd, ook nieuwe economische kansen en welvaart kan creëren voor iedereen.
Arbeidsdeelname
Steeds meer zestigplussers blijven actief op de arbeidsmarkt. Voor 2024 wordt het aantal werkende 60-plussers in België geschat op zo’n 530.000, oftewel 10 procent van alle werkenden. In de groep van 60-64 jaar gaat het om ruim 208.000 loontrekkenden, en zelfs bij de 65-plussers blijven nog meer dan 44.000 mensen aan het werk.
Actieve ouderen betalen belastingen op hun loon en dragen 13,07 procent sociale bijdragen af. Naar schatting bedraagt de belastingopbrengst van deze leeftijdsgroep zo’n 14,2 miljard euro.
De toename van de 60-plussers op de arbeidsmarkt gebeurt helaas op een geforceerde wijze. Ze is het gevolg van het verhogen van de pensioenleeftijd en het activeringsbeleid van de overheid. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de werkbaarheid van de jobs op die leeftijd. Tezelfdertijd heeft men heel wat landingsbanen afgeschaft of uitgehold.
Het gevolg is een toenemend aantal langdurig zieken in die leeftijdscategorie, wat dan weer veel geld kost. Indien de overheid een eindeloopbaan zou organiseren die wel degelijk rekening houdt met wat haalbaar is voor 60-plussers, dan zouden er wellicht heel wat meer mensen bereid zijn om langer te werken en zou de ‘opbrengst’ groter zijn dan nu het geval is.
Een haalbare eindeloopbaan voor 60-plussers levert met andere woorden meer op dan mensen blind langer te laten werken.
Seniorpreneurschap
Ondernemen stopt niet bij pensioen. In België groeit het aantal zogeheten seniorpreneurs – 60-plussers die als zelfstandige blijven werken of pas na hun loopbaan een eigen zaak starten. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van Zelfstandigen (RSVZ) telde ons land eind 2024 maar liefst 156.690 zelfstandigen die actief waren ná de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. Dat is een stijging van ruim 6 procent tegenover het jaar voordien.
Seniorondernemers zijn er in alle sectoren: van consultancy tot horeca, van ambacht tot creatieve beroepen. Ze bouwen voort op ervaring en netwerken die ze in hun carrière hebben opgebouwd. Van de 156.000 seniorondernemers zijn er zo’n 116.000 mannen en 40.000 vrouwen.
Zelfs met een voorzichtige raming van 40.000 euro jaaromzet per persoon, vertegenwoordigt deze groep samen een economische waarde van ruim 6,2 miljard euro. Daarmee bewijzen seniorpreneurs dat ook na het pensioen ondernemerschap springlevend kan zijn – en een serieuze bijdrage levert aan onze economie.
Schenkingen en erfenissen
Ouderen dragen hun opgebouwde vermogen doorgaans over aan de jongere generaties via erfenissen of schenkingen. Hoewel er geen officiële uitsplitsing is per leeftijd, is het duidelijk dat 60-plussers verantwoordelijk zijn voor het overgrote deel van de jaarlijkse tientallen miljarden euro’s aan erfenissen en schenkingen in België.
In 2023 inde Vlaanderen 1,6 miljard euro aan erfbelastingen, afkomstig van 66.356 overlijdens met een belastbaar vermogen van 13,8 miljard euro. Daarnaast bracht het Vlaamse gewest 900 miljoen euro op uit notariële schenkingen, voornamelijk van vastgoed. Voor heel België bedroeg de totale opbrengst uit schenkingen in 2022 zo’n 3,5 miljard euro.
Consumptie
Volgens Statbel spenderen koppels in deze leeftijdsgroep gemiddeld 1.976 euro per jaar aan cultuur en recreatie, en nog eens 1.976 euro aan horeca – samen goed voor bijna 4.000 euro. Bij actieve of vermogende ouderen ligt dit bedrag mogelijk hoger. Alleenstaanden of mensen met een klein pensioen geven doorgaans minder uit.
Ter vergelijking: het gemiddelde Belgische huishouden gaf in 2022 zo’n 5.942 euro uit aan ontspanning en horeca.
Informele economie
De informele economie voor ouderen verwijst naar economische activiteiten en bijdragen die niet officieel geregistreerd, gemeten of belast worden door de overheid. Het omvat een breed scala aan onbetaalde of ‘zwart’ uitgevoerde taken en diensten, die echter van enorm maatschappelijk belang zijn.
We bespreken ze hierna. Gezien de relatief lage pensioenen in België zijn er nogal wat ouderen die hun pensioen aanvullen met kleine klusjes in het zwart.
Bijdrage aan welzijn
Naast hun economische en professionele rol leveren ouderen ook een immense bijdrage via onbetaalde zorg en engagement.
Mantelzorg
Volgens een studie van UHasselt vertegenwoordigt mantelzorg in België een jaarlijkse economische waarde van ruim 22 miljard euro. In Vlaanderen gaat het om zo’n 11 miljard. Naar schatting verlenen tussen 1 en 2 miljoen Belgen informele zorg, waarvan 121.000 voltijds in de ouderenzorg.
Die inzet bespaart de overheid miljarden aan formele zorgkosten, maar mantelzorgers draaien vaak zelf op voor directe uitgaven en gederfde inkomsten. De huidige tegemoetkomingen zijn eerder symbolisch dan dekkend, zeker in vergelijking met buurlanden als Nederland of Zweden.
Vrijwilligerswerk
Vrijwilligerswerk is bijzonder populair onder Belgische 60-plussers. Uit onderzoek van de Koning Boudewijnstichting en UGent blijkt dat meer dan 40 procent van de 65- tot 74-jarigen zich engageert. Dat betekent dat zo’n 600.000 ouderen actief zijn in formeel en informeel vrijwilligerswerk.
Ouderen doen vaak meer uren vrijwilligerswerk dan jongere vrijwilligers, en blijven langer actief. Zij besteden gemiddeld vijf en een half uur per week aan hun engagement – goed voor 156 miljoen uur per jaar. Met een geschatte waarde van 35 euro per uur vertegenwoordigt dit meer dan 5,4 miljard euro aan maatschappelijke inzet. Hun motivatie is meestal intrinsiek: ze willen iets betekenen, hun tijd zinvol besteden en sociale contacten onderhouden.
Niet-monetairbare bijdragen
De cijfers die we tot nog toe bespraken missen natuurlijk nog de immense niet-monetaire waarde van ouderen. Veel van wat zij te bieden hebben aan de samenleving is niet in euro’s uit te drukken, het is onmisbaar sociaal kapitaal. Ze vormen de ruggengraat van families, verenigingen en buurten, en zorgen voor continuïteit, verbondenheid en informele zorg in hun omgeving.
Met hun tijd, ervaring en netwerken bouwen ze mee aan een veerkrachtige samenleving. Hun wijsheid verrijkt het maatschappelijk debat, hun kennis voedt jongere generaties, en hun inzet versterkt het gemeenschapsleven op een manier die zich niet in cijfers laat vatten.
Nieuw verhaal nodig
Hoewel de directe kosten voor pensioenen en zorg hoog zijn, vertellen die cijfers slechts een deel van het verhaal. Ouderen leveren op talloze manieren onmisbare, vaak onzichtbare bijdragen: als mantelzorgers, vrijwilligers, kennisdragers en steunpilaren van sociale samenhang. Hun inzet bespaart de samenleving op termijn zelfs kosten.
Het is hoog tijd om afscheid te nemen van achterhaalde stereotypes: ouderen zijn geen last, maar een onmisbare generatie die haar hele leven heeft bijgedragen – en dat nog steeds doet, zij het op een andere, maar minstens zo waardevolle manier.
Bron: De Wereld Morgen
by admin | jun 9, 2025 | Varia
Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz.
Hierbij een kort overzicht.
- Afscheid van de papieren dienstencheque
De papieren dienstencheque verdwijnt definitief. De cheques zijn voortaan enkel nog digitaal te bestellen.
De vorige Vlaamse regering besliste in 2023 dat de papieren dienstencheque vanaf 2025 zou verdwijnen. Vandaag is het zover. Reeds aangekochte papieren dienstencheques blijven wel bruikbaar tot een jaar na de aankoopdatum.
Gebruikers van papieren dienstencheques zullen een brief ontvangen waarin ze uitgelegd krijgen hoe ze elektronische dienstencheques kunnen bestellen en gebruiken. Voor gebruikers die minder digitaal vaardig zijn, worden verschillende hulplijnen aangeboden, zoals hulp via mail of een telefoonnummer met een stemcomputer waarop mensen hun saldo en andere gegevens kunnen controleren.
“Maar het eenvoudigste is dat een persoon die ze kennen en vertrouwen, hen helpt”, zegt aanbieder Pluxee. Via een volmachtensysteem kan een familielid of kennis dan dienstencheques voor hen aankopen. Momenteel gebruikt nog 9 procent van de Pluxee-klanten papieren cheques, 91 procent verkiest digitaal.
Op deze website vinden gebruikers meer uitleg.
Vanaf 22 juni verhoogt Orange de tarieven voor enkele mobiele en internetabonnementen. Het internetabonnement Start Fiber wordt 2 euro duurder tot 51 euro per maand. Combineert u dat met een mobiel abonnement, dan stijgt de prijs van 45 naar 47 euro. De mobiele abonnementen Mobile Small en Mobile zullen 1 euro meer kosten, maar dat gaat gepaard met een verhoging van de hoeveelheid mobiele data.
- Installatie van mazoutverwarmingsketels verboden in Brussels Gewest
Vanaf vandaag is de installatie van verwarmingsketels op stookolie (mazout) verboden in het Brussels Gewest. Het verbod geldt ook voor de vervanging van bestaande ketels, tenzij een uitzondering wordt toegestaan.
De maatregel geldt zowel voor woningen, als voor mede-eigendommen en bedrijven. Momenteel werkt 5 tot 7 procent van de ketels in de hoofdstad op stookolie en die zijn aan het verouderen. De gemiddelde leeftijd van de verwarmingsketels op stookolie is meer dan 25 jaar, en dit type verwarming heeft een grote impact op het milieu door de aanzienlijke uitstoot van kooldioxide (CO2) en fijnstof.
Er kan een afwijking worden aangevraagd als het technisch niet mogelijk is om een ander type verwarming in het gebouw te installeren en als de alternatieven zijn onderzocht. Bestaande verwarmingsketels mogen gebruikt blijven worden.
- Aangepaste babyvoeding bij koemelkeiwitallergie wordt deels terugbetaald
Aangepaste voeding voor baby’s met een koemelkeiwitallergie wordt nu voor de helft terugbetaald. Om recht op terugbetaling te hebben, moet een arts wel eerst een diagnose stellen.
Elk jaar worden ongeveer 4.800 kinderen geboren met een koemelkeiwitallergie. Het is een van de meest voorkomende voedingsallergieën bij baby’s jonger dan 3 jaar. Voor alle duidelijkheid: het gaat om iets anders dan lactose-intolerantie. In de meeste gevallen is de aandoening tijdelijk van aard. Maar om zonder lastige symptomen de eerste jaren door te komen, is juiste, koemelkeiwitvrije voeding cruciaal.
Volgens minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) kan 70 procent van de baby’s makkelijk behandeld worden met een doorgedreven eiwithydrolysaat. Als die voeding niet zou volstaan, wat bij ongeveer 30 procent van de zuigelingen het geval is, bestaan er ook aminozuurpreparaten. Die worden al voor een deel terugbetaald.
Omdat het grootste deel van de patiënten al geholpen is met een doorgedreven eiwithydrolysaat, wordt dat voortaan ook voor de helft terugbetaald. Het gaat om de potten van 400 gram. Die mogen maximaal 24 euro kosten, anders worden ze niet vergoed. De maximumprijs wordt dan 12 euro, een prijs die meer overeenkomt met de meeste standaard zuigelingenvoeding.
- Kookapp Zeker Gezond van Vlaamse overheid verdwijnt
Er komt een einde aan de werking van Zeker Gezond, de website en de app waarop de Vlaamse overheid de voorbije jaren “gezonde en milieuverantwoorde recepten” aanbood.
Onder voormalig Vlaams minister van Welzijn Wouter Beke (CD&V) lanceerde de Vlaamse overheid in 2020 het receptenplatform Zeker Gezond. Het idee voor het platform volgde na de lancering van de nieuwe, omgekeerde voedingsdriehoek in 2017. Bedoeling was om de Vlaming te helpen bij het vinden van gezonde recepten. Maar gaandeweg groeide de kritiek op het initiatief, dat de overheid 550.000 euro kostte.
Eind vorig jaar kondigde huidig Vlaams minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) aan dat het receptenplatform zou stopgezet worden. Volgens Gezond Leven is de nood aan advies rond gezonde en milieuverantwoorde voeding niet verdwenen, maar zitten er dankzij AI “nieuwe en betere tools in de pijplijn”.
- Consumentenkredieten worden iets goedkoper
De maximale tarieven van verschillende consumentenkredieten worden verlaagd met 0,5 tot 1,5 procentpunten. De maximaal toegelaten tarieven, uitgedrukt in jaarlijkse kostenpercentages of JKP’s, worden door de overheid vastgelegd.
Concreet dalen de maximale JKP’s met 1 procentpunt bij kredietopeningen, zoals kredietkaarten die door banken, grootwarenhuizen of postorderbedrijven verkocht worden, en bij de mogelijkheid om onder nul te gaan op de zichtrekening. Voor kredietkaarten ligt het nieuwe maximale JKP voortaan tussen 13,5 procent (meer dan 5.000 euro) en 16,5 procent (minder dan 1.250 euro).
De maximale JKP’s voor leningen en verkopen op afbetaling tot 1.250 euro dalen met 1 procentpunt tot 20,5 procent. Bij een bedrag tussen 1.250 en 5.000 euro gaat het om een daling met 0,5 procentpunten tot 15,5 procent. Als het bedrag hoger ligt dan 5.000 euro, dan blijft de maximale JKP onveranderd op 13 procent.
Een gelijkaardige daling is er bij de financieringshuur, waarbij je een goed huurt en je na afloop van de huurtermijn de mogelijkheid hebt om het gehuurde goed te kopen. Het maximale JKP daarvoor varieert vanaf juni van 11 procent (meer dan 5.000 euro) tot 14,5 procent (tot 1.250 euro). De nieuwe maxima gelden voor nieuwe kredietcontracten en voor lopende contracten met een variabele debetrentevoet. Ze zijn dus niet van toepassing op de lopende contracten met een vaste debetrentevoet. Bron: VRT NWS
- Niet vergeten: belastingsbrief tijdig invullen
Tax-on-web | FOD Financiën