Ook lonen Vlaamse ambtenaren worden trager geïndexeerd

De Vlaamse regering gaat dit jaar nog 330 miljoen euro extra besparen en – net als de federale regering – de verhoging van lonen en uitkeringen later doorvoeren. Volgens Vlaams minister van Begroting Ben Weyts (N-VA) zijn deze maatregelen nodig om de Vlaamse begroting op koers te houden voor het geplande evenwicht in 2027.

Net als vorig jaar zou de Vlaamse begroting ook dit jaar nog zo’n drie miljard euro in het rood duiken. Dat was althans de verwachting bij de begrotingsopmaak. Maar uit nieuwe cijfers blijkt dat het tekort sinds de vorige begrotingsopmaak toegenomen is met 680 miljoen euro en dreigt uit te komen op zo’n 4 miljard euro. De belangrijkste oorzaak daarvoor is dat de economische groei lager uitvalt dan voorspeld.

Begrotingsminister Weyts wil daarom meteen ingrijpen en niet wachten tot de opmaak van de volgende begroting in september. Zo gaat de regering-Diependaele 330 miljoen extra besparen. Waar en hoe er precies zal gesnoeid worden, moet de komende weken verder uitgeklaard worden.

Daarnaast zal de Vlaamse regering, net als de federale regering, de indexering van lonen en uitkeringen met een maand vertragen. Zo zullen de lonen van de ambtenaren pas in de derde maand na het overschrijden van de spilindex geïndexeerd worden. Nu is dat nog in de tweede maand. Volgens het kabinet-Weyts betekent dat voor de lonen van de Vlaamse ambtenaren dit jaar een budgettaire impact van 40 miljoen euro.

De regering heeft nu ook al nieuwe en strengere afspraken gemaakt voor de begrotingsopmaak in september. Zo zullen ministers hun uitgaven beter moeten motiveren en aanduiden waar ze zullen besparen.

“Normaal gezien gebeuren er geen echte besparingen bij een begrotingsaanpassing: deze keer hebben we dat wel al gedaan. Gewoon omdat er nog véél werk is om onze rekeningen op orde te zetten”, zegt minister Weyts.

Groen is kritisch

Oppositiepartij Groen is kritisch over de aangekondigde besparingen. Vlaams fractieleider Mieke Schauvliege noemt het “onwaarschijnlijk” dat de Vlaamse regering recent 500 miljoen euro extra heeft voorzien voor defensie, terwijl dit geen Vlaamse bevoegdheid is.

Tegelijkertijd wil de regering nu 330 miljoen euro besparen op kerntaken zoals “waterbeleid, zorg en onderwijs”. Groen maakt zich zorgen over deze besparingen, die volgens de partij de basisvoorzieningen in Vlaanderen onder druk zetten.

BRON: HLN.be

Nieuw Digiplan maakt komaf met “gratis” laptop voor ieder kind: “We keren terug naar de essentie”

De Vlaamse regering heeft een nieuw digitaal beleid goedgekeurd voor het onderwijs. Met het zogenaamde Digiplan wil minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) de digitalisering in het lager en secundair onderwijs stroomlijnen. Het plan maakt komaf met het idee van een eigen laptop voor elk kind in het basisonderwijs, maar garandeert wél dat iedere leerling toegang krijgt tot digitale leermiddelen, via uitleendiensten of gedeeld gebruik, wanneer dat pedagogisch nodig is.

Scholen investeren voortaan in gemeenschappelijke ICT-infrastructuur: computerklassen, laptopkarren of uitleendiensten, zoals die ook in Nederland en Engeland al ingeburgerd zijn. In het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs ligt de nadruk op gedeeld gebruik. Vanaf het derde middelbaar krijgen scholen meer vrijheid en kunnen ze kiezen voor individuele laptops, bijvoorbeeld in STEM-richtingen.

In totaal investeert de Vlaamse overheid 325 miljoen euro over vijf jaar. Ook leerkrachten krijgen gegarandeerd toegang tot een laptop.

De overheid trekt ook middelen uit voor stabiele wifi-netwerken, snelle servers en bruikbare softwarepakketten. Alleen scholen die een doordacht ICT-beleid voorleggen, komen in aanmerking voor financiering. Dat beleid moet niet alleen pedagogisch verantwoord zijn, maar ook inzetten op duurzaamheid (zoals langere onderhoudscontracten en recycleerbare toestellen) én kostenefficiëntie via meer concurrentie tussen leveranciers.

Wat betekent dat voor de ouders?

Een belangrijk punt van discussie de voorbije maanden was de kostprijs voor ouders. In het verleden liepen de jaarlijkse gebruikersvergoedingen voor laptops soms op tot 150 euro of meer per leerling. Dat leidde tot politieke druk, onder meer vanuit Vooruit, die pleitte voor een “maximumfactuur” voor digitale toestellen, naar analogie met de regeling in het lager onderwijs.

Geen maximumfactuur, wel referentieprijzen

Hoewel de N-VA zich fel verzette tegen het gebruik van die term – voormalig minister Ben Weyts noemde het eerder “een communistisch recept” – lijkt het principe toch in aangepaste vorm in het Digiplan te zijn geslopen. Minister Demir spreekt niet over een maximumfactuur, maar wel over “referentieprijzen”: richtbedragen die scholen moeten respecteren.

Het klachtenformulier en meldpunt worden nog opgericht. Daarnaast benadrukt de minister dat de overheid jaarlijks zal evalueren of de kosten voor ouders beheersbaar blijven.

“Waken over pedagogische kwaliteit”

De overheid wil tegelijk waken over pedagogische kwaliteit. Demir wijst op wetenschappelijk onderzoek aan de Universiteit van Trondheim, in Noorwegen, waaruit blijkt dat overmatig schermgebruik leerprestaties en concentratie kan schaden, terwijl schrijven met pen en papier net het brein activeert. Het gebruik van laptops in de klas moet dus doordacht en wetenschappelijk onderbouwd gebeuren.

Vooruit: “Kinderen moeten kunnen studeren op basis van talenten, niet op basis van centen”

Vooruit, die al langer pleitte om laptops voortaan in het bezit van de school te houden, reageert tevreden op de beslissing van haar coalitiepartner. “Geen privé-laptops laten aankopen, geen valse beloftes over zogenaamd ‘gratis’ laptops maar een eerlijk en betaalbaar systeem dat zorgt dat elke leerling morgen een laptop kan gebruiken waar dat nuttig is”, reageert Hannelore Goeman van Vooruit.

“Op die betaalbare prijzen gaan we heel streng controleren. Kinderen moeten kunnen studeren op basis van talenten, niet op basis van centen”, aldus Goeman.

BRON: HLN.be

Vlaamse regering introduceert registratieplicht voor extra kosten dienstenchequebedrijven

Vlaamse regering introduceert registratieplicht voor extra kosten dienstenchequebedrijven

Dienstenchequebedrijven die naast arbeidsuren bijkomende kosten aanrekenen, moeten voortaan deze kosten laten registreren. Deze verplichting moet zorgen voor meer transparantie voor gebruikers van dienstencheques, zodat zij prijzen beter kunnen vergelijken. Ondernemingen die zich niet houden aan deze regel riskeren administratieve boetes of het verlies van hun erkenning. De beslissing werd vrijdag genomen door de Vlaamse regering.

De nieuwe regel is een onderdeel van de plannen van Vlaams minister van Werk Zuhal Demir (N-VA) om de wildgroei aan bijkomende kosten en ingewikkelde tariefformules in de sector aan te pakken. De minister kondigde eerder aan dat er tegen de zomer een online prijsvergelijkingsplatform komt, zodat gebruikers van dienstencheques eenvoudig de tarieven van verschillende providers kunnen vergelijken.

Met deze registratieplicht wil Demir meer transparantie en eerlijke concurrentie in de sector. “Consumenten moeten van bij het begin duidelijk kunnen zien welke financiële tussenkomsten dienstenchequebedrijven aanrekenen”, verklaart de minister.

Kosten rapporteren

Dienstenchequebedrijven moeten de bijkomende kosten voortaan rapporteren bij het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie (WEWIS). Dit departement zal de kosten openbaar maken, zodat consumenten een helder overzicht krijgen van welke bedrijven welke kosten doorrekenen.

De verplichting om bijkomende kosten te registreren wordt bovendien een erkenningsvoorwaarde voor de sector. Ondernemingen die zich niet aan de registratieplicht houden, kunnen boetes opgelegd krijgen en het risico lopen hun erkenning te verliezen. In sommige gevallen kan zelfs de terugbetaling van ingeleverde dienstencheques worden ingehouden.

Bron: HLN.be

Wat verandert er in april 2025?

Wat verandert er in april 2025?

Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz.

Hierbij een kort overzicht.

  • Tabaksproducten mogen niet meer (zichtbaar) in de winkelrekken 

Vanaf 1 april mogen tabaksproducten niet meer zichtbaar worden uitgestald, om zo hun zichtbaarheid in de samenleving te verminderen. Winkels groter dan 400 vierkante meter mogen die producten zelfs niet meer verkopen.

Winkels die (elektronische) sigaretten en andere tabaksproducten (zoals sigaren, filters en sigarettenpapier) verkopen, mogen die niet langer uitstallen. Het uitstalverbod geldt voor onder andere supermarkten, krantenwinkels, tankstations en dutyfreewinkels. 

Die producten moeten bovendien opgeborgen zijn in bijvoorbeeld kasten of lades die “neutraal en sober” zijn. Enkel wanneer een (meerderjarige) specifiek om zulke producten vraagt, mag je die tonen. 

“De nieuwe maatregelen moeten de zichtbaarheid van tabaksproducten in de samenleving verminderen”, zegt de federale overheidsdienst Volksgezondheid. “Het verhoogt de drempel om impulsaankopen uit te voeren en om te starten met roken. Vooral voor jongeren, die vatbaar zijn voor nicotineverslaving, zijn de nieuwe barrières belangrijk.”

Voedingswinkels die groter zijn dan 400 vierkante meter, mogen zelfs helemaal geen tabaksproducten meer verkopen. Het zou gaan om ongeveer 1 op de 10 van alle verkooppunten. 

Buurtsuper.be, die zelfstandige supermarkten vertegenwoordigt, stapte naar het Grondwettelijk Hof tegen dat verkoopverbod in de grootste winkels. Volgens de organisatie is het criterium van winkeloppervlakte discriminerend.

Boetes zullen niet onmiddellijk worden uitgedeeld: inspecteurs zullen eerst inzetten op informeren en sensibiliseren. In een latere fase kunnen effectief boetes volgen. Die kunnen oplopen tot 800.000 euro voor winkeliers die het uitstalverbod niet naleven en tot 24.000 voor inbreuken op het verkoopverbod in grote voedingswinkels. 

  • Hogere tarieven bij De Lijn

De Vlaamse openbaarvervoermaatschappij De Lijn verhoogt de tarieven, voor het eerst in 3 jaar. De prijzen gaan met gemiddeld 18 procent omhoog, “in lijn met de gestegen levensduurte sinds de vorige aanpassing”.

Prijsverandering tickets: 

  • Standaardticket: van 2,50 euro naar 3 euro 
  • Tienrittenkaart: van 17 euro naar 21 euro
  • Vijftigrittenkaart: van 75 euro naar 90 euro
  • Een dagticket: van 7,50 euro naar 9 euro 
  • Een dagticket voor een kind: van 4 euro naar 4,50 euro

Ook de meeste abonnementen worden duurder. Enkel de prijs voor een Buzzy Pazz (18- tot 24-jarigen) stijgt niet. Dat tarief blijft op 215 euro.

  • Een Omnipas-jaarabonnement (24 tot 64 jaar): van 351 euro naar 416 euro 
  • Een Omnipas-jaarabonnement (65-plussers): van 56 euro naar 67 euro 

De sociale tarieven stijgen beperkt. Een abonnement Vervoersgarantie (VG) voor een jaar zal 54 euro kosten, een abonnement Verhoogde Tegemoetkoming (VT) 66 euro. Dat zijn de enige tarieven die nog door de Vlaamse regering worden vastgelegd.

Ook de operatorkost van een sms-ticket gaat van 0,15 euro naar 0,25 euro. En de geldigheidsduur van producten op een elektronische kaart verkort naar 1 jaar.

  • Sociale tarieven voor energie stijgen opnieuw

De sociale tarieven voor elektriciteit en aardgas gaan in april verder omhoog. De stijging is wel minder groot dan de voorbije kwartalen, zo blijkt uit gegevens van de federale energieregulator CREG.

Het sociaal tarief voor elektriciteit stijgt voor de periode april tot juni met zowat 9 procent tegenover de eerste maanden van het jaar. De 3 vorige kwartalen steeg het tarief nog met meer dan 10 procent. Het sociaal tarief ligt wel nog lager dan begin 2024.

Voor aardgas en warmte komt er 5 procent bij. 3 maanden eerder was dat 15 procent.

Het sociaal tarief is een verminderd tarief voor bepaalde categorieën personen of huishoudens. Het is bij alle energieleveranciers hetzelfde. De CREG legt het bedrag vast per kwartaal.

  • Langdurige zieken kunnen aankloppen bij ‘Terug naar werk’-fonds

De werking van het ‘Terug Naar Werk’-fonds wordt uitgebreid. Werknemers en werkzoekenden die langer dan 1 jaar arbeidsongeschikt zijn, kunnen bij het fonds aankloppen voor financiële hulp bij bijvoorbeeld loopbaanbegeleiding en gepersonaliseerde coaching.

Het fonds werd in april 2024 opgestart. In het 1e jaar kwam het alleen tussenbeide voor mensen die ontslagen werden wegens medische overmacht en arbeidsongeschikt zijn. Bij zo’n ontslag moet de werkgever 1.800 euro storten in het fonds; de ontslagen werknemers kunnen op hun beurt bij het fonds een voucher aanvragen waarmee ze tot 1.800 euro begeleiding op maat kunnen kopen.

De werking wordt nu dus uitgebreid naar al wie langer dan 1 jaar arbeidsongeschikt erkend is als werknemer of werkzoekende.

Het Terug Naar Werk-fonds wordt beheerd door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (Riziv).

  • Busbedrijven kunnen meer buschauffeurs opleiden

Busbedrijven kunnen meer nieuwe chauffeurs opleiden op de werkvloer. De maatregel moet helpen om het tekort aan buschauffeurs aan te pakken.

Het gaat om een versoepeling van de individuele beroepsopleiding (IBO). Dat is een vorm van leren op de werkvloer waarbij kandidaat-buschauffeurs worden opgeleid door de busbedrijven zelf. Tot nu toe kon een begeleider slechts 1 kandidaat-buschauffeur opleiden, maar vanaf april zal die er meerdere onder zijn hoede kunnen nemen. 

De versoepeling is een initiatief van Vlaams minister van Werk Zuhal Demir (N-VA) en minister van Mobiliteit Annick De Ridder (N-VA). “Ze zorgt voor een snellere en betere instroom van buschauffeurs. Belangrijk voor werkgevers en kandidaat-buschauffeurs, maar ook voor de vele reizigers die dagelijks rekenen op hun openbaar vervoer”, aldus Demir. Busfederatie FBAA is tevreden. “De busondernemingen zoeken 950 nieuwe chauffeurs, dus dit is zeer goed nieuws”, zegt CEO Pieter Van Bastelaere. 

Is het kunstenaarsstatuut op de helling?

Er is momenteel veel discussie over het kunstenaarsstatuut in België. Hoewel er nog  geen definitieve beslissing is genomen, zijn er zorgen binnen de kunstwereld dat het statuut mogelijk wordt aangepast of afgeschaft. Dit zou grote gevolgen kunnen hebben voor kunstenaars, aangezien het statuut hen een specifieke werkloosheidsregeling biedt die rekening houdt met de onregelmatigheid van hun werk.

Sommige politieke partijen, zoals de MR en N-VA, hebben aangegeven dat ze het statuut willen hervormen of zelfs afschaffen. Dit heeft geleid tot ongerustheid in de sector, omdat bijna 8.000 kunstenaars hierdoor getroffen zouden kunnen worden. Tegelijkertijd roepen organisaties en beroepsfederaties de regering op om het statuut te behouden en pas in 2027 te evalueren, zoals oorspronkelijk gepland.

Het blijft een gevoelig onderwerp, en de toekomst van het kunstenaarsstatuut hangt af van verdere politieke beslissingen.

De minister-president van de Franse gemeenschap, Elisabeth Degryse (Les Engagés), verzet zich tegen een mogelijke afschaffing van het kunstenaarsstatuut. Dat heeft ze gezegd tijdens het vragenuurtje in het parlement. “Dat is een rode lijn”, zei ze.

De federale plannen om de werkloosheidsuitkering te hervormen, betekenen mogelijk het einde van het kunstenaarsstatuut, schrijft L’Echo woensdag. Kunstenaars hebben een werkloosheidsregeling die rekening houdt met het onregelmatige karakter van het beroep, waardoor ze tussen opdrachten door een uitkering kunnen ontvangen. Ongeveer 8.000 mensen zouden daar gebruik van maken. Maar minister van Werk David Clarinval (MR) lijkt volgens de krant van plan om alle werklozen jonger dan 55 jaar aan dezelfde regels te onderwerpen, inclusief kunstenaars.

De  werkloosheidsregelingen die rekening houden met meerdere moeilijkheden bestaan in verschillende vormen, binnen sommige economische sectoren. Toch viseren MR en N-VA het kunstenaarsstatuut, terwijl bijvoorbeeld andere tijdelijke werkloosheidsregelingen de sociale zekerheid vier keer zoveel kosten. Nochtans staat in het regeerakkoord dat “de hervorming van de vorige regering wat betreft de uitzonderingen voor kunstenaars behouden blijft”.

“Puur budgettair ga je geen grote besparing doen, de middelen voor de kunstwerkuitkering zijn bijzonder klein”, zegt een vakbondsafgevaardigde.

Het digitale platform Apache dook in de cijfers achter het kunstwerkstatuut en verschillende tijdelijke werkloosheidsregelingen en die geven Hostyn gelijk.

L’Echo, de Franstalige zusterkrant van De Tijd, bond  op 26 maart de kat aan de bel. Minister van Werk David Clarinval (MR) zou een hervorming van het kunstenaarsstatuut voorbereiden en ook voor kunstenaars het recht op een werkloosheidsvergoeding beperken tot twee jaar. Zijn redenering: de werkloosheidshervorming moet alle werklozen onder de 55 jaar aan dezelfde regels onderwerpen.

Dat betekent dat iemand één jaar betaald werk moet verrichten in de voorbije drie jaar om recht te hebben op maximaal één jaar werkloosheidsuitkering. Na vijf gewerkte jaren kan iemand maximaal twee jaar een werkloosheidsuitkering krijgen. Door die voorwaarden zouden amper nog kunstenaars recht hebben op een uitkering.

Het ‘ballonnetje’ was enigszins verrassend, aangezien het regeerakkoord heel duidelijk is. In het hoofdstuk over het arbeidsmarktbeleid staat dat “de hervorming van de vorige regering wat betreft de uitzonderingen voor kunstenaars behouden blijft”.

Negatief beeld

“Bij MR leeft een grote wens om het systeem van de kunstwerkuitkering fundamenteel te hervormen”, zegt Tijs Hostyn. “De partij wil de toegang tot werkloosheidsuitkeringen in lijn brengen met haar ideologie en retoriek. MR springt in Wallonië in een gat dat er is door de afwezigheid van extreemrechts.”

“In Vlaanderen hangt extreemrechts een negatief beeld op van de kunstensector als ‘subsidieslurpers’ die geld verspillen en op eigen benen moeten staan. MR zit op een federaal kabinet waar ze een instrument hebben om daar tot stevige hervormingen of zelfs een afschaffing te gaan.”

MR staat duidelijk niet alleen. Volksvertegenwoordiger Axel Ronse (N-VA) beaamde dat principe in De Standaard, maar hield meteen een slag om de arm. “In het regeerakkoord staat dat we de werkloosheidsuitkering tot twee jaar beperken. Het artiestenstatuut is ook een vorm van werkloosheidsuitkering. De vraag is nu of dat statuut mee in die beperking valt.” Daarnaast pleit Ronse ook voor een doorlichting van de commissie die de erkenningen uitreikt en hij wil het aantal erkenningen beperken.

Sinds 1 oktober 2022 is er een nieuw statuut voor kunstwerkers. De nieuwe regeling geldt voortaan ook voor mensen die artistieke of technische ondersteuning bieden aan kunstenaars. Net als kunstenaars werkt omkaderend personeel vaak op projectbasis met tijdelijke contracten en zijn er periodes waar er minder of geen werk is.

Sociale rechten

Bovendien voeren kunstwerkers ook veel onzichtbaar (voorbereidend) werk uit. Anders dat wat het volksbegrip ‘kunstenaarsstatuut’ doet vermoeden, vormt de werkloosheidsuitkering geen apart statuut binnen de sociale zekerheid.

Het is de Kunstwerkcommissie en niet langer de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) die sinds begin 2024 beslist aan de hand van een reeks objectieve criteria of iemand een kunstwerker is. Met dat attest kunnen kunstenaars een kunstwerkuitkering aanvragen. Het attest maakt het voor kunstenaars mogelijk om sociale rechten op te bouwen.

Het kunstwerkattest maakt het mogelijk om via contracten te werken

Het kunstwerkattest zorgt ook voor enkele voordelen, onder meer tijdelijk verminderde sociale bijdragen, en de mogelijkheid om via contracten te werken die simpel gesteld het midden houden tussen een werknemer- en zelfstandigenstatuut (1 bis contracten).

Kunstwerkers blijven ingeschreven als werkzoekende maar mogen vacatures uit andere sectoren weigeren. De kunstwerkuitkering daalt niet in de tijd en blijft op 60% van het laatst verdiende loon.

Kleine subgroep

De interactieve statistieken van de RVA tonen dat voor heel 2024 ruim 8.300 kunstenaars voor ruim twee miljoen dagen vergoed werd. Daar is alles bij elkaar gerekend een uitgave van 135,1 miljoen euro mee gemoeid op een totaal van ruim 5,1 miljard uitgaven voor de globale werkloosheid.

Beroepsgroepen zoals havenarbeiders, diamantbewerkers of zeevissers hebben gelijkaardige regelingen

Binnen de grootste categorie werklozen, de zowat 288.000 uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, vormen kunstwerkers de op twee na kleinste subgroep (2,9%) werkzoekende werklozen. Dat blijkt uit het jaarverslag van de RVA. De gemiddelde maandelijkse uitkering bedraagt 1.748 euro.

De kunstwerkuitkering is namelijk een antwoord op specifieke werkomstandigheden. “De kunstwerkuitkering is op maat van de sector gemaakt. Iemand die in de bouw werkt, is onder contract bij een werkgever. Als er periodes zijn van weerverlet of tijdelijke werkloosheid, dan heeft die persoon binnen zijn contract recht op een uitkering. Bij kunstenaars is dat net omgekeerd.”

“Kunstenaars worden voor korte contracten ingeschakeld en onvermijdelijk staan ze niet elke dag onder contract. De kunstwerkuitkering is er om die periodes op te vangen, al zijn kunstenaars dan ook wel bezig met een dossier, leren ze teksten voor een volgende productie of netwerken ze voor een nieuwe opdracht.”

Gelijkaardige regelingen

Ook andere beroepsgroepen, zoals havenarbeiders, diamantbewerkers of zeevissers hebben gelijkaardige regelingen. Het is net om banenverlies door economische (en andere) schokken te beperken dat de Belgische sociale zekerheid in de loop der jaren een werkloosheidsstelsel uitbouwde.

kunstenaars bedreigd

Het is niet de eerste keer dat kunstenaars zich bedreigd voelen door besparingen, zoals deze protestbrief in het Antwerpse M HKA illustreert. (© Tijs Vanderstappen (Belga))

De RVA onderzoekt jaarlijks zowat anderhalf miljoen dossiers om te beslissen of die personen recht hebben op een uitkering en om een bedrag toe te kennen. Het gros (40%) gaat over mensen die een volledige werkloosheid aanvragen maar 12% van die dossiers valt onder de bijzondere categorieën zoals havenwerkers, zeevissers, diamantbewerkers of grensarbeiders.

Van die 5,1 miljard euro aan uitgaven voor de globale werkloosheid gaat 3,9 miljard naar uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en bijna 500 miljoen naar allerlei vormen van tijdelijke werkloosheid. Dat zijn regelingen die rekening houden met weerverlet, maar ook overmacht of economische oorzaken. Die tijdelijke regelingen kosten de sociale zekerheid jaarlijks vier keer zoveel als de geviseerde kunstwerkuitkering.

In heel België maakten in 2024 bijna 127.000 mensen gebruik van het systeem van tijdelijke werkloosheid. Zij werkten voor bijna 38.500 werkgevers, vooral in de industrie, gevolgd door de bouwnijverheid en de dienstensector. Die werknemers, die gemiddeld 23 dagen per jaar tijdelijk werkloos zijn, namen samen meer dan 8,2 miljoen dagen op.

Erkenning van havenarbeiders

Ook de ruim 9.200 (erkende) havenarbeiders kunnen van die regeling gebruik maken. En dat blijkt evenzeer structureel. Om de veiligheid in de havens te waarborgen erkent de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg havenarbeiders.

Havenarbeiders worden ofwel tewerkgesteld bij een werkgever of opgenomen in een zogenaamde pool die werkgeverscentrales per havengebied inrichten. Wanneer er onvoldoende werk is, kunnen die een beroep doen op de regels rond tijdelijke werkloosheid op grond van het ‘gebrek aan werk wegens economische oorzaken’.

De voorbije vijf jaar zijn maandelijks gemiddeld ruim 1.550 vaste havenarbeiders tijdelijk werkloos. Op jaarbasis keerde de RVA de afgelopen vijf jaar gemiddeld meer dan 71.000 dagen tijdelijke werkloosheid uit, met een uitschieter in 2023 toen maar liefst 98.000 dagen tijdelijke werkloosheid vergoed werden. In diezelfde periode kost de tijdelijke werkloosheid van havenarbeiders op jaarbasis gemiddeld 4,5 miljoen euro aan de sociale zekerheid.

Vraag is nu waarom MR of N-VA willen knippen in een van die specifieke regelingen en niet alle regelingen die banenverlies willen vermijden door economische schokken te ondervangen. “De kunsten- en cultuursector heeft zowel Vlaams als federaal nood aan ondersteuning. Maar het is een sector die ook economisch veel op gang brengt.” “Een cultureel evenement brengt mensen samen die ook nog eens uitgaven doen en dat komt de economie ten goede.  Er is al veel onderzoek gedaan naar de manier waarop cultuur andere sectoren in gang steekt, terwijl de kost die daar tegenover staat zeer beperkt is. Een samenleving krijgt ook niet-economisch veel terug van de kunst- en cultuursector. Toch wordt de sector afgedaan als een last.”