Op 1 mei wuifde de Leuvense jeugdhulporganisatie De Wissel haar directeur Luc Deneffe uit. Een markante sociale ondernemer gaat op pensioen. Maar zijn hart blijft liggen bij jongeren en gezinnen die in zeer precaire omstandigheden leven. “Zit als jongere maar eens in de ‘bijzondere jeugdzorg’. Zo’n begrip geeft je meteen een etiket voor het leven.”
Bijzondere jeugdzorg
Luc pikt me op aan het station van Tienen. Dat is geen toevallige keuze, zoals straks nog zal blijken. We lunchen in een eethuisje dat gerund wordt door mensen met een beperking.
Luc zoekt meteen verbinding met me. Dat we nu beiden als ervaren rotten in het sociaal werk het statuut van gepensioneerde delen. Al voegt hij er meteen aan toe dat zijn voortraject wel bijzonder is: Luc was als econoom lange tijd actief in de financiële en bedrijfswereld. Pas aan het begin van dit millennium maakt hij een merkwaardige oversteek naar de jeugdhulp.
Hij vertelt dat hij mijn Sociaal.Net-columns over jargon in sociaal werk graag leest. “We staan te weinig stil bij de kwetsende kracht van de woorden die we gebruiken. Zit als jongere maar eens in de ‘bijzondere jeugdzorg’. Zo’n begrip geeft je meteen een etiket voor het leven. Met dat ‘verbijzonderen’ duwen we deze jongeren uit de samenleving. Vroeg of laat gaan we daarvoor afgerekend worden.”
Onmacht
Ik grijp naar de actualiteit om zijn punt scherp te maken. Pas nog veroordeelde een rechtbank de Vlaamse Gemeenschap voor haar falende jeugdhulp. In het zoveelste debat in ‘De Afspraak’ belooft minister Gennez dat er beterschap op komst is met extra capaciteit en een nieuw monitoringsysteem dat het jeugdhulpaanbod transparanter maakt.
“Ik kan de minister nu al vertellen dat haar goedbedoelde beleidskeuzes weinig zoden aan de dijk zullen brengen. Ze vertrekken van het foute idee dat een performante en coherente jeugdhulp de problemen van deze jongeren en hun gezinnen kan oplossen.”
“We zijn voortdurend met capaciteitsvragen bezig: is er genoeg, is het voldoende vraaggericht, moeten we nog verder specialiseren? Maar alomtegenwoordige wachtlijsten en veelvuldige doorverwijzingen van de ene specialist naar de andere drukken ons met de neus op de feiten: we krijgen de gaten en breuken niet gedicht.”
“We voelen dat we falen en mislukken. Die onmacht beantwoorden we door op zoek te gaan naar nog meer van hetzelfde: nog meer capaciteit, vraag en aanbod nog beter monitoren en afstemmen. Dat is onvermijdelijk een doodlopend spoor. We moeten de economische logica van vraag en aanbod verlaten en weer op zoek gaan naar aansluiting met de brede samenleving.”
Ongemakkelijk gevoel
Ik vertel Luc dat ik zijn analyse herken en dat ik me daar ook wat ongemakkelijk bij voel. Met integrale jeugdhulp bouwden overheid en werkveld een ingewikkeld managementsysteem uit van hulpmodules, indicatiestellingen en toegangspoorten. Ik was destijds een van de mede-architecten van die integrale jeugdhulp.
Als een volleerd hulpverlener – al zal hij zichzelf nooit zo noemen – neemt Luc mijn ongemak over. “Ook ik beken: vanuit De Wissel werkten we mee aan dat ‘pakjessysteem’. Het klinkt straf, maar in onze jeugdhulp zijn jongeren en gezinnen een logistieke uitdaging geworden. We stellen een diagnose en leiden vervolgens het gelabelde pakketje naar de meest aangepaste hulp. Daarbij willen we onze capaciteit liefst zo efficiënt mogelijk benutten.”
“Al draait De Wissel mee in dat systeem, toch hebben we altijd geprobeerd om die indicatiestellingen, modules en toegangspoorten achterwege te laten en te luisteren naar wat jongeren en gezinnen echt nodig hebben, eerder dan onze modules in de vitrine te zetten.”
De kracht van verbeelding
“Die switch is niet makkelijk, want in de jeugdhulp beginnen we vaak waar heel wat antwoorden gestopt zijn. Wil je oplossingen die echt werken en die aansluiten bij wat gezinnen nodig hebben, laat dan de verbeelding spreken, zoals Seppe Vanhex dat mooi verwoordde. Onmacht kan ook een kracht zijn, als je die deelt met de mensen in een kwetsbare situatie en met hen op stap gaat als metgezel. Dat is wat ik leerde in de jeugdhulp.”
“Als je een jongere bijvoorbeeld vraagt ‘voor wie of wat zou jij je bed uitkomen?’, dan spreek je verstaanbare taal. Als het antwoord is: ‘Om geld te verdienen, een brommer te kopen en daarmee ver weg te rijden’, dan heeft dat betekenis. Vandaaruit kan je verder bouwen. Hetzelfde geldt voor de vader die wil gaan werken omdat zijn kinderen dan in die klas kunnen vertellen dat papa werkt.”
“Zulke betekenisvolle vragen stellen is zoveel belangrijker dan gespecialiseerde diagnoses stellen. Waar ga je naartoe als je iets ernstigs overkomt? Kan je grenzen stellen? Het talent van hulpverleners die voortdurend zo’n vragen stellen, brengt veel meer op dan gelijk welke vorm van capaciteitsbeheer. Je ontdekt zo waar mensen effectief van van wakker liggen, in plaats van te focussen op de zaken waarvan jij vindt dat ze moeten wakker liggen.”
“Zo brengen we jeugdhulp ook dichter bij de samenleving. Want hulpverlening gaat ook over huisvesting, werk en inkomen, onderwijs, vrijetijd… Zo zijn er in de jeugdhulp nog te veel mensen die denken dat ze niet met armoedebestrijding moeten bezig zijn.”
Luc schudt een citaat van Desmond Tutu uit de mouw: “Er komt een moment waarop we moeten stoppen met alleen maar mensen uit de rivier te trekken. We moeten stroomopwaarts gaan om te ontdekken waarom ze erin vallen.”
Ruimte voor nabijheid
Ondertussen horen we in die samenleving noodkreten over mentale problemen, geweld binnen en buiten het gezin, sociale isolatie, schooluitval, jongeren die het slachtoffer zijn van prostitutie en mensenhandel. Hoe kijkt Luc naar de stelling dat het niet goed gaat met onze jongeren?
“Sommige jongeren zijn er echt slecht aan toe. Hun gedrag en isolement kunnen extreem zijn. Als samenleving ervaren we opnieuw die onmacht waarmee we helaas weerom fout omgaan: nog meer specialisatie, nog meer medicatie, nog meer opsluiting, nog meer isolatie. We organiseren breuken tussen ouders en kinderen die nog moeilijk te herstellen zijn.”
“Die dynamiek gaat helemaal de verkeerde weg op. Een doctoraatsonderzoek besluit dat de jeugdhulp vaak onbedoeld de problemen versterkt die ze probeert op te lossen. Jeugdhulp lijkt steeds meer te maken te hebben met controle en discipline dan met hulp. Dat een deel van die jeugdhulp – de gesloten gemeenschapsinstellingen – intussen onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaams minister van Justitie, spreekt boekdelen.”
“De onderbuik van onze samenleving heeft grote honger naar orde, controle en voorspelbaarheid. We zijn die vandaag ongezond aan het voeden. We willen een lik-op-stukbeleid, ook voor jongeren die nog volop aan het opgroeien zijn. We creëren veel meer gesloten en beveiligde plaatsen dan pakweg in Nederland. Onverantwoorde ouders moeten gesanctioneerd worden. En intussen houden we het hele voortraject van uitsluiting en gemiste kansen buiten beeld. Voor mij is dan duidelijk: de samenleving moet in therapie.”
Keihard werken
“In De Wissel proberen we deze nefaste dynamieken te doorbreken vanuit een realistische ambitie: voor jongeren en gezinnen die al veel te veel begeleiders, verwijzers en organisaties achter de rug hebben, willen we een eindstation zijn, geen tussenstation. We willen als ‘hoopverleners’ niet het zoveelste breukmoment zijn in een traject. Doorverwijzen is taboe.”
“Dat is keihard werken, maar het kan. Onze hulpverleners gaan tot het uiterste om mensen in schrijnende gezinssituaties te ondersteunen, zodat ouders in staat zijn om papa of mama te blijven. Ik bewonder hulpverleners die samen met die gezinnen blijven doorzetten.”
Om dat mogelijk te maken, gaf Luc als leidinggevende zijn medewerkers alle ruimte. Vertrouwen stond centraal, regels en procedures bleven op de achtergrond. “Maar ik was ook veeleisend”, blikt Luc terug. “Discussies over afstand houden, liggen me niet. Bij De Wissel sta je heel dicht bij de jongeren en gezinnen. Dat is soms heftig en kan je emotioneel behoorlijk uitputten.”
“Ik weet dat je als hulpverlener sterk in je schoenen moet staan om daar mee om te gaan, zeker als je gezinssituaties ziet die fel contrasteren met je eigen gezin. Maar het is de enige manier om met die jongeren en gezinnen op pad te blijven gaan in een hobbelige samenleving met veel valkuilen.”
“Ik heb dus oneindig veel respect voor sociale professionals, maar benadruk tegelijk het besef dat ze er niet zijn om alle maatschappelijke vraagstukken naar zich toe te trekken en op te lossen. Sociaal werk en sociaal engagement zijn de opdracht van iedere burger. Als sociale professionals moeten we erover waken dat we niet te veel plaats innemen in de samenleving. We moeten wat meer samen leven om minder hulp te moeten verlenen.”
Daad bij het woord
Voor wie nog mocht twijfelen: Luc Deneffe is niet alleen een kritische visionair, maar ook een pragmaticus die de daad bij het woord voegt. We wandelen samen verder door Tienen en houden halt aan een oud scholencomplex waar een groep jongeren rondhangt in het Overkophuis. Ze komen meteen naar Luc en omhelzen hem hartelijk. Hetzelfde tafereel wat verderop bij ontmoetingsplek De Zwerm. Een man vertrouwt me meteen toe: “Dit is mijn plekje, beste bezoeker. Buiten De Zwerm heb ik geen familie.”
Het is geen toeval dat Luc hier meteen herkend wordt: hij zette zijn sterke schouders mee onder beide initiatieven. “Een onderzoekster trok rond in Tienen en luisterde onbevangen naar bewoners, jong en oud. Ze vroeg hen onder andere: ‘Waar kan je naartoe als je je niet goed voelt of als je problemen hebt?’ Zo verzamelde ze wel honderdvijftig plaatsen in de stad waar mensen iets voor elkaar kunnen betekenen, zoals een bankje aan een boerderij of een wolwinkelierster die weet wie een kamer ter beschikking heeft. En opvallend: niemand vermeldde een hulporganisatie.”
“Ook De Zwerm en het Overkophuis moesten plekken worden waar mensen iets voor elkaar kunnen betekenen, een aanvulling bij het ‘warmtenet’ dat we ontdekten. Als mensen in het sociale werkveld me dan vragen of De Zwerm een soort buurthuis is en of het Overkophuis een laagdrempelige jeugdhulporganisatie moet worden, zeg ik: niets van dat alles. Het Overkophuis is voor mij geen zoveelste advies- of hulpcentrum dat gerund wordt door professionele hulpverleners of experts. We zetten ons buiten de logica van vraag en aanbod en houden het Overkophuis dichtbij de jongeren zelf, als een eigen ontmoetingsplek.”
Wonderlijke samenwerking
Luc Deneffe: de directeur die gevangen zat in het web van de jeugdhulp, maar er tegelijkertijd ook wist aan te ontsnappen door te blijven dromen, zijn verbeelding overeind te houden en out of the box te werken. Terug richting station, vraag ik Luc of hij tevreden met pensioen gaat.
“Ik heb gewerkt in een fantastische organisatie die me de ruimte gaf om in de samenleving een steentje te verleggen. Onlangs zochten we onderdak voor twee jongeren in nood. Het ging als een vuurtje rond in ons netwerk en binnen de kortste tijd hadden we twee kamers. Mensen willen zich echt wel engageren, zolang ze niet lastiggevallen worden met formele zaken zoals verzekeringen of het risico beticht te worden van ontvoering van minderjarigen. Dat soort ballast belemmert vaak de solidariteit binnen de samenleving.”
“We zijn trouwens niet de enige jeugdhulpvoorziening die zo wil werken. In het CANO-netwerk ontmoette ik veel collega’s met de neus in dezelfde richting. Dat netwerk was voor mij een van de meest verrijkende samenwerkingen.”
“En met De Boomgaard bouwen we in Kessel-Lo aan een zorgdorp met wooneenheden en een krachtige buurtwerking. Wat daar gebeurt vind ik een bijzonder hoopgevend wonder. We verbinden er maatschappelijk engagement aan professionele hulpverlening. Dat project is een succes omdat wij met vier directeurs die geen tijd hadden gewoon de sleutel aan die buurt hebben gegeven. Vertrouwen en geloof in burgers die zich willen engageren en ‘het goede’ willen doen. Daar draait het om.”
Bron: Dewereldmorgen.be