by Frans Dams | aug 1, 2023 | Sectoren
‘De term “inactieven” wijst erop dat het leven in dienst moet staan van de markteconomie in plaats van omgekeerd.’ Voor de zomerreeks De Doordenkers van Knack.be: Loon naar Werken toont Jef Peeters van Oikos hoe het ook anders kan.
De nadruk waarmee het woord ‘inactieven’ wordt gebruikt, waarmee men dan doelt op ‘mensen tussen de 25 en 64 die niet werken en ook geen job zoeken’: ik stoor er mij de jongste tijd nogal aan. Lijkt die omschrijving objectief, de terminologie is allesbehalve neutraal, laat staan onschuldig.
‘Inactieven’ suggereert immers dat het om mensen gaat die niets doen en daarom geen maatschappelijke verdienste zouden hebben. Hangt de waarde van werken af van het al of niet verrichten ervan via de arbeidsmarkt? Alleen al de vraag stellen toont de absurditeit van een dergelijk standpunt.
Om te beginnen zijn het niet enkel jongeren of gepensioneerden die heel wat vrijwilligerswerk verrichten. Dat kwam bijvoorbeeld duidelijk naar boven tijdens de corona-lockdown. Maar bovenal houdt die suggestie een miskenning in van de cruciale waarde – ook economisch – van het huishoudelijk werk en de ermee verbonden zorg. De Amerikaanse econoom Neva Goodwin noemt dat zelfs de kern van de economie, de ‘core economy’:
‘De kerneconomie is waar huishoudens en gemeenschappen hun interne economische activiteiten van productie, distributie, consumptie en hulpbronnenbeheer uitoefenen. Economen hebben mensen in het kerndomein vaak alleen beschreven in hun rol van consumenten en werknemers, en er zelfs alleen aandacht aan gegeven waar dit domein in wisselwerking staat met bedrijven. Echter, buiten de handboeken is het moeilijk om de kritisch belangrijke economische activiteiten van de kernsfeer niet te willen erkennen, waaronder het opvoeden van kinderen, het voorzien van voedsel, het onderhouden van huizen, de zorg voor zieke individuen en het organiseren van vrije tijd en andere hulpbronnen.‘
Daarmee is het tegenbeeld duidelijk gezet, gezien de meeste zogenaamd ‘inactieven’ wel degelijk in de kerneconomie actief zijn.
De erkenning van de kerneconomie houdt in dat er veel meer economie is dan het gemonetariseerde deel ervan, dat er dus heel wat economische waarde gecreëerd wordt die niet in geld wordt uitgedrukt.
Die erkenning doet nog meer: ze draait de verhoudingen om. Ze toont dat alle verdere economische uitwisseling fundamenteel afhankelijk is van het huishouden en de zorg. De betekenis wordt nog duidelijker via het begrip van de ‘gift’. De kerneconomie zit vol geven, nemen en doorgeven. Die gifteconomie begint met het baren van kinderen en de daaropvolgende eenzijdige bevrediging van de behoeften van zuigelingen en wordt verdergezet doorheen de opvoeding.
Volwassen worden betekent dan in staat te zijn om verder door te geven aan anderen wat je allemaal gekregen hebt van de mensen in je omgeving en van wat voorgaande generaties hebben opgebouwd. Kunnen werken is daar maar een stukje van.
Anders gezegd, er kan pas wederkerigheid ontstaan wanneer er eerst gegeven en gekregen wordt. Zo gezien vormt de gift de eerste economie die andere vormen van economie pas mogelijk maakt. Bijdragen aan de kerneconomie heeft aldus een grote maatschappelijke verdienste.
Probeer je eens in te denken wat er zou gebeuren als al die huismoeders- en vaders, zorgverleners en vrijwilligers in staking zouden gaan.
Stigma
Wat betekent de huidige eenzijdige focus op de markt, inbegrepen de arbeidsmarkt, met de daarmee gepaard gaande miskenning van de kerneconomie? We kunnen niet anders besluiten dan dat een economische benadering die systematisch de gift verdoezelt er feitelijk op parasiteert. Het komt erop neer dat de alomtegenwoordige gift ingepikt wordt zonder haar funderende bijdrage te erkennen. De daarop gebouwde economische resultaten worden vervolgens als ‘eigen verdienste’ beschouwd.
Een wederkerige gift naar de samenleving – bijvoorbeeld via gepaste belastingen bij succes – is dan ook niet meer aan de orde. De bescherming van (grote) vermogens wordt zelfs als een vanzelfsprekendheid gezien. Dat die ‘verdienste’ altijd steunt op vorige generaties en op anderen, en daarbij ook nog eens afhangt van heel wat toevalsfactoren (gezondheid en aangeboren talenten, familiale en geografische context, tijdskader…), wordt al gauw vergeten.
Maar wie, ondanks alle inspanningen, minder succes heeft wordt met de vinger gewezen. En wie kiest voor huisarbeid of vrijwilligerswerk – voor zover het al een keuze is – wordt gediscrimineerd. Denk bijvoorbeeld aan de lage pensioenen van vele vrouwen die een deel van hun leven aan zorg besteed hebben. Daarbij komt dan nog het stigma van zogenaamd ‘inactief’ te zijn.
Wat we vandaag zien gebeuren in een aantal private woonzorgcentra levert een soort ‘bewijs uit het ongerijmde’ van de zogezegde zegeningen van de markt. Zo sprongen zopas nog vrijwilligers bij om maaltijden te bezorgen bij bewoners van dubieuze ‘assistentiewoningen’ van Triamant in Sint-Truiden bij het faillissement van een toeleverende zusteronderneming.
Waar zit hier de verdienste? Mogen de inactieven enkel de gaten vullen of krijgen ze ook maatschappelijke erkenning en zo nodig ondersteuning? Alleszins niet van een liberale minister die stelt: ‘Als je een huisvrouw wil zijn, oké, maar dan wel op je eigen kosten.‘
De inactieven vormen voor hem een ‘enorm reservoir’ voor de arbeidsmarkt. Gaat het hier dan niet om mensen met een eigen idee over wat voor hen niet alleen haalbaar is, maar ook betekenisvol om een zo goed mogelijk leven te kunnen leiden in interactie met anderen?
De term ‘inactieven’ wijst op de echte omkering waar onze samenleving aan lijdt: het leven moet in dienst staan van de markteconomie in plaats van omgekeerd. Wie krijgt in een dergelijke setting loon naar verdienste?
Bron: Knack
by Frans Dams | aug 1, 2023 | Economie
‘In ons land ontstaat een categorie van werkende armen’, schrijft Tony Vande Casteele. Op uitnodiging van Logia buigt hij zich voor de zomerreeks De Doordenkers van Knack.be over het basisinkomen.
Pas afgestudeerd kreeg ik de job van mijn dromen aangeboden: personeelschef van een middelgrote textielonderneming. Ik moest me toen wel tevreden stellen met een sober startloon, máár met een mondelinge garantie dat dit snel zou groeien, afhankelijk van mijn functioneren.
Ik nam het risico.
Vandaag start de financiële carrière van een werknemer doorgaans anders. Diploma, werkervaring, de marktwaarde van de functie en haar positie binnen de hiërarchie, de tewerkstellingsgraad en dies meer bepalen in belangrijke mate het aanvangsloon. Groeimogelijkheden door anciënniteitsopbouw (baremieke verhogingen), doorgroei in de functie of naar een hogere functie en promotie (gunstige evaluatie) geven aan deze realiteit een zekere dynamiek.
Het geeft ons misschien het gevoel dat ‘loon naar werken’ en ‘gelijk loon voor gelijk werk’ effectief worden gerespecteerd en gewaardeerd. Maar is dat wel zo?
Regelmatig hoor ik verhalen van jonge mensen die getuigen dat het moeilijk is om de eindjes aan elkaar te knopen. Wie jong is, en nog niet veel werkervaring heeft, kan het moeilijk hebben om een degelijk huis te huren, laat staan een lening aan te gaan om er een te kopen. Toch staat het kopen van een huis bij veel jonge mensen bovenaan hun verlanglijstje.
De combinatie van aanzienlijke ‘eerste’ uitgaven en een startersloon is niet eenvoudig. Een starter die niet in de stad woont, moet vaak voor zijn of haar eerste job een auto aanschaffen. Maar ook een vijftiger die twee jaar geleden zijn huis heeft zien wegspoelen in Pepinster, zal niet toekomen met hetzelfde loon om zijn leven terug op de rails te krijgen als een leeftijdsgenoot wiens hypotheek van een huis in een regio die niet getroffen werd door de ramp al is afbetaald.
Zou het niet logischer zijn om loon te bekijken naar gelang iemands noden om een gewoon leven te kunnen leiden?
Eén denarie
De vraag brengt me bij een verhaal uit het evangelie over een landheer die er ‘s ochtends op uittrok om arbeiders voor zijn wijngaard te zoeken. Nadat hij met de arbeiders een dagloon was overeengekomen van één denarie, stuurde hij hen naar zijn wijngaard.
Drie uur later trok hij er opnieuw op uit en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, zei hij ook: ‘Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.’ En ze gingen erheen.
Tegen het einde van de dag trof hij een groepje. Hij vroeg: ‘Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?’ ‘Niemand heeft ons ingehuurd,’ antwoordden ze. Hij: ‘Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.’
Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: ‘Roep de arbeiders bij je en betaal het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.’
En zij die er vanaf het einde van de dag waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die een denarie.
Toen ze het geld hadden aangenomen, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: ‘Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij onder de brandende zon de hele dag hebben volgehouden.’
Hij antwoordde een van hen: ‘Ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? Neem wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten hetzelfde geven als aan jou. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies, of ben je jaloers omdat ik goed ben?’
Werkende armen
In ons land ontstaat een categorie van ‘werkende armen’: mensen die een baan hebben waarmee ze niet genoeg verdienen om hun leven te kunnen leiden. Huur, energiefactuur, internetabonnement, verzekeringen, voeding, vervoer en verplaatsingen, misschien nog kosten voor kinderen of medische kosten, slorpen hun volledige maandloon op. En dat in een rijk land waar ‘loon naar werken’ en sociale zekerheid ingeburgerde waarden zijn.
Uit het verhaal van de arbeiders hierboven leer ik dat al wie bereid is tot werken, al wie ter beschikking staat om een bijdrage te leveren aan de welvaart van onze samenleving, recht zou moeten hebben op de vruchten van die samenleving, op een menswaardig bestaan.
Het staat helemaal haaks op de manier waarop we vandaag denken over ‘loon naar werken’, maar de landheer suggereert dat op het einde van de dag iedereen nood heeft aan brood op tafel, een dak boven het hoofd en andere basisbehoeften. Daarmee rechtvaardigt hij zijn beloningsstrategie.
Komt het idee van een basisinkomen – ik noem het liever een bestaanszekerheidsvergoeding – hier niet om de hoek kijken? Zou het niet mogelijk zijn om aan alle burgers zo’n vergoeding te geven, naast gangbare verloningsystemen? Kunnen we onderzoeken of een basisinkomen meer gelijkheid in de hand werkt? Vragen die de moeite waard zijn voor de toekomst.
Bron: Knack
by Frans Dams | aug 1, 2023 | Economie
Voor de zomerreeks De Doordenkers van Knack.be: Loon naar Werken kijkt Hielke Van Doorslaer van Denktank Minerva naar de ‘grote perversiteit’ van het huidige macro-economische beleid.
Er schuilt een grote dubbelzinnigheid in ons huidig macro-economische bestel. Terwijl vooral bedrijfswinsten de huidige inflatieopstoot opdrijven, zijn het voornamelijk werkenden die de prijs betalen voor de strijd tegen inflatie, in de vorm van lagere reële lonen en een lagere levensstandaard. En in de strijd tegen inflatie, zijn het in het huidig macro-economische regime opnieuw de werkenden die het gelag betalen. Dat werknemers loonverlies moeten lijden als antwoord op een inflatieschok is nochtans geen natuurwet, maar het gevolg van misplaatste beleidskeuzes.
Ondanks het gebrek aan concreet bewijs was de gedachtegang lang dat het kernprobleem van een inflatieopstoot bij werknemers lag: zij zouden te hoge lonen eisen en daarmee een ‘loon-prijsspiraal’ ontketenen. Werknemers eisen meer loon, bedrijven rekenen de gestegen arbeidskost door in de uiteindelijke prijzen, en naarmate de consumentenprijzen stijgen, eisen de arbeiders opnieuw hogere lonen om de gestegen levenskost te compenseren. Waarop ondernemingen die kosten opnieuw doorrekenen, en de prijzen opnieuw de hoogte ingaan. Die cyclus zou dan voorthollende inflatie produceren.
Het klassieke antwoord? De centrale bank trekt de rente op om investeringen en bestedingen te ontmoedigen (want lenen wordt duurder, en sparen aantrekkelijker), zo de economie af te remmen en de werkloosheid te verhogen, en op die manier neerwaartse druk op de lonen te zetten.
De afgelopen maanden hebben verschillende instanties echter bevestigd dat niet lonen, maar bedrijfswinsten de belangrijkste oorzaak zijn geweest van de hoge inflatie in de nasleep van de covid- en Oekraïnecrisis. In maart kwam de Europese Central Bank (ECB) met onderzoek naar buiten dat stelde dat ‘het effect van de winsten op de binnenlandse prijsdruk vanuit historisch perspectief uitzonderlijk hoog is’: liefst twee derde van de prijsstijgingen in 2022 viel te verklaren door een toename in de winstcijfers, aldus de ECB.
In recenter onderzoek voegde ze daar nog aan toe dat ‘de prijsstijgingen gemiddeld gesproken de stijging van de productiekosten hebben overtroffen en aldus hebben bijgedragen tot het aantrekken van de binnenlandse inflatie’. De Bank for International Settlements (BIS) besloot in haar jaarrapport dat ‘terwijl de inflatie de koopkracht van huishoudens ernstig heeft aangetast, de bedrijfswinsten opmerkelijk goed hebben standgehouden’. Het IMF concludeerde eveneens dat de hogere inflatie vooral het gevolg is van hogere winsten en invoerprijzen, waarbij winsten ‘sinds begin 2022 verantwoordelijk zijn voor 45 procent van de prijsstijgingen’.
Herverdeling
Hoge looneisen zijn dus niet de belangrijkste aanjager van inflatie geweest, wel de bedrijfsinkomsten – de cijfers wijzen op een winst-prijsspiraal, geen loon-prijsspiraal.
Terwijl ondernemingen hun marges wisten te handhaven of zelfs te vergroten, daalden de reële lonen voor werknemers (de OESO spreekt voor het eerste kwartaal van 2023 van een gemiddeld reëel loonverlies voor werknemers van 3,8 procent tegenover het jaar voordien). Doordat bedrijven de prijsstijgingen veelal wisten door te rekenen, zorgde de inflatie dus voor een herverdeling van arbeid naar kapitaal. Het ‘collectieve’ welvaartsverlies ten gevolge van de stijgende inflatie werd dus nogal eenzijdig afgewenteld op de schouders van huishoudens en werknemers.
Om de inflatie te doen terugkeren naar de doelstelling van 2 procent stellen zowel het IMF als de BIS dat het noodzakelijk is om de winstmarges te doen terugkeren naar een niveau dat meer in lijn ligt met de historische norm pre-corona. De beleidsaanbeveling die het IMF hieraan verbindt is echter even origineel als stuitend: ‘het macro-economisch beleid moet restrictief blijven om de vraag [en de lonen] te dempen, zodat bedrijven op die manier gedwongen worden om lagere winstmarges te accepteren.’ Ook de ECB bepleit een aanpak van blijvende verstrakking om via een omweg bedrijfswinsten te matigen: ‘Als de prijzen gedurende langere tijd sneller stijgen dan de lonen en de reële lonen daardoor dalen, zullen de huishoudens zich op een gegeven moment de hogere prijzen niet meer kunnen veroorloven.’
Hierin schuilt de grote perversiteit van het huidige macro-economische beleid: enerzijds toegeven dat een belangrijke deel van de huidige inflatie veroorzaakt wordt door hogere winsten, maar anderzijds wel oproepen om het beleid restrictief te houden in de hoop bedrijven die hun prijzen opdrijven indirect ‘leeg te bloeden’ via maatregelen die vooral werkenden treffen.
De standaardaanpak blijft daarmee ongewijzigd – inflatie indijken door het verhogen van de rentevoeten en het beperken van staatsuitgaven -, ook al impliceert die een hogere werkloosheid, een tragere economie en een groter risico op een recessie en financiële instabiliteit. Econome Isabella Weber omschrijft de huidige aanpak daarom treffend als een strategie die de kosten van inflatie afwentelt op arbeid (door lonen te drukken), op publieke dienstverlening (door bezuinigingen) en op toekomstige generaties (door investeringen te ontmoedigen).
Lessen uit Spanje
Nu duidelijk is dat de lonen niet de grote drijfveer waren, maar integendeel de grootste klap incasseerden, zou het onveranderd doorvoeren van een anti-inflatiestrategie die voornamelijk weegt op lonen en de levenstandaard van werknemers niet langer de regel mogen zijn. Het zou een oproep moeten zijn om creatievere mechanismen te ontwikkelen die de lasten van disinflatie niet langer eenzijdig situeren bij kwetsbare werknemers en huishoudens. Voorbeelden van dergelijke beleidsalternatieven zijn er bovendien al.
In Spanje heeft de overheid een mix aan inventieve maatregelen ingezet om de impact van de inflatie op werkenden te temperen (het plafonneren van de gas- en elektriciteitsprijzen, het limiteren van huurprijsstijgingen, inkomensondersteuning en het verlagen van de belastingen voor kwetsbare huishoudens en lage inkomens, het verhogen van de belastingen op vermogen en overwinsten, verlagen van de prijs van openbaar vervoer, enzovoort), terwijl in België het indexmechanisme ervoor gezorgd heeft dat de lonen net automatisch meestegen met de toename in levensduurte en de koopkracht op peil bleef. Dat beide landen vorige maand met een algemeen inflatiepeil van 1,6 procent beter doen dan veel van hun buurlanden, moet toch tot nadenken stemmen, nee?
Bron: Knack
by Frans Dams | aug 1, 2023 | Varia
Geachte heer Weyts, beste Ben,
Er wordt beweerd dat sinds het begin van de metingen in ons landje nooit zo veel broodnodige overheidssubsidie aan bedrijven, industrieën, bouwpromotoren en vennootschappen werd gegeven als tijdens het voorbije jaar.
Misschien ligt daar wel de reden voor de teloorgang van de biodiversiteit in de openbare dienstverlening. Door mensen bemande loketten zijn met uitsterven bedreigd. In Planckendael werden het voorbije voorjaar meer jonge ooievaars geboren dan er in heel Vlaanderen sociale woningen werden gebouwd. Het aantal bus- en tramhaltes vermindert sneller dan het aantal vlindersoorten. Er zijn stilaan minder postbussen en geldautomaten dan loslopende wolven en naar verluidt verloopt de sluiting van openbare zwembaden dubbel zo snel dan die van niet vergunde varkensstallen. Het openbare zwembad dreigt een curiosum te worden.
De kinderen van mijn buren hebben alleszins nooit een openbaar zwembad gezien. Ze kennen alleen het plonsbadje dat hun vader opblaast om het op al te hete dagen tussen de vuilzakken op ons gemeenschappelijke koertje te zetten waar ze dan zoveel kabaal maken dat ons binnenkoertje op de Blaarmeersen gaat lijken.
Om ze even stil te krijgen heb ik hen proberen uitleggen dat het in mijn jonge jaren een normale schoolactiviteit was om naar een openbaar zwembad te gaan om daar te leren zwemmen. Ze hebben mij met open mond aangekeken.
Volgens onderzoeken zou onze schoolgaande jeugd niet zonder fouten kunnen schrijven en last hebben om te rekenen, maar werd ooit al onderzocht of ze nog wel kunnen zwemmen? Hoe moeten ze zich redden wanneer ze ooit – God behoede het – in wankele bootjes op de vlucht de zee moeten oversteken?
Gelukkig worden nu toch maatregelen genomen om het zwemmen opnieuw in te burgeren. In eerste instantie worden alvast de villabewoners bediend. Een kameraad heeft mij op zijn smartphone laten zien dat het mogelijk is om een subsidie tot 1.500 euro (dat is 261,5 euro meer dan mijn leefloon) te bekomen indien men een warmtepomp aanschaft om het water van zijn privé-zwembad te verwarmen.
Als onverschrokken minister van Dierenwelzijn vaardigde u al drastische maatregelen uit zodat alle tijgers in dierentuinen nu over een eigen zwembad beschikken en de dolfijnen zullen binnenkort zowel over een overdekt als een openluchtzwembad krijgen. Kan u die dappere lijn niet doortrekken als minister van Onderwijs en Sport? Terug openbare zwembaden in alle dorpen en steden! Opnieuw schoolzwemmen, zowel bij de katholieken als in de athenea!
Ik zal u ten zeerste dankbaar zijn omdat de rust op ons binnenkoertje mij echt wel dierbaar is.
Intussen verblijf ik met de meeste Hoogachting,
U kent mij uit eerdere briefwisseling als Dikke Freddy
Bron: sociaal.net
by Frans Dams | aug 1, 2023 | Varia
Toeristen trekken naar de Middellandse Zee alsof er niets aan de hand is, maar de huidige hittegolven zijn wel degelijk een game changer, schrijven experten Susanne Becken en Johanna Loehr. Hoe, waar en wanneer we reizen gaat de komende jaren sterk veranderen.
Duizenden mensen in de val op een strand. Kinderen die van evacuatiebootjes vallen. Paniek. Mensen die vluchten met enkel nog de kleren die ze aanhebben: volgens één van de toeristen voelde het als het “einde van de wereld.”
De branden die de Griekse eilanden Rhodos en Corfu treffen, maken duidelijk dat onze favoriete vakantiebestemmingen niet langer veilig zijn naarmate de klimaatcrisis zich doorzet.
Decennialang trokken toeristen naar de Middellandse Zee, ook vanuit Scandinavië, Rusland en zelfs Australië. Na de pandemie wilden velen dat opnieuw doen.
Maar dit jaar hebben intense hittegolven in Spanje alleen al honderden levens geëist. Grote toeristische trekpleisters zoals de Acropolis in Athene werden gesloten. Klimaatwetenschappers zijn verbaasd over de felheid van de hitte.
De kans is dan ook erg groot dat dit jaar een verandering forceert in het denkpatroon van toeristen en touroperators. Te verwachten is dat meer vakantietrips buiten de zomermaanden juli en augustus gepland zullen worden, en dat meer gematigde landen populairder zullen worden. Toeristische bestemmingen met warm weer zullen ingrijpend moeten veranderen.
Wat met het massatoerisme?
Het weer is een doorslaggevende factor in het toerisme. In Europa en de Verenigde Staten zijn mensen geneigd van het noorden naar het zuiden op vakantie te gaan. Chinese toeristen en Australiërs trekken vaak naar de stranden in Zuidoost-Azië.
In Europa is die noord-zuidstroom zowat een instituut geworden. Maar dit jaar zal vrijwel zeker veranderingen in gang zetten. Dat zie je nu al in de groeiende populariteit van het “schouderseizoen”: de maanden juni en september.
Hete zomervakanties veranderen van iets dat we wensen in iets dat we vrezen. En daar komen nog andere consumententrends rond duurzaamheid en vliegschaamte bovenop.
Er is natuurlijk ook ramptoerisme, waarbij thrillseekers bijvoorbeeld naar Death Valley trekken om er temperaturen boven de 50 graden Celsius mee te maken. Maar het is moeilijk voor te stellen dat dat echt een massatrend wordt.
“Laatstekanstoerisme” wordt wel een ding, waarbij mensen erg kwetsbare sites zoals het Great Barrier Reef nog willen zien voor ze verdwenen zijn. Maar het spreekt vanzelf dat dat type toerisme niet duurzaam is op lange termijn.
Just-in-time
De crisis op Rhodos toont ons de gevaren van het “just-in-time-model” van toerisme, waarbij je toeristen en alles wat ze nodig hebben – voedsel, water, wijn – binnenhaalt wanneer ze het nodig hebben.
Dat systeem is gericht op efficiëntie. Maar dat betekent ook dat er weinig ruimte is voor onvoorziene gebeurtenissen. Rhodos bleek niet in staat om 19.000 toeristen snel te evacueren. Die aanpak zal moeten veranderen naar een “just-in-case”-benadering.
Voor de hulpdiensten vormen toeristen een extra uitdaging. Ze hebben veel minder inzicht in de risico’s en mogelijke ontsnappingsroutes dan de lokale bevolking. Bovendien spreken ze vaak de taal niet, en dat maakt het veel moeilijker om ze te helpen.
Klimaatverandering vormt ook in andere regio’s enorme uitdagingen. Pacifische eilandstaten zoals Kiribati of Tuvalu zouden met plezier meer toeristen aantrekken, maar daar is water het probleem. Het wordt nu al steeds moeilijker om voldoende water te vinden voor de lokale bevolking. En toeristen gebruiken veel water: ze drinken het, douchen erin, zwemmen erin. Zorgvuldige planning is nodig om ervoor te zorgen dat de lokale draagkracht niet wordt overschreden door toerisme.
Betekent dit het einde van het massatoerisme? Niet helemaal. Maar het zal zeker de trend versnellen in landen als Spanje, die weg willen van het massatoerisme, of “overtoerisme”. In toeristische hotspots zoals de Balearen is er een toenemend verzet van de lokale bevolking tegen overtoerisme, ten gunste van gespecialiseerd toerisme met kleinere aantallen, en verspreid over het jaar.
Is dit jaar dan een wake-up call? Zeker. Door de toenemende klimaatcrisis zijn velen van ons nu meer gefocust op wat we kunnen doen om het ergste te voorkomen, bijvoorbeeld door vluchten te vermijden. Ook de druk om te veranderen neemt toe: verschillende luchtvaartmaatschappijen worden aangeklaagd vanwege misleidende promotiecampagnes om CO2-neutraal te vliegen.
Van het strand naar de berg
In veel landen is nu al een verschuiving begonnen om zich aan de veranderingen aan te passen. In Italië bijvoorbeeld groeit het binnenlandse bergtoerisme. Mensen trekken er van de hitte van Milaan en Rome naar de bergen, waar het koeler is, zelfs al is de sneeuw vaak al verdwenen.
China, waar ze de zaken vaak groots aanpakken, investeert in grote resorts in de bergen. Het land wil zo in de noordelijke provincie Jilin een koeler alternatief bieden voor de oververhitte inwoners van megasteden als Peking en Shanghai.
Sommige berglanden houden nu al een slag om de arm om een nieuwe golf van massatoerisme te vermijden. Noorwegen bijvoorbeeld denkt al na over een toeristentaks.
Landen die vooruit denken, zullen beter voorbereid zijn op de veranderingen. Maar ook voorbereiden en aanpassen heeft zijn beperkingen. Het gebied rond de Middellandse Zee warmt 20 procent sneller op dan het wereldwijde gemiddelde, en zomervakanties worden er gewoon steeds minder aantrekkelijk.
Italië en Spanje zijn ook nog altijd in de greep van een recorddroogte, die de voedsel- en watervoorziening bedreigt. De toekomst van het toerisme zal er heel anders uitzien.
__
Susanne Becken is Professor Duurzaam Toerisme aan de Griffith University in Australië. Johanna Loehr is postdoctoraal onderzoeker aan dezelfde universiteit.
Bron: DeWereldMorgen.be