by admin | mei 1, 2026 | Economie
In de loop van zijn bijna vijftigjarige carrière verschoof de blik van de Nederlandse voedingswetenschapper Jaap Seidell van “weegschaal naar wereldschaal”. In zijn “meest activistische boek” neemt hij de hebzucht van de voedselindustrie op de korrel, maar kijkt hij ook naar onze eigen voorgeprogrammeerde gulzigheid. “We moeten het systeem veranderen, van binnenuit en bottom-up.”
Wie vandaag een grote supermarkt binnenstapt, heeft al gauw keuze uit meer dan 30.000 voedingsmiddelen, schat de Nederlandse hoogleraar en voedingswetenschapper Jaap Seidell. “Dat geeft de illusie van een haast eindeloze vrijheid om te kiezen wat we eten en drinken”, schrijft hij in zijn nieuwe boek Grenzen aan de gulzigheid.
In werkelijkheid worden we vaak onbewust gestuurd door marketing, prijsstelling en beschikbaarheid. Dat speelt zich niet alleen af in supermarkten, maar ook in buurtwinkels, tankstations, horeca of treinstations – op alle plaatsen waar we vaak komen. Onze voedselomgeving puilt uit van de sterk bewerkte, calorierijke en goedkope voedingsmiddelen.
Neem suikerhoudende frisdranken met zijn ‘lege’ calorieën waarvan we al lang weten dat ze ons dik maken. En toch. Onlangs bleek uit onderzoek van de Vrije Universiteit van Amsterdam, waaraan Seidell meewerkte, dat Nederlandse tieners frisdrank volkomen normaal vinden. De helft van de jongeren krijgt op die manier negentig klontjes suiker per week binnen. Daar vraagt het tienerlichaam niet zelf om. “Het is opgedrongen door de marketing dat jongeren een sloot suiker met prik willen drinken”, vertelde hij op de Nederlandse Radio 1. Als zulke drankjes alomtegenwoordig zijn en volop gepromoot worden, zullen kinderen ze altijd verkiezen boven water. Daar sta je dan als goedbedoelende ouder.
In Grenzen aan de gulzigheid vertelt Seidell dat hij als expert weleens aanwezig was bij overleg van het International Life Sciences Institute (ILSI) in Brussel, een wetenschappelijk klinkende stichting waarvan hij pas later begreep dat ze werd opgericht door een topman van Coca-Cola met financiering van bedrijven als Nestlé, PepsiCo, Kellogg’s en Monsanto. “Deze industrie heeft jarenlang geprobeerd de relatie tussen frisdrankenconsumptie en obesitas te bagatelliseren, te verdraaien en overheidsingrijpen te vertragen.” Hij vergelijkt haar tactieken, zoals de financiering van wetenschappelijk onderzoek, met die van de tabaksindustrie.
Karamel-zeezout
In een andere analogie met big tobacco pleiten onderzoekers ervoor (begin februari nog in The Guardian) om ultrabewerkt voedsel eerder als sigaretten te behandelen. Zijn pakweg chips, koekjes en frisdrank even verslavend als tabak, willen we weten. “Dat is een ingewikkelde vraag om te beantwoorden”, vindt Seidell. “Neurowetenschappers zijn het er niet over eens. Nicotine is uitermate verslavend, maar het is één stof. Bij ultrabewerkt voedsel gaat het altijd om een combinatie. Niemand gaat een pak suiker oplepelen. Zulke producten zijn vakkundig gemaakt om lekker door te eten: luchtig of smeuïg van structuur, zoet en zout van smaak. Het is dus meer een eetverslaving dan een verslaving aan een bepaalde stof.”
Ooit was onze gulzigheid een evolutionair voordeel: mensen gingen zich volproppen of middelen inslaan voor de schaarste die kon komen. Vandaag doet dit overlevingsinstinct ons al gauw overconsumeren. “De industrie weet dat perfect en speelt daar handig op in. Niet alleen hebben bedrijven de beste technologen en smaakexperten in dienst, ze zijn ook verwikkeld in een bikkelharde concurrentie met elkaar voor de ideale balans tussen vet, zoet en zout. Karamel-zeezout is zo’n ‘winnende’ combinatie die je nu overal ziet opduiken in bereidingen. We zijn er als consument bijna weerloos tegen.”
Impulsief eet- of vreetgedrag speelt vooral bij tieners en kinderen een rol. Toetjes, snacks, ontbijtgranen … – allemaal ongezond, allemaal zaken waar ze als eerste naar zullen grijpen. Dat heeft naast smaak en structuur ook te maken met de op hen gerichte, indringende marketing van zulke producten. Seidell pleit er al lang voor om zulke reclame aan banden te leggen, zonder al te veel succes. “Veel bedrijven verklaren nu dat ze niet aan kindermarketing doen, in de klassieke zin. Dat hoeft ook niet: kinderen kijken geen TV meer. Maar online, vooral op sociale media en via influencers, is er weinig controle en wordt het een steeds groter probleem.”
Gemaksvoedsel
Jaap Seidell groeide op in de jaren 60, “toen voedsel nog van de slager, de bakker en de kruidenier kwam”. Zijn grootouders hadden een boomgaard en moestuin, en de dagelijkse kost was aardappelen, groenten en vlees. Dat heeft hij in enkele decennia volledig zien veranderen, met de bekende toename van obesitas bij kinderen. Het is een complete mismatch gebleken van een minder actief bestaan en snel veranderende eetgewoonten: mensen koken minder, en kiezen vaker voor kant-en-klaar voedsel vanwege tijdgebrek.
“We willen steeds meer doen, beleven en bereiken in dezelfde hoeveelheid tijd, er is een soort existentiële gulzigheid ontstaan: die zadelt ons op met een voortdurende druk om tijdefficiënt te zijn. Een gevolg daarvan is een enorme behoefte aan gemaksvoedsel. We eten ook steeds vaker on the go en worden daarin ontzorgd door automaten en fastfoodaanbieders.”
“Oorspronkelijk dacht ik dat mensen door simpelweg andere keuzes te maken hun toekomstige gezondheid zouden kunnen verbeteren”, schrijft Seidell. “Later begreep ik dat ik die keuzevrijheid en kracht van vrije wil schromelijk had overschat en dat wat en hoeveel we eten vooral wordt bepaald door een wisselwerking tussen de biologie en de omgeving.” Hij ging zich vooral richten op omgevingsfactoren, waaronder ook de sociaal-culturele achtergrond van mensen.
Voor sommigen is de keuzevrijheid nog meer begrensd. “We zien dat in sociaaleconomisch kwetsbare wijken het aanbod van ongezond voedsel vaak groter is en het aanbod van betaalbaar gezond voedsel kleiner, wat bijdraagt aan gezondheidsverschillen tussen bevolkingsgroepen. Uit de cijfers blijkt bovendien dat gezonde producten duurder worden in vergelijking met bijvoorbeeld ijs en snoep. De gezonde keuze maken wordt daarom steeds lastiger voor mensen die maar moeilijk rondkomen. Daarbij komt nog dat ongezondere producten veel vaker in aanbieding staan dan gezondere producten.”
Hoe houdt hij zelf maat in een voedselomgeving vol verlokkingen? Seidell koopt altijd biologisch in de supermarkt en eet weinig vlees. “Zo zal ik altijd zorgen dat er fruit en snackgroenten in de buurt liggen. Toegegeven, ik mijd plekken die impulsief gedrag belonen. Wanneer dat niet anders kan, bijvoorbeeld in het treinstation, neem ik altijd zelf iets mee. Je moet rekening houden met je eigen zwaktes.”
Moestuinieren op school
Natuurlijk zijn overgewicht en obesitas maatschappelijke problemen. In Nederland schat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de totale kosten voor de samenleving op 25 miljard euro per jaar. Dat doet de vraag rijzen: waarom grijpt de overheid niet harder in?
Ze vindt het ingewikkeld, vermoedt Seidell. “Het is een wicked problem waarin veel factoren meespelen over verschillende beleidsdomeinen. Iedereen is betrokken, maar niemand voelt zich verantwoordelijk. Een andere reden is natuurlijk het verdienmodel achter obesitas. Er is een sterke lobby van bedrijven die het beleid ondermijnt. De farmaceutische sector voert ook veel marketing en pr bij huisartsen.”
Bovendien is de overheid terughoudend omdat ze vaak beschuldigd wordt van betutteling. “Mensen willen vrije keuze op het vlak van voeding. Maar ze worden enorm gestuurd door de industrie, via marketing, voedselomgeving, gemak en andere verleidingstechnieken – alles wat ik hierboven beschreven heb. Het is dus omgekeerd: de industrie betuttelt ons.” In zijn boek merkt Seidell op dat een overheid die nalaat effectief gezondheidsbeschermingsbeleid te voeren, van verwaarlozing of nalatigheid beschuldigd kan worden.
Je zou er moedeloos van worden, maar hij blijft optimistisch. “Steeds meer mensen pikken het verhaal op, en snappen de verontwaardiging”, denkt Seidell. “De centrale overheid mag dan weinig aandacht hebben voor het probleem, je moet naar het lokale niveau kijken. Daar zijn heel wat hefbomen om zaken te veranderen. Mijn hoop is dat organisaties uit tal van sectoren bijeenkomen, ook met bedrijven, om het systeem van binnenuit te veranderen. We zien ook grotere coalities ontstaan van grassrootsbewegingen waarbij jongeren het voortouw nemen. Dat is de toekomst.”
Een van de meest spectaculaire bevindingen in zijn carrière was het onderzoek naar voedseleducatie. Amsterdam begon al in 1913 met zogenaamde schooltuinen. “Door het hele jaar door kinderen te laten moestuinieren, krijgen ze vanzelf meer waardering voor alles wat groeit en bloeit. Zij begrijpen het belang van het klimaat en een gezonde bodem voor ons voedsel als geen ander. Ze gaan ook andere dingen lekker vinden. Zo noemden kinderen uit sociaaleconomisch kwetsbare wijken na afloop eigen gekweekte tomaten hun lievelingseten. De voordelen gaan breder, bijvoorbeeld met het bevorderen van gezonde eetgewoontes, door samen te eten en daar meer tijd voor te nemen.”
“We moeten daarom ieder kind voedselonderwijs en moestuinen gunnen”, besluit Seidell. “Het is een deur naar een betere wereld.”
Bron: APACHE.be
by admin | mei 1, 2026 | Sectoren
1 mei is in ons land een feestdag. De meeste mensen hebben die dag verlof, maar waarom eigenlijk?
Acht uur werken, acht uur slapen en acht uur vrije tijd. Dat was het idee van de vakbonden in de Verenigde Staten die in 1884 een grootschalige campagne opzette voor een achturige werkdag.
Grootschalige campagne
Het was niet zomaar een ballonnetje dat de vakbonden oplieten. Er werd al veel langer over gesproken en nu wilden de vakbonden het ook echt realiseren. Ze gaven zichzelf twee jaar de tijd: op 1 mei 1886 moest en zou de achturige werkdag realiteit zijn. Uiteindelijk zou het tot na de Tweede Wereldoorlog duren tot ze hun slag volledig thuis haalden.
1 mei als datum werd niet voor niets gekozen. Die dag stond in de VS bekend als Moving Day, de dag waarop contracten werden opgemaakt, beëindigd of verlengd, en veel arbeiders verhuisden. Twee jaar lang werd er gemobiliseerd, en vanaf 1 mei 1886 werd in verschillende sectoren actie gevoerd. 340.000 arbeiders gingen in staking.
Repressie
Op 4 mei werd op Haymarket Square in Chicago een bijeenkomst gehouden. Toen de politie ter plaatse kwam ontplofte er een bom. Vervolgens opende de politie het vuur op de menigte. Meerdere mensen werden gedood en vele honderden raakten gewond.
Zonder te onderzoeken waar de bom vandaan kwam werden acht verdachten opgepakt en berecht zonder bewijs. Ze werden ter dood veroordeeld. Vier van hen werden opgehangen, één pleegde zelfmoord in zijn cel, en de drie anderen zagen hun straf omgezet in gevangenisstraf. Later komt naar boven dat de bom afkomstig was van een politieagent.
De repressie had een omgekeerd effect. Van de VS tot in Europa ontstaat een solidariteitsbeweging met ‘de martelaren van Chicago’. “Als er dan toch acht mensen van de wereld genomen moeten worden, dan zouden het de acht rechters van het hooggerechtshof moeten zijn”, zo verklaart de Ierse toneelschrijver George Bernard Shaw.
De beweging groeit
In 1888 besluit de American Federation of Labor om elk jaar op 1 mei te demonstreren, ter nagedachtenis aan de gebeurtenissen in Chicago en om de eisen van de werkende klasse naar voor te schuiven.
Niet veel later wordt dat ook overgenomen werd door de vergadering van de Socialistische Arbeiders-Internationale (“Tweede Internationale”), een internationale organisatie voor socialistische partijen en vakbonden, in Parijs: 1 mei werd er uitgeroepen tot de internationale dag van de arbeid.
De eerste 1 mei in Europa vond plaats in 1890. Tienduizenden arbeiders staakten en stapten op in marsen om een werkdag van 8 uur te eisen. In Parijs droegen de deelnemers een rode driehoek. Het was het symbool van hun eis voor een achturendag. Later ging diezelfde rode driehoek ook symbool staan voor het verzet tegen het fascisme.
Vandaag
Sindsdien is 1 mei de dag van de werkende klasse, van de vakbonden en van het socialisme. Tot op de dag van vandaag komt men die dag overal in de wereld op straat.
Dat doet men om te vieren we dat werkende mensen opgekomen zijn voor betaald verlof, de sociale zekerheid hebben opgebouwd en de samenleving meer menselijk hebben gemaakt.
Het is ook een dag waarop de arbeidersbeweging nieuwe eisen op tafel legt. Dit jaar zal het wellicht vooral gaan om rechtvaardige belastingen en een vermogensbelasting.
Bron: DeWereldMorgen.be
by admin | mei 1, 2026 | Economie
Volgens econoom Grace Blakeley gebruiken bazen AI als excuus om de macht van werknemers te breken. Maar werknemers laten zich niet zonder strijd verslaan.
Toen technologie in de jaren 90 echt begon door te breken, werd ons verteld dat we getuige waren van de opkomst van een ander soort kapitalisme. Techbedrijven beweerden hoge lonen, extra voordelen op het werk en progressieve sociale waarden te bieden. Denk maar aan de beroemde slogan van Google: “Don’t be Evil”.
De laatste jaren is deze mythe ingestort. Tegenwoordig worden techbedrijven juist gezien als de slechteriken. Maar één onderdeel van de oude mythe blijft hardnekkig bestaan – het idee dat techbanen goede banen zijn. Zoals vakbondsleden bij United Tech and Allied Workers (UTAW, een vakbond in de VK, nvdr) hebben vastgesteld, kan dat niet verder van de waarheid verwijderd zijn.
Deze werkgevers – ondanks de pingpongtafels en slaapzones – blijven werkgevers. Ze ontslaan nog steeds mensen, ze verlagen nog steeds lonen en ze intimideren nog steeds werknemers.
De AI-bluf: “Het werkt niet”
Ik sprak met John, een organisator bij United Tech and Allied Workers, over de uitdagingen waarmee hun leden te maken hebben – en een van de grootste is de dreiging van baanverlies door AI. Maar het probleem is niet zo eenvoudig als het vaak wordt voorgesteld.
Techbedrijven, aangemoedigd door goedgelovige stemmen in de media, vertellen ons al jaren dat AI onze banen komt afpakken. Maar veel bedrijven hebben weinig voordeel gehaald uit het invoeren van hun zogenaamd baanbrekende AI-strategieën. Werkgevers beweren dat dat komt doordat werknemers het niet goed gebruiken. Werknemers – inclusief de meest technisch onderlegden – zeggen dat het komt doordat de technologie niet werkt.
“Je hebt niet-technisch management dat deze beslissingen neemt, gedreven door marketinghype en enorme budgetten, en de mensen die het werk daadwerkelijk doen zeggen: dit werkt niet,” vertelt John.
In de praktijk is AI een rechtvaardiging geworden voor herstructurering. Als een bedrijf slecht presteert en personeel moet schrappen, is AI een handig excuus voor managers om mensen te ontslaan zonder aan aandeelhouders toe te geven dat het slecht gaat met het bedrijf.
“AI is een uitstekend rookgordijn geweest voor allerlei zaken. Werkgevers nemen in feite een gok op waar ze mee weg kunnen komen en wat goed klinkt voor investeerders,” legt John uit.
Het idee dat AI ieders baan komt afpakken, wordt eindeloos herhaald door bedrijfseigenaars en politici, omdat dit narratief een uiterst nuttige rol speelt in een kapitalistische economie: het verzwakt de onderhandelingspositie van werknemers. Als werknemers bang zijn om hun baan aan AI te verliezen, zullen ze immers minder snel strijden voor beter loon of betere arbeidsomstandigheden.
“Zelfs als AI niet in staat is om ieders baan over te nemen, verzwakt het nog steeds de onderhandelingspositie. Bedrijven hebben het gevoel dat ze kunnen zeggen: ‘laten we inkrimpen, laten we zeggen dat het door AI komt,’” volgens John.
Maar de banen verdwijnen niet. Ze worden simpelweg overgedragen aan externe opdrachtnemers tegen lagere lonen en met minder voordelen. “Iedere keer weer als je me die voorbeelden laat zien,” zegt John, “kan ik je een outsourcer of aannemer laten zien die precies hetzelfde aantal mensen heeft aangenomen.”
Achter de hype
Nergens is dit duidelijker dan bij contentmoderatie – een van de meest brute en minst zichtbare vormen van arbeid in de digitale economie. United Tech and Allied Workers heeft jarenlang geprobeerd om contentmoderatoren in het Verenigd Koninkrijk te organiseren, terwijl zij herhaaldelijk te maken kregen met aanvallen op hun loon en arbeidsomstandigheden door de grote techbedrijven.
“Dit zijn mensen die kijken naar seksuele uitbuiting van kinderen en extreem geweld. Het is een krankzinnige sector. Een miljardenbedrijf verdient hier geld, maar weigert mensen fatsoenlijk te betalen.”
Deze bedrijven beweren dat ze lonen verlagen en banen schrappen omdat ze die kunnen vervangen door AI, maar volgens John klopt dat simpelweg niet: “Ze hebben die banen duidelijk niet door AI vervangen. Ze hebben ze gewoon verplaatst naar het buitenland zodat ze mensen een derde minder kunnen betalen dan wat ze in Londen betaalden.”
United Tech and Allied Workers ziet het als een deel van haar taak om claims te onderzoeken over banen die door AI zouden zijn vervangen. De vakbond vraagt vaak om bewijs dat banen echt geautomatiseerd zijn, in plaats van uitbesteed.
“Elke keer dat we om bewijs hebben gevraagd, ‘laat ons de AI zien die deze banen vervangt’, komt dat er niet. En de media onderzoekt het ook niet. Er is veel journalistiek die de hype rond AI klakkeloos overneemt,” vindt John.
We weten dat verhalen over het vervangen van banen door AI de onderhandelingspositie van werknemers verzwakken. Daarom is het logisch dat vakbonden deze claims aanvechten – en werknemers de kracht geven om ze in twijfel te trekken. “Vakbonden moeten degenen zijn die deze beweringen ter verantwoording roepen, ze onder de loep nemen, belachelijk maken en bewijs eisen,” zegt John.
Na de bubbel: wie betaalt?
Uiteindelijk denkt John dat AI een bubbel is die op barsten staat: “Er is die hele AI-bubbel. Je ziet durfkapitalisten lachen op het podium van het World Economic Forum over hoe het allemaal draait om geld ophalen. Banken die massaal instappen vóór beursintroducties omdat ze weten dat ze hun geld eruit kunnen halen voordat het instort.”
Werknemers binnen de sector zijn niet blind voor de hype rond AI. Ze zien dat de technologie niet zo goed werkt als bazen beweren, ook al wordt die door het management opgedrongen. En ze weten dat zij degenen zijn die de gevolgen zullen dragen wanneer het misgaat. “Als het fout loopt, zullen werknemers de prijs betalen – via ontslagen, slechtere arbeidsomstandigheden en uitbesteding,” vertelt John.
Deze werknemers weten dat ze zich nu moeten organiseren om zich voor te bereiden op de chaos die eraan komt – en daar komt United Tech and Allied Workers in beeld. “We zien dat steeds meer werknemers naar ons toe komen en zeggen: ‘een paar van ons zijn begonnen te praten over een vakbond, we willen helpen.’”
De vakbond is nog klein, maar heeft nu al een aanzienlijke impact. “We hebben loonsverhogingen van 20 tot 30 procent gerealiseerd,” vertelt John, “We hebben banen gered en weerstand geboden tegen verplicht terugkeren naar kantoor.”
Vaak is alleen al de dreiging van vakbondsvorming genoeg om het management naar werknemers te laten luisteren: “Zodra je met een vakbondsvertegenwoordiger opdaagt denkt het management: ‘oh shit, we moeten ons beter aan de regels houden.’”
“Miljoenen uitgeven aan advocaten stelt voor hen niets voor”
Het spreekt voor zich dat de grote techbedrijven de pogingen van United Tech and Allied Workers om techwerkers te organiseren niet zomaar accepteren. Ze geven enorme bedragen uit om de vakbond te dwarsbomen nog voordat die echt van de grond komt.
“Bij TikTok hadden we een meerderheid van leden, we stonden op het punt erkenning te winnen”, zegt John. “Dus een week vóór de officiële stemming kondigden ze aan dat bijna het volledige trust & safety-team in Londen zou worden ontslagen en dat de banen naar het buitenland werden verplaatst om de vakbond te omzeilen.”
UTAW is een grassroots vakbond van techwerkers die het opneemt tegen enkele van de grootste en machtigste bedrijven ter wereld. Deze bedrijven beschikken over bijna onbeperkte middelen – en gebruiken die om te proberen de opkomende arbeidersbeweging in de techsector te ondermijnen.
“We zijn geen gelijkwaardige partijen. Miljoenen uitgeven aan advocaten stelt voor hen niets voor. Dat kan werkplekdemocratie met een jaar vertragen,” legt John uit.
Als deze bedrijven zo rijk zijn, waarom gebruiken ze die middelen dan niet gewoon om werknemers fatsoenlijk te betalen? Omdat toegeven aan de eisen van de vakbond een precedent zou scheppen. Big Tech kan het zich niet veroorloven dat werknemers het gevoel krijgen dat ze kunnen winnen als ze zich organiseren. Vakbondsvorming bedreigt immers niet alleen de bedrijfswinsten – het ondermijnt ook de fundamentele machtsongelijkheid tussen kapitaal en arbeid waarop het kapitalisme draait.
De strijd om techwerkers te organiseren staat nog in de kinderschoenen. De vakbondsdichtheid is nog laag in verhouding tot de omvang van de beroepsbevolking. Veel werknemers weten niet eens dat ze zich kunnen aansluiten bij een vakbond zoals United Tech and Allied Workers – en dat is precies waarom hun werk zo belangrijk is.
De strijd aangaan met Big Tech
Organisatoren bij United Tech and Allied Workers weten dat het opbouwen van vakbondsdichtheid in de techsector tijd zal kosten. Maar ze zijn erin voor de lange termijn vertelt John: “Dit is een project van 20 jaar. Je schrijft niet alleen mensen in, je verandert hoe ze hun plaats in de economie begrijpen.”
De grote techbedrijven denken dat ze onaantastbaar zijn. Ze denken dat ze werknemers kunnen uitbuiten, de planeet kunnen beschadigen en technologieën kunnen verspreiden die enorme sociale schade veroorzaken – zonder gevolgen. Wie zou hen immers stoppen? Ze hebben regeringen naar hun hand gezet – en ze duwen hun technologieën in zoveel aspecten van ons leven dat het bijna onmogelijk is geworden om zonder te leven.
In die context vormen georganiseerde werknemers de enige echte bedreiging voor de hegemonie van Big Tech. Als zij zich op de werkvloer verzetten, kunnen ze aantonen dat deze bedrijven geen almachtige monolieten zijn die boven de echte economie zweven. Zoals alle bedrijven hebben ze arbeid nodig om te overleven. En arbeid kan zich verzetten.
Dit artikel is een overname van de Substack van Grace Blakeley.
Bron: DeWereldMorgen.be
by admin | mei 1, 2026 | Economie
1 mei is een dag van trots, maar ook van vragen. “In een land vol burn-outs moeten we niet alleen werk vieren, maar ook een dag inlassen om er radicaal bij stil te staan,” vinden Nadia Kara en Martijn Strobbe van Co-Searching vzw, een community voor werkzoekenden.
Op 1 mei vieren we wereldwijd de Dag van de Arbeid. Een moment van trots op rechten waar generaties voor vochten zoals de 38-urenweek, betaald verlof en zwangerschapsverlof. Meer recent nog kwamen 100.000 mensen op straat tegen maatregelen die werk als een louter neoliberaal product beschouwen.
Maar in een land waar het aantal burn-outs stijgt (volgens het RIZIV kampte in 2025 één op de vier werknemers met burn-outklachten) moeten we verder durven kijken. Ook mensen jonger dan 34 jaar vallen steeds vaker uit. Ook zelfstandigen. Tijdsarmoede, het chronische gevoel te veel te doen te hebben met onvoldoende beschikbare tijd, is geen individueel falen: het is een collectief probleem.
De filosofe Nancy Fraser noemt het een symptoom van een economie die enkel oog heeft voor winst, niet voor mensen. De Amerikaanse beweging The Nap Ministry gaat nog verder: rust is geen luxe, rust is verzet. Naast de Dag van de Arbeid hebben we een ‘Dag Zonder Arbeid’ nodig: een dag waarop we collectief stilstaan bij de plaats van werk in onze maatschappij en bij het belang van vrije tijd.
Werk is ons grootste statussymbool, maar ook een valkuil
Werk is in onze samenleving heel belangrijk. Het is een van de grootste statussymbolen. Zo vanzelfsprekend dat we zelden stoppen om ons af te vragen: is dit het meest zinvolle wat we met onze tijd kunnen doen?
Onze cultuur waardeert mensen die werken. En met ‘werken’ bedoelen we vooral betaald werk, liefst voltijds, liefst wat economische waarde creëert. Beroepen in zorg en onderwijs zijn daardoor systematisch ondergewaardeerd. En onbetaald werk zoals kinderzorg, mantelzorg of vrijwilligerswerk? Dat telt nauwelijks mee. Toch levert het een onmisbare waarde, menselijk én economisch. Wie bepaalt eigenlijk wat arbeid is? En waarom is dat historisch zo gegroeid dat zorg vooral als ‘vrouwenwerk’ wordt gezien, en dus minder waard?
Economische groei is een keuze, geen natuurwet
Hoe komt het dat economische groei onze belangrijkste indicator is geworden? Waarom is dat onze grootste prioriteit? Deze keuze (want het is een keuze, geen natuurwet) gebeurt ten koste van andere zaken: vrije tijd, gezondheid, relaties, geluk.
Als burgers zitten we vast in een systeem. We moeten geld verdienen, niet alleen voor vakantie of etentjes met vrienden, maar steeds meer voor onze basisbehoeften. We werken omdat het moet: om rond te komen, om het gevoel te hebben dat we bijdragen. Uit onzekerheid over de toekomst, om te sparen, onze CV te vullen. Zelden nog omdat het intrinsiek zin heeft.
Econoom John Maynard Keynes voorspelde in 1930 dat we door technologische vooruitgang in 2030 nog maar 15 uur per week zouden werken. Zijn redenering: als productiviteit stijgt, kunnen we dezelfde welvaart creëren met minder arbeid. Die voorspelling is niet uitgekomen: niet omdat de technologie er niet is, maar omdat we al die extra productiviteit telkens weer omzetten in méér productie en consumptie, in plaats van in meer vrije tijd. We moeten in onze werkuren presteren, hoe productief we ook zijn.
Efficiënter werken betekent dus niet per se minder werken, maar eerder: meer werken in evenveel tijd. Onze levensstijl is zodanig geëvolueerd, dat we er ook meer voor moeten werken; maar als we minder zouden consumeren, zouden we minder uren kunnen kloppen. We kiezen dus collectief voor meer spullen, niet voor meer leven.
Gedwongen worden werkt averechts
Dat iedereen die kan bijdragen, dat moet kunnen, is terecht. Maar dat iedereen, altijd, volgens dezelfde maten en regels aan het werk wordt gedwongen, gecontroleerd, gestraft: dat kan toch niet de evolutie zijn van een democratische, moderne maatschappij? Voor wie werken we dan eigenlijk? Voor onszelf, voor de miljardairs, voor de regering?
“Ziek zijn gaf mij de ruimte om in te zien dat het tempo dat ik heel mijn leven probeerde te volgen, mij ongelukkig, moe en leeg maakte”, hoorden we nog onlangs bij iemand in herstel van burn-out. Terugkeren naar een voltijdse ‘gewone’ job is voor veel mensen geen optie meer. De huidige aanpak is niet duurzaam: de burn-outcijfers zijn het zichtbaarste symptoom.
Onze tijd is het kostbaarst, maar we verkopen ze
Onze tijd is het kostbaarste wat we hebben. En we worden gedwongen die te verkopen tegen een loon, niet altijd met veel zingeving. We verdienen geld alsof ons leven ervan afhangt, maar durven zelden te vragen of dat ook echt zo is.
Het kan ook anders. In IJsland liep tussen 2015 en 2019 een grootschalig experiment met een vierdaagse werkweek zonder loonverlies. De resultaten: productiviteit bleef gelijk of steeg, werknemers rapporteerden minder stress en een betere balans tussen werk en privé, en mannen namen meer deel aan het gezinsleven. Inmiddels werkt 90 procent van de IJslandse werknemers korter. De economische groei? Die steeg naar 5 procent in 2023, het op een na hoogste in Europa. Minder werken leidde daar niet tot armoede, maar tot meer geluk én een florerende economie.
Die vanzelfsprekendheid van geld verdienen houdt ons hier gevangen in schuldgevoelens bij ‘niets verdienen’, een obsessie met drukte en status. In de Belgische cultuur wordt een job te vaak gelijkgesteld aan menselijke waarde. Beleidsmakers zien werk vooral als motor van economische groei, vaak ten koste van ons welzijn.
Laten we collectief kritischer kijken naar hoe we onze levens invullen. En het systeem durven bevragen: wat als we allemaal wat minder zouden werken? Of dat ten minste faciliteren voor wie dat wil? Wat als we onze levens zouden vullen met zinvolle activiteiten, liefdevolle relaties, lange nachten slaap?
Een ‘Dag Zonder Arbeid’ is geen oproep tot luiheid. Het is een uitnodiging om werk weer te verbinden met zingeving en menselijk geluk. Niet langer gedwongen, maar vanuit vrijheid. Dat zou pas echte vooruitgang zijn.
Co-Searching vzw brengt werkzoekenden van allerlei leeftijden en achtergronden samen op weg naar een duurzame job. Elk jaar roepen ze 2 mei uit tot ‘Dag Zonder Arbeid’ – dit om bewustzijn te creëren rond werk en werkloosheid. Op 30 april organiseren ze een inspiratiedag, tickets zijn nog beschikbaar.
Bron: DeWereldMorgen.be
by admin | mei 1, 2026 | Economie
Berekeningen van het Planbureau tonen voor het eerst hoeveel onze pensioenen zullen dalen wanneer alle aparte maatregelen samen doorgevoerd worden. Zo daalt het minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro.
Begin 2025 kondigde de regering-De Wever een grote pensioenaanpassing aan. Sindsdien komen minister van Pensioenen Jan Jambon (N-VA) en zijn collega’s stapsgewijs naar buiten met allerlei losse ingrepen en plannen die daar allemaal deel van uitmaken.
Heel wat van die maatregelen zullen snijden in de koopkracht van gepensioneerden: een pensioenmalus voor wie ‘te vroeg’ stopt, een beperking van gelijkgestelde periodes zoals SWT, werkloosheid en landingsbanen, een lagere index in 2026 en 2028 voor pensioenen boven 2.000 euro bruto. En een welvaartsenveloppe die in de koelkast belandde.
Deze week werd ook duidelijk dat het geboorteverlof van vaders of meemoeders – het vroegere vaderschapsverlof – evenmin meetelt om vervroegd op pensioen te gaan.
Daarnaast volgde nog een hele reeks meer technische ingrepen. Door die opeenstapeling van nieuwe regels was de concrete impact op het totaalplaatje moeilijk in te schatten. Wat het effect was op de armoederisico’s, daar bleef ook het raden naar. Tot het Federaal Planbureau onlangs die taak op zich nam.
Daaruit komt een duidelijk beeld: veel mensen zullen wat voorligt voelen in hun pensioen. Het gaat daarbij niet alleen over mensen die bijna met pensioen zijn. Ook wie vandaag nog midden in zijn loopbaan zit, of zelfs pas begonnen is, krijgt met andere spelregels te maken. Vooral wie geen ‘perfecte loopbaan’ heeft, komt sneller in de vuurlinie. Denk aan periodes van ziekte, werkloosheid, deeltijdwerk of zorgverlof. Daarover is het Planbureau duidelijk: wie pech heeft of zorgt, verliest bescherming en pensioen.
Binnenkort op pensioen? 2,4 procent minder
Tegen 2029 daalt het brutopensioen van wie binnenkort op pensioen gaat al gemiddeld met 2,4 procent. Bij alle gepensioneerden samen is dat 2,6 procent. “Dat klinkt misschien beperkt, maar het zijn gemiddelden over een grote groep”, waarschuwt Maarten Gerard, hoofd van de ACV-studiedienst. “Achter dat gemiddelde zitten heel wat mensen die een grotere klap krijgen, omdat meerdere ingrepen tegelijk op hen wegen.”
“Bovendien worden de gevolgen pas echt duidelijk wanneer de maatregelen volledig op kruissnelheid zijn”, vervolgt Gerard. Verschillende maatregelen worden immers stapsgewijs ingevoerd. “Zodra ze allemaal volledig doorwerken, leveren nieuwgepensioneerden met het laagste inkomen maar liefst gemiddeld 12,1 procent van hun brutobedrag in.”
De hervorming bespaart niet alleen, maar vergroot ook de risico’s, merkt het Planbureau verder op. Zo is er minder bescherming bij onderbrekingen in je loopbaan, zijn er strengere voorwaarden om vroeger te stoppen zonder verlies, en groeien pensioenen trager in de tijd.
Gerard trekt daaruit een scherpe conclusie: “De zogenoemde harmonisering tussen beroepsgroepen komt in de praktijk gewoon neer op knippen in pensioenrechten.”
Wie afwijkt van de loopbaannorm is gezien
De hervorming vertrekt duidelijk van een lange en voltijdse loopbaan als norm, liefst ook nog eens zo weinig mogelijk onderbroken. Wie daarvan afwijkt, verliest. Dat ziet het Planbureau ook terug in de ongelijkheid. Bij nieuwgepensioneerden stijgt de pensioenongelijkheid tegen 2029 met 9,1 procent. Het gaat dus niet alleen om een algemene pensioendaling, maar ook om een grotere kloof tussen lage en hogere pensioenen.
Ook het armoederisico bij gepensioneerden zal door de plannen toenemen, besluit de nieuwe studie. Het Planbureau wijst daarbij hoofdzakelijk naar het stilleggen van de welvaartsaanpassingen, vooral van de minimumpensioenen. Nochtans moesten net die aanpassingen vermijden dat uitkeringen en pensioenen langzaam achteropraken op de rest van de samenleving.
Minimumpensioen van 1.722 naar 1.378 euro
Uit cijfers van de Federale Pensioendienst blijkt dat in bijna 68 procent van de gevallen waarin de pensioenmalus zou gelden, het gaat om mensen die vandaag al amper recht hebben op een minimumpensioen. Voor hen kan die malus zwaar doorwegen: wie nu recht heeft op 1.722 euro bruto, kan door de malus terugvallen tot ongeveer 1.378 euro.
Nogmaals bevestigd door het Planbureau: de hervorming raakt vrouwen harder dan mannen. Bij nieuwgepensioneerden daalt het gemiddeld pensioen van vrouwen met 2,6 procent, tegenover 2,3 procent bij mannen. De pensioenkloof neemt dus opnieuw toe.
“Dat heeft veel te maken met de realiteit van de loopbanen van vrouwen”, verduidelijkt Marte Billen, genderexpert bij het ACV. “Vrouwen werken vaker deeltijds en hebben meer onderbrekingen voor zorg. Daardoor benadelen de nieuwe regels vooral vrouwen.” Ook de Raad van State waarschuwde in februari al voor juridisch drijfzand voor de hervorming door die ongelijke behandeling.
Het Planbureau merkt tot slot op dat veel maatregelen tegen 2029 nog niet op kruissnelheid zijn. De volledige impact zal pas daarna zichtbaar en vooral voelbaar worden, wanneer jongere generaties hun hele loopbaan met die strengere regels hebben doorlopen.
Bron: DeWereldMorgen.be