by admin | jul 3, 2025 | Economie
Voor verschillende uitgaven kan je een belastingvermindering krijgen wanneer je ze invult in je aangifte. Denk maar aan pensioensparen, kinderopvang, dienstencheques of giften. Toch zijn er ook heel wat kosten waarvoor de fiscus niet tussenbeide komt. Het consumentenprogramma ‘WinWin’ op Radio2 krijgt veel vragen van luisteraars over wat ze al dan niet mogen inbrengen in hun belastingaangifte. Voor deze kosten hoef je niet te rekenen op een belastingvoordeel.
Brandverzekering, uitvaartverzekering en andere verzekeringen
Voor de meeste verzekeringen krijg je geen belastingvermindering via je aangifte. De premies voor bijvoorbeeld een familiale verzekering of een brand- en autoverzekering moet je volledig zelf betalen. Tenzij je ze nodig hebt voor het uitoefenen van je beroep als zelfstandige of wanneer je er als loontrekkende voor kiest om je werkelijke beroepskosten te bewijzen. Dan kan je een auto- of brandverzekering eventueel wel inbrengen als uitgave.
Wellicht ontstaat er soms verwarring omdat er ook uitzonderingen zijn. Er zijn een aantal verzekeringen die je altijd mag ingeven in je belastingaangifte.
Uitzondering 1: levens- en overlijdensverzekering
De bekendste verzekeringen met een fiscaal voordeel zijn de levens- of overlijdensverzekeringen. Het is een vorm van langetermijnsparen die de overheid stimuleert door een belastingvoordeel van 30 procent toe te kennen.
Een overlijdensverzekering is hoofdzakelijk bedoeld om je naasten financieel te ondersteunen wanneer je vroegtijdig zou overlijden. Een tak 21 of tak 23 levensverzekering wordt dan weer gebruikt om een aanvulling op je wettelijk pensioen op te bouwen. Er bestaan ook gemengde levensverzekeringen die beide insteken combineren.
In 2024 mocht je maximaal 2.450 euro van het geld dat je voor de verzekering stort, inbrengen in je belastingen. Daar krijg je dan maximaal 735 euro (30 procent) van terug. Hoeveel je exact mag inbrengen, hangt af van je inkomen. Wie nog van een woonbonus geniet, houdt er best rekening mee dat de kapitaalaflossingen en intresten van je woonlening diezelfde fiscale korf al opvullen. Daardoor is het mogelijk dat je geen of een kleiner belastingvoordeel krijgt voor het langetermijnsparen.
Let op: een uitvaartverzekering is – in tegenstelling tot een overlijdensverzekering – niet fiscaal aftrekbaar.
Uitzondering 2: rechtsbijstandverzekering
Een rechtsbijstandverzekering dekt geen schade, maar komt financieel tussenbeide wanneer een geschil ontstaat na een schadegeval en je daarvoor bijvoorbeeld een beroep moet doen op een advocaat of rechtbank. Bij veel soorten verzekeringen krijg je de optie om voor een relatief klein bedrag een bijkomende rechtsbijstandverzekering af te sluiten. Die verzekering kan je dan enkel aanspreken over een geschil dat samenhangt met de hoofdverzekering. De rechtsbijstandverzekering van je autoverzekering zal niet tussenbeide komen bij een geschil over schade na een overstroming in je huis. Deze premies zijn niet fiscaal aftrekbaar.
Alleen wanneer je een speciale, algemene rechtsbijstandverzekering afsluit, maak je aanspraak op een belastingvermindering, wanneer je aan alle voorwaarden voldoet. Die belastingvermindering bedraagt 40 procent van de premie die je betaald hebt, met een maximumbedrag van 320 euro. Je kan dus tot maximaal 128 euro per jaar terugkrijgen.
Tip: onderzoek de polis van de algemene rechtsbijstandverzekering eerst goed voordat je die afsluit. Zo’n polis komt op veel meer gebieden tussenbeide, maar soms zijn de dekking en de maximale kosten beperkter.
Bijdrage ziekenfonds
Het lidgeld dat je aan je ziekenfonds betaalt, is niet fiscaal aftrekbaar. Ook de Zorgpremie voor Vlaamse sociale bescherming is dat niet. Enkel als je een bijdrage voor de verplichte ziekteverzekering hebt betaald, mag je dat ingeven in je belastingen. Maar lang niet iedereen moet die bijdrage betalen. Normaal gezien krijg je daarvan in dat geval een fiscaal attest van je ziekenfonds.
Inschrijvingsgeld hoger onderwijs
Kinderen van 5 tot 18 jaar hebben in ons land leerplicht. Daarom wordt er geen inschrijvingsgeld gevraagd in het basisonderwijs of secundair onderwijs. Nadien verder studeren aan een hogeschool of universiteit is niet verplicht. Wie dat wil doen, betaalt het inschrijvingsgeld voor de opleiding uit eigen zak. Voor het inschrijvingsgeld krijg je geen belastingvermindering via je aangifte.
Wel zijn er financiële tegemoetkomingen voor beursstudenten en bijna-beursstudenten. Zij hebben – omwille van onder andere hun gezinssituatie of inkomen – recht op een vermindering van de studiekosten. Deze studenten betalen dan een beurs- of tussentarief. De Vlaamse overheid voorziet ook studietoelages.
Internaatkosten mag je wél deels ingeven
Tip: ouders van kinderen die op internaat les volgen, kunnen de kosten van het internaat wel deels invullen in de belastingaangifte. Een verblijf op een internaat wordt gezien als kinderopvang. Voor kinderopvang van kinderen tot 14 jaar (of tot 21 jaar wanneer je kind een zware handicap heeft) kan je maximaal 16,40 euro per opvangdag inbrengen. Daarvan krijg je dan 45 procent terug.
De huur van een studentenkot is dan weer niet fiscaal aftrekbaar.
Boetes
Geen enkele strafrechtelijke, administratieve of verkeersboete is fiscaal aftrekbaar. Toch kan je voor een parkeerboete soms een belastingvermindering krijgen.
Wanneer je niet betaalt in een zone waar het betalend parkeren is, krijg je soms een parkeerretributie. Dat is geen echte boete, maar je wordt verplicht om meteen voor een halve of volledige dag parkeergeld te betalen. Wanneer je die parkeerkosten hebt gemaakt tijdens het uitoefenen van je beroep kan je ze ingeven als beroepsuitgaven. Zowel als zelfstandige (in bijberoep) als wanneer je er als loontrekkende voor kiest om je werkelijke beroepskosten te bewijzen in plaats van te kiezen voor het wettelijke forfait.
Bron: vrt.nws
by admin | jul 3, 2025 | Sectoren
Veel dokters zullen staken op maandag 7 juli, omdat ze niet akkoord gaan met bepaalde plannen van minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) en omdat er volgens hen te weinig overleg is. Wie maandag een afspraak heeft bij de huisarts of in het ziekenhuis, informeert zich best al voor het weekend.
Het artsensyndicaat BVAS heeft een stakingsaanzegging ingediend voor maandag 7 juli. Ze willen artsen laten staken tegen de nieuwe maatregelen die minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) wil doorvoeren in de zorg, want die brengen volgens artsen zelf de kwaliteit van de zorg en de vrijheid van zorgverleners in het gedrang.
De minister wil onder andere een maximumplafond invoeren op supplementen in de gezondheidszorg. Die zijn nu in principe onbegrensd.
Concreet roept BVAS alle artsen – huisartsen en andere specialisten – in privépraktijken en in ziekenhuizen op om op maandag 7 juli van 8.00 uur tot 18.00 uur alleen dringende zorgvragen te behandelen en om alles uit te stellen wat uitgesteld kan worden.
Ziekenhuizen: spoeddiensten blijven open
- Dringende zorg gaat sowieso door. Zowat alle ziekenhuizen die we opbelden, geven aan dat hun spoedeisende hulp open blijft.
- Niet alle artsen in elk ziekenhuis zullen maandag staken. In veel ziekenhuizen is er geen algemene staking, maar artsen hebben een individueel stakingsrecht en kunnen dus zelf beslissen om niet te werken.
- Sommige ziekenhuizen zullen maandag zo goed als normaal draaien, in andere ziekenhuizen wordt alles wat niet dringend of nodig is geschrapt, en op nog andere plaatsen wordt gewerkt volgens de zondagdienst.
- Als je maandag een afspraak hebt bij een arts of specialist die staakt, dan word je over het algemeen zelf opgebeld door het ziekenhuis om die afspraak te verplaatsen.
Wordt er gestaakt in de universitaire ziekenhuizen?
In UZ Leuven zal er op maandag 7 juli 2025 geen algemene artsenstaking plaatsvinden. Het ziekenhuis verwacht wel enige impact op bepaalde geplande en niet-dringende consultaties, onderzoeken en ingrepen, omdat de artsen een individueel stakingsrecht hebben.
UZ Brussel verwacht dat de impact van de staking eerder beperkt zal zijn. Minder dan 5 procent van de artsen van het Universitair Ziekenhuis van Brussel (UZ Brussel) zou het werk neerleggen.
In UZ Gent zullen consultaties en behandelingen gewoon doorgaan. De artsen en medewerkers protesteren maandag met een “alternatieve en constructieve actie”. Ze zullen een button dragen met daarop de slogan ‘Goede zorg vraagt toewijding én middelen”. Om 12 uur verzamelen ze aan het centraal onthaal om de actie kracht bij te zetten.
Huisartsen: check zelf hoe het zit in jouw praktijk
Hoewel huisartsenbond Domus Medica niet heeft opgeroepen tot een staking, sluiten toch heel wat dokters zich aan bij de stakingsdag van 7 juli.
Uit een rondvraag van de huisartsenkringen blijkt dat vooral in het Meetjesland en Hasselt artsen het werk zullen neerleggen. Ook in Geel en Oudenaarde zouden veel artsen staken. In Diepenbeek willen zelfs alle huisartsen het werk neerleggen. Op andere plekken ligt de actiebereidheid tussen de 10 en de 30 procent.
Welke impact de actie zal hebben op jouw specifieke huisartsenpraktijk, hangt af van geval tot geval. Regels rond een ‘aangepaste dienstverlening’, zoals die bestaan voor stakingen bij het spoor, zijn er niet. “Maar artsen zijn wel verplicht om een zorgcontinuïteit te waarborgen en dringende gevallen te behandelen”, zegt Maaike Van Overloop, voorzitter van Domus Medica.
Aan patiënten wordt daarom gevraagd om maandag niet meteen naar de spoeddiensten te trekken, maar eerst de huisarts te raadplegen. Als je maandag al een afspraak gepland hebt bij de huisarts, dan bel je best voor het weekend om te vragen of die afspraak doorgaat.
Tandartsen
Ook de Vlaamse Beroepsvereniging Tandartsen en het Verbond van Vlaamse Tandartsen roepen hun leden op om maandag mee actie te voeren. “Wij roepen op om actie voeren, niet om te staken“, zegt Vincent Koningsveld van het Verbond van Vlaamse Tandartsen.
Dat actievoeren kan bijvoorbeeld door deel te nemen aan de landelijke ’telefonische actiedag”. De deelnemende tandartsen zullen maandag telefonisch niet bereikbaar zijn. “De overgrote meerderheid van de tandartsen neemt deel aan de telefoonactie”, zegt Frank Herrebout van de Vlaamse Beroepsvereniging Tandartsen (VBT).
Toch zullen er ook tandartsen zijn die maandag volledig het werk neerleggen. “Meer en meer tandartsen beslissen op dit moment ook om de agenda maandag volledig af te bellen en patiënten op een ander moment in te plannen”, zegt Herrebout. Maar hij stelt patiënten ook gerust. “In een aantal praktijken zal men urgente gevallen zeker opvangen. Als patiënten naar de praktijk zelf gaan, gaan ze zeker geholpen worden.”
Concrete cijfers over het aantal tandartsen dat het werk neerlegt, zijn er nog niet.
Minister Vandenbroucke in conflict met artsen: waarover gaat het juist?
Begin juni stelde minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) zijn zogenoemde kaderwet voor, met daarin een aantal hervormingen. Die hebben vooral als doel dat meer artsen zich conventioneren. Dat wil zeggen dat ze zich houden aan de vaste afgesproken tarieven. Op die manier wil de minister de gezondheidszorg transparanter en betaalbaarder maken.
Artsen kunnen vrij kiezen of ze zich al dan niet conventioneren. Veel artsen, vooral specialisten zoals oogartsen, dermatologen en gynaecologen, zijn niet geconventioneerd. De laatste jaren stijgt hun aantal. Zij kunnen bedragen vragen bovenop de vaste tarieven, zogenoemde ereloonsupplementen,die niet worden terugbetaald door de ziekteverzekering. Minister Vandenbroucke wil daarop een maximumplafond zetten.
Heel wat artsen zijn ongerust over de plannen. Ze zien die als een inperking van hun vrijheid. Ze vragen onder meer dat de vaste tarieven eerst worden aangepast voor er een plafond op de ereloonsupplementen komt. Want die tarieven volstaan niet voor iedereen, klinkt het, bijvoorbeeld voor wie zich wil bijscholen of investeringen doet in zijn praktijk. Veel dokters dragen ook een deel af aan het ziekenhuis waar ze aan verbonden zijn.
Naast de inhoud gaat het ook over de aanpak van de minister. Die legt eenzijdig zijn wil op en luistert niet naar hun voorstellen, zeggen artsenverenigingen. De onvrede daarover gaat al langer terug. Op maandag 7 juli vindt een actiedag plaats. Artsensyndicaat BVAS roept op om praktijken te sluiten en enkel dringende zorg te laten doorgaan. Hoeveel artsen zullen staken, is onduidelijk, maar volgens BVAS is de actiebereidheid groot.
Bron: vrt.nws
by admin | jul 3, 2025 | Economie
Veel mensen denken dat overgewicht het gevolg is van slechte individuele keuzes: een goede gezondheid is je eigen verantwoordelijkheid. Maar is dat wel zo? Onderzoekers stellen dat je omgeving grotendeels bepaalt of je wel gezonde keuzes kan maken.
Risico op overgewicht
Het is een open deur: voldoende beweging en gezond eten zijn essentieel voor een goede gezondheid. Een tekort van beide kunnen overgewicht (matige vetophoping) en obesitas (ernstige vetophoping) veroorzaken. In België heeft bijna de helft van de volwassenen overgewicht, voor kinderen is dat één op drie. Die cijfers blijven stijgen.
Waarom is dat een probleem? Overgewicht en obesitas verhogen het risico op chronische ziekten zoals hartaandoeningen, suikerziekte en psychische aandoeningen zoals depressie of angststoornissen.
Geen persoonlijke keuze
Nog zorgwekkender is dat mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties een hoger risico lopen op overgewicht en obesitas en de daaraan verbonden gezondheidsproblemen. Onderzoek toont aan dat zij minder bewegen. Ze eten ook minder gezond: ze consumeren vaker bewerkte voedingsmiddelen en eten minder fruit en groenten dan mensen met een hoger inkomen.
Dat is niet alleen een kwestie van persoonlijke keuzes. De omgeving speelt een belangrijke rol. Als de plek waar je woont het moeilijk maakt om te bewegen en om gezond te eten, zijn ongezonde opties vaak de gemakkelijkste keuze. Zo’n omgeving noemen we een ‘obesogene omgeving’.
Omgekeerd kan een ondersteunende omgeving gezonde keuzes net stimuleren. De invloed van deze omgevingen wordt niet alleen bepaald door fysieke en ruimtelijke kenmerken, maar ook door sociale, economische en politieke factoren.
Altijd dichtbij?
Doe zelf maar eens de oefening. Beeld je in dat je door je buurt wandelt. Wat zie je? Zijn er brede voetpaden, groene parken en een supermarkt met verse, betaalbare voeding? Of overheersen drukke wegen, fastfoodketens en een gebrek aan veilige speelplekken?
Dat laatste beeld zien we in veel sociaaleconomisch kwetsbare wijken. Winkels met verse producten zijn verder weg, terwijl goedkope, ongezonde voeding makkelijker beschikbaar is. Speelpleinen en groene ruimte zijn schaars. Wie gezondheidsproblemen of financiële beperkingen heeft, ondervindt nog extra drempels om zich te verplaatsen of gezond te eten.
Peri-urbane omgeving
Het meeste onderzoek over dit onderwerp richt zich op stedelijke gebieden. Met CIVISANO – een vierjarig (2020-2024) project van Sciensano, de Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Gent – keken we naar de peri-urbane omgeving, een gebied met zowel stedelijke als landelijke kenmerken.
Deze gebieden hebben unieke uitdagingen, zoals minder voorzieningen en een beperkt aanbod van openbaar vervoer. Uitdagingen die mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties sterk kunnen treffen.
Objectieve en waargenomen omgeving
Er zijn twee soorten omgevingen: de objectieve en de waargenomen omgeving. De eerste verwijst naar de daadwerkelijke situatie die je kan meten met geografische analysetools. Hoeveel gebouwen, winkels, parken en wegen zijn er? Eerder onderzoek toonde bijvoorbeeld aan dat de bebouwde omgeving invloed heeft op beweeg- en eetgedrag.
Maar twee mensen die in dezelfde buurt wonen, kunnen die toch anders ervaren en beleven. Dat is de waargenomen omgeving. Dat wordt onderzocht aan de hand van vragenlijsten, interviews of groepsdiscussies.
Om de omgeving te verbeteren zodat mensen er gezonder kunnen eten en meer bewegen, is het belangrijk om rekening te houden met die percepties en ervaringen van bewoners. Door ons te richten op de waargenomen omgeving, krijgen we een beeld van hun obstakels en kunnen we ook oplossingen bedenken die inspelen op dagelijkse uitdagingen.
In deze bijdrage zoomen we daarom dieper in op de kwalitatieve resultaten van ons onderzoek, waaraan 61 volwassenen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties deelnamen uit twee middelgrote Vlaamse gemeenten, Duffel en Herselt.
Vicieuze cirkel
Sommige mensen komen terecht in een vicieuze cirkel van gezondheidsproblemen en sociaaleconomische kwetsbaarheid. Ons onderzoek toont hoe dat komt.
Zo blijkt dat mensen in een sociaaleconomisch kwetsbare situatie vaker een negatieve perceptie hebben over hun omgeving. Ze ervaren die als belemmerend voor gezond beweeg- en eetgedrag. Dat leidt vervolgens tot een slechtere gezondheid, wat de sociaaleconomische kwetsbaarheid verder vergroot en zo een vicieuze cirkel creëert.
Financiële drempels
Gezonde voeding en sportactiviteiten kunnen duur zijn. Maar er zijn nog veel meer financiële barrières dan het prijskaartje. Zo toont ons onderzoek dat voedsel verkrijgen, opslaan en bereiden ook kosten met zich meebrengt.
De verplaatsing naar de supermarkt kan duur zijn omdat er openbaar vervoer of brandstof voor nodig is. Thuis zijn er kosten om voedsel vers te houden of te bereiden, zoals koeling en het energieverbruik voor koken. In kleine keukens kan het moeilijk zijn om voedsel in grotere hoeveelheden te bewaren, wat bij aankoop vaak goedkoper is. En een gebrek aan kookapparatuur maakt het lastiger om voedzame maaltijden te bereiden.
Op het vlak van beweging denken velen: wandelen is toch gratis? Toch zijn ook aan recreatief wandelen verborgen kosten verbonden, geven de bevraagden aan. Zo vergt het goede schoenen, regenkleding en een smartphone met mobiele data om wandelroutes te vinden. Andere drempels die ze noemen: kosten in verband met sociale activiteiten, zoals iets gaan drinken na een wandeling met een vriend, of medische kosten zoals een kinesitherapeut.
Sociale omgeving
Ook de sociale omgeving speelt een rol bij gezond eet- of beweeggedrag. Zo blijkt sociaal isolement een factor die deelnemers belemmert in gezonde keuzes. Dat is nauw verbonden aan fysiek isolement: door het gebrek aan openbaar vervoer is het moeilijker om af te spreken met anderen en sociale netwerken op te bouwen en te versterken.
Omgekeerd kan sociale steun, zoals vrienden of buren die een lift aanbieden naar de supermarkt of voedsel delen, dan weer gezonde keuzes toegankelijker maken. Positieve sociale contacten moedigen ook beweging aan, zoals wandelen.
Negatieve sociale ervaringen, zoals het gevoel genegeerd, uitgesloten of veroordeeld te worden, kunnen het tegenovergestelde effect hebben. Dat kan ertoe leiden dat mensen groepsactiviteiten vermijden of geen sociale steun zoeken, wat vaak resulteert in verder isolement.
Voorzieningen in de omgeving
Veel mensen die aan het onderzoek deelnamen, ervaren gezondheids- en mobiliteitsproblemen. Ze vinden dat er te weinig inclusieve openbare ruimten en voorzieningen in hun buurt zijn. De afwezigheid of slechte staat van voetpaden, het gebrek aan bankjes en gratis sanitaire voorzieningen treffen hen onevenredig zwaar en beïnvloedt hun wandelgedrag.
Wat voeding betreft, stippen deze mensen vaak aan dat hun buurt wel fastfoodrestaurants en buurtwinkels op toegankelijke plaatsen heeft, maar dat er weinig opties zijn voor betaalbare en gezonde boodschappen.
Kunnen voedselbedelingen en sociale kruideniers hier een verschil maken? Hoewel ze een belangrijke rol spelen in de ondersteuning van mensen in kwetsbare situaties, voldoen ze niet altijd aan de behoeften van de gebruikers. Zo krijgen sommige mensen diepvriesproducten terwijl ze thuis geen diepvriezer hebben, of voedselpakketten bestaan uit producten die van lage kwaliteit, bijna vervallen en vaak ongezond zijn, of er zitten producten in die niet aansluiten bij voedingswensen of -behoeften.
Weten wat er lokaal beschikbaar is op vlak van beweging en voeding, is een uitdaging op zich. Ineffectieve communicatie en verspreiding van informatie zorgt ervoor dat mensen niet op de hoogte zijn van de opties. Bovendien ontbreekt het velen aan de middelen of digitale vaardigheden om online informatie op te zoeken.
Ook informatie begrijpen, vormt een uitdaging. Sommige mensen hebben moeite met kaartlezen, recepten begrijpen of voedingslabels interpreteren.
Belangrijkste uitdagingen
Sommige hindernissen zijn eigen aan peri-urbane gebieden. Er zijn minder non-profitorganisaties en armoedeverenigingen dan in grote steden. Deze organisaties bieden meestal ondersteunende diensten, zoals sociale programma’s, voedselhulp of belangenbehartiging voor mensen in kwetsbare situaties. Zonder die ondersteuning missen bewoners kansen op sociale contacten.
Peri-urbane gebieden hebben doorgaans meer groene ruimten, zoals velden en bossen. Maar die zijn vaak moeilijk bereikbaar of begaanbaar. Paden kunnen ruw, onverhard en onverlicht zijn. Bovendien liggen groene ruimten vaak ver van het centrum en zijn ze slecht bereikbaar met het openbaar vervoer. Voor inwoners zonder auto zijn er weinig alternatieven.
Tenslotte krijgen peri-urbane gebieden vaak minder politieke aandacht en financiering. Recente regionale veranderingen, zoals de afschaffing van bushaltes en het verdwijnen van geldautomaten, treffen deze gebieden harder. Voor inwoners voelen deze veranderingen als een gemis aan aandacht voor hun noden, wat hun gevoel van afstand en frustratie tegenover lokale en nationale beleidsverantwoordelijken vergroot.
Hoe kan het beter?
We vroegen aan bewoners wat het lokaal bestuur zou kunnen doen om de omgeving beter te maken voor hun beweeg- en eetgedrag.
Ze vinden dat er meer geïnvesteerd moet worden in openbaar vervoer of andere transportmogelijkheden, zoals auto- of fietsdelen. De verbindingen tussen het centrum en groene ruimten of sportfaciliteiten kunnen veel beter.
Een alternatief idee dat ter sprake kwam, is om een bus om te bouwen tot mobiel infopunt en voedingswinkel, om zo tot bij de mensen te komen. De bevraagde mensen zijn ook vragende partij voor gezonde, betaalbare maaltijden aan huis, niet alleen voor ouderen, maar voor iedereen.
Sociale contacten stimuleren
Er zijn ook acties nodig die sociale contacten stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan dienstencentra die outreachend werken en mensen actief uitnodigen om deel te nemen aan activiteiten. De gemeente kan ook zelf het initiatief nemen om bijvoorbeeld laagdrempelige wandelactiviteiten, ontmoetingsplaatsen of lokale gespreksgroepen te organiseren. Een van de bewoners lanceerde het idee van een ‘wandel met de hond van je buren’-campagne om sociaal contact in de eigen straat op gang te brengen.
Verder kan de gemeente bepaalde ingrepen doen om wandelen te stimuleren, zoals onderweg bankjes en toiletten voorzien, wegwijzers, goed aangelegde wandelwegen en toegankelijke voetpaden. Het wandelen kan ook gecombineerd worden met gezonde voeding, bijvoorbeeld door een wandelroute op te stellen langs lokale handelaren of boerderijen met bankjes aan hun deur.
De gemeente kan gezond eetgedrag stimuleren, bijvoorbeeld met workshops over gezond koken met weinig materiaal, een gezonde voedselmarkt, gemeenschapstuintjes met informatie over hoe de groenten klaar te maken of via sociale media een groep opzetten over gezonde voeding.
De gemeente kan ook meer inspanningen doen om informatie over beweging en voeding tot bij alle doelgroepen te brengen en om hen te motiveren om gezonde keuzes te maken. Daarbij is het belangrijk om op meerdere kanalen in te zetten en om visueel te werken. De gemeente zou ook kunnen samenwerken met lokale organisaties die informatie verder verspreiden.
Tenslotte gaven sommige deelnemers aan dat ze meer inspraak willen in hun gemeente over de beweging- en voedingsmogelijkheden, bijvoorbeeld in een werkgroep die acties bedenkt om beweging en gezond eetgedrag te stimuleren.
Ondersteunende omgeving
Lokale beleidsmakers kunnen het verschil te maken. De gesuggereerde acties pleiten voor samenwerking over sectoren heen en een inclusief beleid dat gezondheid bevordert en ongelijkheid aanpakt. Dit betekent dat elk beleidsdomein – of het nu transport, huisvesting of onderwijs is – een rol kan spelen in het bevorderen van gezondheid.
Niet alleen bij het uitwerken van initiatieven, maar ook bij het uitstippelen van beleid moeten mensen in sociaaleconomisch kwetsbare situaties betrokken worden. Zij begrijpen hun unieke uitdagingen beter dan wie dan ook en bieden inzichten die anders gemist zouden worden.
De invloed van de lokale omgeving op voeding en beweging sijpelt via verschillende wegen binnen in het leven van sociaaleconomisch kwetsbare burgers. Toch zijn er heel wat aanpassingen mogelijk in de omgeving zodat iedereen gezonde keuzes kan maken. Er moet een shift plaatsvinden in ons denken, waarbij we gezondheid als een sociale kwestie zien die preventief en collectief aangepakt wordt.
De Grote Voedselkaart
We weten nog onvoldoende hoe Vlamingen hun voedselomgeving ervaren. Terwijl objectieve gegevens over voedselomgevingen beschikbaar zijn, blijft de subjectieve beleving onderbelicht. ‘De Grote Voedselkaart’ brengt daar binnenkort verandering in. Dit nieuwe burgerwetenschapsproject heeft als doel de subjectieve voedselomgeving in Vlaanderen in kaart te brengen. Via een app zullen burgers opdrachten kunnen uitvoeren en vragen beantwoorden over hun voedselomgeving. Wil je op de hoogte blijven? Bezoek www.degrotevoedselkaart.be en schrijf je in voor de nieuwsbrief.
Bron: sociaal.net
by admin | jul 3, 2025 | Sectoren
Alexianen Zorggroep Tienen ondersteunt mensen met een ernstige psychische kwetsbaarheid. Naast zorg wordt ook ingezet op activering. Maar voor sommige mensen is het perspectief op reguliere tewerkstelling niet meer realistisch. Voor hen is de beslissing om werkloosheidsuitkeringen te beperken in tijd, een ramp: “Een uitzondering dringt zich op.”
Werk op maat
“We komen hier niet alleen om te werken, we bouwen ook weer aan ons leven.” Het is een zin die je vaak hoort in het arbeidscentrum van Alexianen Zorggroep Tienen. Het arbeidscentrum biedt werk aan, aangepast aan de mogelijkheden en beperkingen van mensen die geen job vinden op de gewone arbeidsmarkt. Vaak gaat het om mensen met een grote psychische kwetsbaarheid, verstandelijke of fysieke beperking of om mensen die in erg complexe sociale situaties leven.
Werk op maat betekent een kans om in een aangename sfeer iets bij te leren. Dat leidt tot succeservaringen, meer zelfvertrouwen en zelfwaarde, structuur en stabiliteit, verantwoordelijkheid en het opbouwen van sociale contacten.
Eigen werktempo
In het arbeidscentrum gaan arbeidscoaches aan de slag met mensen met diverse psychische aandoeningen, complexe achtergronden en specifieke ondersteuningsvragen. Zij weten als geen ander hoe werk zowel hefboom als valkuil kan zijn. Met specfieke methodieken verlagen en overwinnen ze drempels naar de samenleving, en naar de arbeidsmarkt in het bijzonder. Met die aanpak op maat kunnen mensen het eigen werktempo bepalen, naargelang hun draagkracht tijdens hun herstel.
Voor Rita (60) is het belang van arbeidszorg duidelijk: “Na een zware depressie stond ik jarenlang aan de zijlijn. Reguliere jobs waren te veel voor mij. Ik raakte telkens opnieuw overspoeld. Via een activeringstraject kwam ik in het arbeidscentrum terecht. Een verademing: geen druk, wel structuur en begrip. Ik werk hier al meer dan zeven jaar. Mijn werk hier geeft me weer een reden om ’s morgens op te staan.”
Reguliere arbeid geen optie
Een substantieel aandeel in de arbeidszorg zijn de ‘tijdelijke activeringstrajecten’ en ‘arbeidsmatige activiteiten’ (AMA) voor mensen voor wie reguliere arbeid geen optie is. Helaas is dat de realiteit van een grote en diverse groep mensen met een psychiatrische problematiek.
Dat een gewone job (nu) niet lukt, was vaak de conclusie van een screening door werkpartners zoals VDAB en Gespecialiseerd Team Bemiddeling (GTB). Zij gaven een ‘AMA-welzijnsadvies’. Het doel van arbeidszorg is niet productie of rendement, wel het individueel welzijn.
Arbeidszorg is het enige alternatief op effectieve werkloosheid en maatschappelijke uitsluiting dat voor hen beschikbaar is. Psychisch kwetsbare mensen werken zo soms jaren in AMA, vrijwillig, zonder loon, maar met grote inzet. Zij werken vanuit de wil om opnieuw structuur, zelfvertrouwen en e
en toekomst op te bouwen.
Aanbod dun gezaaid
Voor deze mensen is het aanbod aan begeleiding dun gezaaid. Dat zou wel eens te maken kunnen hebben het feit dat de begeleidingsopdracht complex is. Want vaak worstelen deze mensen naast hun grote afstand tot de arbeidsmarkt met een multiproblematiek die ook aangepakt moet worden: schulden, armoede, eenzaamheid of fysieke beperkingen.
De vraag naar trajecten met arbeidsmatige activiteiten neemt toe. Wie ‘toeleidbaar’ is naar regulier werk, stroomt vaak al snel uit naar het gewone economische circuit. Wat rest binnen arbeidszorg is een groep mensen met een grote en steeds groter wordende afstand tot de arbeidsmarkt. Zo stijgt bijvoorbeeld de gemiddelde leeftijd, waarmee dus opnieuw de al kleine kans op reguliere tewerkstelling daalt.
Arbeidszorg werkt
Een studie van UCLL en POM West-Vlaanderen concludeert dat arbeidszorg de activering en integratie bevordert. Bovendien ervaren mensen in arbeidszorg een duidelijke verbetering van hun psychosociaal welbevinden. Door arbeidszorg vergroot de kans op een positieve beweging op de participatieladder. Investering in arbeidszorg levert ook maatschappelijke en economische winst op: de investering rendeert. Voorwaarde is wel dat er kwaliteitsvolle begeleiding voorzien is.
Van een duidelijke groei richting arbeidsmarkt getuigt Davy (35): “Door mijn psychische kwetsbaarheid ben ik al jaren in begeleiding. Vroeger voelde ik me vooral een probleemgeval. Hier niet. Hier werd ik uitgenodigd om mee te doen, op mijn ritme. Ik kreeg een taak, collega’s, een doel. Dankzij arbeidzorg heb ik vrijwilligerswerk gevonden in een fietsenwinkel. Het heeft mijn zelfvertrouwen hersteld. Op termijn wil ik stappen zetten naar betaald werk. Ik droom zelfs van een eigen fietsenzaak.”
Uitkering op de helling
Een grote groep van de mensen in een AMA-traject ontvangt een werkloosheidsuitkering. Deze uitkering is vanzelfsprekend een belangrijke en noodzakelijke houvast. De federale beslissing om de duur van de werkloosheidsuitkeringen te beperken tot twee jaar zal hen hard raken.
Een uitzondering op de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen voor mensen in erkende AMA-trajecten dringt zich dus op. Niet iedereen in deze trajecten kan terugvallen op een leefloon en zou bijgevolg teruggeduwd worden in armoede en onzekerheid.
Bovendien leidt het schrappen van de uitkering tot de ondermijning van arbeidszorg zelf. Want arbeidszorg is er net op gericht om mensen in hun vaak lange hersteltraject na psychiatrische moeilijkheden, te begeleiden naar volwaardige deelname aan de samenleving.
Niet meer maar minder activering
Het ontnemen van de uitkering is niet alleen een ramp voor de betrokkenen. Het is ook een pijnlijk signaal van exclusie, terwijl het net om mensen met een zekere activiteitsgraad gaat. Mensen die nota bene door diensten als VDAB en GTB niet toeleidbaar tot de arbeidsmarkt worden geacht, maar die ondanks alles wel proberen deel te nemen aan de samenleving. Mensen die vrijwillig meewerken, groeien, leren en herstellen.
Het is een stap terug in de tijd van de hulpverlening aan en het herstel van mensen met een ernstige psychische kwetsbaarheid. Finaal zal het niet leiden tot meer maar minder activering, met uitsluiting van deze mensen tot gevolg. Meer dan dertig jaar activering in de geestelijke gezondheidszorg op de schop?
Bron: Sociaal.net
by admin | jul 3, 2025 | Onderwijs
Het volwassenenonderwijs is op vele vlakken een vergeten en onbekende speler in het onderwijslandschap. Veel volwassenen vinden in het volwassenenonderwijs nochtans een tweede adem in het leven die leidt tot een betere job, een betere positie in de maatschappij of een zelfbewuster vertrouwen in hun functioneren. Daarnaast vinden een heleboel nieuwkomers zo een plek in onze maatschappij.
De recent aangekondigde prijsverhoging heeft het volwassenenonderwijs wellicht meer bekendheid gegeven. Een sector die misschien wat te weinig van zich liet horen, kwam in elk geval nu wel naar buiten met een hele hoop goede argumenten om deze bruuske verhoging aan te klagen.
Ik ga niet al deze argumenten herhalen, maar er werd globaal verzet gepleegd tegen de opdeling hobby-opleidingen en opleidingen naar een job (ik wist trouwens niet dat minstens een kwart van mijn secundaire opleiding als hobby bedoeld was), er werd gepleit voor een levenslange en levensbrede vorming, er werd gewaarschuwd voor een mogelijke privatisering van het volwassenenonderwijs en er werden voorstellen geformuleerd voor duidelijkere afspraken en meer samenwerking in het aanbod.
Dit zijn allemaal valabele en zinvolle invalshoeken. Toch mag en moet er nog dieper gegraven worden.
Ik wil in deze bijdrage drie aspecten aankaarten die, volgens mij, nog te weinig aan bod kwamen en die het belang van het volwassenenonderwijs nog meer in de verf zetten. Ik wil het hebben over het belang van het zelfbeeld en het tanken van (zelf)vertrouwen, het doel van het volwassenenonderwijs als tijdelijke vluchtheuvel en het verschil tussen ‘leren’ en ‘onderwijs volgen’.
Zelfvertrouwen
Heel wat cursisten in het volwassenenonderwijs hebben negatieve ervaringen met het leerplichtonderwijs (basis en secundair). Hun zelfbeeld als ‘lerende’ is mogelijk danig geknakt. Zij kregen in het verleden vaak directe en indirecte feedback waardoor ze zichzelf als minderwaardig, minder intelligent en als minder verdienstelijk zien. Het gebeurt regelmatig dat ze hun traject niet hebben afgemaakt en dat ze via het volwassenenonderwijs een nieuwe adem proberen te vinden.
Maar ook de grote groep anderstalige cursisten vindt zijn plek in het volwassenenonderwijs. Ze komen uit onzekere situaties en zijn op zoek naar vaste grond onder hun voeten, vertrouwen in en van onze maatschappij en de plek die ze daar kunnen innemen. Het volwassenenonderwijs kan zorgen voor een herijking van het zelfbeeld en het opdoen van (zelf)vertrouwen.
Vluchtheuvel
Een tweede punt heeft te maken met het doel van het volwassenenonderwijs. Het doel van het leerplichtonderwijs wordt door Hanne Arendt omschreven als een ‘tussenruimte’ waar een kind of een jongere voorbereid wordt op het echte leven, een oefenplaats als het ware.
Voor volwassenen ligt dit toch enigszins anders. Zij zitten al volop ín de wereld, de bescherming is volledig weggevallen. Ze hebben een bepaalde plaats in de samenleving verworven (misschien geen al te aantrekkelijke), ze hebben werk gezocht (en al dan niet gevonden). Als ze werk vonden, was dat misschien niet de fijnste job.
Ze ervaren mogelijk dagelijks de uitdagingen van een (complex) gezinsleven. Misschien zijn ze moeten vluchten uit een ander land en hebben ze daarbij ontberingen en grote onzekerheid gekend of zijn ze dagelijks in de weer voor hun gehandicapt kind. Kortom, een heleboel grote en kleine uitdagingen hebben hun pad gekruist en die doen dat nog dagelijks.
Voor deze mensen is het onderwijs zeker geen tussenruimte of een voorbereiding op het echte leven. Voor vele cursisten uit het volwassenenonderwijs kunnen we beter spreken over een relatieve rust- en reflectieplek, een tijdelijke vluchtheuvel. Het onderwijs kan hen de kans bieden om even op adem te komen en bij te tanken.
Ik benadruk ‘kan’ omdat de verwachtingen vanuit de maatschappij (gezin, job, financiële onzekerheid, mogelijke schulden, onzekerheid over statuut, …) voortdurend op de deur blijven kloppen. Voor getraumatiseerde vluchtelingen die verplicht Nederlands volgen, is het leren van een vreemde taal bijvoorbeeld (met de druk om te moéten slagen) zeer stresserend.
De pedagogiek voor het volwassenenonderwijs richt zich, meer dan bij kinderen en jongeren, naar de volwassen persoon zelf. Zij vormen het voorwerp van de pedagogiek en minder de wereld en de cultuur.
We trachten die wereld liefst even buiten te houden om de batterijen op te laden en daarna, beter gewapend, die wereld versterkt te kunnen binnentreden. Die versterking kan er zijn op persoonlijk vlak of op werkvlak en niet zelden op beide gebieden. Iets wat ook erg versterkend kan zijn, is het ontmoeten van nieuwe mensen. Het sociale netwerk wordt hierdoor vergroot.
Een laatste aspect heeft te maken met wat Biesta de ‘verlering’ van het onderwijs noemt. Volwassenenonderwijs heeft als doel om de deelnemers te versterken. Dat is een mooie gedachte en veel leerkrachten zullen zich hierin herkennen.
Toch zien we in deze gedachte een evolutie. Waar in het verleden vooral gesproken werd over emancipatie, zien we in toenemende mate het gebruik van het begrip empowerment. Emancipatie verwijst naar een collectieve strijd tegen onrecht en uitsluiting, terwijl empowerment wordt opgevat als het versterken van de individuele verantwoordelijkheid. Vooral in de zin van het optimaliseren van je kansen op de arbeidsmarkt.
Leren vs onderwijs volgen
Maar het gaat nog verder dan dat. We horen meer en meer dat volwassenen moeten ‘leren’. Dat lijkt een neutrale formulering, maar het is toch een subtiel verschil met ‘onderwijs volgen’.
Het volwassenenonderwijs moet ook opkomen voor zijn rol als onderwijsinstelling, waar het ‘leren’ breder is dan enkel de vragen van de arbeidsmarkt invullen. Zo niet, dan ligt de weg vrij voor initiatieven vanuit de vrije markt die via onder andere online cursussen misschien wel even goed zijn in het vervullen van deze instrumentalistische ‘leervraag’.
De sterkte van het volwassenenonderwijs moet net zijn dat ze een bredere invulling van het leren hanteren. Deze invulling wordt vertaald in een manier van lesgeven vanuit verbondenheid en een betrokken relatie, maar ook in een inclusief en cultureel responsief onderwijs.
Volwassenonderwijs vindt niet plaats binnen een moreel vacuüm, het is geen louter technische aangelegenheid. Het kan volwassenen aanmoedigen om bepaalde vooronderstellingen die ze hebben, kritisch tegen het licht te houden. De leerkracht moet hierbij alternatieve kijkwijzen voorstellen. De leerkracht geeft les vanuit een bepaald mens- en maatschappijbeeld en tracht vastgeroeste opvattingen los te weken. Hij moet dit echter doen zonder de cursist te willen ompraten of bang te maken. Hij legt een alternatief voor.
Het is trouwens niet alleen de leraar die vooronderstellingen en vooroordelen zal uitdagen. Dit gebeurt evengoed door de collega-cursisten in de les tijdens de bespreking hiervan. Volwassenenonderwijs is zinvoller en waardevoller als het geplaatst wordt in een context van fundamentele humane en sociale doelstellingen. Leren heeft dan niet als doel te participeren, maar leren is dan participeren.
Bron: De Wereld Morgen