De Vlaamse arbeidsbemiddelaar VDAB moet een slankere organisatie worden die focust op haar kerntaak (bemiddelen) en op de grote groep inactieven. Dat stelt de Vlaamse regering in een nota, die ‘De Tijd’ kon inzien.
De voorstellen moeten als richtlijn dienen voor de nieuwe beheersovereenkomst, waarover de Vlaamse regering nu gaat onderhandelen met de raad van bestuur. Vlaams minister van Werk Zuhal Demir (N-VA) wil de VDAB terug naar de essentie brengen: vacatures en werkzoekenden matchen.
In een arbeidsmarkt waar de snel te activeren profielen uitgeput zijn, moet de organisatie focussen op “niet-beroepsactieven die niet zelfredzaam zijn, maar nog wel arbeidspotentieel hebben”. Het gaat dan bijvoorbeeld om leefloners, nieuwkomers, langdurig zieken en huisvrouwen – vaak met een migratieachtergrond.
“Aanklampende aanpak”
Met een “aanklampende aanpak” moeten de inactieven aan werk geholpen worden. Demir wil dat de bemiddelaars de straat op gaan, in wijken niet-werkenden benaderen of jobbeurzen organiseren bij sociale huisvestingsmaatschappijen. In ruil wiedt ze in de procedures en andere opdrachten.
Opleidingen moet de VDAB beperken tot knelpuntberoepen en zoveel mogelijk uitbesteden aan partners, zoals het volwassenenonderwijs of sectororganisaties.
Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) wil niet weten van een degradatie van de ziekenfondsen als uitbetalers van de verplichte ziekteverzekering. Dat heeft hij donderdag in de Kamer benadrukt na suggesties van coalitiepartners N-VA en MR. “Ik hoor hier dingen die niet in het regeerakkoord staan en die dus gewoon niét gaan gebeuren”, klonk het fors.
Kamerleden Alexia Bertrand (Open Vld), Kurt Moons (Vlaams Belang), Frieda Gijbels (N-VA), Jean-Marie Dedecker (onafhankelijk) en Daniel Bacquelaine (MR) bevroegen Vandenbroucke donderdag in de Kamer over het vermogen van de ziekenfondsen. Het Laatste Nieuws bracht woensdag aan het licht dat die samen 6,1 miljard euro zouden bezitten.
Gijbels en Bacquelaine opperden dat de uitbetaling van de verplichte ziekteverzekering maar beter naar het Riziv kan verhuizen. “Wij pleiten voor de afschaffing van de ziekenfondsen als publieke uitbetaler. Ik hoop dat de geesten kunnen rijpen”, aldus Gijbels.
Vandenbroucke haalde daarop fors uit. “De wetgeving legt de ziekenfondsen zekere reserves op om de solidariteit te ondersteunen, en dat is volstrekt normaal. (..) Er is zoiets als een regeerakkoord en ik heb hier dingen horen zeggen die daar niet instaan. Die gaan dus gewoon niét gebeuren”, klonk het.
In het bijzonder de MR kreeg een veeg uit de pan. “Een gegeven woord is een gegeven woord, en dat gaat over alle dossiers. Ik hoop dat de MR een partij is die zich aan zijn woord houdt.” MR-Kamerlid Mathieu Michel sloot zich eerder op de dag nog aan bij juridisch verzet tegen een nieuwe wet die de strijd tegen fiscale fraude efficiënter moet maken met behulp van datamining. Zijn partij keurde die wet wel goed binnen de regering en in het parlement.
“Winst vloeit niet terug naar zorg”
Intussen heeft ook het Vlaams Artsensyndicaat de hoge winstmarges van de ziekenfondsen bekritiseerd. “De aanzienlijke winsten vloeien niet terug naar de zorg”, klinkt het in een reactie. “Het syndicaat vraagt daarom aan de politiek om “de machtsconcentratie open te breken” en de zorg opnieuw te organiseren rond de noden van patiënten en zorgverleners.
De Vlaamse regering staat op het punt een akkoord te sluiten over het verruimd inkomensbegrip. Daarbij worden voortaan niet alleen lonen, maar ook andere inkomsten zoals dividenden meegeteld voor subsidies en premies. “Het is essentieel dat sociale steun terechtkomt bij wie ze echt nodig heeft”, zei viceminister-president Melissa Depraere zondag in ‘VTM NIEUWS’.
Een duidelijk voorbeeld is de aanvraag van een studiebeurs. “Ik zie vaak alleenstaande ouders met studerende kinderen die niet in aanmerking komen, terwijl kinderen uit welgestelde gezinnen, zoals die van een notaris of chirurg, wél steun krijgen”, aldus Depraetere. Dit komt doordat het huidige systeem enkel naar het loon kijkt, zonder andere inkomsten mee te nemen. “Zo ontstaan achterpoortjes die misbruik mogelijk maken. Het is hoog tijd om die achterpoortjes te sluiten”, benadrukt de minister.
Met het verruimd inkomensbegrip zal de Vlaamse regering voortaan ook dividenden en andere bronnen van inkomsten meewegen. “Het gaat om mensen die zichzelf een laag loon uitkeren, maar via dividenden extra geld genereren. Hun werkelijke inkomen is veel ruimer dan wat ze officieel aangeven. Het is niet meer dan eerlijk dat dit wordt meegenomen, want veel gezinnen hebben enkel hun arbeidsloon en betalen soms hogere tarieven voor bijvoorbeeld kinderopvang dan gezinnen waarvan dividenden niet worden meegeteld,” legt Depraetere uit.
De minister benadrukt dat de hervorming geen nadelige gevolgen zal hebben voor mensen met enkel een loon en een spaarrekening. “We willen sparen juist blijven stimuleren”, stelt zij. Ook bezittingen of eigendommen spelen geen rol in de nieuwe regeling.
Vakbonden staken lukraak zonder aan de gevolgen te denken, lobbyen alleen voor eigen belang, ijveren voor een minderheid van de bevolking en zijn een last voor de economie. Werkelijk? Wij nemen de proef op de som.
Tijdens stakingsacties zoals nu op 24-25-26 november 2025 duiken steevast hardnekkige mythes op in mainstream en sociale media. Op de lange lijst van mediamythes zijn dit de acht koplopers.
De eerste de beste gelegenheid
Mythe 1: vakbonden staken bij de eerste de beste gelegenheid, met overdreven en onrealistische eisen, zonder overleg, zonder aan de gevolgen te denken.
Geen enkel vakbond neemt zomaar een beslissing om te staken. Stakingen zijn duur voor de vakbonden. Gemiddeld betalen zij hun stakende leden 40 euro per dag (voor een voltijdse baan). Het exacte bedrag verschilt per vakbond en per sector. Dit bedrag kan oplopen bij langdurige stakingen. Staken betekent dus aanzienlijk loonverlies voor de stakers en een financiële aderlating voor de vakbonden.
Vakbonden beslissen pas tot staken wanneer alle andere opties door werkgever of regering worden geweigerd, geblokkeerd of op de lange baan geschoven. Staken is een ultieme keuze nadat talrijke inspanningen voor het bereiken van een sociaal akkoord zijn mislukt – zoals nu met deze federale regering.
De beslissing tot staking wordt door elke vakbond met de achterban overlegd en goedgekeurd. Ze spreken altijd af met de werkgevers hoe de minimumdienst bij hulpdiensten en zorgsector verzekerd blijft, zodat niemand in gevaar komt en kwetsbare personen geen risico’s lopen.
‘Lobbygroepen’
Mythe 2: vakbonden zijn ‘lobbygroepen’ voor het enge eigenbelang van hun leden.
Elk sociaal recht dat wordt verworven geldt altijd voor alle werkende mensen. Vakbonden ijveren dus ook voor de rechten van wie geen lid is van een vakbond (of voor wie lid is van een andere vakbond).
Die voor iedereen verkregen arbeidsvoorwaarden, veiligheid, comfort, rusttijden zijn geen dure privileges. Zij verhogen de efficiëntie en de productiviteit. Ze zijn essentieel om kwaliteitsvolle dienstverlening te garanderen. Openbare diensten en privébedrijven functioneren beter wanneer werknemers in veilige en zekere omstandigheden hun taken kunnen vervullen.
Vakbonden doen veel meer dan ijveren voor de rechten van werkende en werkzoekende mensen. Zij voeren campagne rond maatschappelijke thema’s als antiracisme, gelijk loon voor gelijk werk. Ze zijn solidair met de internationale strijd voor rechtvaardigheid, zoals het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk.
Vakbonden zijn ouderwets
Mythe 3: vakbonden zijn passé en staan voor een krimpende minderheid van de werkende bevolking.
De vakbonden vernieuwen zichzelf voortdurend. Vakbondssectoren groeien omdat ze nieuwe groepen aanspreken. Nieuwe delen van de wereld industrialiseren en werknemers strijden er voor hun rechten. Zij vinden daarvoor inspiratie bij de resultaten van vakbonden in andere landen.
Wereldwijd daalt het vakbondslidmaatschap de voorbije veertig jaar, niet toevallig sinds het neoliberalisme is doorgebroken als de leidraad voor regeringen. Autoritaire regimes voeren harde repressie tegen vakbondsleiders, maar de voorbije veertig jaar werd vakbondsactiviteit ook in democratische landen aan banden gelegd met neoliberale maatregelen.
In de VS neemt het aantal deelstaten toe waar vakbondsactiviteit wettelijk verboden is. In Groot-Brittannië hebben opeenvolgende Conservatieve en Labourregeringen de mogelijkheid tot sociale actie wettelijk sterk ingeperkt.
Wat de huidige stakingen aantonen is dat de sociale strijd allesbehalve passé is, nu vele ooit door harde strijd verworven rechten worden aangevallen. Als de syndicalisatiegraad afneemt is dat een gevolg van de harde maatregelen tegen vakbonden.
Last voor de economie
Mythe 4: vakbonden zijn een last voor de economie.
Dit is de hardnekkigste mythe over vakbonden – en over stakingen – in deze lijst. Vakbonden dragen door hun dagelijkse activiteit echter bij aan de economie. Dat doen ze onder andere door hun permanente aanwezigheid in bedrijven en diensten, door bemiddeling bij conflicten op de werkvloer en het suggereren van maatregelen voor de verbetering van de veiligheid waardoor het aantal arbeidsongevallen vermindert.
Door dagelijks contact met de collega’s op de werkvloer kunnen vakbonden preventief optreden en veel conflicten voorkomen. Een betere werksfeer met duidelijke afspraken leidt tot minder arbeidsgerelateerde ziekten. Praktijkopleidingen op het werk verhogen de productiviteit van de werknemers.
Er werden in België nog nooit degelijke onderzoeken gedaan naar de economische meeropbrengst van vakbonden. In Groot-Brittannië werd dat wel gedaan in 2010. De Conservatieve regering onder leiding van David Cameron wilde de nefaste invloed van vakbonden aantonen die met stakingen de Britse arbeider zijn recht op werken zou ontzeggen.
Die studie schatte de meeropbrengst door de gestegen productiviteit dankzij de vakbonden op 13,95 miljard euro per jaar dankzij onder andere de verbeterde moraal en het engagement van de werknemers. Dat was niet het resultaat dat de Britse regering had verwacht. Deze studie werd na publicatie verticaal geklasseerd.
Talrijke onderzoeken tonen aan dat vakbondsonderhandelingen de economische stabiliteit vergroten en economische groei creëren, door ongelijkheden in te perken en de koopkracht van de werkende bevolking te verbeteren.
IMF-studies tonen een rechtstreeks verband aan tussen de afname van de syndicalisatiegraad en de toename van de rijkdom van de top-tienpercent. Vakbonden zorgen voor economische stabiliteit door billijke herverdeling van de economische opbrengsten die door de werkende mensen werden gecreëerd.
De OESO, een samenwerkingsverband van de rijke landen, zegt dat sociaal overleg zorgt voor meer jobs, betere arbeidskwaliteit en een inclusievere arbeidsmarkt voor vrouwen en minderheden.
Enkel de openbare sector
Mythe 5: vakbonden zijn bijna uitsluitend met de openbare sector bezig, omdat daar de meeste van hun leden werken.
De geschiedenis van de sociale strijd toont dat meer sociale rechtvaardigheid in de openbare sector altijd heeft geleid tot sociale verbetering in de privésector.
Deze regering beweert dat vakbonden onfair zijn tegenover werknemers in de privésector. Maar betere arbeidsvoorwaarden in de openbare sector kwamen er net door vakbondsstrijd en wettelijke bescherming. Die voortrekkersrol heeft ook in de privésector sociale rechten afgedwongen: arbeidscontracten met loonafspraken, duidelijke arbeidsvoorwaarden, vakantiedagen en ziekteverlof.
Vakbonden moeten enorme uitdagingen aangaan om te organiseren en te rekruteren in de privésector vanwege de andere aard van de werkgelegenheid daar. Toch zijn miljoenen werknemers in de privésector lid van een vakbond – en vele anderen die geen lid zijn, maar dat wel zouden willen.
Vakbonden willen de lat gelijk leggen tussen privé en openbaar naar omhoog, niet naar omlaag.
Vol met witte mannen
Mythe 6: vakbonden zijn wit, mannelijk en oubollig.
Dat vakbonden historisch grotendeels mannelijke bastions waren klopt zeker. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de tewerkstellingsgraad van vrouwen fel toegenomen, dus ook het lidmaatschap van vrouwen in de arbeidersbewegingen. Het waren uiteraard ook witte bastions.
Sinds de sociale bewegingen in de jaren 1970 de begrippen ongelijkheid en racisme op de agenda zetten, hebben vakbonden voortdurend gevochten tegen ongelijkheden, voor grotere participatie van vrouwen, mensen van kleur en etnische minderheden, mensen met een handicap en jongeren.
Talrijke hoge vakbondsfuncties worden in 2025 door vrouwen en mensen van kleur ingenomen. Het heeft tijd en strijd gekost en er is nog heel wat werk te doen, maar vakbonden scoren hoger dat de meeste andere instellingen op gebied van diversiteit en gelijkheid – beter dan bijvoorbeeld ondernemingsraden van bedrijven of politieke partijen.
Macht en democratie
Mythe 7: vakbonden worden ondemocratisch bestuurd door machtige ‘baronnen’ die hun leden bevelen om te staken.
Democratische vertegenwoordiging op de werkplaats is de essentie van vakbonden. Het recht om een vakbond op te richten of erbij aan te sluiten, wordt internationaal erkend als een fundamenteel principe van democratische maatschappijen, zoals het vermeld staat in Artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Vakbonden hebben een actieve rol gespeeld in de democratisering van landen als Zuid-Afrika, Polen en Spanje. Vakbonden verspreiden een cultuur van democratie. Hoge niveaus van vakbondslidmaatschap gaan gepaard met hogere democratische participatie en hogere deelname van burgers aan verkiezingen.
Alle vakbondsleiders worden democratisch verkozen door de leden. Het beleid wordt gevormd door democratische structuren, zoals jaarlijkse of meerjaarlijkse conferenties van de afgevaardigden.
Net zoals met elke andere democratische instellingen kennen vakbonden hun gebreken, maar er is altijd bereidheid tot verbetering. In weinig organisaties zijn de leiders zo aansprakelijk en aanspreekbaar als in de vakbonden.
Ze organiseren om de vier jaar sociale verkiezingen, waarbij zij een mate van democratische transparantie tonen die geen enkele andere organisatie van het maatschappelijk middenveld haalt. Alle werknemers in een bedrijf hebben stemrecht in de sociale verkiezingen, ook niet-vakbondsleden.
Onpopulair
Mythe 8: vakbonden zijn niet populair.
De manier waarop de vakbonden in de media worden voorgesteld, geeft de indruk dat ze algemeen geminacht worden. De Belgische syndicalisatiegraad is de voorbije twintig jaar licht gedaald maar is nog altijd zeer hoog.
Iets meer dan de helft van de werkende en werkzoekende Belgen is lid van een vakbond, zowel in de privé- als in de openbare sector. Dat zijn allesbehalve impopulaire cijfers.
Zoals hierboven al vermeld is die daling niet te wijten aan vermindering van populariteit maar aan de veranderende arbeidsmarkt. Steeds meer bedrijven maken lidmaatschap een nutteloos aanvoelend engagement. Bovendien is syndicaal actief zijn in een privébedrijf veel riskanter dan in de openbare sector, waar de wettelijke bescherming van verkozen vakbondsafgevaardigden wel nog gerespecteerd wordt.
De afwezigheid van vakbondsmilitanten in bedrijven heeft een negatieve impact op de bereidheid om lid te worden, laat staan om actief en openbaar te militeren. Dat geldt in heel de privésector, maar vooral in de kleinere bedrijven en nog het meest bij zelfstandigen.
De syndicalisatiegraad neemt niet af omdat vakbonden niet populair zouden zijn, maar omdat ze de voorbije veertig jaar steeds harder worden aangepakt. In absolute cijfers neemt wereldwijd het aantal vakbondsleden wel toe, maar die stijging is kleiner dan die van de totale werkende bevolking. Vakbonden zijn echter nog altijd de grootste organisaties van het maatschappelijk middenveld.
Als werkgevers “honderden miljoenen schade” roepen, verklappen ze per ongeluk de echte motor van onze welvaart: arbeid. Een staking stopt niet alleen de band, maar snijdt vooral in de winst, en precies dáárom is ze zo machtig.
Bij elke staking gaan werkgevers door het dak. “De vakbonden ondergraven de welvaart van de Vlaming met deze actie. In economisch moeilijke tijden brengen ze honderden miljoenen schade toe aan de economie”, zei Voka-topman Hans Maertens na de staking in maart. VBO-baas Pieter Timmermans sprak vorige week over “schade die het half miljard euro nadert”.[1]
Die verontwaardiging verraadt iets belangrijks: als er niet gewerkt wordt, valt niet alleen de loonmassa stil, maar vooral de winst. De “schade” waar ze het over hebben, is in grote mate de meerwaarde die werkenden normaal creëren en niét als loon terugzien.
Deze citaten zijn interessant omdat ze ongewild aangeven wie de rijkdom in ons land creëert en waarom staken zo belangrijk is.
Wat een staking duidelijk maakt
Elke arbeider of bediende produceert meer rijkdom dan wat zij of hij aan loon ontvangt. We nemen een voorbeeld: een werknemer produceert per dag 250 euro aan toegevoegde waarde. Die persoon zal daar niet het volledige bedrag van krijgen, maar slechts een gedeelte, bijvoorbeeld 200 euro, als brutoloon.
Het verschil – 50 euro – is de meerwaarde. Dat deel vloeit naar de werkgever en (via dividenden) naar aandeelhouders, of gaat naar investeringen en financiële beleggingen.
Die ‘meerwaarde’ of winst[2] is precies datgene waar het bij de werkgever om draait. Want grondstoffen en machines leveren op zichzelf niets op. Het is arbeid die goederen en diensten maakt, en dus waarde schept. En zolang die arbeid méér waarde oplevert dan er als loon terugkeert, loont het voor werkgevers om mensen aan te werven.
Dat is het hart van het kapitalisme – zedig verzwegen in de meeste economie-handboeken.
We hebben dat mechanisme meestal niet in de gaten, maar op een stakingsdag komt het aan de oppervlakte, omdat die meerwaardecreatie dan wegvalt. Werkgevers moeten die dag weliswaar geen loon uitbetalen aan de stakers, maar zij verliezen wel de meerwaarde die die werknemers anders hadden gecreëerd. En dat is wat hen zo woest maakt.
Op een stakingsdag wordt de bron van de verrijking drooggelegd en wordt het kapitalisme in zijn hart geraakt. Daarom gaat de elite zo tekeer tegen stakingen. Als de werkgevers zeggen dat ze 500 miljoen verliezen, dan wil dat eigenlijk zeggen dat de werknemers die dag normaal 500 miljoen rijkdom creëren die ze zelf niet als loon ontvangen.
De kern van de sociale strijd
De sociale geschiedenis in België is één lange worsteling over wie welk deel van de koek krijgt. De logica is eigenlijk heel eenvoudig: hoe lager de lonen en hoe slechter de werkomstandigheden (langer of harder werken voor hetzelfde loon) hoe hoger de meerwaarde of de winst.
De werkgevers willen zo hoog mogelijke winsten. Daarom streven ze, hierin gesteund door rechtse overheden, naar zo laag mogelijke lonen en werkomstandigheden die hun zo weinig mogelijk kosten. Omgekeerd leveren arbeiders en bedienden al sinds meer dan 150 jaar strijd om hun lonen en werkomstandigheden te verbeteren.
En het gaat niet alleen om het loon zelf, maar ook om het zogenaamde ‘uitgesteld loon’. Dat is dat gedeelte van het brutoloon of van de winst, dat opzij gezet wordt voor pensioenen, vakantie, ziekte- en werkloosheidsuitkeringen (sociale zekerheid). Dat is ook loon, een deel van de waarde die de werknemer gecreëerd heeft, maar dat niet direct uitbetaald wordt.
De huidige stakingsgolf past in een lange traditie van sociale strijd. Sinds het einde van de negentiende eeuw draait de Belgische sociale strijd rond de strijd over de meerwaarde, of anders gezegd, over de verdeling tussen (uitgesteld) loon en winst.
Voorbeelden hiervan zijn de stakingen in Luik en Henegouwen van 1886. Deze eisten kortere werkdagen, hogere lonen en eerste werkloosheidskassen via vakbonden.
Andere voorbeelden: na de zware stakingen van 1936 volgden loonsverhogingen, de 40-urenweek (in delen van de industrie) en betaalde vakantie. Met het Sociaal Pact (1944) ontstond de sociale zekerheid – pensioen, ziekte en werkloosheid – gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers.
De Winterstaking van 1960-61 verzette zich tegen de Eenheidswet die uitgaven voor sociale zekerheid en openbare diensten zou terugschroeven. In de jaren 1990 drukten het Globaal Plan (1993) en de Wet op het concurrentievermogen (1996) de loonruimte en leidden ze tot een herschikking van de uitkeringen, wat het arbeidsaandeel onder druk zette.
De indexsprong van 2015 pakte de automatische loonindexering aan en raakte de koopkracht rechtstreeks. De pensioendebatten sinds 2020 over minimumpensioen, strengere loopbaanvoorwaarden en pensioenbonus, samen met de loonblokkering, hebben de laatste jaren opnieuw geleid tot mobilisatie.
Gunstige krachtsverhoudingen
De verdeling van de meerwaarde en de uitkomst van de sociale strijd worden bepaald door de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal. Deze wordt op haar beurt voor een groot deel medebepaald door vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Als er meer vraag is naar werk dan er aanbod is, dan moet een werknemer tevreden zijn met wat zij of hij kan krijgen. In dat geval staan de werknemers zwak en de werkgevers sterk. In het omgekeerde geval zal de werkgever bereid zijn om betere lonen en arbeidsomstandigheden te bieden om toch maar aan voldoende werknemers te geraken. In dat geval staan de werknemers sterk en de werkgevers zwak.
Die verhoudingen zijn nu de laatste jaren zeer gunstig geëvolueerd voor de wereld van de arbeid. Als gevolg van vergrijzing en lagere immigratie wordt de poel met beschikbare arbeidskrachten almaar kleiner en is de arbeidsmarkt nog nooit zo krap geweest als vandaag. Dat verstevigt de onderhandelingspositie van de werknemers.
Normaal gesproken moet zich dat onvermijdelijk vertalen in betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen. Dat is nu eenmaal de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
Voorlopig worden hogere lonen in ons land tegengehouden door de loonnormwet. De rechterzijde probeert de gunstige krachtsverhoudingen op de arbeidsmarkt ook te verminderen door enerzijds mensen langer te laten werken (hogere pensioenleeftijd) en anderzijds meer mensen aan het werk te krijgen. Dat laatste gebeurt door de jacht op werklozen en langdurig zieken.
Met de huidige arbeidskrapte zijn de omstandigheden dus gunstiger dan ooit voor de arbeidersbeweging. We staan voor een tijdperk waarin de wereld van de arbeid in het offensief kan gaan en een verloren deel van de koek terug kan opeisen en verwerven. Na de hete herfst zou het wel eens een hete winter kunnen worden.
Notes:
[1] De berekening kan je als volgt maken. Jaarlijks wordt er in België voor 642 miljard euro aan toegevoegde waarde geproduceerd (het bnp). De privé-bedrijven zijn goed voor 56 procent daarvan, ongeveer 360 miljard euro. Dat betekent als je feestdagen en weekends in rekening brengt ongeveer 1,4 miljard euro per werkdag. In de veronderstelling dat een derde van de werknemers het werk neerlegt kom je dan aan 460 miljoen euro per werkdag.
[2] Meerwaarde is potentiële winst, want de geproduceerde goederen of diensten moeten ook daadwerkelijk verkocht worden, dan pas zijn ze winst.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.