Consumenten verwachten stagflatie

Consumenten in de eurozone verwachten voor de komende twaalf maanden een periode van stagflatie, een cocktail van hoge inflatie en trage groei. Dat blijkt uit een nieuwe maandelijkse enquête van de Europese Centrale Bank (ECB).
Uit de in juni uitgevoerde enquête blijkt dat Europese consumenten in de eurozone voor de komende twaalf maanden een gemiddelde inflatie van 5 procent verwachten, terwijl de economie van de eurozone in dezelfde periode met 1,3 procent zou krimpen. In dat geval is er sprake van stagflatie, een combinatie van recessie of economische neergang met hoge inflatie of sterk stijgende prijzen.
Voor de volgende drie jaar houdt de gemiddelde Europeaan nog altijd rekening met een inflatie van 2,8 procent – dus hoger dan de doelstelling van de ECB, die net onder de 2 procent ligt.
De enquête, ‘CES’ (Consumer Expectations Survey), is gebaseerd op een online vragenlijst die werd voorgelegd aan 14.000 consumenten van 18 jaar en ouder in zes Europese landen: België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland. Die landen vertegenwoordigen gezamenlijk 85 procent van het bbp en 83,8 procent van de bevolking van de eurozone.
De ECB heeft met de enquête naar eigen zeggen meer duidelijkheid over de financiële kwets-baarheden en uitdagingen voor de financiële stabiliteit, klinkt het. Tot vorige maand hanteerde de ECB nog een erg soepel monetair beleid, maar in juli vond de eerste renteverhoging in elf jaar plaats, in een poging om de hoge inflatie – 9,6 procent in juli – te bekampen.

De Bank of England heeft de rente in het Verenigd Koninkrijk verhoogd met 50 basispunten, tot 1,75 procent. Het gaat om de grootste stijging in 27 jaar. Tegelijk waarschuwde de centrale bank voor een lange recessie.
De renteverhoging komt er om de hoge inflatie te bekampen. Door de rente te verhogen, en dus lenen duurder te maken, proberen centrale banken de vraag te drukken. Het gaat al om de zesde renteverhoging op rij in het Verenigd Koninkrijk. De Britse rente staat nu opnieuw boven het peil van voor de coronacrisis, toen de rente werd verlaagd om de economie te ondersteunen. Analisten hadden een renteverhoging van 50 basispunten verwacht.

Mogelijk komen er de volgende maanden nog meer verhogingen aan, want de beleidsmakers van de Bank of England verklaarden “krachtig te zullen handelen indien nodig”.
De inflatie staat er nu op 9,40 procent, het hoogste peil in veertig jaar. Vooral de prijzen van energie en voeding zijn fors gestegen. De Bank of England verwacht dat de inflatie nog verder zal pieken tot 13,3 procent in oktober.
Tegelijk waarschuwt de Britse centrale bank voor een recessie die in het vierde kwartaal zou losbarsten en meer dan een jaar zou duren. Dat is de langste periode van economische krimp sinds de financiële crisis. Er wordt rekening gehouden met een krimp van de Britse economie met 2,1 procent en een inflatie die over heel 2023 hoog zal blijven.
Voor de Britten betekent dit de grootste daling van hun beschikbaar inkomen in ongeveer zestig jaar. Zelfs als rekening gehouden wordt met miljarden aan overheidssteunprogramma’s voor de gezinnen, zouden ze nog 5 procent armer zijn tegen eind volgend jaar, klinkt het. De gemiddelde energierekening zou met 75 procent stijgen. Dat dreigt het Britse consumentenvertrouwen, dat in juni al op het laagste peil ooit stond, verder te ondermijnen.

Bron: Trends

Interimmers krijgen twee dagen de tijd om ziektebriefje in te dienen

Interimmers krijgen twee dagen de tijd om ziektebriefje in te dienen

De zowat 600.000 mensen die in België actief zijn als interimmer, moeten in de toekomst gegarandeerd twee dagen de tijd krijgen om een ziektebriefje in te dienen. Dat is de wettelijke termijn, maar verschillende uitzendkantoren maakten gebruik van een uitzondering en vroegen om binnen de dag het doktersbriefje te bezorgen, zo meldt de christelijke vakbond donderdag.
Het gaat om een van de elementen in het ontwerp van sectoraal akkoord dat de sociale partners voor de uitzendsector na enkele maanden onderhandeld hebben, verduidelijkt Piet Van den Bergh van de ACV-afdeling Interim United. Het ontwerpakkoord gaat nu naar de achterban en instanties van de verschillende partijen, maar er worden weinig problemen verwacht. Volgens ACV was het al van 2016 geleden dat een sociaal akkoord afgeklopt werd.

Een aantal dingende zaken worden nu geregeld voor 600.000 interimmers, klinkt het ook in een persbericht. “Bij ziekte van de interimmer mag de termijn voor het indienen van een medisch attest niet korter zijn dan twee dagen. Nu hebben een aantal uitzendkantoren dat op één dag vastgelegd, zodat de uitzendkracht binnen de 24 uur naar de dokter moet en een attest moet hebben doorgestuurd. Dit is een pure pestmaatregel om geen gewaarborgd loon te moeten betalen.”
Voorts wordt een fietsvergoeding geregeld van 25 cent per kilometer voor interimwerkers in sectoren en bedrijven waar geen fietsvergoeding is. In de praktijk kwamen de meeste interimmers wel reeds in aanmerking voor zo’n premie. Voorts is er sprake van een indexering met 8 procent van de tussenkomst voor woon-werkverkeer met de eigen wagen of motorfiets, voor de interimmers die niet kunnen terugvallen op een regeling van de sector waarin ze werken. Ook is het recht op een hospitalisatieverzekering voorzien voor interimmers die werken in een onderneming waarin het vast personeel recht heeft op een hospitalisatieverzekering.
Daarmee zijn nog niet alle knelpunten opgelost. Neutr-On wil een akkoord rond het inperken van opeenvolgende dagcontracten. Daarvoor lopen al onderhandelingen in de Nationale Arbeidsraad maar de grote vakbonden laten een betere regeling maar aanslepen. En ook de correcte toepassing van alle bestaande regels rond interimwerk moet nog veel beter gecontroleerd worden.

Helft van de Belgen maakt zich zorgen over stijgende levenskosten

Helft van de Belgen maakt zich zorgen over stijgende levenskosten

De financiële gemoedsrust van de Belg staat op het laagste punt sinds de start van de Financiële Gemoedsrust Barometer in maart 2020. Maar liefst de helft van de Belgen maakt zich zorgen over de stijgende levenskosten en hun financiële situatie. Heel wat Belgen vrezen bovendien voor een nieuwe financiële crisis. Onder meer de oorlog in Oekraïne, de stijgende energieprijzen en de inflatie zorgen ervoor dat mensen er niet gerust op zijn.
De Financiële Gemoedsrust Barometer van levensverzekeraar NN en onderzoeksbureau Indiville, in samenwerking met Bpact, is een halfjaarlijkse meting op basis van verschillende indicatoren. Er wordt onderzocht hoe gerust we met z’n allen zijn over onze financiën. De laatste meting in maart 2022 toont voor het eerst sinds de start van de metingen een daling van de financiële gemoedsrust.
Meer zorgen dan vorig jaar
49% van de Belgen maakt zich (veel) zorgen over hun financiële situatie. Dat is een stijging met 12% tegenover vorig jaar. Ook naar de toekomst kijken we weinig optimistisch. Slechts 45% was in maart 2022 nog positief over de toekomst, terwijl dat in maart 2021 nog 56% was. Bovendien heeft maar liefst 86% angst voor een nieuwe financiële crisis. Hiermee zitten we op hetzelfde niveau als in maart 2020.
Bart Chiau, senior expert bij NN en professor aan UGent, verklaart: “We zien duidelijk de impact van de huidige uitzonderlijke actualiteit. De berichtgeving rond de inflatie, de oorlog in Oekraïne en de impact hiervan op de kosten van ons dagelijkse leven, zaaien onrust.”
Stijgende levenskosten zijn de boosdoener
Het aantal bevraagden die zich zorgen maken over de stijgende levenskosten steeg van 49% naar 56% tussen oktober 2021 en maart 2022. Slechts 20% van de Belgen maakt zich hierover weinig zorgen. Ook het effect van de inflatie op onze spaarcenten baart 36% van de Belgen zorgen.
Kwetsbare groepen
Uit het onderzoek blijkt dat vooral 50-plussers zich nu meer zorgen maken dan in oktober 2021. Andere groepen die meer bezorgd zijn, zijn: mensen zonder spaarreserves (69%), mensen met schulden (64%), vrouwen (59%), arbeiders (57%) en niet-actieven (56%).
Financieel vangnet voor kwetsbare groepen
Om de schade te beperken, roept Bart Chiau op om een financieel vangnet te voorzien voor de meest kwetsbare groepen. Bovendien is het op individueel niveau belangrijk om onze financiële situatie goed en tijdig te evalueren en bij te sturen. De huidige situatie is immers heel onvoorspelbaar en onzeker. Niemand weet hoe deze zal evolueren en welke uitdagingen er ons nog te wachten staan.

België alweer kampioen belastingen heffen

België alweer kampioen belastingen heffen

België mag zich voor het tweede jaar op rij tot wereldwijd belastingkampioen kronen. Dat brengt een onderzoek van de OECD (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) naar buiten. Het onderzoek werd gepubliceerd door The Financial Times.

Tijdens de coronapandemie daalde de belastingdruk op (werk)inkomsten wereldwijd, mede door de coronasteun die werd uitgeschreven door de overheid. In 2021 steeg die echter even snel opnieuw. Dat was niet anders in België. De belastingdruk steeg opnieuw fors, deels omdat de federale regering niet met haar geplande belastinghervorming kwam. Van alle 38 OECD-landen, was in België het verschil tussen de bruto- en nettolonen het hoogste.

52,6 procent gaat naar de staat

Alleenstaande werknemers zagen in België gemiddeld 52,6 procent van hun inkomen naar sociale bijdragen en inkomensbelastingen gaan. Dat is gemiddeld 0,4 procent meer dan in 2020, toen de Belgen eveneens bovenaan de lijst stonden. Dankzij kinderbijslagen en belastingverminderingen liggen die belastingen voor een gezin met twee verdieners en twee kinderen iets lager, maar ook in die categorie is België de belastingkampioen. “Vivaldi brengt ons nog eens in de Financial Times: als wereldwijd belastingkampioen voor mensen die werken. Onhoudbaar”, reageert N-VA-voorzitter De Wever op Twitter. De belastingdruk bedroeg voor een dergelijk gezin 45,2 procent – 1,8 procent meer dan in 2020. Vooral de inkomensbelasting steeg na de pandemie opnieuw. Opvallend is dat de belastingdruk in België veel hoger is dan de drie volgende landen. Ter vergelijking, met een belastingdruk van 27,4 procent staat Nederland slechts op de 27e plaats in de lijst.

Waarom is zo’n groot lerarentekort?

Al meer dan tien jaar wist het Vlaamse onderwijs dat er nu een tekort aan leraars zou zijn. Hoe komt het dan dat er geen maatregelen werden genomen?
“Dit is de kroniek van een aangekondigde ramp.”
Professor politieke wetenschappen Dimokritos Kavadias (VUB) lacht groen. Hij bladert door de conclusies van een oud onderzoek uit 2009. Wanneer hij de tussentitels ervan voorleest, geeft hij een samenvatting van de onderwijsdebatten uit de laatste jaren: van de vaste benoeming tot het slechte imago van de job en, met stip op één, het lerarentekort. “Alles wijst erop dat we afstevenen op een ernstig tekort aan leraars. Er is dringend behoefte aan een beleid dat het beroep aantrekkelijker maakt”, stond er dertien jaar geleden al.
Meer dan een decennium geleden wist het onderwijs dat een babyboom gecombineerd met een pensioneringsgolf bij leerkrachten rond deze tijd voor problemen zou zorgen. Bovendien moeten directeurs door de krapte op de arbeidsmarkt nu direct concurreren met de privésector om leerkrachten aan te trekken. Genoeg ingrediënten voor een intussen rampzalige cocktail.
Lieven Boeve, topman van het katholiek onderwijs, en Koen Pelleriaux, zijn collega van het GO!, wijzen maandag naar Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA). “Zijn beleid mist alle urgentie om iets aan het lerarentekort te doen”, schrijven ze in een opiniestuk in De Standaard.
De politiek heeft vaak genoeg geprobeerd het probleem aan te pakken. Onder Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (Vooruit) start de Vlaamse regering in 2009 zelfs officieel met een overleg tussen politiek, onderwijskoepels en vakbonden. Bedoeling is om een zogenaamd ‘lerarenloopbaanpact’ te sluiten: een grote deal die de job van leerkracht aantrekkelijker moet maken om zo meer mensen voor de klas te krijgen.
Zowel Smet als zijn opvolger Hilde Crevits (CD&V), die het dossier erft, bijten er hun tanden op stuk. De reden daarvoor is simpel: het probleem is te complex en het water tussen vakbonden en koepels blijkt telkens te diep. “Het is een loopgravenoorlog geworden waarbij iedereen zich ingraaft in zijn eigen stelling”, erkent Marnix Heyndrickx, van de liberale vakbond VSOA.
Dat die stellingenoorlog steeds niet voorbij is blijkt maandag. Boeve en Pelleriaux doen zes concrete voorstellen in hun opiniestuk. Vrijwel meteen worden die afgeschoten door de vakbonden. “Minder inspraak en meer werk, we zien écht niet in hoe dat het lerarentekort gaat oplossen”, zegt Koen Van Kerkhoven, secretaris-generaal van de christelijke vakbond COC over die voorstellen.

Valt de koepels dan niets te verwijten? “Ongetwijfeld kunnen ook wij meer doen”, zegt Pelleriaux. “Ik denk wel dat we de planlast die ons vaak verweten wordt, kunnen helpen verminderen.” Een oude topper erkent dat de koepels misschien te vaak nieuwe ideeën op tafel smeten zonder het veld de tijd te gunnen daaraan te wennen.
Nog zo’n constante: telkens gingen andere dossiers met meer (politieke) aandacht lopen. Smet en Crevits sloten een fel bevochten akkoord over de hervorming van het secundair onderwijs. Weyts zag twee jaar opgaan aan de gevolgen van corona.
“Ministers hadden al snel door dat ze in dit dossier niet makkelijk met een trofee konden zwaaien”, zegt professor sociologie Bram Spruyt (VUB), die al meer dan tien jaar onderzoek doet naar het lerarentekort. Ook deze Vlaamse regering, die onder impuls van N-VA onderwijs centraal plaatst in het regeerakkoord, maakt er niet van bij aanvang een topprioriteit van. Wanneer N-VA-voorzitter Bart De Wever in augustus 2019 een startnota voor de formatie schrijft, komt het lerarentekort daar niet in voor. “Onbegrijpelijk, want het lerarentekort is de grootste bedreiging voor de kwaliteit van het onderwijs”, zei Boeve toen al.
Bijkomend probleem: nooit was er geld om een akkoord te smeren. “Hoewel onderwijs een monsteraandeel van de Vlaamse begroting uitmaakt, heeft geen enkele regering sinds 2009 geld over gehad om in het rond te strooien”, zegt Kavadias.
Na jarenlang sluimeren onder de oppervlakte, valt het probleem sinds vorige zomer niet te negeren: voor het eerst doken de eerste wanhoopskreten op voor het schooljaar van start ging. Kortom, Weyts wordt ingehaald door de realiteit. Corona of niet, voortaan is het lerarentekort hét gespreksonderwerp.
In tegenstelling tot zijn voorgangers, kiest Weyts er bewust niet voor om iedereen rond de tafel te zetten en een groot akkoord te sluiten. Wel gaat hij voor kleine deelakkoorden, om zo stappen vooruit te zetten. Zo zorgt Weyts er onder andere voor dat mensen die vanuit de privésector naar de klas stappen tot tien jaar anciënniteit kunnen meenemen. Het veld juicht die maatregelen toe, al is er een grote maar: het is niet genoeg. Tegenover de duizenden extra leerkrachten die er moeten komen, zijn dat gewoon druppels op een hete plaat.
Daarom dat onderwijsexpert Dirk Van Damme bijvoorbeeld al langer pleit om toch zo’n groot pact af te kloppen. “Ook naar de perceptie toe is dat nodig: een collectieve afspraak over de problemen van het beroep”, zegt hij. Daarvoor kijkt hij overigens niet naar de politiek, wel naar de koepels en vakbonden. “Natuurlijk zou dat een stap vooruit zijn”, zegt Spruyt. “Maar het is totaal niet realistisch. We proberen dat al tien jaar maar zien dat het niet lukt.”
Is er dan geen oplossing? “Het nooddecreet dat Boeve en Pelleriaux voorstellen, is misschien wel een optie”, zegt Kavadias. “Dat zullen de bonden niet fijn vinden, maar het is misschien wel een piste.”

Bron: De Morgen