Melkboeren die zelfgemaakt ijs willen verkopen, krijgen te maken met steeds hogere kosten, strenge controles en administratieve rompslomp. De Vlaamse Regering is grote voorstander van landbouw in korte keten. Toch slaagt ze er maar moeilijk in de strenge regelgeving te versoepelen in het voordeel van kleinschalige boerderijen. “Echt groot worden in korte keten, dat is onmogelijk.”
Van alle Europeanen eten Belgen per hoofd van de bevolking het meeste ijs. Het is daarom niet verwonderlijk dat de productie van ijsjes in het land al jaren toeneemt. In 2024 steeg de Belgische ijsproductie volgens Eurostat nog maar eens met 35% ten opzichte van het jaar voordien.
De grootste ijsproducenten in Europa blijven Duitsland, Frankrijk, Italië en Polen. Maar nu sinds de kort de groei in die landen stagneert, is België de vijfde in dat rijtje geworden, en ook de vijfde grootste exporteur van ijsjes in heel de EU.
Waar België zich in Europa mee onderscheidt, is de diversiteit van haar ijssector. België heeft zowel kleinere, ambachtelijke ijssalons als grote industriële spelers die kwaliteitsmerken of de huismerken in de supermarkt produceren.
België kan de grote vraag naar ijsjes – in binnen- en buitenland – volgen vanwege de sterke melkveesector: de Belgische melkveesector is bij de meest efficiënt georganiseerde in heel Europa. Belgische melkboeren slagen erin om veel melk te produceren met in verhouding een kleinere veestapel dan sommige andere landen. En ijsjes zijn een efficiënt eindproduct: je kan van 1 liter melk ongeveer 1 liter ijs maken.
Maar terwijl grote ijsbedrijven en zuivelproducenten het beste boeren in de Belgische melksector, heeft de kleine ijsboer of ijshoeve het alsmaar moeilijker. “Van strenge wetgeving, tot hoge kosten en veel administratie: kleine ijsboeren ervaren veel drempels”, zegt Ann Detelder van Steunpunt Korte Keten, een organisatie die advies verleent aan landbouwers in de korte keten.
Rechtstreeks van de boer
Korte keten is een vorm van landbouw waarbij voedsel rechtstreeks van de boer naar de klant gaat. In Vlaanderen vertegenwoordigt die slechts een klein deel van de melkveesector: amper 7% van alle Vlaamse melkveebedrijven doen aan korteketenactiviteiten.
In april 2026 telde Vlaanderen volgens het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) 263 zogenoemde ‘hoevezuivelaars’, melkveebedrijven die zelf melk verwerken tot desserten, ijs of kaas.
Volgens het Steunpunt neemt aantal zelfstandige ijshoeves traag maar duidelijk toe. Consumenten kiezen bewust voor de betere smaak van hoeveijs en vinden het charmante, lokale karakter ervan een meerwaarde. Waarom heeft dan niet elke gemeente een ijsboer?
Korte keten groeit
Korte keten zit in de lift. Het aandeel korteketenbedrijven ten opzichte van het totaal aantal landbouwbedrijven in Vlaanderen is gestegen van 10% in 2016 naar 13,2% in 2023, zo leren cijfers van Statbel.
Ook de omzet die korteketenbedrijven boeken, groeit. In 2025 steeg ze volgens een rapport van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (Vlam) voor het tweede jaar op rij en bereikte ze 140 miljoen euro – een groei van 10% ten opzichte van 2024. Binnen de korteketenverkoop neemt de hoeveverkoop met 87 miljoen euro in 2025 de belangrijkste plaats in.
Er zijn verschillende motivaties voor een melkboer om met korte keten te starten. De meest voor de hand liggende reden is simpelweg de passie voor lokale en niet-bewerkte productie. Veel melkboeren zijn aangetrokken tot het idee de ijsproductie volledig in eigen handen te nemen en er een kwaliteitsproduct van te maken dat ze zelf verkopen.
Daarnaast kan werken in korte keten een manier zijn om de inkomstenbronnen te diversifiëren. Wie als melkveehouder een rendabel bedrijf wil, heeft immers een zekere schaalgrootte nodig, zodat kosten kunnen gespreid worden over een groter volume melk.
Een typische melkboerderij in België heeft gemiddeld ongeveer 50 tot 100 melkkoeien en gebruikt rond de 40 à 60 hectare aan landbouwgrond. De sector kent al langere tijd schaalvergroting, waardoor kleinere bedrijven stoppen en de overblijvende boerderijen groter worden.
De meeste grote melkboeren verkopen traditioneel hun melk door aan zuivelproducenten. Boeren die niet op die grote schaal kunnen werken, moeten op andere manieren hun concurrentiepositie zien te versterken.
Een mogelijkheid is dat je als boer – groot of klein – toegevoegde waarde creëert door de melk zelf te verwerken tot kaas, boter, yoghurt, pudding of ijsjes. De korte keten verkleint het aantal tussenschakels tussen producent en de eindconsument, waardoor de boer beter de prijs van het product kan bepalen en door het rechtstreeks contact met de eindklant, aan klantenbinding kan doen en maatschappelijke waardering krijgt.
“Het hangt heel erg af van bedrijf tot bedrijf welke keuze de beste is”, zegt Jef Van Meensel, economisch onderzoeker bij het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), op de afdeling Landbouw & Maatschappij. “Zowel grote als kleine melkveeboerderijen kunnen aan korte keten doen. De belangrijkste vraag die de boer zich moet stellen, is of er een afzetmarkt is voor zijn product en of hij zich in zijn omgeving voldoende kan onderscheiden.”
Opboksen tegen supermarkten
Marc De Boey en zijn vrouw van Ijshoeve De Boey in Sint-Gillis-Waas zijn al meer dan tien jaar actief in korte keten. “Echt groot worden in korte keten, dat is onmogelijk”, zegt hij stellig. “Je moet het alleen doen als je er de passie voor hebt.”
De Boey en zijn vrouw hebben hun volledige veestapel omgevormd naar een ander koeienras, eentje dat van nature het licht verteerbare A2-eiwit produceert. Dat was een ingrijpend proces dat vier jaar heeft geduurd. Sindsdien produceren al zijn koeien uitsluitend A2A2-melk. “Een bewuste keuze om onszelf te onderscheiden”, zegt Marc De Boey. “Korte keten betekent dat je voortdurend moet opboksen tegen supermarkten en de klassieke handel.”
Supermarkten zetten immers sterk in op ultrabewerkte voeding, vaak met smaken die mensen blijven aantrekken. “Wij bieden daarentegen een natuurlijk product aan, met de authentieke smaak van vroeger. Toch is het moeilijk om daarmee te concurreren op de gewone voedingsmarkt.”
“Het voordeel is dat we de volledige verwerking zelf in handen hebben”, zegt De Boey. “Alleen maakt dat het bedrijf ook veel complexer om te runnen, zeker als je bedrijf niet groot is.”
Detelder beaamt dat. “Een melkboer in de korte keten is naast landbouwer ook verkoper, marketeer en administratieve kracht. Je moet ook mee zijn met alle regelgeving rond voedselveiligheid, uitstoot, enzovoort.” Niet iedereen heeft het in zich om van alle markten thuis te zijn.
Vergunning krijgen moeilijk
“Voor familiale bedrijven die milieubewust werken moet er ruimte zijn in Vlaanderen.” Dat zei Zuhal Demir (N-VA), destijds nog minister van Omgeving, in 2021. Tijdens haar legislatuur verklaarde ze een grote voorstander te zijn van korte keten. Datzelfde geldt voor haar opvolger Jo Brouns (CD&V). Hoewel beiden de ambitie hadden en hebben om korte keten te stimuleren, is het in de praktijk niet altijd even gemakkelijk om de regelgeving te vereenvoudigen in het voordeel van kleinschalige boerderijen.
Het probleem ligt vooral bij ruimtelijke ordening. De grootste uitdaging voor melkboeren in de korte keten is zonder twijfel het verkrijgen van vergunningen. Je kan niet zomaar op landbouwgrond een ijssalon uit de grond stampen, daar bestaan strenge regels over.
“Landbouwgrond is bewust voorbehouden voor landbouw om de sector te beschermen”, verklaart Leen Vandaele, wetenschappelijk directeur bij de ILVO-afdeling Dier, gespecialiseerd in (rund)veehouderij. “Als je daarvan wil afwijken, komen er stedenbouwkundige afwegingen bij kijken. Dan moet je een vergunning krijgen, wat niet altijd gemakkelijk is”, zegt ze. “Het moet in ieder geval gaan over een activiteit in het verlengde van je landbouwactiviteit, dit wordt landbouwverbreding genoemd.”
Waarom moet landbouwgrond beschermd worden? “De druk op die landbouwruimte neemt toe, onder meer door wonen, wegeninfrastructuur en industrie”, zegt ILVO-communicatiemedewerker Sandra Leroy. “Landbouwgrond en hoeves worden steeds duurder. Tegelijk vergrijst de landbouwsector en vinden veel landbouwers geen opvolger.” Het resultaat: boeren die ermee ophouden en hun landbouwbedrijven aan de hoogste bieder verkopen.
“Die kapitaalkrachtige kopers maken van die domeinen dan vaak een paardenhouderij of een grote privétuin. We spreken dan over de ‘verpaarding’ en ‘vertuining’ van het platteland. De strenge regels zijn er dus om de landbouwsector te beschermen voor die dynamiek”, benadrukt Leroy.
Detelder van Steunpunt Korte Keten heeft bedenkingen bij die aanpak. “De wetgeving in Vlaanderen lijkt afgesteld te zijn op het typische grote landbouwbedrijf met 350 koeien, dat zijn melk doorverkoopt aan een melkerij. Wie kleinschaliger wil gaan en met thuisverwerking wil beginnen, stoot onnodig tegen een muur.”
Drie keer voedselcontrole
Naast vergunningen, spelen ook de regels rond voedselveiligheid melkboeren vaak parten. In Vlaanderen controleert het FAVV sinds 2000 de voedselveiligheid van landbouwproducten. De normen die het daarbij hanteert zijn streng. “Iedereen moet aan dezelfde regels voldoen, of je nu een groot melkbedrijf bent zoals Milcobel, of een lokale ijshoeve”, zegt Detelder.
“Dat is op zich logisch”, benadrukt ze. Maar in de praktijk levert het volgens Detelder onevenredig hoge kosten en administratieve lasten op voor kleinschalige melkboeren die in de korte keten werken.
Dat ondervindt ook De Boey: “Het FAVV controleert het melken, de verwerking én de verkoop van ijsjes afzonderlijk. Voor elk onderdeel komen andere inspecteurs langs”, vertelt hij.
“Dat betekent drie controles, drie administraties en veel extra werk. En natuurlijk ook investeringen om aan de normen te voldoen. Voor bedrijven die in korte keten werken – en vaak zijn dat kleinere bedrijven – is dat veel minder evident dan voor de heel grote melkboerderijen.”
Geen structurele steun
Volgens Detelder is er nood aan een pragmatische aanpak om de korte keten aan te moedigen. “De regels rond voedselveiligheid moeten niet worden versoepeld, die zijn terecht streng”, zegt ze.
“Maar de ruimtelijke ordening moet ook de melkboer die lokaal en op eigen kracht aan thuisverwerking wil doet toekomstperspectief bieden. En de administratieve last die het FAVV oplegt zou beter moeten afgestemd worden op ambachtelijke bedrijven waar één persoon alles moet opvolgen.”
De Boey hoopt op meer steun vanuit de overheid. “Eigenlijk zijn wij precies het soort landbouwbedrijf dat de overheid zegt te willen stimuleren: kleinschalig, sociaal en met korte keten. Het rechtstreekse contact met klanten is bovendien ontzettend waardevol”, zegt hij. “Maar in de praktijk spreken de regels dat beleid vaak tegen.”
De overheid biedt financiële steun aan landbouwbedrijven in de korte keten, maar doet dat voornamelijk op projectbasis en niet structureel. Naast die financiële steun voorziet de overheid ook inhoudelijk steun via onderzoeksinstellingen als het ILVO, en zet het de korte keten in de markt met initiatieven als de ‘Week van de Korte Keten’.
Zolang structurele steun en aangepaste regelgeving echter uitblijft, is het aan ijshoeves zelf om hun commercieel model te versterken. Een van de mogelijkheden is om de krachten te bundelen in een coöperatie. De Boey staat zelf aan het hoofd van een coöperatie met een twintigtal zelfstandige (ijs)boeren. “Samen baten we een webshop uit waarin iedereen zijn producten kan aanbieden”, zegt hij.
“We zien duidelijk de voordelen van samen te verkopen. Met de coöperatie organiseren we elk jaar de Smaak van Waas-markt. Iedereen verkoopt er zijn eigen producten, maar samen zorgen we voor meer zichtbaarheid en naamsbekendheid. Door samen te werken leren klanten alle producenten kennen.”
Limieten aan groei
Ondanks alle uitdagingen is er een toekomst voor hoeveijs in korte keten, vindt Detelder. “Maar je moet realistisch zijn: je kunt niet in elke gemeente drie ijsboeren hebben. Er zit uiteindelijk een natuurlijke limiet op de markt. Hoeveijs zal altijd een niche blijven en dat is niet noodzakelijk erg. We hebben ook de grotere melkveebedrijven nodig. Zij spelen een belangrijke rol in de voedselvoorziening en kunnen een grote groep consumenten bedienen.”
Tegelijk vermoedt Detelder dat de korte keten de komende jaren verder zal professionaliseren door technologische innovatie. “Dat zal ook nodig zijn, want vandaag is het nog erg arbeidsintensief.”
“Wie voor korte keten kiest, moet beseffen dat het niet voor iedereen is weggelegd. Je moet er echt voor gemaakt zijn”, zegt De Boey. “Onze groei is bijna volledig via mond-tot-mondreclame gegaan. We zijn al zo’n tien jaar bezig met korte keten en beginnen daar nu de vruchten van te plukken. Het is jaren onze droom geweest om dit te kunnen doen, en je ziet dat het bij de consumenten aanslaat.”
Bron: Apache.be