‘Met de modernisering van het secundair onderwijs is het werk niet afgerond’

Vrije Tribune

‘Als we in Vlaanderen geen brede consensus vinden voor een nieuwe structuur in het secundair onderwijs, dan moeten we de pijnpunten op andere manieren aanpakken’, schrijft Jonas Dockx. Vanavond buigt hij zich in het Leuvense Onderwijs Onderzoek Symposium (LOOS) over de vraag welke effecten verschillende onderwijsvormen hebben op leerlingen in het middelbaar onderwijs.

De pijnpunten van het secundair onderwijs die beschreven werden door de commissie Monard blijven 13 jaar later even actueel. De nodige hervorming liep immers spaak op de discussie over de brede eerste graad en de onderwijsvormen.

Het gaat niet goed met de kwaliteit het Vlaamse onderwijs. Deze zin, of een variant daarop, is de voorbije jaren wel vaker geschreven na resultaten van PIRLS, TIMSS, PISA of één van de peilingsonderzoeken. De neerwaartse trend is echter niet nieuw. Zo wist de commissie Monard 13 jaar geleden al dat, hoewel we toen nog hoog scoorden, er een daling plaatsvond bij elke nieuwe afname van de PISA-toetsen.

Deze commissie had namelijk als opdracht om een hervorming van het secundair onderwijs voor te bereiden, en analyseerde daarom ook de pijn- en sterktepunten van het secundair onderwijs. Als oorzaak van deze kwaliteitsdaling keek de commissie onder andere naar het watervalsysteem, het fenomeen waarbij leerlingen eerste aso kiezen en later ‘uitwijken’ naar een andere onderwijsvorm.

In 2013 kwam er een masterplan voor een hervorming waarin de gekende structuur van aso, tso, kso en bso zou verdwijnen. Er zou in de plaats daarvan een matrix komen van studiedomeinen op één as en de opleidingsfinaliteit, gaande van abstract tot praktisch, op de andere as. Er werd ook gekozen voor een ‘brede eerste graad’ waarin leerlingen in de eerste twee jaar van het secundair onderwijs grotendeels hetzelfde curriculum zouden krijgen. De redenatie was dat een uitgestelde studiekeuze zo tot een meer doordachte studiekeuze zou leiden. Zo zou het watervalsysteem verminderd moeten worden.

Bij het akkoord over de onderwijshervorming in 2017 werd er echter gekozen om de klassieke indeling aso, tso, kso en bso in de matrix op te nemen. De reden die werd gegeven was dat ouders, leerkrachten en leerlingen anders hun weg niet zouden kunnen vinden in de nieuwe structuur. Ook van een brede eerste graad leek geen sprake meer te zijn, leerlingen zouden een basisoptie moeten kiezen in het tweede jaar van de eerste graad. De hervorming vervelde ook in naam tot een modernisering.

Hebben we zo de kans gemist om de kwaliteit van ons onderwijs te vrijwaren? Sinds de commissie Monard gaat de neerwaartse trend bij de PISA-toetsen steeds verder. Daarnaast is er geen reden om te denken dat dit zal verbeteren, de leerlingen die nu het secundair onderwijs instromen zullen al starten met een achterstand. De metingen in het lager onderwijs van PIRLS in 2016 en TIMSS in 2019 tonen namelijk een plotse neerwaartse knik. De recentste peilingsonderzoeken geven ook sombere resultaten weer. Daarnaast is het watervalsysteem niet verdwenen en blijf het moeilijk voor de Vlaamse leerlingen om een passende studiekeuze te maken.

Hadden beleidsmaker dan moeten vasthouden aan het initiële plan om een echte brede eerste graad te maken en de schotten tussen aso, tso, kso en bso te laten verdwijnen? Het is inderdaad zo dat landen met zo’n brede eerste graad er vaker in slagen onderwijs te bieden dat zowel goed is voor de gemiddelde prestaties als tot minder ongelijkheid leidt. Enige nuance is echter ook gepast. Zo zien we bijvoorbeeld in Engeland en de V.S. dat het zich richten op één leerplan voor alle leerlingen in het openbare onderwijs leidde tot de groei van het privéonderwijs. Als Vlaamse ouders na een hervorming dus zouden twijfelen aan de kwaliteit van ons officieel en vrij gesubsidieerd onderwijs, dan lopen we het risico op de opkomst van privéonderwijs. Het zogenaamde schaduwonderwijs van de dure bijlessen is namelijk al hier, en er is reeds een groot aanbod van internationale en Europese scholen in Vlaanderen en Brussel. We zijn dus beter voorzichtig met het plannen van hervormingen die mogelijk tot een vertrouwensverlies bij de ouders leiden.

Als we in Vlaanderen geen brede consensus vinden voor een nieuwe structuur in het secundair onderwijs, dan moeten we de pijnpunten op andere manieren aanpakken. Daarvoor kan het lonen  om te kijken naar andere onderwijssystemen. Zo houdt men in Duitsland ook vast aan het gebruik van onderwijsvormen, maar heeft men in verschillende Duitse bondstaten het aantal onderwijsvormen gereduceerd naar twee. Op deze manier kon men tegelijkertijd het geliefde gymnasium behouden, en de kans verminderen dat leerlingen herhaaldelijk van school moeten veranderen. De parallel met het aso in Vlaanderen lijkt vanzelfsprekend. Daarnaast is het in sommige bondstaten ook mogelijk dat leerlingen die niet in een doorstroomgerichte richting zaten, nog een extra jaar gymnasium volgen om zich alsnog voor te bereiden op het hoger onderwijs. Ook de Vlaamse toetsen die eraan komen bieden mogelijkheden (mits er zorgvuldig mee wordt omgesprongen). Zo is men er in Nederland in geslaagd de invloed van sociale afkomst op studiekeuze te verminderen door middel van de eindtoets basisonderwijs. Er blijven dus mogelijkheden genoeg om de pijnpunten van het secundair onderwijs aan te pakken.

Jonas Dockx is als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie van de KU Leuven.

Bron: Knack

‘Hebben we voldoende aandacht voor hoe de energiecrisis mensen raakt in hun hart en ziel?’

Bart ClaesWouter Torfs

‘De vragen die we bij CAW krijgen, gaan veel verder dan de keuze tussen welke rekeningen mensen eerst moeten betalen’, schrijven Bart Claes en Wouter Torfs van de Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW).

Wie de laatste dagen naar het gratis 0800-nummer van CAW, de Centra voor Algemeen Welzijnswerk belde, deed dat in veel gevallen met een vraag over de stijgende energieprijzen en hoe het hoofd boven water te houden. Verwonderlijk is dat niet. Toch gaan de vragen die mensen stellen, veel verder dan het maken van financiële keuzes tussen welke rekening ze straks eerst moeten betalen; die van de huur of van gas en elektriciteit.

Mensen zeggen zich in de steek gelaten te voelen, onder enorme mentale druk te staan en zich eenzaam te voelen. Ze kampen met stress en angst voor de toekomst. Die onzekerheid geeft moeilijkheden en ruzies binnen het gezin. Mensen vertellen dat ze op straat vrezen te belanden, ze zijn bang dat ze hun appartement of huurwoning verliezen en dan geen ander dak boven hun hoofd vinden. Achter de vraag of ze hun facturen nog wel kunnen betalen, zit dus vaak een enorme bezorgdheid om hun huis te verliezen, hun relatie verder te zetten, of te moeten verder zetten, ook na geweld, omdat ze de financiële mogelijkheden niet hebben om te vertrekken. 

Vandaag lezen we tips om energie te besparen of extra energie te voorzien via zonnepanelen en extra isolatie. We lezen maatregelen vanuit de banksector over uitstel van betaling van het woonkrediet. We voeren debatten over extra ondersteunende financiële maatregelen voor de energiefactuur, of hoe mensen financieel geholpen kunnen worden. Dit is allemaal ontzettend belangrijk, maar de gevolgen en de enorme impact van de energiecrisis hebben we onvoldoende in beeld.  

We staan als maatschappij voor enorme uitdagingen op het vlak van welzijn, vele malen groter dan in de Covid19-periode. Financiële problemen of zorgen hebben verregaande gevolgen voor iemand zijn leven en zijn gezin. Het heeft effect op hoe je je voelt, op je relaties en je gezondheid. Schaamte, sociaal isolement, eenzaamheid, stress en depressies kunnen een gevolg zijn van financiële problemen. En we komen net uit een periode waar ons mentaal welzijn al erg onder druk stond. 

De energiecrisis leidt ook tot onwelbevinden en sociale uitsluiting. Zo hebben constante, langdurige stress om financiële problemen en zorgen een negatief effect op de mogelijkheid om goede keuzes te maken. Als acute geldproblemen je in beslag nemen, lukt het je niet om op lange termijn te denken. Een hoop mensen komt zo in een overlevingsstrategie terecht met een focus op de primaire behoeften. De maatschappelijke deelname via vrije tijd, sport, cultuur komt erg onder druk te staan, wat leidt tot sociale uitsluiting, isolement en eenzaamheid.  

Zorgen over geld geven ook spanningen in gezinnen. Covid19 heeft ons geleerd dat intra-familiaal geweld toeneemt als de stress en mentale druk in een gezin verhogen, en dat tegelijkertijd ook het sociaal isolement groter wordt. We zien ook nu een toename van de vraag naar hulp bij intra-familiaal geweld.  

We trappen een open deur in als we zeggen dat we voor enorme uitdagingen staan op de woningmarkt. Daar komt nu voor heel wat mensen de energiecrisis bovenop. Wie zijn huur of lening niet kan betalen, heeft kans om zijn woning en thuis te verliezen. Die angst zit er bij veel mensen in. Dat betekent dat we extra aandacht hebben voor het behoud van de woning en het vermijden van uithuiszetting.

Tegelijk zien we al langer een stijgende vraag naar opvang. Zeker bij eenoudergezinnen zien we mensen die geen huis of thuis meer hebben. Vandaag zijn we 21 september, start van de herfst. We houden ons hart vast voor mensen en gezinnen met kinderen die in de komende wintermaanden opvang en begeleiding nodig gaan hebben. 

Achter de deur van de energiecrisis, ligt een huis vol mogelijke welzijnsproblemen die de komende maanden dreigen te escaleren. De energiecrisis raakt ons dus niet alleen in onze portemonnee, maar ook in ons mens-zijn. Het gaat om wie we als mens zijn, wat we voelen en denken en wat we kunnen betekenen voor elkaar. Net daarom moeten we het vandaag ook daarover durven hebben. Mensen die zich ziek voelen, gaan naar de huisdokter. Nog te weinig mensen die zich mentaal onwel voelen, stress of angst hebben, of problemen in het gezin, weten dat ze terechtkunnen bij eerstelijnsorganisaties als CAW. In 2021 hebben meer dan 110.000 mensen psychosociale hulp gezocht bij CAW. Voor 2022 zal dat aantal opnieuw stijgen. 

Bart Claes is algemeen directeur van CAW en Wouter Torfs is voorzitter van de Raad van bestuur. 

Bron: Knack

‘Iedereen een elektrische wagen, is dat wel zo evident?’

Joeri Van Mierlo

Professor aan de VUB, gespecialiseerd in elektrische wagens

Voor de Universiteit Van Vlaanderen staat Joeri Van Mierlo stil bij at zijn de voordelen en belemmeringen voor de ontwikkelingen op het gebied van elektrische mobiliteit.

Wist je dat elektrische wagens al heel lang bestaan? Eerst waren er paard en kar, daarna kwam de elektrische wagen en dan pas de diesel- en benzinewagen. Was dit de juiste evolutie? We streven naar een duurzamere mobiliteit door waarvan van elektrische voertuigen een deel van uitmaken. Maar wat zijn de voordelen en belemmeringen voor de ontwikkelingen op het gebied van elektrische mobiliteit?

Elektrische wagens worden de laatste jaren gepromoot en iedereen zou er eentje moeten kopen om het milieu te redden volgens sommigen. Maar, is dat wel zo evident?

Vandaag de dag rijden er in België al meer dan 200.000 elektrische wagens en plug-in hybrides rond of bijna vier procent van het wagenpark. Bijna één op de 4 nieuw verkochte wagens heeft een laadkabel. Wil dat zeggen dat we over 5 jaar allemaal elektrisch rijden? Het antwoord is simpel. Het antwoord is nee.

Alhoewel steeds meer mensen een elektrische wagen verkiezen, worden er vandaag de dag ook nog steeds veel benzine- en dieselwagens gekocht en ja, deze zullen zeker nog meer dan 15 jaar rondrijden. En is ons land wel klaar voor deze shift? Denk maar eens aan al die grondstoffen die nodig zijn voor de productie van batterijen of het aantal laadpalen die moeten voorzien worden.

De VUB voert al meer dan 40 jaar onderzoek uit naar elektrische mobiliteit en is dan ook een echte pionier op dit vlak. Het onderzoekscentrum MOBI bestudeert deze overgang zowel op technisch vlak, als op economisch- en milieuvlak.

Uit dit onderzoek blijkt dat er drie belangrijke barrières zijn voor de marktintroductie van elektrische wagens: aankoopprijs, actieradius en laadinfrastructuur.

Goed nieuws: de aankoopprijs is aan het dalen.  Er zijn zelfs al elektrische wagens aan 17 000 euro op de markt. Maar gemiddeld kosten ze zo’n 30 000 à 40 000 euro. Dat maakt de elektrische wagen nog altijd 10 tot 25% duurder dan de gewone benzinewagen. Vanaf 2025 verwachten we dat de aankoopprijs lager zal zijn dan een benzine of diesel. De batterij, het duurste onderdeel van een elektrisch voertuig, is de laatste jaren tien keer goedkoper geworden en de prijs zal de komende jaren alleen maar verder blijven dalen. Dat komt vooral door massaproductie en het gebruik van goedkopere materialen.

We moeten niet enkel rekening houden met de aankoopprijs maar ook kijken naar de kosten voor onderhoud, tanken of laden, verzekering, taxen, enz. Zo is het laden van een elektrische wagen de helft goedkoper dan het tanken van een benzinewagen. Als je alle kosten samenneemt, dan spreken we over ‘Total cost of ownership’. Op basis van deze kost per kilometer zien we dat in het luxe segment elektrische wagens nu al goedkoper zijn. De huidige schommelingen van de benzine en elektriciteitsprijzen geven wel wat onzekerheid aan de consument. Ook de tweedehandsmarkt dient zich nog te ontwikkelen om voor alle lagen van de bevolking elektrische wagens betaalbaar te maken.

De tweede barrière is de actieradius. Enkele jaren geleden reden de meeste elektrische wagens slechts 100 a 200 km, op de Tesla na, maar die was dan ook peperduur. Maar vandaag hebben de meeste elektrische wagens een rijbereik van meer dan 300 km, en sommige rijden zelfs meer dan 500 km. Als je dit vergelijkt met de gemiddelde afstand die de Vlaming per dag aflegt, namelijk minder dan 40km, dan is deze actieradius meer dan voldoende tenzij je bijvoorbeeld naar Frankrijk op vakantie wil. Dan zal je met een elektrische wagen een paar tussenstops moeten maken om op te laden. Dit kan met een snellader in enkele tientalle minuten.

Tot slot komen we bij de laadinfrastructuur. Hier moeten we nog een tandje bijsteken en een voorbeeld nemen aan ons buurland. In Nederland zijn er namelijk bijna 10 keer meer laadpalen dan in België. Vooral in stedelijke omgevingen is de laadinfrastructuur een probleem. Wie landelijk woont kan meestal thuis laden in de garage of op de oprit. Maar in de stad, neem nu Brussel, heeft slechts 11% van de gezinnen een eigen garage. Het overige deel, zo’n 89%, is dus afhankelijk van openbare laadinfrastructuur.

Zal het elektriciteitsnet niet overbelast worden met al die laadinfrastructuur? De komende jaren zeker nog niet. Maar als we vanaf 2035 geen benzine- of dieselwagens meer mogen kopen, dan zou het best wel eens kunnen dat we vroeger dan 2035 in een stroomversnelling terecht komen. We moeten ons dan ook op tijd voorbereiden op dit scenario.

Maar het kan ook de andere richting uitgaan. Stel: ik laad mijn wagen op via de zonnecellen die op mijn werk staan. Ik rij naar huis en in plaats van verder te laden geef ik elektriciteit van mijn wagen af aan mijn huis. We noemen dit ‘Vehicle to Home’. Aangezien ik slechts 10% elektriciteit van mijn batterij nodig heb voor het elektriciteitsverbruik van mijn huis, heb ik de volgende dag nog meer als voldoende om verder te rijden. Zo is mijn elektrische wagen eigenlijk een elektriciteitsdistributienetwerk op wielen.

Elektrische voertuigen kunnen dus helpen de pieken in de vraag naar elektriciteit op te vangen. Als er veel elektriciteit uit wind of zonne-energie komt, kan men de batterijen opladen en als er veel vraag naar elektriciteit is, kan men die elektriciteit teruggeven aan het net. Ook hier dienen we rekening mee te houden dat bij de uitrol van de laadinfrastructuur en het ondersteunende elektriciteitsnetwerk, deze future proof zijn.

Zijn elektrische voertuigen wel echt milieuvriendelijk? Je moet toch de batterijen maken en elektriciteit produceren? Om dit op een wetenschappelijke manier te besturen, maken we gebruik van wat we noemen een ‘LCA’, een ‘Levens Cyclus Analyse’. Deze methode houdt rekening met alle aspecten van een voertuig zoals de uitlaatpijp-emissies, de emissies voor de productie van elektriciteit, maar ook de ontginning van grondstoffen voor de bouw van het voertuig en wat men kan recycleren op het einde van het leven van het voertuig. Op basis van deze LCA, zijn elektrische voertuigen in België 3 tot 4 keer beter voor de klimaatsverandering dan benzine- of dieselwagens. En hoe meer hernieuwbare energie we gaan gebruiken, hoe lager de impact.

Rijden we dus binnenkort allemaal elektrisch? Het is moeilijk te voorspellen maar we zijn de elektrische weg ingeslagen en alles wijst erop dat we de eerder vermelde barrières zullen overwinnen.

Prof. Joeri Van Mierlois verbonden aan de Onderzoeksgroep MOBI – Elektromobiliteitscentrum van de VUB.

Bron: Knack

‘Meer rechten voor personen met een handicap? Er gaapt een diepe kloof tussen woord en daad’

Vrije Tribune

Naar aanleiding van Freedom Drive kropen Viviane Sorée en Nadia Hadad, mensenrechtenactivisten van het eerste uur, een duidelijke oproep naar de beleidsmakers om mensen met een handicap een volwaardige plaats te geven in onze samenleving.

De open brief die comedian William Boeva recent op Facebook postte, liet een  frisse wind door Vlaanderen waaien. Personen met een handicap lieten horen  dat ze zich herkennen in wat William schrijft en dat ze net als hij een volwaardige plek willen in de samenleving. Maar hiervoor is er nu een bredere politieke koerswijziging nodig. Ons recht op een onafhankelijk leven moet hoger op de politieke agenda geraken. Terwijl we dit schrijven kijkt iedereen uit naar wat er in de Septemberverklaring van de Vlaamse Regering zal staan. Zal daar een koerswijziging in staan met daarbij de nodige maatregelen en budgetten voor ondersteuning in de samenleving? Een echt plan voor deinstitutionalisering? We zijn bijna zeker van niet. Daarom bereiden we ons extra hard voor op de Freedom Drive betoging op 27 september. Samen met honderden andere mensen met een handicap uit heel Europa eisen we aandacht voor onze rechten.

Al hard gestreden voor onze rechten

De afgelopen decennia hebben we al heel hard strijd gevoerd voor de rechten van mensen met een handicap. Dat wierp al vruchten af, in België kan je bijvoorbeeld sinds 2001 een persoonlijk budget aanvragen waarmee je persoonlijke assistentie kan organiseren. Hiermee kies je zelf wie jou ondersteunt, waar, wanneer, voor welke taken en wat hierbij belangrijk is. Dat heeft voor veel mensen met een handicap veel veranderd, we zitten zelf aan het stuur van ons leven, we hebben meer kansen om naar de gewone school te gaan, te wonen in de maatschappij en er ook te werken. Vlaanderen kreeg terecht een internationale prijs voor het persoonlijke assistentiebudget. Maar toen kwamen de  wachtlijsten… En die zijn nooit weggegaan.

Inzetten op mensen

Vandaag gaat het over 20.000 mensen met een handicap, kinderen, jongeren en volwassenen. Zij doorliepen een ellenlange procedure en kregen van de overheid bericht dat ze recht hebben op een persoonlijke assistentiebudget voor minderjarigen of een persoonsvolgend budget voor volwassenen. Maar nog altijd stelt diezelfde overheid vervolgens dat er onvoldoende geld beschikbaar is en dat ze voor onbepaalde tijd moeten wachten.

Dat er onvoldoende geld is, betwijfelen we. Volgens ons is het een kwestie van politieke prioriteiten. Onze regeringen zouden andere keuzes moeten maken en met overheidsbudgetten in de eerste plaats de mensenrechten van alle burgers beschermen en garanderen. We vinden ook dat men te eng kijkt. Waarom investeert men niet in persoonlijke assistentie? Wij kunnen actiever deelnemen aan de maatschappij en bovendien creëren we jobs.

Tweederangsburgers

Er gaapt dus een diepe kloof tussen woord en daad, ook al hebben vele landen het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap  geratificeerd, België deed dat in 2009 al. Tel uit: dat is 13 jaar geleden. Dat verdrag is nochtans klaar en helder: ‘het gelijke recht van alle personen met een handicap om in de maatschappij te leven met gelijke keuzemogelijkheden als anderen’.

Doordat we niet of niet voldoende middelen in handen krijgen om ondersteuning te betalen, blijven we afhankelijk van familie, vrienden en vrijwilligers of belanden we uiteindelijk toch nog in een instelling. Personen met een handicap komen nog te vaak in aparte structuren terecht omdat geschikte ondersteuning en juiste aanpassingen in de samenleving ontbreken. Anno 2022 voelen  mensen met een handicap zich nog altijd  als tweederangsburgers behandeld, als mensen die gemakkelijk uitgesloten worden.  

We hebben in heel Europa en ook in ons land  nog een lange weg af te leggen, en daarom komen we op straat.  We betogen voor ons recht op een onafhankelijk leven. Het is hoog tijd voor een grotere omwenteling en voor een inclusieve samenleving waarin mensen met een handicap echt meetellen.  

Investeren in inclusie

Er zijn veel goed uitgebouwde aparte structuren voor mensen met een handicap:  aparte scholen, speciale busjes, speciale vakanties, maatwerkbedrijven en collectieve wooninstellingen. De weg daar naartoe is nog altijd vaak gemakkelijker dan je weg zoeken in de gewone samenleving. Er wordt veel in geïnvesteerd, er wordt naar doorverwezen als leven en participeren in de samenleving te moeilijk is. Maar er wordt nagelaten om volop in te zetten op aanpassingen en ondersteuning om de samenleving inclusief te maken. Kinderen met een handicap wachten gemiddeld vier keer langer op een persoonlijke assistentiebudget dan op een plaats in een internaat. Dat komt omdat de capaciteit in de minderjarigeninstellingen veel groter is dan de budgetten voor persoonlijke assistentie. Het is de omgekeerde wereld en Vlaanderen blijft zo in het verleden leven. Wij willen vechten voor die toekomst. We willen dat ook jonge mensen de kansen krijgen en kunnen grijpen om een leven uit te bouwen en vorm te geven. Stel dat we allochtonen op dezelfde manier zouden behandelen: aparte scholen, aparte busjes, aparte woningen… Wat voor een maatschappij creëren we dan? Voor racisme, geloof of gender begrijpen we dat dit niet aanvaardbaar is, maar als het om mensenrechten gaat voor personen met een handicap, dan vinden we dat normaal. België blijft nieuwe instellingen voor mensen met een beperking openen, terwijl er niet voldoende ingezet wordt op toegankelijkheid en betaalbaarheid van woningen.

Het is tijd voor actie

Wat we echt nodig hebben, is een masterplan voor inclusie, op alle niveaus. Zo’n plan moet een duidelijke visie bevatten, met concrete acties en middelen in alle beleidsdomeinen. Ook al is er nog heel wat op aan te merken, in 13 Europese landen is er al zo’n plan. Bij ons nog niet, ook al werden we hier al herhaaldelijk door het VN-Comité rond aangepord. We verwachten dat de beleidsmakers bij ons hier ook het werk over opstarten. Hierbij moeten de richtlijnen van het VN-Comité de baken zijn en moet het recht op een onafhankelijk leven centraal staan. Naast het recht op ondersteuning en de regie daarover moeten ook alle andere hefbomen opgenomen worden: het uitbouwen van een inclusief onderwijssysteem, het vergroten van het aanbod aan toegankelijke en betaalbare woningen, het aanpassen van de arbeidsmarkt, de hervorming van de tegemoetkomingen voor personen met een handicap, enzovoort. Voor wie dit nodig heeft, moet er ook voldoende ondersteuning zijn om zelf keuzes te maken over zijn of haar leven. We aanvaarden geen excuses meer, maar eisen politieke actie.

Nadia Hadad en Viviane Sorée, covoorzitter en lid van het European Network on Independent Living (ENIL)

Bron: Knack

‘Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid onder druk?’

Astrid ElbersLeo Neels

‘We moeten de universiteiten laten zijn wat ze moeten zijn: bolwerken van vrijheid van meningsuiting en van academische vrijheid’, schrijven Leo Neels en Astrid Elbers. Ze treden op als woordvoerders van een petitie die opgestart werd nadat twee werknemers van de UAntwerpen voorlopig geschorst werden nadat beelden van een gesprek op sociale media circuleerden. Daarop waren uitspraken te horen  over “Marokkanen” en “de Joods-orthodoxe gemeenschap”.

In de zomer ontstond commotie aan de UAntwerpen, naar aanleiding van uitspraken van twee medewerksters van de universiteit, die in een leeg lokaal napraatten over taalgebruik van sommige studentengroepen, en de moeilijkheid van integratie. Het gesprek werd onbedoeld geregistreerd met de apparatuur voor digitale colleges, die, buiten hun medeweten, actief was. Het werd op de sociale media gepubliceerd, en daar leidde het tot scherpe kritiek wegens “racisme”.

Rector Herman Van Goethem commentarieerde het incident op Terzake en noemde de uitspraken ontoelaatbaar in het kader van het diversiteitsbeleid en de strijd tegen racisme. Later nuanceerde hij, in een interview in Gazet van Antwerpen (14 juli) zijn standpunt: ‘De betreffende medewerkers hebben zich verkeerd uitgedrukt, de universiteit is onzorgvuldig omgesprongen met de opnames van lessen, die student had die opnames niet mogen verspreiden, ik ben niet helder genoeg geweest in de verantwoording van mijn optreden en sommige mensen in de publieke opinie hebben het voorval gebruikt om haatdragend te polariseren.’

Universiteiten moeten vrijplaatsen zijn waar studenten goed leren omgaan met vrijheid van meningsuiting, en er ook mee geconfronteerd worden dat anderen soms onwelgevallige meningen uiten: daarmee leren we tolerantie en ruimdenkendheid, terwijl zonder deze waarden de democratische samenleving niet kan bestaan. In Angelsaksische landen staat die vrijheid, en zelfs de academische vrijheid, onder druk.

Al in 1991 publiceerde Dinesh D’Souza zijn boek “Illiberal Education. The Politics of Race and Sex on Campus”.  In de USA werden studenten steeds meer opgeleid in bekrompenheid en intolerantie, als gevolg van een doorgeslagen antidiscriminatiedenken; de bescherming van minderheden werd zodanig doorgetrokken dat ze leidde tot grote beperkingen van uitingsvrijheid op de campus.  Zo ontstond de idee dat standaarden arbitrair waren, regels oneerlijk en het ideaal van een goed opgeleide persoon een ‘verzinsel van een blanke bourgeois mannenideologie was’, aldus D’Souza. Vandaag vatten we dat samen als ‘woke’.

Sindsdien werd de situatie aan de Amerikaanse universiteiten er alleen maar erger op. Waar vroeger universiteiten dé plaatsen bij uitstek waren voor open debat en discussie, worden nu vaak docenten en gastsprekers met ‘foute’ ideeën gecanceld, worden publicaties gecensureerd en krijgt studiemateriaal ‘trigger warnings’, waarschuwingen dat de inhoud schokkend of beledigend kan zijn.

We zijn gelukkig ver van het Amerikaanse schrikbeeld, maar ‘woke’ sluipt de universiteiten binnen. Rector Luc Sels van de KU Leuven sprak er vorig jaar over in zijn openingstoespraak.

In Antwerpen kwamen twee personeelsleden onder vuur te liggen nadat ze in een privaat gesprek de gebrekkige taalkennis en gedragsproblemen van studenten besproken hadden waarmee ze geconfronteerd werden in hun lespraktijk. Het gesprek werd buiten hun weten geregistreerd en door een derde onwettig verspreid via sociale media. Enkele kranten en ook de trollen van de sociale media hoonden ‘het racisme van de kwetsende uitspraken’, en zetten de toon. Die toon beïnvloedde helaas ook de reactie van de Rector, die zich veroordelend uitliet over de medewerksters – een standpunt dat hij later nuanceerde.

De vrijheid van meningsuiting geldt ook wanneer meningen schokkend, storend of beledigend zijn, volgens de vaste rechtspraak het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat vergt van toehoorders verdraagzaamheid en ruimdenkendheid. Wie zich gekwetst voelt, heeft immers ook het recht te reageren met een eigen mening. Deze ‘marketplace of ideas’, deze verscheidenheid aan meningen is essentieel in een democratie. Censuur hoort er niet thuis.

Naast vrijheid van meningsuiting, houdt academische vrijheid op de campus in dat wetenschappers vrij aan wetenschappelijk onderzoek doen en de resultaten daarvan verspreiden. Wetenschappelijk onderzoek heeft één fundamentele taak: waarheidsvinding. Net daarom mag het  géén ‘marketplace of ideas’ zijn. Kennisbevordering vergt immers dat wetenschappers werken op basis van de aangenomen standaarden van hun vakgebied. Dat betekent niet dat onderzoeksresultaten of onderzoeksmethodes niet in vraag gesteld mogen worden. Dat is zelfs noodzakelijk voor het voortschrijdend inzicht. Alleen vereist de academische vrijheid dat eenieder binnen de disciplinair aanvaarde normen blijft.

Uitingsvrijheid en academische vrijheid gaan hand in hand, maar zijn verschillend, zoals prof. Robert C. Post van Yale Law School het samenvat: ‘Als aan Nature, de American Economic Review of The Lancet een model van ‘marketplace of ideas’ zou worden opgelegd, zouden we onze verworven expertise over de aard van de wereld snel uit het oog verliezen.’ (uit: Democracy, Expertise and Academic Freedom (2012). Inderdaad, creationisme, complottheorieën, antivaxpropaganda en dergelijke horen niet thuis in wetenschappelijke publicaties.  

Aan de universiteit – die zowel een kennisinstelling als een onderdeel van de samenleving is – ontmoeten de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid elkaar. En dat maakt haar uniek en complex.

Men moet er vrij kunnen spreken over gebrekkige taalkennis en over gedragsproblemen bij bepaalde socioculturele groepen. Niet alleen omwille van de uitingsvrijheid, maar ook omdat de (h)erkenning van deze problemen een eerste stap is naar een echt diversiteitsbeleid.

Het voorval aan de Universiteit Antwerpen was de aanleiding tot de petitie van 3 juli 2022, die inmiddels aan rector Herman Van Goethem werd overhandigd, nadat ze in volle vakantietijd 4.643 handtekeningen verzamelde.

Er leeft dus ook bij ons een grote zorg over de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid, en dat is het gevolg van de genoemde woke-beweging.  Die zet het slachtofferschap van minderheidsgroepen voorop, op basis van destructief identiteitsdenken: de emancipatie van minderheidsgroepen zou bevorderd worden door de creatie van een vijandbeeld, ‘de oude witte man’, die hun emancipatie historisch belemmerde (zie ook: W. Weyns, Wie, wat, woke? 2021) . Al wat daarmee samenhangt wordt negatief bejegend, en dat leidt tot een cultuur van repressie op uitingen die zouden kunnen begrepen worden als racistisch of misogyn. Het publiek debat wordt verarmd, en samen-leven ondermijnd… Net nu we superdivers worden op alle niveaus, zonder dat we al leerden hoe we daar goed in worden, of hoe dat vanzelfsprekend wordt.

Dat woke de vrijheid van meningsuiting bedreigt, illustreert het voorval aan de Universiteit Antwerpen, nadat de commotie op de sociale media, volgens de gebruikelijke recepten, polariserend en veroordelend was. Dat richtte zich tegen de personeelsleden, die in de initiële publieke reacties negatief bejegend werden.

Dat woke ook de academische vrijheid bedreigt, illustreert een voorval bij Nature: redacteurs van Nature-vakbladen mogen voortaan de publicatie van uitstekende wetenschappelijke onderzoeken weigeren, wanneer de conclusies gevoelig zouden kunnen zijn voor minderheidsgroepen (De Standaard, 2 september 2022). Dat treft academia in haar kerntaak – waarheidsvinding. Wetenschappelijk correcte bevindingen moeten gepubliceerd worden, altijd.

We moeten de universiteiten laten zijn wat ze moeten zijn: bolwerken van vrijheid van meningsuiting en van academische vrijheid. Zij zijn dé plaats bij uitstek waar studenten kennismaken met die brede vrijheid van meningsuiting en ook leren omgaan met schokkende, storende of beledigende uitingen. Daarnaast ontmoeten ze er de academische vrijheid. Die brengt hen de stand van zaken in hun studiegebied bij en laat onderzoekers toe te experimenteren binnen het evidentiekader van hun wetenschap. Daarop rust wetenschappelijke vooruitgang, en op die basis werkt ook de sociale mobiliteitsfunctie van universiteiten ten opzichte van álle studenten.

Em. prof. dr. Leo Neels is advocaat en doceerde mediarecht aan de Universiteit Antwerpen. Dr. Astrid Elbers is taaldocente bij Linguapolis, het taalinstituut van de Universiteit Antwerpen. Zij treden op als woordvoerders van de petitie Stop de Cancel Culture aan de Universiteit Antwerpen, die ze deze week overhandigden aan rector Herman Van Goethem.

Bron: Knack