Trumps protectionisme stuurt schokgolven door wereldeconomie

Trumps protectionisme stuurt schokgolven door wereldeconomie

Een nieuw stadium in het tijdperk van de wanorde

Donald Trump schokte de wereld met huizenhoge importheffingen begin april. Volgens zijn uiterst-rechtse regime betekende de belasting op import een dag van “bevrijding”. De rest van de wereld – zo meende hij – had de decennia daarvoor geprofiteerd van de enorme markt in de VS en in veel gevallen handelsoverschotten met de VS opgebouwd: ze exporteerden meer dan ze uit de VS importeerden. Zo was het mogelijk dat een arm land als Lesotho – dat o.a. diamanten exporteert – een groot handelsoverschot opbouwde met de VS – en dus een hoog invoertarief te verwerken kreeg!

door Peter Delsing

Na dagen van ineenzakkende beurzen en verrassende fenomenen als een dalende dollar en zelfs verkoop van Amerikaanse staatsobligaties moest Trump deels de aftocht blazen. Normaal gezien zijn de dollar en deze staatsobligaties “veilige havens” in de wereldeconomie. Door de start-stop invoertarieven en de chaos van Trumps beleid begonnen investeerders de VS te mijden.

De groeiende volatiliteit maakte de handel van grote hefboomfondsen ook meer onzeker. Ze moesten daardoor grote hoeveelheden Amerikaanse staatsobligaties verkopen, om hun kredietverstrekkers uit te betalen.

De waarde van deze Amerikaanse staatsobligaties daalde door massale verkopen, waardoor hun rente automatisch steeg: dit dreigde kredieten in de bredere economie duurder te maken. Trump plooide finaal voor de obligatiemarkt en liet de meeste invoertarieven zakken tot een nog steeds aanzienlijk hoge 10%.

Met als uitzondering: de staatskapitalistische aartsvijand en eveneens supermacht China, waarmee de tarieven in een onderling opbod escaleerden. Dit was de uitdrukking van toenemende spanningen in de bipolaire, imperialistische wereldorde.

Sinds midden de jaren 2010 deed het VS-imperialisme meer en meer afstand van de neoliberale globalisering en de vrijhandel. Trump I maar later ook Biden saboteren bijvoorbeeld bewust het systeem van arbitrage van handelsgeschillen binnen de Wereld Handelsorganisatie (WHO). De wereld werd richting protectionisme en grotere inter-imperialistische conflicten, militarisering en proxy-oorlogen geduwd.

Van vrijhandel naar handelsoorlog: het wereldkapitalisme zinkt weg in diepere crisis

Sinds de crisis van het kapitalisme in de jaren 1970 probeerden de heersende klassen in het westen een scenario zoals in de jaren 1930 te vermijden. De depressie van het systeem was niet kort en onmiddellijk vernietigend, zoals in de jaren 1930 toen massawerkloosheid van meer dan 20% en het fascisme al snel opkwamen. De burgerij en haar centrale bankiers hebben de lessen van toen geleerd: crisissen moeten zo lang mogelijk worden uitgerokken, in de hoop dat nieuwe markten, verhoogde uitbuiting en immense schuldenbergen het systeem tijdelijk stabiliseren.

Het neoliberale kapitalisme herstelde na de crisis van winstgevendheid in de jaren ’70 voor een stuk de winstmarges. Dat gebeurde door het verhogen van de uitbuiting en de uitbreiding van de markten intern door privatisering. Extern werden de markten vergroot – en dus de mogelijkheden om winst te pompen – door Oost-Europa, Rusland en China tot kapitalistische regio’s van exploitatie te maken.

De neoliberale globalisering en vrijhandel botsten – zoals marxisten altijd hadden gewaarschuwd – op de diepere crisis van het systeem, wat zich onder meer uitdrukte in de opkomst van rechts-populistische, extreemrechtse en links-populistische krachten die het neoliberale kapitalisme beweerden uit te dagen. Meer en meer wordt staatstussenkomst nodig om het systeem te redden, zoals bij de crisissen in 2008 en 2020. Daarnaast was er de opkomst van staatskapitalistisch China.

Hierdoor werd het kapitalisme door de verschillende en concurrerende heersende klassen meer en meer als een zero sum-systeem gezien. Wat door protectionisme – importheffingen en exportcontroles – direct voordelig was voor het ene, westers imperialistische kamp was een direct nadeel voor het Chinese imperialistische kamp.

Als ex-stalinistische staat bleef China bogen op sterke infrastructuur, de repressie van de arbeidersklasse,… maar met de ambitie om ook hoogtechnologisch met het westerse kapitaal te concurreren.

Doorheen Trumps regime toonde de draai naar protectionisme van de Amerikaanse burgerij – erger gemaakt door Trumps persoonlijke, zichzelf verheerlijkende en dictatoriale trekken – haar vermogen om in gevaarlijke handelsoorlogen te ontsporen.

Als economisch beleid houdt Trumps start-stop protectionisme geen steek – zoals dat bij kapitalistische handelsoorlogen doorgaans het geval is. Een commentator vergeleek Trumps invoertarieven met “een steak bakken door het huis af te branden”. Door andere landen en bedrijven te dwingen om met zijn regime te onderhandelen vergroot Trumps economische en politieke macht wel enorm. Een aantal technologische producten – waaronder Iphones, laptops … – kregen tijdelijk een vrijstelling van invoertatieven. Deze techbedrijven hadden de kas van koning Trump ook al ernstig gespijsd!

Het is onwaarschijnlijk dat grote bedrijven massaal hun productie naar de VS zullen brengen. Nike maakt 50% van zijn sportschoenen in Vietnam. De kapitalistische econoom Peter Schiff merkte op dat de productie met de lonen in de VS organiseren duurder zou zijn dan de oorspronkelijke 40% invoertarieven betalen. Het zal volgens Schiff waarschijnlijker zijn dat Nike andere markten, zoals in China, zoekt en in de VS veel hogere prijzen doorrekent.

Dit op een moment dat de Amerikaanse werkenden geen enkele stijging van de prijzen meer aankunnen en het consumentenvertrouwen naar beneden tuimelt.

Trump lijkt met zijn handelsoorlog een wereldwijde, gelijktijdige recessie te versnellen. De lijst van regio’s waar een recessie waarschijnlijker wordt – de VS zelf, Mexico, Canada, delen van Europa – wordt steeds langer.

Ook China zal zwaar geraakt worden met haar industriële basis door de tariefmuur die Trump optrok rond de VS: een scherpe terugval wordt waarschijnlijker, wat de poging tot meer staatsinterventie en stimulus in China verklaart. In staatskapitalistisch China is de langgerekte groei nu ook voorbij en omgeslagen in een langer uitgerokken crisis en depressie van de economie, met de groei van werkloosheid, loondalingen, groeiende kritiek op de ongelijkheid, etc.

China escaleerde echter de handelsoorlog door exportcontroles en zelfs een ban op een reeks van zeldzame aardmetalen. Dit kan Amerikaanse en Europese bedrijven in high tech, defensie, de luchtvaart … ernstig in de problemen brengen.

Verwerp het systeem: strijden voor socialisme

Werkenden moeten de nationalistische en pro-kapitalistische boycots van de burgerlijke politici verwerpen. Bij protectionisme en handelsoorlogen heeft de werkende klasse niets te winnen. Maar ook niet bij het vermeende alternatief van kapitalistische vrijhandel.

We moeten massaal protesteren en staken tegen de ontwikkelende crisis van het systeem en tegen nieuwe besparingen. Bedrijven die ontslagen omwille van de handelsoorlog of dalende verkoop willen doorvoeren, moeten door strijd en stakingsactie in publiek bezit worden gebracht onder controle van de werkenden.

Laat ons alle varianten van het falende systeem verwerpen en de strijd aangaan voor het enige alternatief: een economie die democratisch wordt beheerd door de werkende klasse – een systeem van socialistische planning in België en internationaal.

Bron: socialisme.be

Personeel lokale besturen

Ruim 171.000 personen aan de slag bij lokale besturen

In 2024 werkten in totaal 171.376 personen bij de lokale besturen in het Vlaamse Gewest. Het gaat om de som van de tewerkstelling bij de provincies, autonome provinciebedrijven, gemeentebesturen, Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW’s), verenigingen van OCMW’s, autonome gemeentebedrijven, intergemeentelijke samenwerkingsbedrijven, hulpverleningszones en lokale politiezones. Omgerekend naar voltijdse jobs gaat het om 138.478 voltijdse equivalenten (VTE). In 2024 waren er 665 VTE meer werkzaam bij de lokale besturen dan in 2023 (+0,5%). Tussen 2010 en 2024 steeg het aantal VTE met 5,6%.

In 2021 werden de personeelsleden van de hulpverleningszones voor het eerst opgenomen in het totaal aantal personeelsleden van lokale besturen. De stijging in 2021 is in grote mate het gevolg van deze nieuw toegevoegde categorie. In 2024 waren 3.842 personen of 3.700 VTE tewerkgesteld bij de hulpverleningszones.

De cijfers hebben telkens betrekking op de situatie in het 2de kwartaal van het jaar.

Gemeentebesturen en OCMW’s grootste werkgevers bij lokale besturen

Bij de lokale besturen zijn de gemeentebesturen en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW’s) de grootste werkgevers. Daarna volgen de verenigingen van OCMW’s, de lokale politiezones, de intergemeentelijke samenwerkingsbedrijven, de provincies en de hulpverleningszones. De autonome gemeentebedrijven en autonome provinciebedrijven zijn de kleinste werkgevers.

Vergeleken met 2010 is er vooral een afname van de tewerkstelling bij de OCMW’s en een toename bij verenigingen van OCMW’s merkbaar.

Vooral contractuelen, vrouwen en voltijds werkenden bij lokale besturen

In 2024 was 62% van alle personeelsleden bij de lokale besturen een vrouw, 38% een man. Daarnaast was 72% contractueel tewerkgesteld en 28% vastbenoemd. Het aandeel voltijds werkenden (58%) lag in 2024 hoger dan het aandeel deeltijds werkenden (42%).

Relatief veel jobs bij gemeentebestuur in kustgemeenten, grootsteden en centrumsteden

De kustgemeenten, grootsteden en centrumsteden waren in 2024 de gemeenten met het hoogste aantal voltijdse equivalenten tewerkgesteld bij het gemeentebestuur per 1.000 inwoners. Er wordt hier enkel rekening gehouden met de tewerkstelling bij het gemeentebestuur, niet met de tewerkstelling bij de andere lokale besturen. Ingelmunster had het laagste aantal voltijdse equivalenten per 1.000 inwoners, gevolgd door Herstappe, Boortmeerbeek, Edegem en Zulte.

Bron: Statistiek Vlaanderen

Bevolking naar onderwijsniveau (scholingsgraad)

In 2024 was 15,1% van de 25- tot 64-jarigen kortgeschoold, 39,7% middengeschoold en 45,3% hooggeschoold. Kortgeschoolden zijn personen zonder een einddiploma van het secundair onderwijs. Middengeschoolden hebben het secundair onderwijs of het post-secundair niet-hoger onderwijs met succes afgewerkt. Hooggeschoolden beschikken over een diploma hoger onderwijs.

Het aandeel kortgeschoolden daalde tussen 1999 en 2024 van 42,3% naar 15,1%. Een omgekeerde evolutie was er bij de middengeschoolden en de hooggeschoolden: in vergelijking met 1999 zijn de aandelen midden- en hooggeschoolden duidelijk gestegen (respectievelijk van 32,5% naar 39,7% en van 25,2% naar 45,3%). Het aandeel hooggeschoolden is het sterkst gestegen.

Vrouwen, werkenden en 25- tot 34-jarigen vaker hooggeschoold

Vrouwen zijn vaker hoger geschoold dan mannen. In 2024 was 49,7% van de vrouwen hooggeschoold tegenover 40,9% van de mannen. Daartegenover staat dat 16,2% van de mannen en 13,9% van de vrouwen kortgeschoold zijn.

Zowel bij 25- tot 34-jarigen (52,4%) als bij 35- tot 54-jarigen (46,8%) was in 2024 ongeveer de helft hooggeschoold. Bij 55- tot 64-jarigen was 36,0% hooggeschoold. In die laatste leeftijdsgroep was 22,6% kortgeschoold. Bij 25- tot 34-jarigen (10,4%) en 35- tot 54-jarigen (13,2%) ligt het aandeel kortgeschoolden duidelijk lager.

51,0% van de werkenden tussen 25 en 64 jaar was in 2024 hooggeschoold. Bij de personen die werkloos zijn, was 33,1% hooggeschoold. Bij de niet-beroepsactieven (mensen die niet werken en die ook niet actief op zoek zijn naar een job) was 21,1% hooggeschoold. Omgekeerd was bij de werkenden 10,1% kortgeschoold. Bij de werklozen was dat 19,9% en bij de niet-beroepsactieven 36,7%.

Personen die geen hinder ervaren tijdens hun dagelijkse activiteiten wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem zijn vaker hoger geschoold dan personen met hinder. In 2024 was 46,4% van de personen zonder hinder hooggeschoold tegenover 25,3% bij personen met hinder. Bij personen zonder hinder was 13,8% kortgeschoold tegenover 31,1% bij personen met hinder.

In 2024 was ten slotte 47,4% van de personen geboren in België hooggeschoold. Bij personen geboren in een ander land van de Europese Unie (EU27) lag dat aandeel lager (38,4%). Bij personen geboren buiten de EU was dat 34,7%. Omgekeerd lag het aandeel kortgeschoolden bij personen geboren buiten de EU (34,8%) duidelijk hoger dan bij personen geboren in België (11,7%) of in een ander EU-land (22,0%).

Meer hooggeschoolden in Vlaams Gewest dan gemiddeld in Europese Unie

Het aandeel hooggeschoolden in het Vlaamse Gewest (45,3%) lag in 2024 tussen het aandeel van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (53,7%) en het Waalse Gewest (41,4%) in. In België in zijn geheel ging het om 45,0%.

In de Europese Unie (EU27) was in 2024 gemiddeld iets meer dan 1 op de 3 inwoners hooggeschoold (36,1%). In het Vlaamse Gewest lag dat aandeel hoger. Er zijn op dit vlak grote verschillen tussen de EU-landen. In Ierland is ruim de helft van de bevolking (56,6%) hooggeschoold. In Roemenië ligt dat aandeel op 19,2%.

Bron: Statistiek Vlaanderen

Werkzaamheidsgraad

Bijna 77% van 20- tot 64-jarigen aan het werk

In 2024 lag de werkzaamheidsgraad(open definitie) bij de bevolking van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest op 76,9%. Dat betekent dat 76,9% van de 20- tot 64-jarigen in dat jaar arbeid verrichtte. De werkzaamheidsgraad is tussen 1999 en 2019 toegenomen van 67,9% tot 75,5%. In 2020 was er een lichte daling tot 74,7%, gevolgd door een stijging in 2021-2022 en een stabilisatie in 2023-2024.

Hoogste werkzaamheidsgraad bij hooggeschoolden en samenwonende partners met kinderen

In 2024 lag de werkzaamheidsgraad bij mannen op 80,3%. Dat is duidelijk hoger dan bij vrouwen (73,4%). Bij vrouwen steeg de werkzaamheidsgraad sinds 2014 wel sterker (+5,8 procentpunten (ppt.)) dan bij mannen (+4,1 ppt.). Het verschil in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen daalde bijgevolg van 8,7 ppt. in 2014 tot 6,9 ppt. in 2024.

De werkzaamheidsgraad van personen van 55 tot 64 jaar lag in 2024 veel lager dan die van de andere leeftijdsgroepen. De werkzaamheidsgraad van de groep van 55 tot 64 jaar steeg wel het sterkst: van 44,3% in 2014 tot 62,4% in 2024.

De werkzaamheidsgraad neemt toe naarmate het onderwijsniveau stijgt. De werkzaamheidsgraad bij kortgeschoolden bedroeg in 2024 53,7%, tegenover 78,4% bij middengeschoolden en 90,0% bij hooggeschoolden. Bij alle onderwijsniveaus steeg de werkzaamheidsgraad in vergelijking met 2014.

Opgedeeld naar huishoudpositie was de werkzaamheidsgraad in 2024 het hoogst bij samenwonende partners met kinderen (88,3%) en het laagst bij personen die inwonen bij ouders (55,9%). Bij samenwonende partners zonder kinderen steeg de werkzaamheidsgraad het meest tussen 2014 en 2024 (+10,1 ppt.).

Personen die hinder ondervinden tijdens hun dagelijkse activiteiten wegens een handicap of langdurig gezondheidsprobleem zijn veel minder vaak aan het werk dan personen zonder hinder. In 2024 lag de werkzaamheidsgraad bij personen met hinder op 49,8%, tegenover 82,0% bij personen zonder hinder. Bij zowel personen met als zonder hinder steeg de werkzaamheidsgraad in vergelijking met 2014 (respectievelijk +7,1 ppt. en +5,2 ppt.).

Er zijn ten slotte ook verschillen naar geboorteland. In 2024 lag de werkzaamheidsgraad bij personen geboren buiten de Europese Unie (EU27) op 64,5%, tegenover 78,7% bij personen geboren in België en 75,3% bij personen die in een ander EU27-land zijn geboren. Bij personen geboren buiten de EU27 is de werkzaamheidsgraad het sterkst gestegen tussen 2014 en 2024 (+10,9 ppt.). Bij personen geboren in België en bij personen geboren in een ander EU27-land is die stijging iets beperkter (respectievelijk+5,1 ppt. en +5,4 ppt.).

Vlaamse werkzaamheidsgraad iets boven EU-gemiddelde

In 2024 lag de Vlaamse werkzaamheidsgraad (76,9%) duidelijk hoger dan in de andere gewesten. In het Waalse Gewest ging het om 67,1%, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om 64,1% en in België in zijn geheel om 72,3%.

In de Europese Unie (EU27) bedroeg de werkzaamheidsgraad in 2024 gemiddeld 75,8%. Het Vlaamse Gewest scoorde met 76,9% iets hoger dan het EU-gemiddelde.
Nederland (83,5%) kende de hoogste werkzaamheidsgraad, gevolgd door Malta (83,0%) en Tsjechië (82,3%). De laagste werkzaamheidsgraden werden genoteerd in Roemenië (69,5%), Griekenland (69,3%) en Italië (67,1%).

Bron: Statistiek Vlaanderen

Maken ‘de media’ mensen bang met extra rode weerkaarten? Fotocollages op sociale media zijn misleidend

Maken ‘de media’ mensen bang met extra rode weerkaarten? Fotocollages op sociale media zijn misleidend

Op sociale media leiden de hogere temperaturen opnieuw tot berichten met fotocollages van weerkaarten. De mensen achter de collages willen ermee aantonen dat weerkaarten vandaag “extra rood” kleuren om “angst op te wekken” voor het klimaat. Maar de voorbeelden zijn vaak misleidend omdat ze bijvoorbeeld temperatuurkaarten met andere weerkaarten vergelijken, of weerberichten van verschillende tv-zenders tegenover elkaar plaatsen. 

De hogere temperaturen leiden op sociale media opnieuw tot de hardnekkige bewering dat “de media” de temperatuurkaarten in de weerberichten aanpassen om “de mensen bang te maken”.

Zo schrijft iemand op 30 juni 2025 op X het woord “klimaathysterie” met daarbij een fotocollage van wat een vergelijking tussen weerkaarten van Duitsland uit 2017 en 2022 moet voorstellen. De kaart uit 2017 is groen en de kaart uit 2022 kleurt rood, terwijl de temperaturen daar lichtjes lager zijn. Ook op 1  juli 2025 wordt de collage opnieuw gepost.

Het is geen nieuw bericht. Al in 2022 ging de collage rond met als doel te bewijzen dat “de media de gevolgen van klimaatverandering overdrijven”. Want “groene kleuren zouden ingeruild zijn voor rode kleuren”. 

Bovendien is het niet het enige bericht met die boodschap, tonen verschillende posts op sociale media aan. Heel wat mensen insinueren dat de weerkaarten recent zouden zijn aangepast en dat er vroeger “geen bloedrode weerkaarten” werden getoond. “Rood wekt angst op en dat is de bedoeling”, klinkt het.

Misleidende vergelijkingen

Maar de fotocollages zijn vaak misleidend. Laat ons naar het eerste voorbeeld kijken, met de 2 kaarten uit Duitsland.

Beide kaarten komen uit een weerbericht dat tijdens de nieuwsuitzending “Tagesthemen” op de Duitse openbare omroep ARD wordt getoond. Het probleem is dat in de fotocollage 2 verschillende types kaarten met elkaar worden vergeleken, weten de factcheckers van Politifact

Zo is de groene kaart uit 2017 een weerkaart waar – als we de volledige uitzending van 21 juni 2017 bekijken – verschillende fenomenen op werden getoond, zoals temperaturen, buien, stormen en windrichting. Het ging niet specifiek over het visualiseren van de temperatuur.

De kaart uit 2022 wou dat wel doen: hier ging het om een temperatuurkaart die de verandering van temperatuur doorheen de dag wou tonen, blijkt wanneer we de uitzending van 20 juni 2022 (een dag vroeger dan beweerd op sociale media) bekijken. De koelere ochtendtemperaturen staan daar op een kaart met groene kleuren, later op de dag kleurt de kaart dan inderdaad meer oranje en rood.

Volgens Politifact werden de weerberichten voor de Duitse publieke omroepen pas sinds 2020 gestandaardiseerd. Een woordvoerder van Hessischer Rundfunk, dat sindsdien verantwoordelijk is voor de productie van de weerkaarten, zegt daar:

“De twee grafieken verschillen in ontwerp en presentatie. Tot eind 2019 gaven de temperatuurkaarten (…) alleen de temperatuur in getallen weer – de groene achtergrond had geen relatie met de temperatuur.”

Het gebruik van de temperatuurkaart is overigens niet nieuw. Al in 2017 – hetzelfde jaar dus als de eerste foto in de collage – werd bij ARD bijvoorbeeld ook al een (rode) temperatuurkaart gebruikt, toont een uitzending van Tagesschau aan.

Nog veel meer voorbeelden

Het is niet de enige misleidende fotocollage die de laatste jaren de ronde doet. Zo circuleert er een collage van 2 Franse weerkaarten die van respectievelijk 2002 en 2022 zouden zijn. Die van 2022 kleurt roder en donkerder dan de oudere kaart.

Volgens het bijschrift zou er “20 jaar geleden minder zwaar getild zijn aan hoge temperaturen dan vandaag”. Maar de factcheckers van Knack konden aantonen dat de kaart uit 2002 vervalst was en in realiteit een weerbericht uit 2019 toonde.

Nog een voorbeeld. Vorig jaar ging een collage van weerkaarten viraal, de ene in groen en beige en de andere met gelijkaardige temperaturen, maar donkerrood en fel oranje.

“Het is ontworpen om je de leugen van de door de mens veroorzaakte klimaatverandering te verkopen”, staat er onder andere als bijschrift bij.

Ook hier blijkt de collage misleidend. De factcheckers van DPA zagen dat de kaarten afkomstig waren van 2 verschillende websites die het weer voorspellen en ieder hun eigen kleuren gebruiken om temperatuur te illustreren. “Beide websites gebruiken tegenwoordig geen dramatischer kleuren dan enkele jaren geleden”, klinkt het bovendien.

Welke kaarten gebruikt VRT?

“We gebruiken kleurenschalen enkel voor de temperatuurkaart van Europa en voor de kaart van België waarop we de luchtkwaliteit visualiseren”, zegt Christophe Janssens, creative director bij VRT NWS. “Dat zijn kaarten die we slechts sporadisch tonen, bijvoorbeeld bij grote temperatuurverschillen in Europa of wanneer we het weer in populaire vakantiebestemmingen willen weergeven.”

“De kleuren die we gebruiken zijn afkomstig uit ons VRT NWS-kleurenpalet, maar zijn ingeschaald in overleg met onze dataleveranciers, in dit geval het KMI voor de weerdata en Ircel voor de luchtkwaliteit.”

“Die schaal is – bijvoorbeeld voor de temperatuurkaart van Europa – bepaald door het KMI.”

De meest recente kleuren voor het weerbericht dateren uit 2017. “Dat heeft uiteraard niets te maken met de klimaatverandering, maar is het gevolg van een restyling van het weerbericht”, aldus Janssens.

Ook weerman Bram Verbruggen zegt dat VRT NWS eerder uitzonderlijk temperatuurkaarten toont. “Wij krijgen de data binnen via het Europese weermodel (ECMWF). Iedere gebruiker vult de kleuren vervolgens in op basis van een schaal. Binnen Europa bestaat er geen vaste kleurenschaal.”

“Daarom is het altijd belangrijk om naar de legende te kijken, want kleurschalen kunnen verschillen naar gelang de omroep. Ik kan me ook inbeelden dat de Spanjaarden een andere schaal hanteren dan de Noren.”

“In het weerbericht zelf hebben we ook achtergrondkleuren. Voor zonnig en warm weer gebruiken we bijvoorbeeld donkeroranje omdat je dan een sfeer van warmte creëert.”

“Maar als je kijkt naar de evolutie van de cijfers – lees naar de verandering van het klimaat – dan gaan we in de toekomst onze kleurschaal voor warmere temperaturen moeten herzien”, aldus nog Verbruggen. “Anders wordt ze roder dan rood.”

In elk geval is het zo dat ook in het verleden al rood werd gebruikt om aan te geven dat de temperaturen hoog opliepen.

Met andere woorden: heel wat collages met weerkaarten zijn misleidend omdat ze bijvoorbeeld temperatuurkaarten met een ander type weerkaart vergelijken of omdat ze van andere bronnen komen waar andere kleurcodes gelden. VRT NWS gebruikt slechts sporadisch temperatuurkaarten en die komen uit het VRT-kleurenpalet. Er was geen recente beslissing om die roder te maken. 

Conclusie:

  • Op sociale media gaan fotocollages van weerkaarten rond. Daarbij wordt beweerd dat weerkaarten vandaag “roder” worden gekleurd om alarmisme rond klimaatverandering te voeden.
  • Dat is in veel gevallen misleidend. Er worden andere types weerkaarten met elkaar vergeleken of weerkaarten van verschillende zenders.

Meer informatie over de factchecks van VRT NWS

Zoek je meer verhalen van VRT NWS CHECK over factchecking, desinformatie of online bedrog? Die vind je hier

Deze factcheck werd geschreven op basis van de informatie die beschikbaar is op het tijdstip van publicatie. Wil je weten hoe we te werk gaan bij het factchecken? Dat lees je in dit artikel

Heb je vragen of opmerkingen of wil je weten wie er in ons team zit? Dat lees je in dit artikel.  

Je vindt onze factchecks ook terug bij deCheckers, samen met betrouwbare factchecks van enkele andere Vlaamse en Nederlandse redacties. 

Wil je iets laten checken? Stuur ons dan een mail via check@vrtnws.be.  

VRT NWS is erkend lid van het International Fact-Checking Network (IFCN) en van het European Fact-Checking Standards Network (EFCSN). 

Bron: vrt.nws