by Frans Dams | jul 1, 2023 | Onderwijs
‘De job van leerkracht is meer dan een knelpuntberoep’, schrijft Geert Kelchtermans. ‘Tijd om dat te erkennen en passend te waarderen.’ Daarmee reageert hij op de nieuwste aflevering van De leraarskamer van Knack waarin leerkrachten het hebben over die ene leerling die ze nooit meer zullen vergeten.
Wellicht zullen veel niet-leraren ze met een welwillende glimlach afdoen als sympathieke anekdotes, de verhalen uit de Leraarskamer over de leerling die ze nooit zullen vergeten. Leraren zullen ze allicht met meer aandacht lezen, stevig knikken en dan even de blik op oneindig stellen en voor hun geestesoog zelf de leerlingen laten passeren die zij nooit vergaten. Dit soort verhalen en herinneringen onthult immers een wezenlijke dimensie van het leraarschap die nog veel te weinig ernstig genomen wordt.
Leraarschap betekent immers onvermijdelijk in relatie staan met leerlingen, met de toekomstige generatie. Als professional verantwoordelijkheid opnemen in die relatie vraagt van de leraren zowel expertise als engagement. Expertise verwijst naar de deskundigheid -kennis, vaardigheden, houdingen- van leraren om rijke leer-en ontwikkelingskansen te creëren voor de leerlingen. Om hen de doelen van het leerplan zo goed mogelijk te helpen bereiken. Engagement geeft aan dat het om meer gaat dan een instrumentele verhouding om zo efficiënt en effectief mogelijk leerresultaten te bereiken. Engagement verwijst naar een betrokkenheid op de unieke persoon van de ander. Een ethische, zorgende relatie, waarbij men zich verantwoordelijk voelt en dus ‘antwoord’ probeert te geven op de educatieve noden van die leerling.
Over de juistheid van dat antwoord heeft men als leraar nooit zekerheid. In hun dagelijkse onderwijspraktijk zien leraren zich gedwongen om talloze keren een oordeel te vellen over een concrete situatie, vraag, probleem. In dat oordeel maakt men altijd waardengebonden keuzes. Zelfs in kleine, ogenschijnlijk louter technische kwesties. Bijvoorbeeld de afweging: “ga ik naar een volgende fase in de les, of geef ik toch nog een extra voorbeeld omdat sommige leerlingen duidelijk nog niet helemaal mee zijn?” In het antwoord zal de leerkracht niet alleen rekening houden met de inschatting over wat hier en nu het beste leerresultaat geeft, maar zit onvermijdelijk ook een ethische afweging: ook de zwakkere leerlingen meekrijgen of vermijden dat de sterkere leerlingen zich vervelen? En dat alles speelt zich af in een fractie van een seconde.
Daarenboven beschikken leraren niet over een onbetwiste en zekere basis voor hun oordeel. Niets of niemand kan de zekerheid bieden dat deze aanpak hier, nu en voor deze leerlingen het meest passend is. Anderen kunnen het dus oneens zijn met die keuze. Leraren kunnen en zullen aangesproken worden op hun beslissingen en de waarden die ze daarin laten doorwegen.
Als dat gebeurt kunnen ze hun afwegingen, keuzes, inschattingen enz. toelichten, maar zonder dat ze zich daarbij kunnen indekken met een onaantastbaar gezagsargument. Ook de herinneringen uit de Leraarskamer laten zien dat het inzetten van expertise en engagement geen garantie bieden op ‘succes’.
Of beter, dat het ‘effect’ dat men als leraar heeft bij leerlingen vaak verrassend is, onvoorspelbaar of zelfs pas jaren later zichtbaar wordt (als je het al te zien krijgt als leraar…). Daarom wordt het leraarschap gekenmerkt door structurele kwetsbaarheid. Met structureel bedoel ik dat het niet gaat om een persoonlijkheidseigenschap, laat staan om een tekort of zwakte van de individuele persoon.
De kwetsbaarheid is inherent aan het beroep van leraar. Het erkennen, uithouden en zelfs omarmen ervan maakt deel uit van de specifieke professionaliteit van het leraarschap. Net zoals de onvermijdelijke emoties die ermee gepaard gaan. Dat wordt duidelijk in de getuigenissen over de leerlingen die men nooit zal vergeten: de verrassing, vreugde, onmacht, verdriet, frustratie… Het zijn veelzeggende en belangrijke verhalen: gecondenseerde en exemplarische voorbeelden van de grootse kwesties die het leraarschap kleuren. Engagement -met zijn morele en emotionele implicaties- maakt wezenlijk deel uit van professioneel leraarschap. Even wezenlijk als expertise. En dat blijft nog al te vaak afwezig in het gangbare denken en spreken over het leraarschap.
En wellicht is die miskenning wel net een van de belangrijkste redenen waarom leraren vaak voortijdig het onderwijs inruilen voor een andere job. Hoog tijd dus om het leraarschap niet alleen te erkennen als knelpuntberoep, maar ook als ‘heftig beroep’. Te erkennen én passend te waarderen.
Geert Kelchtermans is hoogleraar onderwijspedagogiek aan de KU Leuven.
Bron: Knack
by Frans Dams | jul 1, 2023 | Onderwijs
‘Het Vlaamse onderwijs kan zich niet nog eens een regering permitteren waarin de partijen zich tot paniekvoetbal en profilering beperken’, schrijft Johan De Wilde, docent aan de lerarenopleiding van Odisee. ‘Sructurele hindernissen die het moeilijk maken om goede krachten zekerheid te geven, moeten overboord.’
Vijf jaar geleden verscheen het manifest van de startende leraar. Deze breed gedragen tekst pleitte voor een coherent en duurzaam onderwijsbeleid om het lerarentekort, de professionalisering van leraren en de onderwijskwaliteit geïntegreerd aan te pakken. Ondanks de toegenomen aandacht voor de eerste en de laatste uitdaging, zijn we vooralsnog niet verder geraakt dan proefballonnetjes en dure in der haast bedachte maatregelen, zoals recent het statuut van leraar-specialist. Door ze als creatieve oplossingen voor te stellen hoopte minister Weyts wellicht te verdoezelen dat ze stuk voor stuk onvoldragen zijn en samenhang missen.
Vijf jaar na het manifest betekent één jaar voor de volgende verkiezingen. Het Vlaamse onderwijs kan zich niet nog eens een regering permitteren waarin de partijen zich tot paniekvoetbal en profilering beperken. Samenwerking met alle onderwijsactoren en over de partijgrenzen heen in functie van gedeelde lange termijndoelen zou in alle partijprogramma’s centraal moeten staan en na de verkiezingen het leidmotief moeten blijven.
De eerste stap in het manifest zou de gemakkelijkste moeten zijn: startende leraren vasthouden. Veel scholen en lerarenkorpsen lijken dat ondertussen begrepen te hebben. Als ze de starters geen haalbaarder opdracht geven dan de anciens en niet voor meer en betere ondersteuning zorgen, dan branden ze de nieuwe collega’s op en krijgen ze de reputatie startersonvriendelijk te zijn. En dat is wel het laatste wat een school zich kan veroorloven, wanneer de vraag naar leraren groter is dan het aanbod. Het engagement van een groeiend aantal leraren ten aanzien van starters verdient zondermeer een pluim. Collega’s zonder uren voor aanvangsbegeleiding dienen zich aan als peter, meter of coach, nemen hoofdstukken van een onthaalbrochure voor hun rekening en spelen vrijwillig vraagpaal, feedbackgever en occasionele co-teacher.
Toch kan de basis het niet alleen. Extra tools zijn nodig en bovenal moeten structurele hindernissen die het moeilijk maken om goede krachten aan zich te binden overboord. Een storend mechanisme dat onderbelicht is gebleven, en waar specifieke groepen van leraren last van hebben is het variërend aantal lerarenuren dat een school gedurende een schooljaar kan invullen. Positief geformuleerd klinkt het zo: naarmate er in de loop van het schooljaar OKAN-leerlingen en kleuters bijkomen, groeit de portefeuille van uren waarmee een school leraren kan aanwerven. Negatief geformuleerd komt het erop neer dat er na afloop van elk schooljaar weer uren geschrapt worden en dus goede leraren hun opdracht of een deel ervan zien verdwijnen.
Het aantal tweeënhalf jarigen dat in de loop van een schooljaar zal instromen zou min of meer voorspelbaar moeten zijn. Ook al is de budgettaire ruimte er niet om alle kleuterscholen een heel jaar te laten draaien met de personeelsomkadering waar ze in juni zouden mogen verwachten recht op te hebben, dan moet het toch kunnen hen schooljaar lang een omkadering te geven die in de buurt komt.
Toegegeven, OKAN is complexer. De Oekraïnecrisis toonde (en toont) aan dat het aantal OKAN-leerlingen dat zich in de loop van het schooljaar aandient onvoorspelbaar is. Dat neemt niet weg dat ook daar scholen jaar na jaar in juni afscheid nemen van goede leraren om maanden later opnieuw op zoek te gaan naar profielen die er in juni nog tot ieders tevredenheid werkten. In het geval van OKAN zou een oplossing er kunnen in bestaan dat in het begin van het schooljaar, wanneer de leerlingengroep het kleinst is, een aantal lesgevers extra ingeschakeld worden als brugleerkracht bovenop de bestaande vervolgcoaching van OKAN’ers die in juni uitstroomden. Die leerlingen en de scholen waar ze in terechtkomen vragen op dat moment immers net meer werk.
OKAN en kleuteronderwijs als seizoensarbeid aanpakken is niet alleen een miskenning van een kwetsbare groep van leraren en leerlingen, het is ook een misrekening voor het onderwijs in zijn geheel. Ons systeem kan het zich niet permitteren mensen met expertise die er de weg naar gevonden hebben weer weg te jagen.
Zelfs al focus ik in dit stuk op stap een van het manifest, nl. goede leraren aan boord houden, hij is onlosmakelijk verbonden met de tweede: professionalisering, en met stap drie, de kwaliteit van ons onderwijs verhogen. Telkens nieuwe mensen moeten zoeken en hen professionaliseren terwijl de reeds ingewerkten maanden ervoor tegen hun zin eruit stapten, is immers de minst effectieve en efficiënte professionalisering. Als we de kwaliteit willen verhogen, houden we de goede krachten vast en investeren we in hun verdere professionele groei. De aantrekkelijkheid van het beroep stijgt vanzelf mee.
Bron: Knack
by Frans Dams | jul 1, 2023 | Varia
‘Stoerdere en hardere taal, die gepaard gaat met een repressieve aanpak, kan misschien electoraal lonen bij die groepen waarover het niet gaat’, schrijven Jan Naert, Pascal Debruyne en Rudi Roose over het nieuwe actieplan van de Vlaamse regering om jeugdcriminaliteit aan te pakken. Dat maakt mogelijk dat jeugdrechters ook ouders kunnen straffen voor feiten die gepleegd worden door hun kinderen.
Het nieuwe actieplan om jeugdcriminaliteit aan te pakken maakt het mogelijk dat ouders gestraft worden door de jeugdrechter voor feiten die gepleegd worden door hun kinderen. Minister van Justitie Zuhal Demir (N-VA) en minister van Welzijn Hilde Crevits (CD&V), die verantwoordelijk zijn voor dit actieplan, zetten daarmee terug een stap in een verder escalerende bestraffingslogica. Een aantal zaken in deze visie en aanpak zijn bedenkelijk vanuit wetenschappelijk oogpunt en zeggen meer over de staat van de politiek zelf, dan over jongeren uit vaak maatschappelijk kwetsbare gezinnen die “van de sporen gaan”.
Bevoogding en klassejustitie
Ondanks de blinddoek van Vrouwe Justitia, werkt ons juridisch systeem ongelijk. Dit kwam op een schrijnende manier aan de oppervlakte na het proces van de Reuzegommers, die verantwoordelijk waren voor de dood van Sanda Dia. De roep van de Hoge Raad voor Justitie naar wetenschappelijke bewijsvoering is terecht. Want ongelijke macht lijkt wel een rol te spelen. Wie zich in dergelijke systemen kan wapenen en de taal, procedures en machtsmiddelen kent om ermee om te gaan, komt er beter uit dan anderen die die middelen niet hebben.
Wat geldt in het justitieel systeem voor volwassenen, speelt ook een rol in dat voor minderjarigen. Kinderen en jongeren uit lagere sociale klassen hebben meer kans om in de jeugdhulpverlening terecht te komen. Bovendien weten we ook dat deze door gezinnen vaak als sterk bevoogdend en bestraffend wordt ervaren. Hoewel er formeel vaak sprake is van vrijwilligheid, is de druk vanuit het jeugdhulpsysteem vaak groot om iets te veranderen: iets te veranderen aan het gedrag, iets te veranderen aan de manier van opvoeden, of iets te veranderen aan je levensstijl.
Zo vrijwillig is dit allemaal niet. Het is pas wanneer mensen zelf in contact komen met zo’n systemen, dat ze schrikken van de controle en disciplinering die ervan uitgaat. Jeugdhulpverlening bevindt zich immers op de spanning tussen een beschermingslogica voor het kind en de jongere (met uitbreiding van het gezin) en een bescherming van de maatschappij tegen het potentieel ‘ontspoorde’ individu en/of gezin. Meer en meer zien we dat repressieve logica’s domineren. En bescherming op basis van grondrechten neemt af.
In onderzoek met jongeren in de jeugdhulp werd duidelijk dat zij vaak een appel deden op dienstverlening, maar dat hun vraag niet gehoord of niet serieus genomen werd (Naert, 2019). Ook in de vroegere praktijken van de Ouderstages, die ook dienden om ouders die manifest onverschillig waren ten aanzien van de delinquentie van hun kinderen, merkten we dat het niet ging om ouders die onverschillig waren, maar vaak geen raad meer wisten met het gedrag van hun kinderen en vaak vruchteloos hulp zochten. Indien er dan feiten gepleegd worden, dan is er vaak wel een antwoord voor handen, maar dit is dan vaak ook een hard antwoord.
Dat dit dubbel bestraffend wordt ervaren door ouders en jongeren is duidelijk. De vraag is dus wat het maatschappelijk engagement is om voor elk kind en voor elke jongere te voldoen aan de grondrechten. Dit is tot nader order wel een kwestie, gezien heel veel kinderen en jongeren vandaag op straat leven. Tellingen tonen een stijging van min 25-jarigen in de statistieken. Op wie en wat richt het beleid haar pijlen dan? En wie ontspoort er?
Straffen werkt niet
Naast een macro maatschappelijk verhaal, is er ook het eenvoudige feit dat bestraffing niet, kortstondig of slechts met permanente dreiging werkt. Onderzoek rond motivatie van mensen toont aan dat bestraffing zelden leidt tot wat men noemt ‘intrinsieke motivatie’, een term die uitdrukt dat de motivatie uit de persoon zelf komt en niet ingegeven is door een externe factor. Bestraffing kan zelfs contrapructief werken indien het niet constructief is en gericht op herstel. In heel wat contexten is men dan ook al langer afgestapt van een bestraffende logica.
Ook in het recente decreet jeugddelinquentierecht wordt de nadruk gelegd op herstel, en veel jeugdhulpprofessionals werken aan constructieve reacties op delinuentie, vanuit de vaststelling dat repressie – hoe aantrekkelijk het ook mag klinken voor leken – geen zinvol antwoord is op problematisch gedrag van jongeren en ouders.
Als we dan uitgaan van het feit dat er heel wat jongeren zijn die al een langer traject in en uit de jeugdhulp liepen, en waarbij er in deze trajecten vaker momenten waren die zij (en met hen ook hun gezin) als sterk negatief ervaren hebben, dan dienen we dit plan met “meer van hetzelfde” sterk in vraag te stellen. Voor jongeren en hun gezinnen zal dit niet werken. Het zal er alleen toe leiden dat het systeem van zorg of van jeugdrecht voor hen nog bedreigender wordt en nog minder betrouwbaar dan het al was. Het lijkt ons zeer paradoxaal dat een overheid die wil inzetten op interventies waarvan bewezen is dat ze werken, pleiten voor interventies waarvan we weten dat ze zeker niet werken.
Structurele problemen
Indien het werkelijk de bedoeling is om aansluiting te vinden met de realiteiten van mensen en ook effectieve zorg te verlenen, ook, of net precies voor die jongeren die zeer uitdagend gedrag stellen, dan kijken we beter naar wachtlijsten, kinderen en jongeren in armoede, de woningproblematiek, kinderen en jongeren op de vlucht en op straat. Heel wat middenveld actoren trekken al jaren aan de alarmbel dat hier grondrechten geschonden worden.
Als je jaren in zo’n contexten leeft, dan heb je niets meer te verliezen en dan zal het misschien wel zo zijn dat je kwaadheid zich richt naar een maatschappij die dit laat gebeuren. Dit praat feiten niet goed of is geen relativering van een probleem, maar is wel een pleidooi om die feiten beter te begrijpen in een contextueel en procesmatig kader, eerder dan in te zoomen op symptomen zelf. Deze ‘behandelen’ met een stok achter de deur zal er enkel voor zorgen dat er meer en meer stokken nodig zijn.
Dus beste ministers als jullie “ouders de hand willen reiken en ondersteunen”, doe het dan misschien met een betere ondersteuning van gezinnen in de meest precaire omstandigheden in onze samenleving en laat de stok even echt achter de deur. Van beleidsmakers wordt verwacht dat ze beleid maken, maar ook beleid uitdragen. Stoerdere en hardere taal, die gepaard gaat met een repressieve aanpak, kan misschien electoraal lonen bij die groepen waarover het niet gaat. Bij die groepen, gezinnen en jongeren die geraakt wordt, is het vooral een teken van disconnectie. Waar macht moet werken via bruut micromanagement en-interventionisme in het gezin, toont het haar totaal machteloze gezicht om structureel iets wezenlijks te veranderen.
Bron: Knack
by Frans Dams | jul 1, 2023 | Onderwijs
‘Voor nog te veel studenten(verenigingen) is het hele debat taboe en loopt het nog te vaak uit de hand, op allerlei vlakken’, schrijft Antwerps schepen Jinnih Beels.
We leven niet meer in de Middeleeuwen. Of dat dacht ik toch. Het moet de ‘Reuzegommers’ met hun onmenselijke tradities ontgaan zijn. De samenleving doet vandaag helaas niet veel beter. Nochtans dragen we met z’n allen een verantwoordelijkheid. Eerder dan dus te blijven hangen in vingerwijzen of voor eigenrechter te spelen: kunnen we het dan nu ook eens ten gronde hebben over welkomstrituelen in het studentenleven zoals een doop?
Op 26 mei viel het verdict in een van de meest besproken rechtszaken van de afgelopen vijf jaar. Een emotioneel zwaar en confronterend proces voor de nabestaanden van Sanda Dia, maar ook een dat ons als samenleving in de spiegel deed kijken. Althans, ik hoopte dat het dat zou doen. Tot mijn grote spijt moet ik vaststellen dat we daar tot op heden niet in slagen, of op zijn minst onvoldoende. Hoewel het debat rond studentendopen stilaan op gang kwam in die vijf jaar, is er bijlange nog geen mentaliteitswijziging, laat staan een echte ommekeer. Ter illustratie: in 2021, drie jaar na de dood van Sanda Dia, lag er alweer een student op de spoedafdeling na een doop. Hoe uitzonderlijk de afloop in het verhaal van Sanda ook mag zijn; vernederingen, groepsdruk, alcoholmisbruik en ranzigheden zijn fenomenen die ook andere studentendopen dus niet vreemd zijn. Ik hoop dan ook dat het debat niet stopt bij een selectieve verontwaardiging.
Er wordt nochtans wel duchtig gedebatteerd over de straffen die werden uitgesproken. Het oneens zijn met een arrest, het verloop van een proces of de inconsequente houding van de media is een goed recht – en mogelijk terecht. Ik begrijp die emotionaliteit, maar waar ligt de grens? Het mag geen vrijgeleide zijn om druk uit te oefenen op de rechtsstaat of – erger – het heft in eigen handen te nemen. De scheiding der machten is geen holle filosofie. Het is het fundament van onze democratie. Dat uitgerekend politici zich mengen in cases en – al dan niet verdoken of subtiel – hun kritiek uiten op een gerechtelijke uitspraak, ondergraaft rechtstreeks dat fundament. Doet ‘wereldvreemde rechters’ trouwens een belletje rinkelen?
Waar politici zich wel mee zouden moeten bezighouden, is het vraagstuk hoe we als samenleving in de toekomst beter doen. Hoe we ervoor zorgen dat wat Sanda overkwam en de hel waar zijn ouders tot op heden door moeten, geen enkele jongere of ouder nog hoeft mee te maken. Dát is onze job. Niet populair lopen doen op TikTok of Twitter. Zonder alles op een hoop te gooien, kunnen en moeten we het hebben over bijvoorbeeld de transparantie en logheid van justitie, de ethiek – of het groeiende gebrek daaraan – van de media of over racisme en discriminatie in onze samenleving. Maar als schepen voor onderwijs en jeugd ligt mijn focus vandaag op het debat rond studentenrituelen. Want de oplossingen in dit hele verhaal liggen niet enkel bij justitie. Het begint bij preventie, waar we als beleid en met de verschillende instellingen een verantwoordelijkheid in dragen.
We zijn het verplicht aan onszelf, als samenleving, en het is als politici in het bijzonder onze taak om de veiligheid van onze studenten voorop te stellen. Daar proberen we in de stad Antwerpen alvast een voortrekkersrol in op te nemen. Naast het gekende studentencharter (tot voor kort ‘doopcharter’), startten we bijna twee jaar geleden samen met de Antwerpse studenten zelf een traject waarin we welkomstrituelen onder de loep namen. Te vertrekken van het ‘waarom’ tot hoe we de integriteit en waardigheid van studenten te allen tijde bewaken. Niet alleen hun veiligheid garanderen is daarbij en uiteraard de absolute minimumvereiste, maar ook ieders grenzen respecteren staat voorop. In het belang van alle studenten, hun ouders, maar ook studentenverenigingen zelf. Het resultaat werd een inspiratiegids die een gedragen en hedendaags kader schept voor welkomstrituelen, waaronder dopen. Een kader dat ook blijvend moet en zal getoetst worden aan de noden en verwachtingen van studenten, en aan de tijdsgeest waarin we leven. De gids is een vertrek- en geen eindpunt.
Het werk is voor alle duidelijkheid ook niet af. We zetten stappen in de goede richting en er zijn heel wat studentenverenigingen die vandaag al het goede voorbeeld geven en bewijzen dat een welkomstritueel, of dat nu met een doop is of niet, uitdagend kan zijn zonder te vervallen in excessen. Daar verdienen ze alle krediet en erkenning voor. Maar tegelijk moeten we er ook niet flauw over doen: voor nog te veel studenten(verenigingen) is het hele debat taboe en loopt het nog te vaak uit de hand, op allerlei vlakken. Bovendien is Antwerpen niet de enige stad waar studentenverenigingen activiteiten organiseren. Ook vanuit Vlaanderen moet initiatief komen om een duidelijk, hedendaags beleid uit te tekenen rond welkomstrituelen. En dat voor, door en met de studenten zelf, zoals we dat in Antwerpen deden en doen. Want neen: simpelweg verbieden zou niet alleen gemakzuchtig zijn, het is ook niet effectief.
Uit respect voor Sanda, uit respect voor zijn familie en vrienden: laat ons als samenleving een waardig debat voeren en studentendopen echt anders gaan aanpakken. Laat dat dan de erfenis van Sanda zijn. En laat zijn nagedachtenis niet bezoedeld of misbruikt worden voor pervers populariteitsgewin. Het is het minste dat we hem verschuldigd zijn. Een jong leven ging verloren op de meest zinloze manier denkbaar. Het overkwam ook de Waalse Axel Leroy in 2018 al. Gaan we echt wachten tot er opnieuw een dodelijk slachtoffer valt? Of om het met de woorden van de mama van Sanda te zeggen: ‘Laat Sanda de laatste zijn’.
Jinnih Beels is schepen van Onderwijs in Antwerpen.
Bron: Knack
by Frans Dams | jul 1, 2023 | Sectoren
De arbeidshoven staan in ons land sinds meer dan 50 jaar garant voor een effectieve rechtsbescherming op een hoog niveau van de rechten van werkenden en sociale verzekerden. De plannen van de minister van Justitie om de arbeidshoven te integreren in de hoven van beroep dreigen deze waarborg ernstig in gevaar te brengen, zo stellen de leden van het Belgisch genootschap voor arbeids- en socialezekerheidsrecht (BEGASOZ).
Op 24 mei stuurde de minister van Justitie Van Quickenborne een brief aan het College van Hoven en Rechtbanken waarin hij de beslissing van het Kernkabinet meedeelde om over te gaan tot de integratie van de arbeidshoven in de hoven van beroep en van de arbeidsauditoraten-generaal in de parketten-generaal. Hiervan is nochtans geen sprake in het regeerakkoord uit 2020. De arbeidshoven en de arbeidsauditoraten-generaal nemen in graad van hoger beroep kennis van de beslissingen van de arbeidsrechtbanken. Ze zijn het resultaat van de beslissing genomen in het Gerechtelijk Wetboek in 1967 – en eigenlijk al in 1910, toen de werkrechtersraden van beroep werden opgericht – om een gespecialiseerde arbeidsrechtspraak op twee niveaus tot stand te brengen.
Op die manier kunnen wij in onze Belgische rechtsorde rekenen op een adequate bescherming van de inkomenszekerheid van elke burger, door een toegankelijke, snelle en efficiënte justitie die beter in staat is rekening te houden met de dagelijkse realiteit. Deze zekerheid komt de maatschappij in haar geheel ten goede en draagt bij tot sociale pacificatie. De voorgenomen plannen zetten deze nauwgezette balans op losse schroeven, zonder daar iets tegenover te plaatsen.
Garantie voor een effectieve rechtsbescherming
De doelstelling bij het ontstaan van autonome gespecialiseerde arbeidsgerechten was om de toegang tot de rechter in sociaalrechtelijke materies laagdrempelig en efficiënt te houden. Verschillende bijzondere kenmerken garanderen daarom dat de rechtzoekende op een doeltreffende rechtsbescherming mag rekenen. Zo zorgt het bestaan van autonome arbeidshoven ervoor dat de zaken behandeld worden door gespecialiseerde magistraten, die beslissen met een diepgaande kennis van de sociaalrechtelijke materie – vaak technisch en steeds nauw verbonden met de fundamenten van de rechtstak.
De integratie in de hoven van beroep dreigt tot een verwatering van deze specialisatie te leiden. Daarnaast genieten de arbeidshoven van de aanwezigheid van lekenrechters (‘raadsheren in sociale zaken’) en gelden bijzondere procedureregels. De lekenrechters zorgen ervoor dat naast kennis van het recht ook kennis van het werkveld en de sociale realiteit in overweging wordt genomen. Ze zijn het gerechtelijk verlengstuk van de voor ons land zo kenmerkende sociale dialoog en garanderen bovendien één van de doelstellingen van een moderne justitie: een rechtspleging die dicht bij de burger staat. De bijzondere procedureregels zijn erop gericht de ongelijkheid tussen de procespartijen, die inherent aanwezig is binnen het sociaal recht (werkgever vs. werknemers, maar ook sociale verzekerde vs. socialezekerheidsinstelling), te compenseren. Zo kan de rechtzoekende zich bijvoorbeeld laten bijstaan door een afgevaardigde van de vakbond of een andere organisatie en moet het arbeidsauditoraat-generaal in socialezekerheidszaken een onafhankelijk advies uitbrengen. Tot slot is de rechtspleging minder formeel, goedkoper en sneller.
Hoewel er zeker aandacht moet worden besteed aan enkele zorgwekkende ontwikkelingen van de laatste jaren, zoals de opeenstapeling van hervormingen die de toegang tot de rechter duurder maken, vervullen de arbeidshoven hun taak sinds decennia tot tevredenheid van de betrokkenen. De groeiende bezorgdheid van de burger ten aanzien van zijn inkomen beklemtoont het belang van de arbeidsgerechten ter bescherming van de inkomenszekerheid nog meer. Binnen een eenheidshof dreigen zij hun centrale plaats te verliezen en dus aan erosie onderhevig te zijn, zo niet te verdwijnen.
Hoger beroep
De hervormingsplannen betreffen enkel het niveau van het arbeidshof en niet de arbeidsrechtbanken. Dit maakt het echter niet minder precair. Als de bijzondere waarborgen binnen de sociale rechtspraak in eerste aanleg al onontbeerlijk zijn, dan zijn ze dat immers zeker in hoger beroep, waar de belangrijkste zaken in het spel zijn. De autonomie van de arbeidsgerechten moet ook op het hoger niveau gewaarborgd zijn, opdat de rechtzoekende niet het risico loopt in hoger beroep aan minder bescherming te worden blootgesteld. De kwaliteit van de Belgische arbeidsgerechten is juist te danken aan het feit dat ze een solide combinatie van beroepsmagistraten en lekenrechters op twee niveaus uitmaken.
Onmisbare stappen in hervormingsproces
Daarbij moet ook worden benadrukt dat de plannen, zelfs bij consensus binnen het kernkabinet, niet zonder meer kunnen worden doorgevoerd. Aangezien aan een van de essentiële elementen van onze sociale ordening zou worden geraakt, zouden de sociale partners bij monde van de Nationale Arbeidsraad moeten worden geraadpleegd. Bovendien lijkt de hervorming ook op wetgevend vlak geen walk in the park te worden, aangezien de arbeidsgerechten – een term waaronder zowel de arbeidsrechtbanken als de -hoven vallen – worden vermeld in de Grondwet. Een grondwetswijziging zou dus noodzakelijk kunnen blijken. Dat daarbij een zware en lange procedure komt kijken, hoeft geen betoog.
Oproep tot alternatieve denkpiste
We roepen de beleidsmakers op om alle bovenstaande elementen mee te nemen in hun hervormingsplannen en van de integratie van de arbeidshoven in de hoven van beroep af te zien. Dit betekent echter niet dat andere hervormingen opportuun kunnen zijn. Deze zullen evenwel slechts haalbaar zijn indien ze tot stand komen na consultatie van alle betrokken partijen en na een grondige belangenafweging. Bovendien roepen we ertoe op dat daarbij één ultieme doelstelling centraal mag staan: dat de rechtsbescherming van de rechtzoekenden wordt verhoogd, in plaats van afgebouwd.
Dit opiniestuk is geschreven in naam van BEGASOZ, de organisatie van alle academici actief in het sociaal recht in België.
Bron: Knack