1 op 5 leerkrachten overweegt onderwijs te verlaten: je zou voor minder staken

Voor het eerst sinds 2001 leggen leerkrachten in Vlaanderen twee dagen na elkaar het werk neer. Het zegt alles over hoe diep de onrust zit in het onderwijs.

Dat het 24 jaar geleden is dat leerkrachten twee dagen op rij staakten, zegt veel. Het wijst op structurele problemen die zich jaar na jaar hebben opgestapeld: financieel, organisatorisch en menselijk. “Uitzonderlijke maatregelen vragen uitzonderlijke acties”, zegt Nancy Libert, algemeen secretaris van ACOD Onderwijs.[1]

Vorige acties trokken tienduizenden stakers, nu is de nervositeit nog groter omdat de plannen dit keer rechtstreeks snijden in wat de job nog aantrekkelijk maakt. 

Pensioenen 

De lont aan het kruitvat is de pensioenhervorming. Tot nu toe bouwden leerkrachten sneller een volledig pensioen op dan werknemers in de privésector. Dat gunstregime verdwijnt.

Ook de tweede voordeelregel gaat op de helling. Het pensioen werd berekend op de laatste tien loonjaren. Dit zijn meestal de best betaalde jaren. Maar dat wordt nu stapsgewijs afgebouwd richting een berekening over de volledige loopbaan. 

Volgens de bonden verliezen leerkrachten daardoor gemiddeld 200 tot 300 euro netto per maand aan pensioen. Bij directies kan dat zelfs oplopen tot 1.000 euro. Voor wie bijna met pensioen is, is de klap door overgangsregels kleiner. Maar wie middenin of aan het begin van de loopbaan staat, ziet het pensioenbedrag flink teruglopen. 

De geplande maatregelen zullen ook vrouwen het meest treffen. Onderwijs is een sector met veel deeltijds werk. Dit zijn vaak vrouwen die zorg en job combineren. Precies bij hen bijt de hervorming het hardst: ze voldoen trager aan loopbaanvoorwaarden en hebben dan minder pensioenopbouw.

Leerkrachten zullen in de toekomst niet alleen een lager pensioen hebben, ze zullen er ook langer voor moeten werken. En dat is teveel van het goede. Opa’s en oma’s voor de klas is pedagogisch gesproken al niet direct een goed idee, maar voor velen is het gewoon onwerkbaar. 

Op dit moment is één op de tien 55-plussers wegens ziekte afwezig. Trek je die leeftijd verder op, dan stijgt de afwezigheid door ziekte nog meer. Zeker nu de vroegere landingsbanen zijn afgeschaft.

Hoge pensioenen?

Leerkrachten hebben doorgaans een hoger wettelijk pensioen dan werknemers in andere sectoren, maar in de privésector wordt dat vaak gecompenseerd met groepsverzekeringen. Het onderwijspensioen kan je beschouwen als een sociaal contract. Het is uitgesteld loon als gedeeltelijke compensatie voor lagere lonen en minder extralegale voordelen tijdens de loopbaan. Denk hierbij aan een bedrijfswagen, hospitalisatieverzekering, of een tweede pensioenpijler. 

Leraren dragen bovendien meer pensioenbijdragen af dan veel andere beroepsgroepen, waardoor een hoger pensioen logisch is. De geplande afbouw van voordelen of verplicht langer werken voor hetzelfde pensioen, voelt dan ook als inbreuk op dat uitgestelde loon. 

Job nog minder aantrekkelijk 

De geplande pensioenmaatregelen tasten ook de aantrekkelijkheid van de job verder aan. Omwille van de hoge werkdruk was die de laatste jaren al flink gedaald. Uit een grootschalig tijdsonderzoek van 2018 blijkt dat leraren, de vakantieperiodes ingerekend, gemiddeld 42 uur per week werken, met pieken van bijna 50 uur in een gewone lesweek. Bijna de helft van de leerkrachten werkt vaak of altijd na acht uur ’s avonds en 45 procent werkt ook op zondag. 

Het lesgeven zelf is ook moeilijker en lastiger geworden, omdat de klassen heterogener zijn, de leerlingen en de ouders mondiger, en het aantal leerlingen met specifieke zorgnoden is sterk gestegen. Die hoge werkdruk eist zijn tol. Een op drie leerkrachten riskeert een burn-out. Dat is de hoogste score van alle sectoren. 

Leerkrachten worden stiefmoederlijk behandeld. Ze moeten zich voor van alles en nog wat administratief verantwoorden én indekken. Ouders stappen tegenwoordig gemakkelijk naar de rechter als ze niet akkoord gaan met een beslissing van de klassenraad. Doorheen de jaren werd de didactische en pedagogische autonomie ook sterk ingeperkt. 

Voor starters duurt het bovendien soms jaren voordat ze een stabiele en volledige betrekking, en dus inkomen, hebben. Als men nu bovenop die hoge werkdruk ook nog eens de gunstige pensioenregeling ongedaan maakt, dan valt een van de belangrijkste ‘voordelen’ van het onderwijs weg en krijgt de aantrekkelijkheid van de job opnieuw een flinke knauw. 

“Politici hameren terecht op het belang van kwalitatief onderwijs in ons land. Maar die kwaliteit kunnen we alleen garanderen als we voldoende gekwalificeerde en enthousiaste personeelsleden hebben”, aldus Koen Van Kerkhoven, secretaris-generaal van de christelijke onderwijsvakbond. 

De cijfers liegen er niet om. In een bevraging die het COC en COV[2] deed, zegt 1 op 5 van het personeel te overwegen het onderwijs te verlaten als de plannen doorgaan. Dat is niet minder dan leegloopalarm in een sector die nu al piept en kraakt onder een lerarentekort. De boodschap van de regering dat “iedereen moet bijdragen” komt in de leraarskamer aan als: “jullie nog wat extra”. 

Eisen

Onderwijsmensen grijpen niet snel naar het stakingswapen. Ze laten hun leerlingen niet graag in de steek en zijn bovendien getraind om conflicten op een herstelgerichte wijze op te lossen, door overleg en geduldig luisteren. Als ze volgende week toch staken, dan wil dat zeggen dat de noden hoog zijn.

Twee gemiste lesdagen zijn misschien vervelend voor de ouders, maar een structurele uitholling van het beroep weegt zwaarder. Als 1 op 5 leerkrachten overweegt te vertrekken, dan heb je geen “gijzeling” door staking, maar een systeem dat in slow motion vastloopt. 

De vakbonden willen een krachtig signaal geven aan de regering. De regering serveert het verhaal dat “iedereen zijn deel doet”, maar schuift in de praktijk de rekening door naar openbare diensten en hun personeel. De echte sterkste schouders blijven te vaak buiten schot. Zo worden grote vermogens en kapitaalinkomens milder belast dan arbeid. 

Volgens de onderwijsbonden kiest de regering vandaag voor een begrotingspad dat pijn doet aan mensen die onze samenleving juist dragen.

Hun eisen zijn duidelijk. Ze vragen compensaties als de pensioenplannen doorgaan, bijvoorbeeld via een groepsverzekering. Daarnaast eisen ze een verlaging van de werkdruk met minder planlast, duidelijke kerntaken en structurele zorg- en administratieve ondersteuning in elke school.  

Ze vragen werkbare klassen met realistische maxima. Ze willen een bescherming voor wie zorg en job combineert: deeltijds werken mag niet langer een boete zijn op latere leeftijd. Ten slotte willen ze dat er geïnvesteerd wordt in waardige loopbanen en dat er opnieuw treffelijke eindeloopbaanstelsels komen. 

Bart De Wever gaf aan dat hij de welvaartsstaat wil redden. Als dat echt het geval is, dan laat je het onderwijs niet bloeden en leg je de rekening niet bij wie voor de klas staat. COV formuleert het zo: “Wie onderwijs verwaarloost, snijdt niet enkel in budgetten, maar in het hart van de samenleving.” 

Lees ook: 

– Zijn de onderwijspensioenen werkelijk te hoog?
– De Wever spaart superrijken en legt de factuur bij wie werkt

Notes:

[1] ACOD Onderwijs is de onderwijssector van de socialistische vakbond ACOD die personeel in het onderwijs in België vertegenwoordigt en verdedigt.

[2] COC en COV zijn de twee onderwijsbonden van het ACV. COC vertegenwoordigt personeel in onder andere secundair, hoger en volwassenenonderwijs en CLB/ondersteuning, terwijl COV het kleuter- en lager onderwijs organiseert.

Bron: Dewereldmorgen.be

3 dagen staking bij NMBS: “Wij willen een spoor voor mensen, niet voor winst”

3 dagen staking bij NMBS: “Wij willen een spoor voor mensen, niet voor winst”

De federale regering wil 675 miljoen euro besparingen opleggen aan de spooractiviteiten. Volgens de spoorvakbonden zal dit alleen maar leiden tot een slechtere dienstverlening. Om dat te voorkomen kondigen ze volgende week een 3-daagse staking aan.

675 miljoen euro wil de federale regering besparen op spooractiviteiten. Ook wil de regering aanwervingen door HR-Rail bevriezen en de taakverdeling tussen NMBS, Infrabel en HR Rail veranderen. Daarbovenop streeft de regering naar een overname van het volledige personeelsbeheer door NMBS en Infrabel. 

Voor het spoorpersoneel alle reden om komende week op 24, 25 en 26 november te staken, legt Pierre-Lejeune van vakbond ACOD-spoor uit. Samen met ACV-Transcom, VSOA Spoor, OVS en ASTB vormen ze een gemeenschappelijk vakbondsfront tegen deze besparingsplannen van de federale regering.

Sociale inlevering

De vakbonden zien achter de regeringsplannen geen visie voor het spoor, maar een louter neoliberale besparing, die volledig ten koste gaat van het personeel en van het bedrijf. Wat door de regering hervorming wordt genoemd, komt neer op sociale inlevering.

“De aanval op onze sociale rechten is dermate groot dat wij de handen in elkaar hebben geslagen”, zegt Koen De Mey van ACV-Transcom. “Alleen in redelijke werkomstandigheden kunnen wij onze reizigers een degelijke dienstverlening bieden. Als wij zelf de aantrekkelijkheid van het beroep in vraag gaan stellen, is het einde zoek.”

Zo gaan de plannen van de regering om statutaire aanwervingen af te schaffen uit van een negatieve kijk op werknemers die gebaseerd is op wantrouwen. Mensen met een verzekerde tewerkstelling zouden vanuit die neoliberale visie niet efficiënt of productief zijn. 

De realiteit op de werkvloer wijst echter uit dat statutair aangeworven werknemers net wel zeer goed werk leveren, omdat zij zonder angst voor politieke druk of commerciële belangen hun taak kunnen uitvoeren. Zij garanderen de continuïteit van kennis en ervaring. Bovendien zijn statutaire werknemers zeer loyaal. “Het spoorwegpersoneel is trots om een essentiële schakel te zijn in een dienst die dit land draaiende houdt”, aldus het vakbondsfront.

Slechtere dienstverlening

Joachim Permentier weerlegt als woordvoerder van OVS de mythe dat liberalisering garant zou staan voor een betere dienstverlening aan de reizigers. In een geliberaliseerde markt gaat winst voor op kwaliteit van dienstverlening. 

De concrete gevolgen zijn bekend: het minimale personeelsbestand leidt tot vertragingen of afschaffingen van treinen en de besparingen op onderhoud van treinen en stations leidt eveneens tot slechtere dienstverlening. Het overblijvende personeel raakt overwerkt wat de vicieuze neerwaartse cirkel nog versterkt.

“Dit gemeenschappelijk vakbondsfront toont hoe diep de malaise zit bij het spoorpersoneel”, stelt Tony Fonteyne van ACOD-Spoor. “Neem de geplande pensioenhervorming naar 67 jaar, dat is voor de vele zware beroepen bij het spoor niet vol te houden. Wil je de veiligheid van de reiziger garanderen, dan heb je superwakkere mensen nodig die fit en uitgerust aan hun taak beginnen. Iedere dag opstaan om drie uur ’s morgens, dat ziet een 66-jarige niet meer zitten. Ik trouwens ook niet.”

Tiffany Deruiter van ASTB is al zestien jaar treinbestuurder: “Wij staan paraat op elk moment van de dag. We beginnen om drie uur ’s morgens of werken door tot 2 uur ‘s nachts. Ik merk dat veel collega’s met de jaren slaapproblemen krijgen of andere fysieke klachten.” 

“Daarnaast zijn er bij het spoor nog veel andere zware jobs in ploegendienst (drie keer acht uur), zoals die van spoorarbeiders. Ik vind het belangrijk dat wij samenkomen voor de zware beroepen, want voor hen is werken tot 67 jaar niet OK!”

Die druk op personeel uit zich ook in nieuwe ogenschijnlijk kleine maatregelen. Zo legt de NMBS haar personeel een regel op die in de privésector volledig verboden is. Wie bij het spoor deeltijds werkt, krijgt slechts proportioneel rouwverlof. Ook kan je bij de NMBS geen kredieturen krijgen voor opleidingen.

Maandenlange onderhandelingen

Tientallen maanden hebben de vakbonden met de regering onderhandeld: vruchteloos. Telkens ondervonden ze de onwil van de regering om naar een sociale dialoog te streven. Stakingen zijn altijd een laatste drukkingsmiddel geweest wanneer onderhandelingen faalden. Dat is nu meer dan ooit het geval. De regering wil eigenhandig optreden door het sociaal overleg naast zich neer te leggen.

“De zeer zware maatregelen die de regering van plan is, vragen om zware acties en dat is de reden waarom dit historisch front van de vijf spoorvakbonden drie dagen het werk neerlegt”, zegt Peter Cools van VSOA-Spoor.

“Als wij vaststellen dat deze regering niet bereid is tot overleg, zijn wij wel genoodzaakt te staken. Dit is het resultaat van jarenlange vergeefse onderhandelingen. Dit gaat over de afbraak van het spoor.” De spoorvakbonden wijzen er op dat wat met het spoor gebeurt een voorbode is van de plannen die de regering heeft voor alle andere sectoren van de economie, de openbare diensten en de privésector.

Voortrekkersrol

Hoe groot de impact zal zijn van deze staking door alle spoorvakbonden samen valt nog af te wachten. De wet verplicht de NMBS tot een minimale dienstverlening tijdens sociale protesten. Dit is een systeem dat mét akkoord van de vakbonden altijd al heeft bestaan in de zorgsector en bij de hulpdiensten brandweer en politie. Voor het spoor werd dat tegen de vakbonden in door vorige federale regeringen opgelegd.

Een eeuw geleden waren de spoorvakbonden samen met de collega’s van de mijnwerkersvakbonden de voortrekkers voor de sociale rechten die voor en na de Tweede Wereldoorlog werden bekomen voor iedereen: de achturenwerkdag, de vijfdagenwerkweek, pensioen, ziekteverzekering, jaarlijkse vakantie, betere werkomstandigheden. Nu nemen de spoorvakbonden die voortrekkersrol dus terug op. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Besparen op zorg, cashen op winst: hoe Vlaanderen zijn ouderen laat vallen

Besparen op zorg, cashen op winst: hoe Vlaanderen zijn ouderen laat vallen

Ondanks luide alarmbellen van de sector snijdt de Vlaamse regering in de ouderenzorg en thuiszorg. Deze besparingen schrappen jobs en ondermijnen de zorgkwaliteit, wat aantoont dat in onze maatschappij winst boven de noden van ouderen gaat.

“Wat is ’t plan?” Met die prangende vraag trekken directies van zowat zeshonderd woonzorgcentra aan de alarmbel. Een jaar na de start van de nieuwe Vlaamse ploeg is er nog steeds geen kompas voor ouderenzorg, zeggen ze. Wél zijn er heel concrete besparingen.

In september werd 30 miljoen euro weggesneden bij woonzorgcentra en 30 miljoen in de thuiszorg. Recent kwam daar nog eens 16 miljoen bovenop, onder meer door te snoeien in middelen voor bewoners met hogere zorgnoden. Omgerekend: ongeveer 45 euro minder subsidies per bewoner per maand.

Tegelijk klinkt het dat “er nog vet op de soep zit” en dat reserves kunnen worden afgeroomd, zelfs wanneer die dienen om te renoveren of te bouwen. De sector is “verontwaardigd en bezorgd” en mist een duidelijk plan van de minister. 

Efficiëntiewinst? 

Vlaanderen vergrijst en zorgvragen worden complexer. Personeel is schaars en het vertrouwen brokkelt af door beleid dat vooral lijkt te vertrekken uit controle en wantrouwen. In de open brief klinkt het dat de sector warmere en kleinere woonvormen wil en daarnaast betaalbare zorg en ondersteuning voor medewerkers.

Minister Caroline Gennez houdt vol dat de ingreep niet automatisch leidt tot hogere facturen of minder kwaliteit. Volgens haar kunnen er “efficiëntiewinsten” worden geboekt, en zal de overheid streng toezien op dagprijzen. 

Maar in de praktijk landt de besparing op de basistegemoetkoming voor zorg. Dat is precies het potje waaruit lonen van zorgkundigen en verpleegkundigen worden betaald. Omdat de woonzorgcentra hun dagprijs niet mogen verhogen zullen ze moeten besparen op personeel, met alle gevolgen voor de levenskwaliteit van de bewoners.

Directeurs rekenen het voor: 30 miljoen op een totaal van ongeveer 2,8 miljard lijkt een kleine procentuele ingreep. Maar op instellingniveau zullen er jobs sneuvelen en zal de zorgkwaliteit achteruit gaan. Een Limburgse koepel met 920 bewoners becijferde dat de besparingen neerkomen op het verlies van een halftijdse zorgmedewerker per instelling.

“Met minder personeel hetzelfde aantal bewoners even goed verzorgen? Dat is gewoon niet ernstig,” klinkt het. Wie vandaag al kleinschalig werkt – exact wat de overheid aanmoedigt – heeft net meer mensuren nodig. Daar valt weinig “efficiëntiewinst” uit te halen zonder dat het voelbaar wordt aan het bed.

“Een citroen kun je een paar keer uitpersen, maar dan komt er echt niks meer uit”, klinkt het. 

Intussen wijst de minister op voorzieningen met reserves en op financiën die niet elke euro tot op de dag verantwoorden. Er zijn inderdaad spelers die met vastgoedconstructies winst op zorg proberen te puren. Strengere controle is daar aangewezen en terecht. Maar die excessen mogen geen alibi zijn voor een lineaire besparing in een sector die al jaren krap staat.

“Waarom pakt de minister die paar cowboys niet aan?”, zo vraagt Jos Aben van de Zorggroep Ouderen Genk zich geërgerd af. De sector wil strengere controles in plaats van een breed snoeimes dat ook correcte voorzieningen treft.

Wie betaalt de rekening?

De Vlaamse basistegemoetkoming bedraagt 89 euro per bewoner per dag, of 2.700 euro per maand. Bewoners betalen daarbovenop hun woon- en leefkosten via de dagprijs. Die lag in 2024 gemiddeld op 72 euro per dag (ongeveer 2.200 euro per maand) en volgens de OKRA[1]-barometer in 2025 op 2.300 euro per maand.

Voor veel gepensioneerden overstijgt dat ruimschoots het maandpensioen. Familie springt bij en spaarcenten smelten. Een extra 30 euro per maand lijkt misschien beperkt, maar voor bewoners die nu al honderden euro’s bijleggen, is het opnieuw een tik.

Kinderen verkopen het ouderlijk huis om de zorgfactuur af te betalen. Partners duiken in reserves. Tantes teren hun leven lang gespaarde buffer op.

De getuigenissen zijn pijnlijk concreet. Duizend euro extra in vier jaar tijd bovenop een al zware rekening. Maandelijks 1.500 euro bijpassen voor beide ouders. Of een partner die elke maand duizend euro uit spaargeld bijlegt terwijl de kwaliteit onder druk staat. 

Tegen die realiteit klinkt het geruststellend dat dagprijzen niet mogen stijgen zonder toestemming van de minister. Maar die prijscontrole is geen wondermiddel als tegelijk de financiering aan de zorgzijde wordt teruggeschroefd. Wie niet aan personeel wil tornen, moet elders besparen of inkomsten zoeken.

De keuze wordt dan: minder mensentijd of hogere dagprijs. In beide gevallen verliest de bewoner.

Ook de thuiszorg voelt de knip. Minder middelen voor gezinszorgdiensten met veel oudere cliënten betekent minder ondersteuning waar net de druk het hoogst is. Dat botst frontaal met de ambitie om mensen langer thuis te laten wonen.

Zonder voldoende thuiszorg, respijtzorg[2] en aangepaste woningen verandert “zo lang mogelijk thuis” in een dure kapstok. Residentiële zorg wordt dan uitgehold, met wachtlijsten als gevolg. Terwijl we tegen 2030 nood hebben aan ongeveer 10.000 extra plaatsen, blijft een afdoende programmatie van bijkomende plaatsen uit.

“Op deze wijze stevenen we regelrecht af op lange wachtlijsten in de ouderenzorg. En veranderen we langzaam woonzorgcentra in loutere opvang van zwaar zorgbehoevende ouderen in de laatste maanden van hun leven”, aldus de Okra. 

Winst of mensen

Dat onze ouderen op deze manier behandeld worden hoeft eigenlijk niet te verwonderen. In onze samenleving telt winst boven alles, en wie niet productief is en dus geen winst oplevert – zoals de ouderen – wordt gezien als kost in plaats van als waardevolle groep. 

Daarom is er chronisch te weinig geld voor ouderenzorg terwijl er wél geld is voor bedrijven, defensie en grote projecten. Daarom is er structurele onderfinanciering wat leidt tot te weinig personeel, lage lonen, hoge werkdruk en slechte leefomstandigheden in woonzorgcentra.  

Het is geen toeval dat die zorg steunt op laagbetaalde en laag gewaardeerde jobs, meestal vrouwen met (vaak) een migratieachtergrond. 

Overheden en verzekeraars duwen de sector richting “efficiëntie”: minder personeel, meer flexibiliteit en lagere profielen. De rekening wordt betaald door bewoners, families en uitgeperst personeel.

Zolang winstmaximalisatie de prioriteit is van onze samenleving zullen de noden van ouderen, net als die van andere ‘onrendabele’ groepen, altijd onderaan belanden. Er is nog veel werk aan de winkel. 

Note: 

[1] OKRA is een onafhankelijke Vlaamse ouderenorganisatie van en voor 55-plussers die lokaal activiteiten organiseert én de belangen van senioren verdedigt.

[2] Respijtzorg is tijdelijke vervangende zorg zodat de mantelzorger even kan uitblazen. Dat kan enkele uren, dagen of weken via thuisoppas, dagopvang of kortverblijf.

Bron: Dewereldmorgen.be

Daan is blind en wacht op persoonsvolgend budget: ‘Ik moet niet in een dagcentrum geraken, wel op mijn werk’

Daan is blind en wacht op persoonsvolgend budget: ‘Ik moet niet in een dagcentrum geraken, wel op mijn werk’

Daan Staes (39) heeft een job, een gezin en is blind. Voor de hulp en ondersteuning heeft hij recht op een persoonsvolgend budget. Maar in de praktijk krijgt hij die niet. “De minister sust met de belofte dat ik voortaan makkelijker kan aankloppen bij voorzieningen. Maar dat helpt me geen meter verder.”

Stap achteruit

Op 23 mei 2025 keurde de Vlaamse Regering de conceptnota ‘Naar een vernieuwd, geïntegreerd zorg- en ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap’ goed. Een ambitieus plan dat “wachtlijsten moet aanpakken, ondersteuning moet vereenvoudigen en meer rechtstreekse hulp moet bieden.” De belofte dat eindelijk zal afgerekend worden met slepende pijnpunten, klinkt hoopgevend voor mensen met een handicap.

Toch komt deze hervorming niet tegemoet aan de noden en vragen van mensen die via een persoonsvolgend budget zelf hun ondersteuning willen regelen.

Wel recht, geen middelen

Ik ben zo iemand: 39 jaar, blind, vijftien jaar werkzaam op de reguliere arbeidsmarkt en samenwonend met een partner die ook blind is. De overheid erkent dat ik hulp en ondersteuning nodig heb om autonoom te kunnen functioneren. Dat budget kan ik dan inzetten voor bijvoorbeeld poetshulp of mobiliteitsoplossingen van en naar mijn werk..

In 2019 kreeg ik goed nieuws: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) liet me weten dat ik recht heb op een persoonsvolgend budget (PVB). Niet hypothetisch, maar gewettigd en onderbouwd: 36.676 euro per jaar.

Maar helaas: dat budget is er niet. Want omdat niet elke ondersteuningsvraag even dringend is, werd de grote groep rechthebbenden onderverdeeld in drie prioriteitengroepen. Ik sta in de derde en laagste prioriteitengroep. Gevolg: ik krijg mijn budget niet. Ik heb wel recht, maar geen middelen. Ik moet geduldig wachten.

Tussen morgen en nooit

We zijn enkele jaren verder en ik ben nog altijd aan het wachten. Mijn dossierdatum is 5 april 2018, terwijl het eerstvolgende dossier van mijn prioriteitengroep dat momenteel aan bod komt uit 2002 stamt. Aan dit tempo moet ik dus nog zestien jaar wachten. Ik hoor bij een categorie van duizenden mensen van wie de overheid bevestigt dat ze ondersteuning nodig hebben, maar bij wie de uitvoering wordt uitgesteld tot ergens tussen morgen en nooit.

Wie dat vanop afstand bekijkt, ziet misschien een logisch en noodzakelijk beheer van schaarse gemeenschapsmiddelen. Maar wie erin leeft, ervaart vooral dat moedig ploeteren bestraft wordt. Omdat we beiden werken, ons leven met de nodige builen en blutsen organiseren en geen crisissignalen uitsturen, worden mijn partner en ik beschouwd als mensen die geduldig en zonder al te veel onheil kunnen wachten.

Te laat en tot nooit meer

Omdat er niet meteen zicht is op uitkering van dit budget, zocht ik naar alternatieven. Zo ontdekte ik het basisondersteuningsbudget (BOB): een vrij besteedbaar bedrag van 300 euro per maand, bedoeld voor mensen die geen intensieve zorg nodig hebben maar wel structurele ondersteuning.

In theorie is dat exact wat ik nodig heb: geen dagcentrum of residentiële zorg, maar concrete middelen voor poetshulp, taxi’s, begeleidingsuren. Alleen: ik bleek er niet meer voor in aanmerking te komen. Voor mensen uit mijn prioriteitengroep wordt het basisondersteuningsbudget enkel nog toegekend aan wie tussen 2014 en 2016 al op de wachtlijst voor een persoonsvolgend budget stond.

Voor mij te laat en tot nooit meer, want dit systeem is intussen uitdovend verklaard. Wie niet op tijd binnen was, blijft voorgoed buiten staan. Alsof het recht op basisondersteuning niet gekoppeld is aan nood, maar aan tijdstip van inschrijving. Dat is discriminatie op basis van dossierleeftijd.

Opnieuw aanbodsturing

Er lijkt beterschap op komst: de Vlaamse regering wil de organisatie van zorg voor mensen met een handicap vereenvoudigen. Ook wie op de wachtlijst van een persoonsvolgend budget staat, wordt niet vergeten: die kan voortaan meteen en vlot terecht in de rechtstreeks toegankelijke hulp die verder uitgebouwd zal worden.

Die oplossing leest misschien goed, maar is een beleidskeuze die voor mensen zoals ik verkeerd uitpakt. Ik ben geen vragende partij voor dagopvang of verblijf in een instelling. Met een vlottere toegang tot die diensten, geraak ik niet op mijn werk.

Ik moet geen hulp krijgen wanneer het aanbod dat voorziet, ik moet ondersteuning kunnen organiseren wanneer mijn leven dat vraagt. En ja, daarvoor heb ik een budget nodig waar ik al jaren recht op heb. En nee, geen toegang tot rechtstreeks toegankelijke hulp. Dat sleutelen aan de aanbodszijde duwt de cruciale vraag hoe je mensen met een beperking zeggenschap geeft over hun leven, opnieuw naar de achtergrond. Dat is een grote stap achteruit.

Mobiliteit

Mobiliteit is een goed voorbeeld. Als een ziende persoon beslist om naar het werk te gaan, dan kiest hij op welk uur hij vertrekt, met welke vervoersvorm en of hij zijn route onderweg nog verandert. Hij rijdt met de auto, springt op de fiets, neemt de trein, stapt op de bus. Mobiliteit is voor hem geen hulpvraag, maar een keuze.

Voor mij is mobiliteit geen keuze maar een afhankelijkheidsconstructie. Ik kan niet in de auto stappen, want ik kan geen auto besturen. Ik kan niet gewoon de fiets nemen, want ik zie geen verkeer. Ik kan niet zomaar de trein nemen, want de combinatie van perrons, overstappen en begeleiding moet op voorhand geregeld worden. Mijn mobiliteit bestaat altijd uit planning, coördinatie en steun.

Iedere handicap vraagt andere ondersteuning

Mobiliteit voor een blinde is niet hetzelfde als mobiliteit voor iemand met een fysieke beperking. Mobiliteit voor iemand die slecht hoort, is niet hetzelfde als mobiliteit voor iemand met autisme. Dat is waarom persoonsvolgende budgetten bestaan: omdat iedere handicap andere ondersteuning vraagt.

Daar schuurt het Vlaamse beleid voor mensen met een handicap. Ik heb recht op zo’n persoonsvolgend budget, maar zeven jaar later heb ik nog geen euro ontvangen. De minister sust met de belofte dat ik voortaan makkelijker kan aankloppen bij instellingen en voorzieningen. Dat helpt me geen meter verder. Ik moet niet in een dagcentrum geraken, wel op mijn werk.

Ingebouwde ontmoediging

Het is bijzonder moeilijk om een loopbaan, een relatie, een huishouden en een handicap te combineren als de overheid zegt: “U hebt gelijk, maar nog even geduld.” Je moet bewijzen dat je je leven in handen neemt, maar je krijgt vervolgens geen middelen om dat leven te dragen. Als er iets ontmoedigend werkt, dan is het dat.

Wachten vervangt geen ondersteuning, het verplaatst de kost ervan. Het komt terecht bij partners, familie, werkgevers, mentale gezondheid, levenskwaliteit. In mijn geval: bij twee blinde mensen die al jarenlang hun leven organiseren, maar dat op langere termijn niet volhouden zonder ondersteuning.

Geef me alvast een vierde

Als de Vlaamse regering de ondersteuning van mensen met een handicap wil hervormen, dan moet dat niet alleen zichtbaar zijn in structuren, maar voelbaar zijn in het leven van mensen. Autonomie is geen luxeproduct. Het is het bestaansrecht van een mens die wil deelnemen. Het is niet logisch, rechtvaardig of economisch verstandig om mensen die vooruit willen, te laten vastlopen tot ze achteruitvallen.

Ik ben geen activistisch roeper, geen mens die de samenleving op stelten wil zetten of ministers als schuldige monsters wil brandmerken. Ik ben iemand die werkt, liefheeft, samenleeft, keuzes wil kunnen maken, verantwoordelijkheid neemt. Alleen kan ik dat niet zonder ondersteuning.

Ik ben een praktisch en nuchter doener: als ik nog zo lang moet wachten op mijn persoonsvolgend budget geef me dan alvast een vierde, 9.169 euro per jaar. Daarmee kan ik taxi’s betalen, een poetshulp inzetten en begeleidingsuren organiseren. Niet voldoende, maar wel genoeg om het nog even vol te houden. Dat is het verschil tussen de lippen boven water houden of kopje onder gaan.

Petitie: Ongehoord? Niet akkoord!

Verschillende organisaties (kannet, Absoluut vzw, en Gezin en Handicap vzw) startten een petitie. Zij willen dat mensen met een handicap betrokken worden bij de aangekondigde hervormingen. Daan, auteur van dit artikel, vroeg de redactie de petitie te hier te vermelden.

De initiatiefnemers schrijven: “Bij het opstellen van de conceptnota “een vernieuwd, geïntegreerd zorg- en ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap” van minister Caroline Gennez was geen enkele belangen-vereniging betrokken. In haar haast om de problemen rond wachtlijsten en het eeuwige tekort aan middelen op te lossen, vrezen we dat ze mensen met een handicap en hun gezinnen terug in de tijd katapulteert.”

Benieuwd? Bekijk de petitie hier

Bron: sociaal.net

Indexdiefstal: waarom het plan van de regering discriminerend en onwettig is

Indexdiefstal: waarom het plan van de regering discriminerend en onwettig is

In haar begrotingsakkoord wil de regering-De Wever–Rousseau vanaf 2026 de automatische indexering van de lonen plafonneren op 4.000 euro bruto per maand. Voor onze volksvertegenwoordiger Peter Mertens is deze maatregel niet alleen een indexdiefstal, ze creëert ook een directe discriminatie tussen werknemers… en schendt de Grondwet.

Tijdens de begrotingsdebatten in de Kamer legde Peter Mertens bloot hoe het indexplafond dat de regering wil invoeren, leidt tot discriminatie tussen werknemers. Door dit plafond zullen mensen die hetzelfde werk doen niet langer hetzelfde uurloon ontvangen. Volgens Peter Mertens is die discriminatie in strijd met artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Tot nu toe kon niemand in de meerderheid daar een sluitend antwoord op geven.

Peter Mertens illustreerde dat vanmiddag in de Kamer met een concreet voorbeeld:

  • Daniel werkt voltijds en verdient 4.500 euro bruto. De 500 euro boven 4.000 euro bruto worden niet geïndexeerd.
  • Philippe doet hetzelfde werk als Daniel, maar werkt deeltijds en verdient 3.700 euro bruto.

Optie 1: als Philippe volledig geïndexeerd wordt en Daniel niet, dan krijgt Philippe uiteindelijk een hoger uurtarief voor exact hetzelfde werk. Dat is discriminatie. De regering creëert zo een juridisch probleem dat moeilijk stand kan houden.

Optie 2: om die discriminatie te vermijden, zou het plafond voor deeltijds werkenden pro rata toegepast moeten worden, op basis van hun hypothetisch voltijds loon. Daarmee vermijd je misschien één ongelijkheid, maar je introduceert een nieuwe. Dan krijg je situaties waarin twee werknemers die allebei minder dan 4.000 euro verdienen toch verschillend behandeld worden: de ene wordt in zijn indexering geplafonneerd, de andere niet.

Geen antwoord van de regering

Tijdens de debatten moesten de meerderheidspartijen het antwoord hierop voorlopig schuldig blijven. Axel Ronse, fractievoorzitter van N-VA, zei vaag dat hij ertegen was om ook de indexering te blokkeren voor mensen onder de 4.000 euro (Philippe in ons voorbeeld) – maar vooral werd duidelijk dat hij niet echt kon antwoorden of de vraag niet goed begrepen had. Het debat is dus verre van gesloten.

Peter Mertens stelde de hele ingreep op de loon-index scherp aan de kaak: “Ze beloofden om niet aan de index te raken. Ze doen het toch en vinden hiervoor een heel nieuwe maatregel uit: een indexdiefstal voor mensen die 4.000 euro bruto verdienen. Dat durven ze dan ‘de sterkste schouders’ noemen. Het gaat om de ruggengraat van onze industrie: zij die in ploegen werken, wat anciënniteit of wat premies hebben. En ze doen het dus met een maatregel die erg problematisch is op juridisch vlak. Wij zullen dit aankaarten en druk blijven zetten zodat de index volledig gevrijwaard blijft.”

Bron: pvda.be