Voor het leven is er geen generale repetitie. Je hebt slechts één kans. Gelukkig zijn grote denkers je voorgegaan en kun je bij hen terecht voor wijze raad. Zo helpt Diogenes je om je authentieke zelf te zijn, Epicurus om niet te veel geld uit te geven tijdens de uitverkoop en Kant om op tijd te remmen voor een zebrapad. Maar ook minder gearriveerde denkers helpen je een handje: André Hazes daagt je uit om vrijer te worden en De Jeugd van Tegenwoordig steunt je in je verdriet. In Filosofie voor een weergaloos leven laat Lammert Kamphuis zien dat filosofie minder onbegrijpelijk en hoogdravend is dan we vaak denken. In achttien prikkelende stukken toont hij hoe zowel eeuwenoude als hedendaagse denkers je kunnen bijstaan in het alledaagse leven. Deze bundel biedt troost, geeft rust, verrijkt vriendschappen, creëert begrip voor andersdenkenden en leidt tot meer plezier in je werk. Laat je verrassen door deze toegankelijke manier van filosoferen, en ga zelf aan de slag!
Lammert Kamphuis
Lammert Kamphuis (1983) is filosoof en schrijver. Hij gaf les op verschillende scholen en is een veelgevraagd spreker op congressen en festivals. Daarnaast is hij hoofddocent bij The School of Life in Amsterdam. Met zijn boek Filosofie voor een weergaloos leven (2018) brak hij door bij het grote publiek. De vertaalrechten werden verkocht aan Duitsland, Spanje en Zuid-Korea en het boek werd vele malen herdrukt. In 2023 verschijnt Verslaafd aan ons eigen gelijk , een urgent en fris pleidooi voor filosofie als medicijn tegen polarisatie.
Deze bundel bevat bijdragen van 16 filosofen, historici en denkers over de geschiedenis, literatuur, filosofie, mythes etc. van Oekraïne. Ze willen daarmee tonen dat hun land behalve sport, corruptie, oorlog en Kozakken nog andere troeven heeft: kunst, literatuur, IT, mode, moderne staatsdiensten. En economie: het werd altijd begeerd om zijn graan en zijn grondstoffen.
Rond 1900 was 90% nog boer en Oekraïners kijken met trots naar hun boerencultuur en boerendeugden: werklust en gastvrijheid. Het Oekraïens was vooral de taal van het platteland, het Russisch van de steden en van al wie carrière wilde maken. De Russische overheid verbood lange tijd om boeken te publiceren in het Oekraïens en bepaalde wie een functie kreeg. De landbouw is inmiddels wel zeer ontwikkeld en winstgevend. En Oekraïne is veranderd van een ‘geboren antisemietenland’ naar één met de laagste antisemitisme-cijfers in Europa.
Karaktertrekken
We krijgen interessante informatie over de Kozakken, de betekenis van de woorden Oekraïne (grensgebied) en Roes (Fins voor roeiers), Rossia (de Griekse vorm van Roes) en de gifmoord op Bandera door een Oekraïner die ingehuurd was door de KGB. Het hoofdstuk over de vele Oekraïense schrijvers is vooral bedoeld voor ingewijden.
Oekraïners hebben andere karaktertrekken dan hun Russische buren: ze verwerpen elke vorm van monarchie, ze zijn democratisch-anarchistisch, ze willen hun bestuurders zelf kiezen, maar daarna hebben ze snel kritiek op hen. Er zijn meer dan 350 politieke partijen. Vijf of tien jaar vooruitplannen zit niet in hun bloed.
Russen daarentegen geloven dat hun tsaar of leider door God is gegeven en dat ze hem moeten blijven steunen. De Russen slaagden er niet in de Oekraïense mentaliteit te collectiviseren. Enkel in het oosten, langs de Russische grens en in de Donbas, is die collectieve mentaliteit nog sterk aanwezig als gevolg van Sovjet-deportaties en Russische kolonisatie.
Yermolenko filosofeert ook over de betekenis van de naam Oekraïne, over hun held Ivan Mazepa, de historische rol van de steppe, het ontstaan van het land te midden van het imperialistische katholieke Rome en het even imperialistische orthodoxe Moskou, het verlies van de Kozakse autonomie in de 15de-18de eeuw. Volgens hem is corruptie een manier om veiligheid te kopen in een maatschappij waarin niemand zich veilig voelt.
Schrijver Bondar somt een aantal zaken op die de Oekraïners misten in de geschiedenis: Renaissance, Reformatie, Verlichting, Industriële Revolutie (hij vergeet dan wel de Donbas), een Nobelprijs literatuur. Eeuwenlang moesten ze zien te overleven onder vreemde repressieve regimes.
De ‘Aeneïs’ van Ivan Kotljarevsky en ‘Kobzar’ (een muziekspeler) van Taras Sjevtsjenko tonen hun helden en beproevingen. Oekraïners denken niet met hun brein, maar met hun hart. En ze bezitten een lijst goede eigenschappen: tolerantie, vrije meningsuiting, tweetaligheid, weinig antisemitisme, talent om ontberingen te doorstaan.
Een dichteres strijdt voor ‘KyivNotKiev’. Hopelijk weet ze dat de naam ‘Kiev’ al minstens sinds de 9de eeuw bestaat. Sinds 1991 zijn vele Russische namen veranderd in Oekraïense. Vóór 1991 werd het Oekraïens geassocieerd met het platteland. Voor de Russischtaligen was de overgang naar het Oekraïens een zware aanpassing, zelfs een vernedering. De Russische propaganda stelde en stelt dat het Oekraïens geen volwaardige taal is. De Oekraïense meerderheid voelt zich trouwens nog altijd een minderheid. Mensen uit de Donbas of de Krim, die gevlucht zijn naar het centrum van het land, hebben daar na 8 jaar nog geen stemrecht omdat ze… een ander geloof hebben, d.w.z. bij de kerk van Moskou behoren!
Eén auteur beweert dat het Oekraïens meer gediscrimineerd wordt dan het Russisch en dat de Holodomor ook diende om Oekraïners te vervangen door Russen. Hij zegt ook dat sinds Maidan het vertrouwen onder de Oekraïners is toegenomen, dat het antisemitisme is verdwenen (omdat de Joden meededen aan Maidan) en dat ook de corruptie is afgenomen. Een schrijver die in 2014 uit Donetsk naar Kiev is gevlucht, verklaart dat de Russischtaligen zoals hij hoegenaamd niet verdrukt werden door de Oekraïners, dat hij overal in zijn land Russisch kan spreken en dat het Donetsbekken (Donbas) zich op cultureel vlak nooit deel voelde uitmaken van Rusland: de ‘onderdrukking’ van de Russischtaligen was gewoon een voorwendsel voor Poetin om daar de afscheiding te bevorderen.
Tataren
Een Oekraïense Krim-Tataar getuigt over de terugkeer van de helft van zijn volk uit Oezbekistan etc. naar de Krim rond 1989-1990. In 1944 had Stalin er 190.000 gedeporteerd. In 2013 zijn ze (dankzij hun groot aantal kinderen) met 270.000 of 13,5% op 2 miljoen Krim-bewoners, terwijl ze in 1783 nog 95% van de bevolking uitmaakten. Het aantal Krim-Tataarse scholen is sinds de Russische bezetting gehalveerd van 15 naar 7. En sinds 2014 hebben 30.000 Tataren de Krim verlaten.
Een Pools-Oekraïense vertelt over de ingewikkelde verhoudingen tussen beide landen in de 20ste eeuw en de verzoening tussen de twee volkeren. Inwoners van Lviv werden in 1945 verplicht naar Polen te verhuizen, vaak naar de westelijke gebieden die van Duitsland waren afgenomen. En een aantal Polen betreurt nog steeds dat het in 1945 gebied kwijtspeelde aan Oekraïne.
Ook tussen Oekraïners en Joden waren de relaties complex en moeizaam, maar sinds Maidan schieten ze goed op. In de Sovjet-Unie werden 400 antisemitische boeken gepubliceerd en op het einde van de jaren 40 probeerde Stalin de Joodse intellectuele klasse uit te roeien en de Joden naar Siberië te deporteren, o.a. omdat de nieuwe staat Israël de kant van het Westen koos en omdat de Joden veel connecties in Amerika hadden (p. 233-235).
De Holocaust is in Oekraïne nog bijna niet bestudeerd. In de Westerse literatuur overheerst het beeld dat de Oekraïners collaboreerden, maar dat is ongenuanceerd. Er vochten en sneuvelden veel meer Oekraïners in het Rode Leger dan dat er actief waren in de collaboratie.
In Duitsland circuleren (of circuleerden) opvallend veel Poetin-vriendelijke standpunten: de schuld van de crisis zou bij het Westen liggen, Oekraïne is verdeeld tussen Oost en West, de Duits-Russische samenwerking en Nord Stream-2 mogen niet opgeofferd worden voor het verre en zwakke Oekraïne, kritiek op Poetin is ‘russofobie’ (aldus zowel Die Linke als AfD, beiden anti-Amerikaans), er leeft een historisch schuldgevoel tegenover Rusland, maar niet tegenover Oekraïne, dat zowel in 1918 als in 1941 door de Duitsers werd bezet en dat in verhouding veel meer doden telde. Oekraïne wordt er nog altijd geassocieerd met nationalisme en collaboratie, hoewel Zelensky en zijn regering geen van beide aspecten vertonen. De Russische propaganda heeft alleszins veel impact in Duitsland.
De laatste auteur pleit ervoor om zijn land niet te beschouwen als een bufferzone: het is na Rusland het grootste land van Europa, met een breedte van meer dan 1.000 km van west naar oost en 46 miljoen inwoners. Hij wil ook niet dat men berust in het vooroordeel dat er tegen Rusland niet te vechten valt.
Beoordeling
De auteurs geven ons een veelzijdige kijk op hun land. Het boek zit niet vol met data, maar het beschrijft wel de mentaliteit van de Oekraïners, hun drang naar vrijheid, hun afkeer van vreemde overheersing. De auteurs kennen de Grieks-Romeinse oudheid goed en tonen de invloed ervan op hun literatuur. Ze vergeten daarbij nog de plaatsnamen in het zuiden die Grieks geïnspireerd zijn. De bladspiegel is aangenaam, het boek is mooi uitgegeven.
Eén schrijver vreest dat zijn land over 30 jaar eentalig Russisch zal zijn. Maar de oorlog heeft de interesse voor het Russisch sterk verlaagd. Het grootste nadeel is dat de artikels geen precieze datum hebben en allemaal van vóór de oorlog zijn. Een kaart ontbreekt ook: de auteurs en de uitgever veronderstellen dat iedereen weet waar Galicië, Wolynië, Boekovina, Zhytomyr etc. liggen. Bij de info over de auteurs (p. 281-284) mis ik ‘Dagboek van een invasie’ bij Andrej Koerkov en ‘De poorten van Europa’ bij Serhii Plokhy (de Engelse versie staat er wel bij).
Tot slot: alle inkomsten van dit boek gaan naar Oekraïense goede doelen.
Referentie
Oekraïne Geschiedenissen en verhalen Volodymyr Yermolenko e.a. Vertaling van: Ukraine in histories and stories. Essays by Ukrainian intellectuals. Kyiv, 2019
Uitgeverij ISVW, Leusden, december 2022 Paperback, 288 pagina’s, tekeningen, 21 x 14 cm, € 20 ISBN 978-90-832-1228-9
Jef Abbeel, Turnhout januari 2023 www.jefabbeel.be
Historici uiten scherpe bezwaren tegen Vlaamse canon: “N-VA wil geschiedenis gebruiken voor politieke doeleinden” blokletterde de VRT-nieuwssite op 3 november 2022. In een 80-pagina’s tellend standpunt, opgesteld door historici Jo Tollebeek, Marc Boone en Karel van Nieuwenhuyse, en gepubliceerd door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB), wordt gesteld dat de lijst van “de belangrijkste namen en gebeurtenissen uit onze Vlaamse cultuur” van bovenaf wordt opgelegd. Zo krijg je “een politieke instrumentalisering van de geschiedenis”. De Canon van Vlaanderen, zo luidt de conclusie, “houdt een verschraling in van zowel de historische als de maatschappelijke diversiteit”.
Vlaamse identiteit
“Je moet identiteit niet opleggen van bovenaf en je moet daarvoor niet het instrument van de geschiedenis gebruiken”, argumenteert Tollebeek in een radio-interview:. “N-VA wil de canononderneming gebruiken om homogene identiteit aan te brengen”. De canon dient als een “stille generator van de anti-Belgische strijd”. Indirect wordt dit door Vlaams minister-president en minister van Cultuur Jan Jambon bevestigd in een interview met De Standaard: “Natuurlijk moet de canon de Vlaamse identiteit bevorderen. De N-VA is de grootste partij in deze regio en de versterking van de identiteit staat in ons programma. Dan is het toch niet meer dan logisch dat de regering zoiets implementeert? We zouden anders kiezersbedrog plegen.”
Om kennis is het in deze canon te doen, niet om trots of schaamte”
Deze kritiek is sinds het verschijnen van de Canon begin mei enigszins verstomd. Jan Jambon hoopte tijdens de persvoorstelling in Genk op 9 mei ll. dat het debat over de canon, nu hij er ook echt is, voortaan intellectueel eerlijk, onderbouwd en met respect zou verlopen. Academicus en commissievoorzitter Emmanuel Gerard sloeg in zijn toespraak een zakelijker toon aan. Hij stelde dat mensen op veel verschillende manieren naar het verleden kunnen kijken: met nostalgie, bewondering, schaamte of zelfs afkeer. Maar voor hem draait de canon om iets anders: “Om kennis is het in deze canon te doen, niet om trots of schaamte”.
Volgens ‘mainstream’ media als De Standaard en VRTnws blijkt het resultaat nogal mee te vallen. De Canon is reeds aan een tweede druk toe. Ook de online versie lijkt populair.
Brabant en Limburg zijn nauwelijks zichtbaar
Jan-Pieter Everaerts van De Groene Belg (nr. 2577 van 5 juni) blijft serieuze vraagtekens plaatsen. Hij beschrijft gedetailleerd de betekenis van De slag bij Woeringen van 5 Juni 1288, en de strijd om een handelsroute tussen Brugge en Keulen te organiseren. Men heeft “de naam Vlaanderen wel heel gratuit gebruikt voor heel noordelijk Nederlandstalig België én dat dat ten koste gaat van de historische aandacht voor de kern van ons land: Brabant”.
De Canon heeft het voornamelijk over Oost- & West-Vlaanderen en Antwerpen, maar Brabant en Limburg (Graafschap Loon) zijn opvallend ondervertegenwoordigd in de 60 gebeurtenissen, data, personen, tradities, boeken, voorwerpen en kunstwerken die het Vlaanderen van vandaag bepalen”. Er is al een probleem als het startpunt het idee van een gemeenschappelijke geschiedenis is. Die is er niet, toch niet voor 1839 (toen pas kwam Limburg officieel ook bij België). Alles van daarvoor maakt deel uit van de geschiedenis van een deel van het gebied, maar niet van het gehele gebied. “Vlaanderen” is dus een creatie van niet eens 200 jaar geleden. Voor die tijd was er nauwelijks gemeenschappelijkheid, en dat komt in de Canon nauwelijks uit de verf.
De Nederlandse Canon
Dat de Nijmeegse hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis Lotte Jensen de Vlaamse canon prefereert boven de Nederlandse wekt bij mij verbazing: “De commissie heeft op allerlei manieren extra ruimte gecreëerd om breedte en diversiteit te garanderen. Er zijn zestig vensters (tegenover vijftig in Nederland) en twee focusrubrieken per venster, waarin zijpaden worden verkend en uitstapjes naar het heden worden gemaakt. Stiekem krijg je zo drie vensters voor de prijs van één”.
De reeds in 2014 gepubliceerde Canon van Nederland, die door de Belgische commissie als voorbeeld is gebruikt, is inderdaad korter, maar ook meer gefocust, goed gestructureerd, en bovendien vlot geschreven. Door de chaotische wijze waarop de Vlaamse is samengesteld is het vaak zoeken naar de samenhang. Er is behoorlijk wat overlap en redundantie, m.a.w. er is behoefte aan een eindredactie.
Bijvoorbeeld: het hoofdstuk over Karel de Grote in de Nederlandse canon (van nauwelijks 3 bladzijden) vertelt meer over de figuur en zijn betekenis dan de in 3 vensters opduikende korte verwijzingen in de Vlaamse. Het stuk in de Nederlandse canon is bovendien geschreven door de in 2022 overleden Leuvense hoogleraar Raoul Bauer. Ander voorbeeld: De opkomst en impact van televisie (in de Nederlandse canon een hoofdstuk van 4 blz.) wordt in de Vlaamse opgehangen aan Paula Semer, een van de eerste Vlaamse BV’s en feministe-avant-la-lettre. Maar in de dooropvolgende beschrijving van de openbare en commerciele televisie wordt angstvallig de politiek-economische ontstaangeschiedenis over het hoofd gezien.
Diest
Diest, dat in de 14de en 15de eeuw een belangrijk knooppunt was op de reeds genoemde handelsweg Brugge – Keulen en opbloeide dankzij zijn lakennijverheid en -handel, komt nergens in de Vlaamse canon aan bod. Op een korte verwijzing naar het begijnhof na. Maar dus ook niet als Orange-stad.
De canon maakt wel melding van de Nederlandse Erasmus, maar maakt geen melding van zijn in Diest geboren tijdgenoot Nicolaes Cleynaerts (1493-1542). Deze 16de-eeuwse theoloog, humanist en linguïst, besloot in volle inquisitietijd de moslimcultuur van nabij te gaan bestuderen en Arabisch te leren. Hij trachtte door middel van dialoog en wederzijds begrip de scheiding tussen het christelijk geloof en de islam te overbruggen. “Vandaag de dag klinken zijn uitspraken over vrede en verdraagzaamheid actueler dan ooit,” meent Joris Tulkens.
Ook de in Diest geboren astronoom Louis Ferdinand Cruls (1848 – 1908) zou kunnen vermeld worden. Hij was van 1881 tot 1908 directeur van het Braziliaanse Nationale Observatorium, leidde de commissie belast met het onderzoek en de selectie van een toekomstige locatie voor de hoofdstad van Brazilië op het Centraal Plateau, en was mede-ontdekker van de Grote Komeet van 1882. Cruls was ook een actief voorstander van pogingen om de parallax van de zon nauwkeurig te meten en leidde daartoe een Braziliaans team bij hun observaties van 1882 Transit van Venus in Punta Arenas, Chili.
Ook Jozef De Veuster, beter bekend als Pater Damiaan, die in Tremelo op een ‘boogscheut’ van Diest geboren is, ontbreekt.
‘Rond de pot draaien’
Zo zijn er nog wel meer omissies en leemten te noemen. Tijdens het lezen ergerde ik me regelmatig aan het reeds genoemde van ‘de hak op de tak’ springen. Maar, ook luisterend naar de uitleg van commissievoorzitter Gerard, lijkt het alsof men op deze wijze om de hete brij is kunnen heenlopen en geen klare uitspraken hoefde te doen. ‘Rond de pot draaien’ is tenslotte een goed ingeburgerde Vlaamse communicatievorm. Hete thema’s als de Eerste Wereldoorlog en collaboratie, het interbellum, en de politieke nasleep van de Tweede Wereldoorlog (koningskwestie, amnestie, opkomst extreemrechts) krijgen weinig aandacht. Tot de kern durven de auteurs blijkbaar niet te gaan.
Integratie en burgerschapsvorming
Volgens hoogleraar skandinavistiek Godelieve Laureys van UGent vormen burgerschapsvorming en inburgering uitdrukkelijk wat de Deense overheid wél doet met haar canon. Daarmee zit zij veel meer op de golflengte van wat de Vlaamse regering-Jambon als doel vooropstelde. Alleen bevat de Deense canon geen belangrijke historische begrippen, maar tien waarden als vrijheid, gelijkheid, en verdraagzaamheid. Waarden die voor een deel evengoed op andere samenlevingen van toepassing kunnen zijn.
Maar, besluit Wikipedia in een samenvattend overzicht: “Volgens persberichten heeft de canon een beperkte impact gehad en is het niet effectief geweest in zijn verklaarde doel om de integratie tussen de Denen en de immigrantengemeenschappen te bevorderen”.
Titel: De Canon van Vlaanderen in 60 vensters Auteur: Commissie Canon van Vlaanderen Uitgever: Borgerhoff & Lamberigts Uitgave datum: mei 2023 Pagina’s: 319 ISBN: 9789463939232
Met zijn boek “The Invention of the Jewish People” (De Uitvinding van het Joodse Volk), wil de Joodse historicus Shlomo Sand, eens en voor altijd duidelijk maken dat de geschiedenis van het Joodse volk en de Joodse natie, één enorme door Zionisten opgeblazen mythe is. Er bestaat geen Joods ras of natie omdat er nooit genetische verbanden en eigenschappen konden worden vastgesteld tussen Joden uit Rusland, Duitsland, Jemen of de Verenigde Staten. Ze behoren niet tot één ras met unieke stamouders. Het enige wat ze gemeen hebben is het Joodse monotheïsme gebaseerd op de Hebreeuwse Bijbel (de Thora), de vijf “heilige” boeken die aan God worden toegeschreven.
“Beloofde land”
De Joden als volk (of natie) met een twee- of drieduizendjarige geschiedenis en een verleden van ballingschap en vervolging, bestaat dus niet. Het beklijvend begincitaat van Shlomo Sands boek luidt: “Een natie bestaat uit een groep mensen, verenigd door een verkeerde algemene opvatting omtrent hun verleden en afkomst, en een gemeenschappelijke afschuw voor hun buren”. Die krasse uitspraak wordt vooral aangetoond en bewezen in de tweede helft van het boek.
Het eerste deel geeft een zeer ruim overzicht van de Joodse geschiedenis zoals die wordt onderwezen in Israël en als vaststaand wordt beschouwd. Daarin stellen Joodse historici alles in het werk om de mythes over het ‘beloofde land’, verbanning of exodus, en ook soms goddelijke tussenkomst, in stand te houden. Ze verzwijgen zorgvuldig alle miraculeuze of goddelijke ingrepen uit Bijbelse teksten (splitsing van de Rode Zee, regen van manna, etc), die hun bewijsvoeringen onaanvaardbaar zouden maken bij ernstige geschiedkundigen.
De herkomst van grote groepen Joden uit de Russische steppegebieden (Khazaria, tussen de Wolga en de Don), uit het noordwesten van de Maghreb, of uit het Iberisch schiereiland, worden door Israëlische historici meestal over het hoofd gezien ondanks het feit dat ze een groot percentage vertegenwoordigen van wat ‘het Joodse Volk’ zou kunnen zijn. Voor deze groepen kan immers geen oude Bijbelse stamvader worden gevonden waardoor ze in de ‘natie’ kunnen worden opgenomen. Het zijn simpelweg bekeerlingen tot een Joods monotheïsme, maar dit standpunt wordt door de Joodse religie ronduit afgewezen.
Afgezien van hun Joods monotheïsme en zijn gedragscodes zijn er geen ernstige aanwijzingen dat deze verre gemeenschappen een bloedverwantschap zouden hebben met de Joodse ‘natie’. Bepaalde Israëlische geschiedschrijvers gaven toe dat veel feiten waarop de bewijsvoering voor een ‘Joodse natie’ steunt, ongegrond zijn, maar ze gingen er wel van uit dat er bloedverwantschap bestaat.
Na de grote doorbraak in recente decennia van het genetisch onderzoek in de biologie, wordt dit van tafel geveegd want bij Joden uit Jemen of Rusland bijvoorbeeld is nooit aangetoond dat er een genetische verwantschap is. Nergens zijn kenmerkende ‘Joodse genen’ aangetroffen.
In de jaren 1950 zijn in Israël onderzoeken gedaan naar gemeenschappelijke vingerafdrukken, en in de jaren 1970 naar een gemeenschappelijk genetisch kenmerk, maar deze onderzoeken draaiden op niets uit. Indien de wetenschap ernstig wordt genomen, zou het logisch zijn dat Joodse wetenschappers hun vergissing toegeven, maar dit is nog niet gebeurd. In tegendeel. Extreem religieuze Joden sluiten zich op in hun ongelijk en in hun scholen wordt zelfs geen onderricht gegeven in wiskunde, natuurwetenschappen of de Engelse taal. Alleen de Bijbel en de Thora tellen.
Verzinsels
Geschiedenissen van naties worden samengesteld en ondersteund door middel van belangrijke nationale gebeurtenissen, herinneringsdagen, verjaardagen, ceremonies en veel overgeleverde verhalen. Dat zagen we al in de televisiereeks ‘Het Verhaal van Vlaanderen’ waarin ook willekeurige keuzes werden gemaakt uit een vaak oncontroleerbaar verleden. De Joodse geschiedenis, zoals ze wordt onderwezen in officiële Israëlische instellingen, bestaat grotendeels uit een geheel van dubieuze waarheden en verzinsels die worden opgediend als feiten en die vaak afkomstig zijn uit de Bijbel.
Ernstige historici hebben aangetoond dat de huidige Palestijnen deel uitmaken van de oorspronkelijke bevolking van Israël, en dat ze in feite behoren tot de Israëlische gemeenschap als volk. Zij hebben meer recht op het grondgebied waar ze wonen, dan Joden uit Midden-Azië of Amerika die naar Israël zijn uitgeweken. Deze mening werd in 1929 onder meer geopperd door David Ben-Goerion, de latere premier van het land: “De lokale bevolking van Palestina behoort even goed tot de afstammelingen van de aloude bewoners van Judea en ook zij zouden moeten opgenomen worden in de gemeenschap van Joden in Israël.” En ‘de bewoners van Hebron staan dichter bij de oorspronkelijke Hebreeuwen dan de grote meerderheid van hen die zichzelf als Joden identificeren.’
De Zionistische extremisten met hun ‘zuivere natie-begrip’ hebben nooit aanvaard dat Palestijnse Moslim-boeren konden worden opgenomen in de ‘warme boezem’ van het Joodse volk. Tegen alle wetenschappelijke bewijzen in, blijven ze beweren dat er een erfelijke eenheid bestaat onder Joden uit de hele wereld. Later sloot Ben-Goerion zich aan bij de Zionistische gedachte van één groot Joods volk. Vanaf 1967 werd de geschiedenis herschreven en de nadruk gelegd op nationale herinneringen en mythes, die voortaan als enige waarheid zouden doorgaan in de ‘herboren natie’.
“Het Midden-Oosten is vandaag wellicht een van de gevaarlijkste regio’s in de wereld voor hen die zich beschouwen als Jood’ schrijft Shlomo Sand. ‘De reden hiervoor is dat de Zionisten weigeren een Israëlisch volk te herkennen waarin ook de oorspronkelijke bewoners een plaats krijgen. Ze sluiten zich op in een etnocentrische ideologie.’ Het is onmogelijk gebleken een natie te vormen waarbij alle inwoners van het land een seculiere eenheid zouden vormen, want Israël heeft zich vastgeklampt aan de idee van een ‘Joods volk’, waarin de biologische oorsprong en fragmenten van een genationaliseerde religie het criterium uitmaakten om tot dit volk te behoren. ‘En dit’, schrijft Shlomo Sand, ‘is de werkelijke bron van de aanhoudende conflicten.’
Door het feit dat Joden Israël beschouwen als hun eeuwig bezit, en geen rekening willen houden met een bevolking die daar al veel decennia woont, is het land uitgegroeid tot een etnocratie in plaats van een democratie.
“The Invention of the Jewish People” door Shlomo Sand. Uitgeverij Verso, Londen/New York.
Recensent Guido Kindt is een gewezen redacteur van De Standaard en Het Nieuwsblad)
Het nieuwe boek van Ludo Abicht en André Gantman, Israël/Palestina – Tweespraak over oorzaken en oplossingen, is opgebouwd uit dialogen, gemodereerd door Tom De Smet. Het probeert het Israëlisch-Arabisch of Joods-Palestijns conflict te overzien vanaf het begin, zegge 1894, de Dreyfuskwestie, toen Theodore Herzl Der Judenstaat schreef en met zionisme begon, tot het einde in de verre toekomst.
Dat was zeker de bedoeling, maar in feite beginnen de twee heren bij de Bijbel, en raken daar eigenlijk niet meer uit los. Na de Bijbel komen de diaspora van het Joodse volk, het christendom, de lange geschiedenis van golven van antisemitisme in Europa en elders, en uiteindelijk het zionisme dat, na de Shoah in de Tweede Wereldoorlog, naar Israël leidt. Met de staat Israël, “de Jodenstaat” van Herzl of ongeveer, ontstaat het nieuwe probleem: het conflict met de oorspronkelijke bewoners van het land, de Palestijnen of Arabieren. Het Israëlisch-Arabische conflict dat we denken te kennen.
Professor Ludo Abicht, (1936), schrijver, filosoof en sinds decennia begaan met de problematiek, publiceerde met de regelmaat van een klok artikels en boeken over het Israëlisch-Palestijns conflict, over Joodse cultuur en geschiedenis, over antisemitisme. Talloze malen bezocht hij Palestina, Israël en meer in het Midden-Oosten, en blijft dat jaarlijks herhalen. Hij heeft er een gedegen zij het gematigd pro-Palestijns standpunt, en een dito reputatie aan overgehouden
André Gantman (1950), is advocaat en politicus. Hij schreef als vrijzinnige Jood boeken over Jood zijn en antisemitisme. Hij is in dit boek zoals elders pleitbezorger van Israël en het zionisme. Hij is, naar eigen zeggen, nog nooit in Palestina geweest.
Te volledig
Israël/Palestina – Tweespraak over oorzaken en oplossingen, is een veel te volledig boek. Het bestrijkt een overvloed van onderwerpen waarvan, uiteraard door plaatsgebrek, geen enkel op een ernstige manier is uitgewerkt. Wie bij Abraham begint houdt onmogelijk op het einde voldoende plaats over voor de zogenaamde “Abraham akkoorden” die heden ten dage een “nieuwe fase” van het conflict zouden inluiden, en welke belangen daar achter schuil gaan.
Maar er is meer. Door bij de Bijbel te beginnen, bij Abraham zelf of bij de drie zonen van Noach, zoals Joden en Palestijnen het beiden herhaaldelijk doen, wat ik tijdens een recent bezoek aan het land nog eens kon vaststellen, dwingt men het verhaal in een Joodse, zionistische denkwijze. Het is immers Israël, het zijn haar zionistische ideologen die de Joodse Bijbel gebruiken als geschiedenisboek, kadaster en eigendomsakte, en daaruit het alleenrecht van het Joodse volk op Juda en Samaria afleiden.
Eens men dit aanvaardt, zit men vast in de officieel Joodse zienswijze op de geschiedenis en wordt het moeilijk zich in te beelden dat er andere zienswijzes kunnen bestaan, volledig ingesponnen als men is in de religieuze of pseudo-historische denkpatronen van de Westerse, zogenaamd judeo-christelijke denkwereld. Een half traditioneel religieuze benadering vervangt dan de politieke reflexie die het probleem rationeel tracht op te lossen.
De inleidende hoofdstukken over de Bijbel, het monotheïsme, de christelijke middeleeuwen met hun bagage van christelijke Jodenhaat, het opkomende antisemitisme, zou je een beetje encyclopedisch kunnen noemen. Het zijn achtergrondcommentaren met wetenswaardigheden erin, meest over de wederwaardigheden van het Joodse volk, waarin de verhaallijn van het boek vastgezet wordt. Die verhaallijn is de Joodse geschiedenis van diaspora, vervolging, verbanning en pogroms van de vroege middeleeuwen tot heden, antisemitisme, shoah, Israël.
Abicht, die een bruggenbouwer is, heeft allicht de dialoog met Gantman aangevat — en herhaald, want dit is een tweede versie van het boek —, niet om tot een akkoord te komen, maar meer om een platform te vinden, een manier van praten die voor beide kanten aanvaardbaar is en waarmee voortgewerkt kan worden. Dat is een heikele, gevaarlijke onderneming, aangezien het pad daarheen vol ligt met valkuilen en wolfijzers. Om het begaanbaar te maken wellicht heeft Abicht veel toegevingen gedaan aan Palestijnse kant, terwijl André Gantman elke gelegenheid aangrijpt om, als in een heus televisiedebat, met snelle opmerkingen en soms uit de lucht gegrepen aantijgingen uit het zionistisch propaganda-arsenaal, de discussie naar zijn eigen zienswijze te trekken. De twee werkwijzen kunnen in een TV-debat legitiem zijn, maar blijken in een boek als het gaat tussen macht en toegeeflijkheid, duidelijk ongelijkwaardig.
Zo hebben we nog eens recht op het verhaal over de moefti van Jeruzalem, Mohammed Amin al-Hoesseini, een soort geestelijke leider die, in de jaren 1936-’39 tijdens de grote Arabische opstand en algemene staking — tegen de Britse koloniale macht —, als enige politieke leiding van de nauwelijks georganiseerde Palestijnen opwierp en hun beweging aanzienlijke schade bezorgde. Deze Hoesseini sloot zich aan bij Hitler — de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden — en doet sindsdien dienst als symbool en illustratie van “het Palestijns antisemitisme”. Dat de moefti als bendeleider niet veel zaaks was en in de Palestijnse geschiedenis hooguit als mini-voetnoot zal voorkomen, kan het politieke voordeel van de zaak niet annuleren voor wie het weet te gebruiken. Dat werd nog eens bewezen door de Israëlische premier Benjamin Netanyahu die de moefti ervan beschuldigde de aanstichter van de holocaust te zijn geweest. (Wat hij dus niet kàn geweest zijn.)
Ludo Abicht laat Gantman, die indruk krijg je in het boek, maar doorpraten over de moefti, en voert aan dat de situatie in die jaren uiterst complex was omdat alle landen en partijen hun eigen politiek hadden naar het nazi-regime en inzake het Joodse probleem — ook de zionisten. Die ingewikkelde toestand dan, wordt opgevoerd maar, ten dele zeker uit plaatsgebrek maar vast ook omdat een akkoord hierover ver te zoeken was, niet genoeg uitgediept om voor de lezer verstaanbaar te worden. Het resultaat is dat André Gantman en de moefti hun slag thuishalen. De legende blijft bruikbaar, we blijven in het zionistisch narratief.
Nakba
Anderzijds, als men dan punten zou willen geven, blijkt André Gantman minder elegant als het over het Palestijns vluchtelingenprobleem gaat. Tijdens de Nakba, de verdrijving van de Palestijnse bevolking in de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog van 1948, werden rond 750.000 Palestijnen uit het land verjaagd — waarschijnlijk meer — en nooit meer toegelaten. Hun door de Verenigde Naties erkende recht op terugkeer is een van de moeilijke problemen om tot een regeling van het conflict te komen. Abicht haalt het boek van de “nieuwe historicus” Benny Morris hierover aan, waarin Morris de feiten en de cijfers bevestigt — en eraan toevoegt dat Ben Gurion, de toenmalige Israëlische leider, àlle Palestijnen had moeten verjagen. Gantman wil niet toegeven dat die Palestijnen verdreven zijn, en grijpt terug naar enkele, door Israëlische historici weerlegde, oude zionistische argumenten om de grond van de zaak te ontkennen.
Men kan zo voortdoen. De twee heren gaan de hele, bloedige, geschiedenis langs via de oorlog van 1967 langs de opkomst van de fedayingroepen en Yasser Arafat die de PLO tot een politieke speler maakte, Zwarte September en de vlucht van de PLO naar Libanon, de Libanon-oorlog van Ariël Sharon (niet van Menachem Begin, die was maar premier, en vertrouwde zijn minister van Oorlog Sharon tot het te laat was) in 1982, en dan de PLO in Tunis, naar de noodlottige Golf-oorlog waar de Palestijnen in het verkeerde kamp terecht kwamen door te dicht bij Saddam Hoessein te blijven aanschurken.
De geschiedenis zit vol dubbelzinnigheden, en verborgen details aan beide kanten die beslissingen begrijpelijker zouden maken maar ook veel ingewikkelder en langer om uit te leggen. Nu, door in een versneld relaas hoogtepunten aan te toetsen en nergens voldoende op in te gaan, gaat de deur open voor misvormingen, overdrijvingen en handig uitkomende vergeetachtigheid die hoe dan ook alleen de algemeen heersende, meest verspreide versies van de zaak in de hand werken, en dat zijn bijna altijd de zionistische.
De Oslo-akkoorden van 1993, die nog altijd onderwerp van discussie zijn in Palestina — Was het een uitverkoop door Arafat? Was het een beperkte maar reële kans op een regeling van het conflict? — leidden tot de huidige toestand waarin de Palestijnse Autoriteit in naam van de PLO in “beperkte autonomie” delen van de Bezette Palestijnse Gebieden beheert, boze tongen zeggen, in onderaanneming van Israël, de bezettende macht. Het is te ingewikkeld maar dit kan men er wel van zeggen: tot aan de moord op de Israëlische premier Yitzak Rabin, die aan ernstige onderhandelingen met Arafat bezig was, leek het mogelijk om tot een begin van evolutie naar de twee staten regeling te komen die zogenaamd nog steeds op tafel ligt. Na de moord op Rabin werd die mogelijkheid geliquideerd door de opeenvolgende regeringen van Israël, die de toepassing van de akkoorden ging saboteren, op) de lange baan schuiven, of weigeren, en de bezette gebieden ging volbouwen met Joodse kolonies, nu al ongeveer een miljoen settlers. Daarmee geraakte de toch al zwakke en incompetente Palestijnse Autoriteit steeds meer in de verdrukking, wat tot de opkomst van Hamas leidde en de huidige situatie.
Het verhaal is op zich triest genoeg, en Abicht komt rond uit voor de tekortkomingen van de PA, van de leidende Fatah-organisatie en de PLO die haast irrelevant geworden is. André Gantman van zijn kant gaat hier totaal op in de logica van het televisiedebat, en wil herhaaldelijk scoren met de “talloze miljoenen” die Arafat en de PA van internationale donoren zouden gekregen hebben als hulp voor de opbouw van het land, en die spoorloos verdwenen zouden zijn. Abicht herinnert er dan aan dat er heel wat gebouwd is in de Westoever en Gaza, maar Gantman lijkt dat weg te wuiven. Hij rept er daarbij niet over dat Israël de gewoonte heeft de Palestijnse nieuwbouw en installaties die — inderdaad — met internationale hulp gebouwd werden, met de grond gelijk te bombarderen.
Het debat gaat nog verder, het Israëlische argument van Palestijns terrorisme waar het zich tegen moet verdedigen, tegen het Palestijns argument dat een bezet volk het recht heeft zijn bezetters te bestrijden, de Israëlische gewoonte om onevenredige veel geweld te gebruiken, zodat een ratio ontstaat van tien dode Palestijnen voor één dode Israëli. De onmacht van Abicht zijn eerlijke redelijkheid tegenover de logica van macht van Gantman… Waar was het hen om begonnen? Een platform vinden waarop men verder kon praten? Dat zal dan voor een ander boek zijn, dat uit de klassieke narratieven en de tv-debatten à la Fox News wegraakt.
Ludo Abicht & André Gantman: Israël/Palestina. Tweespraak over oorzaken en oplossingen, Ertsberg, Antwerpen, 256 blz.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.