De maatschappelijke prijs voor het massale autoverkeer

Opinie – Luc Vanheerentals

Uit cijfers van de FOD Mobiliteit blijkt dat in 2023 9 procent minder mensen hun rijbewijs haalden dan in 2000. De gemiddelde leeftijd waarop iemand zijn rijbewijs haalt steeg in die periode ook van 21 jaar en 11 maanden tot 22 jaar en 5 maanden. Zou het kunnen dat steeds meer jongeren en anderen zich bewust worden van de verschrikkelijke prijs die deze samenleving betaalt voor dat massale autoverkeer?

In 2023 werden in ons land 36.855 verkeersongevallen geregistreerd waarbij 501 mensen binnen de 30 dagen het leven lieten en 3.261 anderen zwaargewond geraakten. Uit de enquêtes van VIAS blijkt continu hoe lichtzinnig Belgen omspringen met de risico’s. Liefst 84 procent zei vorig jaar het verkeersreglement niet steeds na te leven.

Als gevolg van de luchtvervuiling stierven er volgens het Europees Milieuagentschap vorig jaar in ons land 6.180 mensen vroegtijdig. In Vlaanderen was het verkeer volgens de Vlaams Milieumaatschappij in 2020 verantwoordelijk voor 20 procent van het fijnstof PM2,5 en 54,27 procent van stikstofdioxide.

Het aandeel is veel groter bij drukker verkeer. Alle 24 meetpunten in Brussel overschrijden de nieuwe Europese grens van 20 µg/m3 stikstofdioxide.

In Europa sterven jaarlijks 12.000 mensen door lawaaioverlast. In Vlaanderen heeft 3 op 4 last van omgevingsgeluid. Ook hier is het aandeel van het verkeer erg groot.

Het aandeel van het binnenlands vervoer in de CO2-uitstoot wordt voor Vlaanderen geraamd op 23,8 procent, waarvan 96 procent afkomstig van het wegvervoer.

De files in Vlaanderen braken in 2023 alle records. Van november 2023 tot oktober 2024 was er elke werkdag in Vlaanderen gemiddeld 928 kilometer file gedurende één uur. De kostprijs hiervan voor de Belgische economie werd voor 2023 geraamd op 5 miljard.

Er zijn nog heel wat andere nefaste gevolgen van dat wegverkeer zoals de onveiligheidsgevoelens. Uit de stadsmonitor blijkt steevast dat onaangepaste snelheid in de buurt de grootste ergernis is van de Vlaming. Hoe hoger het aandeel gemotoriseerd verkeer in de straat, hoe meer negatieve gevoelens bewoners hebben over de leefbaarheid.

Er is voorts de immense inname van publieke ruimte voor het verkeer, de 10 miljoen dieren die jaarlijks in België het leven laten in het verkeer en de nefaste milieueffecten op de natuur door de uitstoot van stikstofoxides.

Last but not least vermelden we de enorme overheidsinvesteringen in verkeersinfrastructuur. Zo worden de kosten voor de Oosterweelverbinding momenteel al geraamd op 10 miljard.

Toen in 1906 de eerste auto’s in het straatbeeld opdoken schreef emeritus VUB-hoogleraar Prosper De Wilde: “Wanneer men ziet hoezeer de autoriteiten zich ingespannen hebben om de bevolking te beschermen tegen de oorzaken van wanhygiëne, ontberingen en gevaren van allerlei soorten, dan kan men enkel verbijsterd zijn over hun apathie en verzuim tegenover de wandaden van het automobilisme”.

Vraag is of er sindsdien veel veranderd is. In haar boek Het recht van de snelste schrijft Thalia Verkade. “Als de auto nu zou uitgevonden worden zou die nooit op de weg mogen: een machine die wereldwijd duizenden mensen doodt, die een belangrijke oorzaak is van long-, hart- en vaatziekten en bovendien meer dan de helft van de publieke ruimte in de stad nodig heeft”.

De enige mogelijkheid om deze problematiek fundamenteel aan te pakken is dat we met zijn allen minder auto rijden en ons door middel van alternatieve modi verplaatsen zoals openbaar vervoer.

Luc Vanheerentals is zelfstandig journalist en auteur van ‘Leven zonder auto’ (2014) en ‘Fifty Ways to Leave Your Car’ (2018).

Bron: DeWereldMorgen.be

Is het industrieel verval nog te stoppen?

Is het industrieel verval nog te stoppen?

Waanzinnig is het failliet van de Vlaamse busbouwer Van Hool begin dit jaar en de sluiting van Audi-Brussel. Hier en in andere bedrijven komen alle pijnpunten van het industrieel verval, van de-industrialisering samen.

Iedereen weet hoe we bij het begin van de covid-pandemie eenvoudige mondmaskers moesten invoeren uit het verre Azië. Het was de perversiteit van de de-industrialisering, het industrieel verval. Een gevolg van de neoliberale globalisering.

De voortschrijdende concentratie van de productiemiddelen behoort tot het wezen zelf van het kapitalistisch systeem. Maar de soort concentratie verschilt van de ene periode tot de andere. In het kapitalisme van de 18e-19e eeuw gebeurde de concentratie op het terrein zelf van het industrieel productieapparaat.

Vanaf de 19e-20e eeuw ontstaat de aandelenvennootschap. Een beperkt aantal banken of holdings verwerven controle over de industrie. In België waren dat de Société Générale, Sofina, enzovoort.

In de opbouw van de nationale welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog investeerden nationale bedrijven een deel van de winsten die zij maakten in de ontwikkeling van de eigen industriële productiecapaciteit. Dat was mogelijk omdat er een soort ‘geduldig kapitaal’ bestond dat zich voor lange tijd aan het bedrijf of de sector had verbonden.

De groei van de welvaartsstaat in de jaren 1950-1980 was niet alleen het resultaat van de wederopbouw na de oorlog en de strijd van de arbeidersbeweging. De politieke controle over de nationale financiële markten vormde mede de basis van de naoorlogse industriële welvaartsstaat.

The Old Oak

Met de overgang van het nationaal kapitalisme naar een neoliberaal mondiaal systeem vanaf de jaren 1980 krijgt de concentratie van het industrieel apparaat een nieuwe dimensie.

De multinationale industriegroepen beslissen vanuit hun hoofdkwartieren soeverein of zij een gebied verlaten (delokaliseren), afslanken of aanhouden. Sommige regio’s of landen zullen industrialiseren, de andere worden overgeleverd aan industrieel verval. Niet de ontwikkeling van mensen en regio’s en het leefmilieu staat centraal, maar het winstbelang van de aandeelhouders.

Het leven was al geen lachertje voor de arbeiders en hun gezinnen in de regio’s van zware industrie. Maar nu in sommige regio’s alle industriële activiteit gestopt is, groeien volgende generaties op in dezelfde marginaliteit.

Voorbeelden van industrieel verval en marginalisering van regio’s kun je vinden in voormalige mijngebieden in Engeland, het noorden van Frankrijk, de Rust Belt in het noordoosten van de VS en talloze andere verlaten (open) mijngebieden en ruïnes van fabrieken. Een recente verbeelding hiervan is te zien in de film The Old Oak (2023), geregisseerd door Ken Loach. De film richt zich op arbeiders in het vervuilde en verarmde mijngebied van Oost-Engeland.

Het Belgische holdingkapitalisme van de 19e -20e eeuw steunde op basissectoren. Kommer en kwel was het lot van de arbeidersklasse toen (zie bijvoorbeeld de film Misère au Borinage (1934) van de cineast Joris Ivens en Daens van Stijn Coninx). De holdings sleepten de winsten uit Wallonië. Het Belgisch establishment liet de regio vervolgens stikken, zonder reconversie zoals opleidingen, sociale woningbouw of nieuwe technologisch gestuurde economische activiteiten.

Kapitaalsintensief

Met de vooruitgang van wetenschap en techniek, grootschaligheid en mondiale overnames is de kapitaalsintensiteit van de industriële ondernemingen enorm gestegen. Hierin speelde het neoliberale politieke beleid een cruciale rol middels de deregulering van de kapitaalmarkten, privatiseringen en de transfer van inkomens uit arbeid naar kapitaal.

Met de ontwikkeling van de kapitaalsintensiteit en stijgende productiviteit van de industrie, verminderde ook de tewerkstelling in deze sector. Er wordt meer geproduceerd met minder tewerkgestelden (landbouw bijvoorbeeld). Maar dat maakt sectoren in de industrie niet minder belangrijk voor een land.

Top 10 grootste bedrijven

In het Amerikaans tijdschrift Fortune wordt elk jaar een ranglijst opgemaakt op basis van de jaaromzet van de 500 grootste bedrijven. We lichten er de top-10 van 2024 uit.

Nummer één is het grote mondiaal verspreide Amerikaanse retail- en levensmiddelenbedrijf Walmart met 648 miljard dollar omzet. Daarna volgt het Amerikaanse Amazon, het pakjesdistributiebedrijf met 575 miljard.

Het derde is een Chinees staatsbedrijf State Grid Corporation (SGC). Het vierde grootste bedrijf is het Saoedische staatspetroleumbedrijf: Aramco. Het vijfde bedrijf is het Chinese staatsbedrijf Sinopec een mondiaal ingenieursbedrijf (denk aan de Nieuwe Zijderoute).

Het zesde bedrijf is de China National Petroleum Corporation (CNPC), eveneens een staatsbedrijf, daarna volgt het Amerikaanse elektronicabedrijf Apple, het Amerikaans privaat zorgverlenersbedrijf United Health Group (recent werd de baas Brian Thompson, doodgeschoten in New York; het bedrijf is gekend om zijn weigering van, of te laat, of te weinig te betalen voor behandelingen van zieke mensen, wat tot grote woede leidt bij hun klanten. Duizenden zieken sterven in een zogenaamde ‘zorgdood’. Tot grote woede van miljoenen Amerikanen).

De Amerikaanse Berkshire Hathaway (het investeringsfonds voornamelijk in de industrie van Warren Buffett) en CVS Health Corporation (na vernoemde Health Group, het grootste zorgverleningsbedrijf) sluiten het rijtje van de top tien af.

Wat opvalt is dat vier van de tien Amerikaanse topbedrijven geen industriële bedrijven zijn. De Chinese staatsbedrijven daarentegen zetten prioritair in op industriële activiteiten.

De prinsen aandeelhouders

De grote vraag naar kapitalen werd dus beantwoord door de neoliberale deregulering van de kapitaalmarkt sinds de jaren negentig. Ze heeft echter het ontstaan gegeven van een machtige financiële sector. Het westers kapitalisme financialiseerde in de voorbije decennia, één van de drijfveren van de-industrialisatie.

Er ontstonden grote vermogensbeheerders, institutionele beleggers, private pensioenfondsen, topmanagers die de facto eigenaren werden van bedrijven. De aandeelhouders werden de prinsen van de bedrijven.

Arbeiders afdanken, industriële bedrijven afslanken en zelfs sluiten deed de koers van de aandelen en de winsten stijgen maar hakten wel in op ons industrieel weefsel, op de sociale welvaart van de werknemers en de economische kracht van regio’s.

In dit tijdsgewricht zien we hoe enorme bedragen via hoogtechnologische computers over de wereld verschuiven op zoek naar het hoogste rendement (flitskapitaal). Het werd gemakkelijker geld verdienen op de financiële markten dan in de industriële economie (denk aan de film The Wolf of Wall Street (2013) van regisseur Martin Scorsese met in de hoofdrol Leonardo DiCaprio).

In plaats van te investeren in innovatie en technologie, versasten aandeelhouders en de topmanagers van bijvoorbeeld grote autoconstructiebedrijven een deel van de winsten naar de beleggingen omdat daar nog grotere winsten kunnen gemaakt worden.

Natuurlijk spelen ook de energieprijzen een grote rol voor energie intensieve bedrijven. Maar de Europese elites hebben hoge prijzen aan zichzelf te wijten door hun geopolitieke beslissingen. Ze koppelden zich liever af van goedkope energiebevoorrading onder Amerikaanse druk (dynamiteren van Nord Stream) ten voordele van de veel duurdere Amerikaanse leveranties.

Of bedrijven wijken uit naar lageloonlanden. Bijvoorbeeld. Bart Van Malderen is Vlaamse CEO van Drylock. Drylock werd opgericht nadat hij zijn eerste kreupel geworden Vlaams bedrijf Ontex had verkocht. Drylock is een grootproducent van babyluiers, maandverband, pampers.

Van Malderen bleef niet in Vlaanderen maar week uit naar Tsjechië omwille van lage lonen. Maar er is een bijkomende reden. “Ik ben weggegaan bij Ontex omdat het bedrijf gedomineerd werd door private equity (beleggingsfondsen in bedrijven) en nadien door het kwartaaldenken van de beurs.”

De bouw van appartementen, van woningen, van woonzorgcentra komen meer en meer in handen van grote vastgoedinvesteerders en beleggingsfondsen. Bijvoorbeeld, Amerikaanse beleggers en deze uit de Golfstaten en Azië zijn baas in heel wat voetbalclubs van Europa en verdwijnen met de noorderzon als het hen past. Denk maar aan het recente failliet van tweedeklasse voetbalploeg SK Deinze.

Sommige artsenpraktijken, begrafenisbedrijven, zorgcentra, tuinwinkels, worden overgenomen door financiële beleggingsfondsen.

Busbouwer Van Hool: het failliet van een kroonjuweel

Het failliet van busbouwer Van Hool is de schande van 2024. Het is echter geen unieke casus voor de teloorgang van strategische industriebedrijven. Bij de opkomst van het neoliberaal globalisme begin de jaren tachtig van vorige eeuw verloor Vlaanderen één van zijn industriële kroonjuwelen.

De bouw van zeeschepen in Vlaanderen verdween in de jaren tachtig van vorige eeuw. Twee moderne bouwwerven voor grote zeeschepen (onder meer LNG-tankers) in Hoboken en Temse, aan de Schelde, werden opgedoekt. Het waren werven met productief, bekwaam en gespecialiseerde arbeiders en ingenieurs.

De eigenaars, waaronder de familie Saverys, hadden in Temse jarenlange grote winsten gemaakt. De lageloonlanden lonkten, de geeuwhonger naar meer winsten.

Vandaag is er het failliet van busbouwer Van Hool in Koningshooikt in de lente van dit jaar. Van Hool investeerde in een lageloonland Macedonië. Het openen van een filiaal in Macedonië betekende dat bijna de helft van de jobs in Koningshooikt zouden verloren gaan.

Er was in Koningshooikt een kapitaalinjectie nodig van minstens 45 miljoen euro voor de herstructurering. Die kwam er niet. De aandeelhouders- nakomelingen van de familie Van Hool- hebben een groot vermogen en zouden gemakkelijk de noodzakelijke kapitaalinjectie kunnen inbrengen. Maar Macedonië was aanlokkelijk. Alsook het rendement van de beleggingen van hun vermogen in financiële producten.

De aandeelhouders hebben 77 jaar lang (het bedrijf werd gesticht in 1947) een groot persoonlijk vermogen opgebouwd vooral door het harde werk van duizenden werknemers van Van Hool. Zo heeft bijvoorbeeld kleinkind Frank Van Hool vandaag een vermogen van meer dan 80 miljoen euro.

Het is dan ook normaal dat de 15 andere familiale aandeelhouders minimaal de noodzakelijke kapitaalinjectie van 45 miljoen zouden kunnen aanspreken, bijna peanuts. Maar ze deden het niet. Het is een moderne vorm van incivisme.

De aandeelhouders van Van Hool zijn dan ook verantwoordelijk voor het failliet van de busbouwer. Bovendien verliest de Vlaamse overheid nog eens 71 miljoen euro (waarborgen voor leningen samen met meer dan 35 miljoen achterstallige sociale zekerheidsbijdragen en 6 miljoen euro achterstallige belastingen).

De politiek als butler

Industrialisatie of de-industrialisatie is in wezen een politiek probleem. Het is de houding van de politiek tegenover de organisatie van de economie. In het westers kapitalisme is de privé-eigendom van de productiemiddelen heilig. We hebben het niet over de boer, bakker, beenhouwer, haarkapper of kmo’s in Vlaanderen maar over grote strategische bedrijven.

Gezien boven vermelde schuld van Van Hool aan de overheden, zouden deze zonder enige vergoeding, kunnen collectiviseren en in gemeenschapshanden brengen (inspraak vakbonden, consumentenorganisaties in het beheer om bureaucratisch etatisme te vermijden).

We moeten in dit verband af van het neoliberale dogma dat staatsbedrijven per definitie onhandige, onrendabele bureaucratische monsters zijn. We verwijzen in dit verband naar het vermelde lijstje van top 10 bedrijven in Fortune waarin drie Chinese staatsbedrijven tot de top 10 van de wereld behoren.

In strategische beslissingen geldt vandaag de absolute soevereiniteit van de aandeelhouders en het topmanagement. De gemeenschap en zijn vertegenwoordigers staat buiten spel. De Vlaamse regering handelde lamlendig in de Van Hool zaak. Ze stelde: “De overheid moet geen bussen bouwen”.

De overheid is in het huidig politiek kader de butler van de aandeelhouders en privé-eigenaars als het over strategische beslissingen gaat. De staat mag subsidies en goedkope leningen geven, lage belastingen invoeren en opdraaien voor de schulden.

Consideraties over het algemeen belang, over het behoud van de jobs en de kennis en kunde van de werknemers, over de strategische autonomie onder meer op ecologisch- en sociaal vlak, dat alles telt niet.

Vandaag hebben de vervoersmaatschappijen De Lijn (Vlaanderen), TEC (Wallonië) en de STIB-MIVB (Brussel) een vloot van meer dan 5.000 bussen in omloop. En rijden er 2.000 pachters in dienst van deze maatschappijen. Voeg daarbij 2.000 toerismebussen en je hebt een vloot van 9.000 bussen.

Je moet al kortzichtig zijn en/of van kwade wil om niet te zien dat een modern busbedrijf als Van Hool toekomstkansen met de vleet had. Onze bussenvloot wacht op vervanging, modernisering en verduurzaming.

Van Hool leert hoe het Vlaams volkskapitalisme en een lamlendige politieke elite anno 2024 werkt ten koste van een sociaalecologische toekomst. En die moderne bedrijven zoals bussenbouwer Van Hool in de steek laat. Een elite die zich onderwerpt aan het economisch incivisme van de aandeelhouders.

Bron: DeWereldMorgen.be

ABVV diametraal tegen supernota van Bart De Wever

Door zijn pleidooi voor een vermogenstaks zet ABVV Vooruit onder druk bij de regeringsonderhandelingen.

Elk jaar publiceert de socialistische vakbond een Sociaal-Economische Barometer: een meting van de lonen, arbeidsvoorwaarden, en arbeidsverhoudingen in België. Een grondige en goed gedocumenteerde studie op basis van cijfers van de Nationale Bank en de Oeso.

De feiten, analyses en conclusies uit de barometer gaan regelrecht in tegen de plannen die Bart De Wever in zijn ‘Super- Arizona-nota’s’ ons met de volgende federale regering wil opdringen. Hij komt dus net op tijd om de centrumpartijen en vooral Vooruit aan de Arizonatafel nogmaals te vragen zich zeer goed te bezinnen.

Van de eerste uitgelekte supernota zei Miranda Ulens, algemeen secretaris ABVV maanden geleden al dat die de rechten van de werknemers 80 jaar terug zou draaien. ABVV roept de regeringsonderhandelaars op tot een rechtvaardig sociaaleconomisch beleid.

Vermogensbelasting

Het meest heikele punt van de regeringsonderhandelingen gaat over fiscaliteit. Een meerwaardebelasting is voor Vooruit essentieel terwijl MR vierkant tegen is.

Het ABVV wil van fiscale rechtvaardigheid een prioriteit maken. 1 procent van de bevolking heeft 25 procent van het vermogen in handen in ons land. De recente studie van professor economie André Decoster (KU Leuven) toont aan dat de zwaarste lasten helemaal niet door de sterkste schouders worden gedragen. De hoogste inkomens gebruiken allerhande fiscale constructies om belastingen te vermijden.

Het ABVV doet in dat verband twee voorstellen. Een meerwaardebelasting van 30 procent op aandelen en andere beleggingen, zoals cryptomunten. Ten tweede gaat de vakbond een stap verder dan Vooruit. Het wil een echte vermogensbelasting, meer bepaald een tarief van 0,5 procent op een nettovermogen vanaf 1 miljoen euro (exclusief de gezinswoning). Dat tarief kan oplopen tot 2 procent voor vermogens boven de 10 miljoen euro.

Andere voorstellen

Koopkracht is heel belangrijk voor de vakbond. Volgens het ABVV moet de loonnormwet hervormd worden. Die zorgt ervoor dat de lonen de facto niet kunnen stijgen. Maar daardoor lopen de reële lonen in België serieus achter op de zeer sterk gestegen bedrijfswinsten.

Bij de onderhandelaars gaan er ballonnetjes op om aan de index te morrelen. Dat vindt bij het ABVV geen genade. De automatische indexering moet niet alleen behouden maar zelfs versterkt worden. Die indexering heeft ervoor gezorgd dat België en zijn economie de coronacrisisjaren veel beter is doorgekomen dan elders in de EU.

De werkdruk is enorm gestegen samen met een productiviteitsverhoging van 20 procent. Dat zet zeer zware druk op de werknemers met veel burn-out en langdurige ziektes als gevolg. Volgens ABVV is een serieuze collectieve arbeidsduurvermindering tot 32 uur per week nodig om het werk werkbaar te maken. Op dat vlak loopt België achter op de rest van Europa.

Het ABVV stelt vast dat de sociale zekerheid zwaar onder druk staat omdat de financiering ervan ‘lekken’ vertoont. Dat is het gevolg van een “reeks vrijstellingen”, zeg maar cadeaus aan het bedrijfsleven, en de “fameuze taxshift van de regering-Michel in 2014”. Daardoor daalde de werkgeversbijdragen aan de sociale zekerheid.

Er zijn nog andere oorzaken zoals de flexijobs en studentenjobs. Zij dragen minder bij aan de sociale zekerheid dan gewone jobs. En dan is er nog de alternatieve verloning zoals maaltijdcheques, bedrijfswagens, aandelenopties en cafetariaplannen. Die brengen niets op voor de sociale zekerheid.

Het ABVV wil dat de lekken in de financiering van de sociale zekerheid gedicht worden en dat de alternatieve verloningsvormen op dezelfde fiscale manier behandeld worden als een regulier loon.

Miranda Ulens heeft een boodschap voor de regeringsonderhandelaars:

“De automatische indexering en sociale zekerheid zijn geen luxe, maar basisrechten in een eerlijke samenleving. Deze barometer toont dat opnieuw aan. Wat we nodig hebben, zijn structurele hervormingen die werknemers ondersteunen en beschermen, niet nieuwe besparingen die hen raken.

We zullen niet aan de zijlijn blijven staan. Laten we hopen dat sommige federale onderhandelaars van een mogelijke Arizona-coalitie dit inzien: het geld is er, nu nog de politieke moed om de juiste keuzes te maken.”

Bron: DeWereldMorgen.be

Pensioenhervorming-De Wever: twee maten en twee gewichten

Pensioenhervorming-De Wever: twee maten en twee gewichten

Formateur Bart De Wever legt in zijn onderhandelingsvoorstellen de pensioenlasten vrijwel uitsluitend bij werknemers en ambtenaren, terwijl zelfstandigen grotendeels buiten schot blijven. Raf De Weerdt, federaal secretaris ABVV en Olivier Pintelon, medewerker van de ABVV-studiedienst: “Wat nu voorligt, zet enkel bevolkingsgroepen tegen elkaar op. Het is een platte besparingsoperatie op kap van werknemers en ambtenaren.”

Doorgaans pikt de pers aanbevelingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)1 gretig op. Bij zijn economische doorlichting van juni 2022 liep het anders.

De OESO stelde de substantiële optrekking van de zelfstandigenpensioenen aan de kaak (afschaffing ‘correctiecoëfficiënten’)2, vooral omdat dat gebeurde zonder optrekking van de (vaak minimale) bijdrage. Ze waarschuwde voor een forse toename van het freelancewerk.

Geen haan die ernaar kraaide. De anekdote is symptomatisch. Ook nu hanteert federaal formateur De Wever twee maten en twee gewichten. Hij verhaalt de voorgestelde drie miljard euro (!) besparingen quasi uitsluitend op werknemers- en ambtenarenpensioenen.

Hakbijl in de ambtenarenpensioenen

Zo treft de nieuwe voorwaarde van 35 jaar zogenaamde ‘effectieve tewerkstelling’ quasi uitsluitend werknemerspensioenen. Traditioneel gelijkgestelde periodes als ziekte, tijdelijke werkloosheid en onvrijwillig deeltijds werk tellen daarbij niet als effectieve tewerkstelling.

Wie tijdens de loopbaan pech heeft, riskeert twee zaken: een financiële sanctie of pensioenmalus bij vervroegd pensioen en het verlies van het gewaarborgd minimumpensioen. Naar schatting 60 procent van de rechthebbenden op het minimumpensioen kunnen dat recht verliezen, in meerderheid vrouwen. De nieuwe voorwaarden zijn op maat van zondagskinderen, voltijders met modelcarrières in uitdagende banen.

De ambtenaren zijn het tweede kind van de rekening. Wat voorligt, is zonder meer draconisch. De pensioenformule van de ambtenaren gaat zo op de schop: geen berekening meer op de laatste tien loopbaanjaren, maar op basis van de hele loopbaan. Aangezien de wedde op het einde van de loopbaan hoger ligt dan aan de start, is de impact enorm. Een vastbenoemde leerkracht kan gemakkelijk 20 procent van diens pensioen verliezen.

De formateur stelt ook voor om de regelingen voor zware beroepen in de publieke sector grotendeels af te bouwen. Zij zullen twee jaar langer moeten werken. De formateur laat de ambtenaren die nu al op pensioen zijn niet buiten schot.

In de toekomst slechts gedeeltelijke indexering, geen perequatie (koppeling van de ambtenarenpensioen aan de weddeschalen) meer, en hogere belastingen. De lopende pensioenen zullen daardoor letterlijk dalen.

Zelfstandigen ontspringen de dans

Begrijp ons niet verkeerd. Het ABVV wil een progressieve harmonisatie van de pensioenstelsels. We zien het ambtenarenpensioen als streefdoel, waarbij verschillen met de andere pensioenstelsels uitlegbaar moeten zijn.

Wie evenwel alles in rekening brengt, komt tot verrassende conclusies. Het modale ambtenarenpensioen van 2.080 netto per maand is allerminst buitensporig. Vastbenoemde ambtenaren betalen dan ook meer belastingen op hun pensioen, waardoor bruto en netto ver uiteen ligt, en ze bouwen – logischerwijs – geen aanvullend pensioen op.

De Belgische Pensioenatlas uit 2010 kwam tot de conclusie dat het totale nettopensioen van de betere verdieners in de privésector, tweede pijler incluis, het ambtenarenpensioen benaderde. Een debat over de harmonisatie van de pensioenstelsels brengt best alles in rekening: aanvullend pensioen, fiscaliteit én pensioenbijdrage.

Ook nu ontspringen de zelfstandigenpensioenen volledig de dans. Wij horen u evenwel meteen denken: zijn die pensioenen niet simpelweg een aalmoes? Twintig jaar geleden misschien, maar vandaag is de kloof tussen werknemers- en zelfstandigenpensioenen quasi volledig gedicht.

Het pensioenrapport van de sociale partners uit maart 2023 wees uit dat het verschil in 2021 nog amper 120 euro netto bedroeg. Tussen 2012 en 2021 steeg het doorsnee pensioen voor zelfstandigen met 61,1 procent (!), bovenop de indexeringen, tegenover 7,7 procent bij werknemers.

Het minimumpensioen is identiek voor zelfstandigen en werknemers. Door de afschaffing van de correctiecoëfficiënten zullen de zelfstandigenpensioenen de komende jaren verder doorstijgen en bovendien bouwen zelfstandigen één of meerdere aanvullende pensioenen op.

Doorgaans staat daar een minimumbijdrage tegenover, terwijl de overheid de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen royaal subsidieert. Volgens het Planbureau gaat het jaarlijks over een slordige 1,5 miljard euro.

Men zet groepen tegen elkaar op

Laat ons even de twee maten en twee gewichten illustreren. Zo heeft het concept ‘effectieve tewerkstelling’ een andere betekenis in de drie pensioenstelsels. Voor de zelfstandigen is de impact verwaarloosbaar. De pensioenmalus zal vooral door werknemers worden opgehoest.

Door een aantal logische redenen hebben zelfstandigen minder gelijkstellingen in de loopbaan, gemiddeld gaat het over amper 4 procent. Zodra de minimumbijdrage werd betaald, telt een volledig kwartaal als effectieve tewerkstelling.

Niemand stelt zich achteraf de vraag hoeveel dagen die zelfstandigen effectief hebben gewerkt in dat kwartaal. Het verklaart waarom moederschapsrust bij de zelfstandigen vaak geboekt staat als effectieve tewerkstelling en bij de werknemers als gelijkgestelde periode.

Ten tweede, de forse besparingen op de ‘gezinsdimensie’ in de pensioenen. Formateur De Wever beoogt een afbouw van gezins- en echtscheidingspensioen en weduwes zouden pas op latere leeftijd toegang krijgen tot het overlevingspensioen.

Het pensioen van meewerkende echtgenoten, nochtans ook een afgeleid recht ‘pur sang’, blijft evenwel volledig buiten schot. Die genieten een preferentiële toegang tot het minimumpensioen en zijn vrijgesteld van de voorwaarde effectieve tewerkstelling.

Wie huwt of wettelijk samenwoont met een zelfstandige kan met amper 90 dagen tewerkstelling per jaar sociale rechten opbouwen. Bijzonder coulant in het licht van de strenge voorwaarden die men werknemers wil opleggen.

‘Ceci n’est pas une réforme pension’. Een doordachte pensioenhervorming denkt na over hervormingen om op langere termijn de sociale en financiële houdbaarheid van ons pensioenstelsel te versterken.

Wat nu voorligt, zet enkel bevolkingsgroepen tegen elkaar op. Het is een platte besparingsoperatie op kap van werknemers en ambtenaren.

Dit artikel werd overgenomen van SamPol, het maandblad en de website van Samenleving en Politiek.

Hoe werkgevers en politiek je loon willen verlagen

Hoe werkgevers en politiek je loon willen verlagen

De Wever beweert dat zijn toekomstige regering je nettoloon gaat verhogen. Natuurlijk is niemand daar tegen. De vraag is hoe. Het meest logische is de verhoging van het brutoloon, maar dat is precies wat patroons en de Arizonaonderhandelaars niet willen. Integendeel, ze willen het totale loon verlagen.

Het ligt voor de hand dat een vermindering van de belastingen op je brutoloon, je nettoloon doet stijgen. Die belastingvermindering financiert men door andere belastingen te verhogen, BTW bijvoorbeeld of door besparingen bij openbare diensten en sociale zekerheid. Eigenlijk betekent dit dat je zelf de verhoging van je nettoloon financiert. Een nuloperatie dus.

Een andere mogelijkheid is het verlagen van de sociale bijdragen. Die bestaan uit twee componenten: een werknemersbijdrage en een werkgeversbijdrage. Laat ons vertrekken van de totale som die een werkgever op tafel moet leggen om een werknemer in dienst te nemen.

Totale loonkost voor de werkgever is het totale loon van de werknemer 

Wat voor de ondernemer een kost is, is voor de werknemer een inkomen. De som bestaat uit vier delen: het nettoloon, de bedrijfsvoorheffing, de werknemersbijdrage aan de sociale zekerheid en de ‘werkgeversbijdrage’. De eerste drie delen vormen samen het brutoloon.

Wat de werkgever doet, is de werknemers- en werkgeversbijdrage doorstorten aan de sociale zekerheid. Ook de fiscus krijgt zijn deel: de werkgever stort maandelijks een bedrijfsvoorheffing , een voorschot, op de loonbelastingen die een werknemer jaarlijks moet betalen. Wat overblijft is het nettoloon.

Hoe het allemaal begon 

Voor het ontstaan van de sociale zekerheid, moeten we ver terug naar de 19e eeuw. De eerste vergoedingen bij ziekte of ongeval werden in ons land door de werkgevers betaald aan de werknemers van hun eigen bedrijf: de zogenaamde fabriekskassen. De arbeiders hadden geen enkele inspraak in het beheer ervan. Als je aan de deur werd gezet, verloor je alle aanspraken op ziekengeld.

Na de Eerste Wereldoorlog vervingen de werkgevers hun fabriekskassen door beroepsmutualiteiten gefinancierd door de werkgevers van de sector. Deze bescherming op initiatief van de werkgevers, kwam er niet uit liefdadigheid.

Het had tot doel de sociale wantoestanden door veel te lage lonen en ongezonde arbeidsvoorwaarden wat te verzachten om de noodzakelijke arbeidskracht te blijven verzekeren. Wat ze deden was hun loonkost een beetje verhogen, maar ze gaven dit niet rechtstreeks aan de arbeiders.

Het had ook nog een ander doel. Door het nettoloon zo laag mogelijk te houden, hadden de arbeiders niet de financiële middelen om zich te organiseren in vakbonden en mutualiteiten. De patroons probeerden eigen werkloosheidskassen op te richten tegen de groeiende invloed van de socialistische en christelijke mutualiteiten en vakbonden. De sociale strijd besliste er anders over.

Ondanks het risico op vervolging en broodroof, stichtten moedige werkende mensen de eerste hulpkassen. Het waren de voorlopers van de mutualiteiten die zorgden voor een collectieve bescherming tegen ziekte en ongevallen. Uit de hulpkassen groeiden ook de weerstandskassen voor stakingen, de kiemen van de vakbonden.

Onder druk van opstanden keurde de Belgische regering een reeks sociale wetten goed, waaronder die van 1894, die de werking van de ziekenfondsen onttrok aan de patronale inmenging en die de strenge staatscontrole van 1851 versoepelde. Van dan af volgden de wetten die de sociale bescherming regelden elkaar op, met het ritme van de sociale strijd.

1903: verplichte verzekering voor arbeidsongevallen
1907: staatssubsidies voor werkloosheidskassen
1924: verplichte pensioenverzekering voor arbeiders
1930: verplichte kinderbijslag in de privésectoren
1936: minimumloon en één week betaald verlof.
Dat laatste na een grote algemene staking.

Sociaal pact

Om de huidige financiering van de sociale zekerheid te begrijpen, moeten we terug naar het sociaal pact van 28 december 1944. Werkgevers en vakbonden kwamen na de Tweede Wereldoorlog tot een ontwerp van ‘Overeenkomst tot Solidariteit’. Hoewel in 1940 in patronale kringen het verdwijnen van de vakbonden nog werd bejubeld, was het de angst voor een volksopstand die hen eind ’44 het bestaan van de vakbonden deed aanvaarden.

Het communisme had in de antifascistische weerstand immers enorm prestige verworven onder de werkende bevolking. De Sovjet-Unie had veruit de grootste offers gebracht in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 had het Rode Leger de Nazi’s teruggedrongen en de beslissende slagen toegebracht aan het Hitlerregime.

Voor het patronaat, dat zag dat het Hitlerregime geen kans meer maakte maar ruim had meegewerkt met de bezetter, stonden enorme belangen op het spel. Geïnspireerd door het oprukkende socialisme in Oost-Europa, werd ook in ons land voorgesteld om sectoren te nationaliseren. Vanuit dit perspectief – de strijd tussen behoud van het kapitalisme of de overgang naar socialisme – hebben de Belgische patronale organisaties in de laatste Oorlogswinter van 1944 grote toegevingen gedaan.

Ze gingen ermee akkoord een stelsel van sociale zekerheid in het leven te roepen. De Belgische Socialistische Partij en de vakbondsleiders van toen kozen voor de weg van gereguleerd kapitalisme, met overleg tussen werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties. Dit zou vooruitgang en sociale vrede brengen. De sociale zekerheid was voor de patroons een toegeving om erger te voorkomen.

Rudy De Leeuw, voormalig voorzitter van het ABVV schrijft over het Sociaal Pact in zijn boek ‘Ongelijk spel’ het volgende: ‘Het Sociaal Pact was niet perfect. Als socialisten en zeker als socialistische vakbond moesten we ideologische toegevingen doen. We hebben in een toenadering tussen arbeiders en werkgevers het gezag van de werkgevers aanvaard en de strijd tegen het kapitalisme afgezwakt.’[1]

Wat werd er precies afgesproken in dat sociaal pact?

De sociale zekerheid is niet alleen een kwestie van centen, maar ook van macht. Zowel de vakbonden als de patronale organisaties stonden erop de sociale zekerheid te beheren. Het is om deze reden dat de sociale bijdragen opgesplitst werden in een ‘werkgeversbijdrage’ en een ‘werknemersbijdrage’: het rechtvaardigde voor beide groepen het beheer van de sociale zekerheid.

En zoals het nu stilaan duidelijk wordt, is net als de werknemersbijdrage ook de ‘werkgeversbijdrage’ een deel van het loon dat je toekomt. Beide sociale bijdragen vormen samen het uitgestelde loon dat terechtkomt in de sociale zekerheidskas. Bij ziekte, werkloosheid of bij pensionering wordt het vervangingsinkomen daaruit betaald. Ook de belastingen op je brutoloon zijn een vorm van uitgesteld loon want je krijgt er onderwijs mee, je gebruikt de wegeninfrastructuur, enzovoort.

Dit standpunt leefde ook tijdens de besprekingen van het Sociaal Pact. In een analyse gaf de toenmalige voorzitter van het ACV, August Cool, toe “dat hij zelf zo ver zou gaan te vragen dat het beheer van de sociale zekerheid uitsluitend aan de werknemers zou worden toevertrouwd vermits zij alleen er belang bij hebben en ook zij alleen betalen”.

Een nota van de christelijke mutualiteiten was nog duidelijker: “We begrijpen niet welke argumenten de patronale organisaties zouden kunnen aanvoeren om hun bemoeiingen te rechtvaardigen in de manier waarop de arbeiders de vrucht van hun arbeid besteden.”[2]

De ‘werkgeversbijdrage’ heeft het grootste aandeel in de financiering van de sociale zekerheid. Die afbouwen betekent het ondermijnen van het hele stelsel. Die afbouw is nochtans al even bezig en werkgevers en politici willen vandaag daarmee verder gaan. Herinneren jullie nog de ongedekte taxshift in 2016 van de regering Michel? Die regering met de partijen MR, CD&V, N-VA en Open Vld, verlaagde de ‘werkgeversbijdrage’ van 32,4 procent naar 25 procent. De gevolgen van de taxshift laten zich vandaag de dag nog altijd voelen. Het kostte ons in 2023 zo’n 4 miljard euro.

De opsplitsing van de sociale bijdragen gaf de werkgeversorganisaties nog een voordeel. Omdat de ‘werkgeversbijdrage’ apart lijkt te staan van het brutoloon, en niet altijd verschijnt op de loonfiche, laat men het uitschijnen dat de ‘werkgeversbijdrage’ nog toebehoort aan de werkgever.

Die loskoppeling werd ook door de jaren heen begeleid door een bewust gecreëerde begripsverwarring. Wat in werkelijkheid een deel van het uitgesteld loon is, kreeg de naam ‘sociale bijdrage’. ‘Sociale bijdrage’ werd vervolgens een ‘sociale last’ om tenslotte uit te monden in ‘patronale lasten’. Zo zijn we allemaal beginnen denken dat de werkgever naast ons brutoloon ook nog eens een inspanning doet om onze sociale zekerheid te financieren.

Brutoloon verhogen is de enige juiste weg naar een hoger nettoloon 

Het uitgestelde loon verlagen, betekent uiteindelijk dat je niet meer netto koopkracht zal overhouden. Je zal immers meer moeten betalen voor je gezondheidszorg en steeds meer privéverzekeringen moeten afsluiten voor ziekte of pensioen. Wat je netto wint, verlies je dus elders, met gevolgen op lange termijn voor je welvaart. Zonder sociale zekerheid zouden zelfs vier op de tien Belgen in armoede leven.

Inmiddels pleit het grootste deel van de politiek voor een verlaging van de “lasten op arbeid”. Men draait de werknemers hiermee een rad voor de ogen, door hen steeds iets hogere nettolonen te beloven maar tegelijk te snijden in de sociale bijdragen. Hierdoor zetten ze de sociale zekerheid onder druk. Zij die enkel spreken over het nettoloon, organiseren gewoonweg een nieuw rondje inleveringen op kosten van onze sociale bescherming.

Sociale bijdragen zijn geen lasten, maar uitgesteld loon waar alle werknemers op een bepaald moment in hun leven beroep op doen: wanneer je ziek of werkloos wordt, of wanneer je met pensioen gaat.

Daarom moeten we de sociale zekerheid opnieuw versterken door de inkomsten via de sociale bijdragen te verzekeren. Met een sterke en onafhankelijke financiële basis blijft de sociale zekerheid de beste garantie van de werkende klasse bij tegenslagen. De strijd voor een volwaardig inkomen moet een strijd zijn voor hogere brutolonen. Zo blijf je verzekerd van je koopkracht en van een vervangingsinkomen bij ziekte, werkloosheid en je latere pensioen.

De werkende klasse heeft daar recht op. Zeker in onze huidige economische situatie. Want werknemers brengen alsmaar meer op per uur geleverde arbeid. Toch stijgen hun lonen absoluut niet aan hetzelfde tempo. Waar gaat die extra winst dan naartoe? Naar het kapitaal: in onze economie daalt het deel van de geproduceerde welvaart dat naar werknemers gaat en stijgt het deel van de welvaart dat naar de aandeelhouders (winsten) gaat.

Bron: DeWereldMorgen.be