Het debat gaat niet langer óf het neoliberalisme voorbij is, maar wat ervoor in de plaats komt.

Zelfs los van de ingrijpende politieke en economische omwentelingen die de wereld momenteel ondergaat en die de institutionele architectuur van na de Tweede Wereldoorlog volledig op hun kop zetten, wordt het meer dan duidelijk dat het neoliberalisme passé is. Het neoliberalisme brak algemeen door als referentiekader voor zowel de economische analyse als het beleid, met de verkiezing van Ronald Reagan in de VS en Margaret Thatcher in het VK.

Neoliberalisme, door de Turkse econoom Dani Rodrik ook aangeduid als hyperglobalisering, staat voor een voorkeur voor de markt(competitie) als economisch en sociaal reguleringsmechanisme boven overheidstussenkomst of -regulering. Het staat ook voor de voorrang aan economische waarden boven sociale, politieke of culturele waarden als motiveringsmechanisme, en voor privaat ondernemerschap boven collectief of gemeenschapsinitiatief. Het betekent een organisatie van het sociaal leven zoveel als mogelijk als een economische vrije markt volgens de adagia ‘liberalisering, privatisering en deregulering’.

Hoewel het neoliberalisme een rechts-conservatieve aanval was op het sociaaldemocratisch geïnspireerde keynesiaanse ideeëngoed, schikte ook links zich met gemengd enthousiasme (Blair, Schröder) of met gelatenheid (Mitterrand, Jospin) naar de politieke richtlijn: ‘de markt als het kan, overheid als het moet’. Met andere woorden: overheidsbeleid opgevat als marktcorrigerend en dit zo marktconform mogelijk. In deze zin was er sprake van een consensus rond het neoliberalisme, namelijk zijn relevantie als referentiekader voor het politieke, sociale en economische beleid. Vanzelfsprekend betekent dit niet dat er geen ideologische strijd was tussen links en rechts over de prioriteiten van het maatschappelijk beleid. ‘Markt als het kan, overheid als het moet’ liet héél veel tinten grijs toe.

Van consensus naar consensus

Zo’n ordenend sociaal theoretisch kader dat als referentiekader de consensus wegdraagt, is niet eigen aan het neoliberale tijdperk.

Vóór het Ancien Régime kan het mercantilisme als dusdanig worden beschouwd. Onder impuls van Adam Smith werd het mercantilisme vervangen door de klassieke liberale consensus, die stelde dat de rijkdom van een natie door haar productievermogen werd bepaald in plaats van het saldo van haar handelsbalans en waarvoor vrij ondernemerschap de belangrijkste hefboom was. Het consensuskarakter van deze doctrine blijkt nog het best uit Karl Marx zijn overtuiging van de noodzaak van het kapitalisme als fase in de menselijke geschiedenis, die moest zorgen voor de creatie van een wereld van welvaart waarin het proletariaat enkel nog haar ketenen te verliezen had en die de vrijhandelsvoorvechter David Ricardo verdedigde tegen de utopische socialisten.

Onder impuls van de depressie van de jaren 1930 en de vernietigende Tweede Wereldoorlog die daarop volgde, werd de liberale consensus op haar beurt vervangen door de keynesiaanse theorie van the visible hand in plaats van the invisible hand, actief overheidsoptreden in functie van economische stabiliteit en groei, met het Bretton-Woodsregime van vrije handel in goederen maar gereguleerd internationaal kapitaalverkeer als internationaal sluitstuk. Representatief voor het consensuskarakter van het keynesianisme in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog is de uitspraak van Milton Friedman (!) in 1965 dat “we’re all Keynesians” die in 1971 door Richard Nixon werd overgenomen.

Kritieken op het neoliberalisme

Onder impuls van de stagflatie van de jaren 1970 verdween de keynesiaanse consensus ten voordele van de neoliberale doctrine, die de herwaardering van vrij ondernemerschap en vrije markten bepleitte om opnieuw voor economische groei en lage inflatie te zorgen. Maar vandaag, vijftig jaar later, stuit het neoliberalisme op een aantal cruciale uitdagingen waarvoor de vrije markt meer deel van het probleem dan het antwoord is.

Marktliberalisering heeft geleid tot het ontstaan van gigabedrijven met marktmacht die hen reuzenhoge monopoliewinsten oplevert (Apple, Amazon, Microsoft, Alphabet en Meta om enkele van de meest bekende te noemen). Monopoliemacht van bedrijven en verzwakkende tegenmacht van vakbonden en consumenten in plaats van trickle down, leidt met vrije kapitaalmobiliteit en de (legale) fiscale optimalisatie vandien, tot een concentratie van inkomens in het hoogste deciel die de inkomensongelijkheid terug naar de 19de eeuw katapulteert. Liberalisering, privatisering en deregulering heeft de duurzaamheid van de vrije markteconomie niet onmiddellijk bevorderd en de wereldeconomie als één grote handelsmarkt bleek niet de beste manier om duurzame geopolitieke verhoudingen met China te bereiken.

Wat nu?

Deze kritieken hebben weliswaar een linkse oorsprong, maar worden ook ter rechterzijde gedeeld. Maar net zoals in het verleden, worden hieruit diametrale tegengestelde conclusies getrokken met betrekking tot de beleidsprioriteiten. Daar waar (radicaal-) rechts uit het marktfalen de conclusie trekt dat (internationaal) beleid enkel draait om de macht van de sterkste, bijgevolg politieke betrekkingen herleidt tot de brute machtspolitiek en markten worden gestuurd in functie van oligarchische rentextractie, is een meer links geïnspireerd antwoord op het falen van het neoliberalisme build and balance, om de termen van de Amerikaanse econome Jennifer M. Harris te gebruiken.

Balance, onder de vorm van het tegengaan van de monopoliemacht van de gigabedrijven door de markten open te houden, tegenmacht van werknemers en consumenten te ondersteunen of te bevorderen, internationale handel meer te sturen (bijvoorbeeld in de relatie met China, maar tevens de due diligence reguleringen van de EU), of tot een juistere belasting van het internationaal mobiel kapitaal te komen (bijvoorbeeld het instellen van een internationale minimumbelasting voor multinationale ondernemingen).

Build, omdat de overheid voor een aantal cruciale publieke goederen moet zorgen, zoals kwalitatief hoogstaand onderwijs, degelijke en betaalbare gezondheidszorg, bescherming tegen pandemieën, infrastructuur (fysiek en digitaal) en veiligheid. Daarnaast zal de vrije markt nooit de transitie naar een duurzame economie voltrekken, hoewel deze voor het voortbestaan zelf van de vrijemarkteconomie onontbeerlijk is.

Dani Rodrik bedoelt iets analoogs wanneer hij het over productivism als beleidsvisie heeft. Ongelijkheid en armoede tegengaan en duurzaamheid bevorderen, vergt het ontwikkelen van nieuwe productieve opportuniteiten (die hij vooral in de dienstensector ziet in plaats van de be- en verwerkende nijverheid) en waarvoor de overheid een cruciale verantwoordelijkheid heeft.

Het is eveneens verwant met de ideeën van de Italiaans-Amerikaanse econome Mariana Mazzucato die onder meer in haar boek Mission Economy (2021) wijst op de rol die de (Amerikaanse) overheid heeft gespeeld (meer bepaald het Apolloproject) voor een aantal innovaties die aan de basis lagen van de digitale revolutie en die ook een inspiratiebron vormden voor de Green New Deal van de EU.

Het neoliberale tijdperk is aan zijn einde. De maatschappelijke discussie gaat bijgevolg vandaag over de vraag hoe de post-neoliberale orde zal worden ingevuld. Aan de ene kant staat een autoritair model waarin economische en geopolitieke macht worden geconcentreerd. Aan de andere kant een economie waarin markten worden gecorrigeerd én publieke capaciteit opnieuw wordt opgebouwd. Aan ons de keuze.

Bron: SAMPOL.be