7 miljard vinden om de begroting te redden is kinderspel

7 miljard vinden om de begroting te redden is kinderspel

De regeringen van het land maken zich op voor een nieuw rondje begrotingsonderhandelingen. Voor Vooruit en CD&V is het nu echt money time. Als ze opnieuw plooien voor een massale besparing op sociale departementen, tonen ze voor eens en altijd hun irrelevantie. Aan argumenten voor een ‘sociale’ begroting is er nochtans geen gebrek.

De begrotingsbesprekingen moeten officieel nog beginnen, maar in de media regent het proefballonnetjes, veto’s en nauwelijks verhulde scheldwoorden. Het was Sammy Mahdi (CD&V) die de vijandelijkheden opende in een interview met Het Laatste Nieuws. Hij had meteen een reeks voorstellen klaar om de 7 miljard euro die de federale regering tijdens deze legislatuur nog wil besparen, vlotjes te vinden. Een opmerkelijk voorstel was het vertragen van de uitgaven voor Defensie. Dat ons land 7 miljard euro moet vinden is vooral te wijten aan het engagement dat binnen de Navo werd aangegaan om het budget van Defensie op te trekken tot 2% van het bbp; van 8 naar 13 miljard euro. “Kunnen we dat niet naar 12 miljard brengen?”, vroeg de CD&V-voorzitter zich af. 

Premier Bart De Wever (N-VA), die de schermutselingen in de media aan zich had laten voorbijgaan, zette meteen de puntjes op de i. De 2% voor Defensie zijn “in marmer gekapt”, liet hij weten aan VTM. 

Een ander voorstel was de btw-hervorming die tijdens de vorige begrotingsonderhandeling sneuvelde en die 3 miljard had kunnen opbrengen. MR-voorzitter George-Louis Bouchez blijft er zich tegen verzetten, terwijl alle andere partijen deze jackpot wel willen kraken. De Oeso pleit al langer voor een verschuiving van de lasten op arbeid naar consumptie.

Sammy Mahdi pleit er ook voor om het remgeld bij de tandarts te verhogen, de misbruiken in de managementvennootschappen tegen te gaan, de verspilling in de gezondheidszorg (overmatige medische beeldvorming, ereloonsupplementen) in te dijken en de effectentaks uit te breiden. “Aan dit tempo is de begroting tegen de zomer geregeld”, glunderde hij.

De CD&V-voorzitter bekritiseerde ook de centenindex – die eerder al door zijn ministers werd goedgekeurd in de regering. Die zou de middenklasse benadelen terwijl zij het meeste bijdraagt aan het systeem. 

Mahdi begrijpt niet waarom de coalitiepartners een compromisvoorstel van de vakbonden en de werkgevers dat lichtjes duurder is, afschieten. Het valt op dat CD&V de laatste tijd fluks in de bres springt voor het fel belaagde (sociale) middenveld. De frontale aanval op de mutualiteiten die te laks zouden optreden tegen langdurig zieken werd met een bazooka door Het Laatste Nieuws ingezet, netjes afgelost door N-VA. De partij pleit nu ronduit voor de afschaffing van de ziekenfondsen. 

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) greep de heisa aan om een aantal hervormingen te bepleiten die de mutualiteiten pijn doen. Dat wekte verbazing, ook binnen zijn eigen politieke familie. Het blijft nu afwachten of Vandenbroucke aan de onderhandelingstafel de val zal doen dichtklappen: als Vooruit streng is voor de ‘eigen zuil’, dan moeten N-VA en MR ook toelaten dat er veel strenger wordt opgetreden tegen de ereloonsupplementen van de specialisten en de wildgroei aan onderzoeken en scans.

Mahdi vindt dat Vandenbroucke te hard van stapel loopt en vooral de Christelijke Mutualiteit viseert. Hij begrijpt ook niet waarom de socialisten het voorstel van vakbonden en patroons voor een meer billijke centenindex blijven afwijzen. Op die manier lijkt CD&V de enige die nog opkomt voor de klassieke ‘zuilen’.

Blinkende trofeeën

Vooruit positioneerde zich nog niet echt in de snuffelronde van de begrotingsonderhandelingen. Wel pleitte voorzitter Conner Rousseau voor het invoeren van een vermogenskadaster. Dat is nodig om grootverdieners die toch een verhoogde tegemoetkoming in de sociale zekerheid krijgen, te kunnen opsporen. Zo’n kadaster is ook essentieel als je meer belastingen op vermogen wil heffen.

Voor Vooruit (en CD&V) schuilen er grote gevaren in deze onderhandelingen. Het vorige akkoord was een gigantische opdoffer voor de partijen die zich traditiegetrouw profileren als de behoeders van het sociale middenveld en de garanten van de sociale zekerheid. De besparingen in de pensioenen, de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd en de geplande centenindex, waren blinkende trofeeën voor de rechtse partijen. Ze verbreken het sociale contract tussen overheid en burgers.

Mensen die jarenlang hebben bijgedragen aan het systeem worden nu geconfronteerd met lagere pensioenen, minder snel stijgende lonen en in de tijd beperkte uitkeringen. Vooral dat laatste is een erg ondoordachte beslissing. De belofte in het regeerakkoord dat wie werkloos is een “gepast aanbod” krijgt van de VDAB is dode letter gebleven. Steden en gemeenten moeten nu alle zeilen bijzetten omdat de Vlaamse OCMW’s overspoeld worden door geschorste werklozen die geen werk vinden en noodgedwongen een leefloon moeten aanvragen. De voorbije maanden ging het om 40% van de geschorsten, een aantal dat oploopt tot 50% in de steden.

Voor MR betekent die sociale afbraak alvast dat ze de winst die ze boekte bij de vorige verkiezingen (toen ze de grootste partij van Wallonië werd) dreigt kwijt te spelen (als je de peilingen mag geloven). Grote winnaars in het zuiden van het land zijn PS (die opnieuw de grootste kan worden) en PVDA. In Vlaanderen worden de coalitiepartners (nog) niet afgestraft voor hun rechtse koers. Misschien hangt dat ook wel samen met de verrassende eensgezindheid van de Vlaamse pers over de besparingen in de sociale sector. De media maken de publieke opinie, zeker in een tijd waarin het middenveld aan invloed verliest.

Exit flexi-jobs?

De Belgische topeconoom Mathias Dewatripont (volgens insiders de Belg die het meeste kans maakt op een Nobelprijs) wijst in een interview in Le Vif op nog een ander probleem: de uitbreiding van het systeem van flexi-jobs en studentenarbeid. “Als je reguliere jobs vervangt door dit soort jobs, dan verlies je veel fiscale inkomsten.” Bovendien kapen mensen die in aanmerking komen voor deze stelsels (in het geval van flexi-jobs gaat het om mensen die al werk hebben of met pensioen zijn) de jobs weg voor de neus van langdurig werklozen die geschorst zijn.

Ook minister van Financiën Vincent Van Peteghem (CD&V) was in een gesprek bij de Brusselse businessclub The Merode erg kritisch voor de flexi-jobs, die volgens hem financieel niet houdbaar zijn “en niet verdedigbaar vanuit een idee dat gelijk werk gelijk belast moet worden”.

Van Peteghem was ook erg scherp voor de managementvennootschappen die vooral door kaderleden worden opgezet om minder sociale lasten te moeten betalen op hun hogere lonen. Tijdens het gesprek in de zakenclub pleitte de minister trouwens ook voor meer belastingen op vermogen, een piste die hij (net als zijn voorzitter) in eerdere tussenkomsten afwees.

De drie vakbonden plakten eerder ook al cijfers op die stelsels. Daaruit blijkt dat de 7 miljard waar Mahdi het over heeft, een bescheiden schatting is. ABVVACV en ACLVB komen met voorstellen die maar liefst 21 miljard kunnen opleveren, waarvan 12,5 miljard door middel van een vermogensbelasting. De managementvennootschappen kosten de schatkist elk jaar 526 miljoen euro. Flexi-jobs zijn goed voor 380 miljoen minder inkomsten en studentenarbeid zelfs voor 750 miljoen euro. Daarbij zijn er nog loonsubsidies voor de eerste aanwerving (620 miljoen euro).

Een klassieker zijn de bedrijfswagens of andere vormen van alternatieve verloning. Die zijn goed voor 756 miljoen minder inkomsten per jaar.

De taks van Zucman

En dan is er nog de olifant in de kamer: de rijkentaks, de miljonairstaks, de vermogensbelasting; hoe u het ook wilt noemen. Die werd op 12 mei met vuur verdedigd door de nieuwe wonderboy van de topeconomen: de Frans-Amerikaanse leerling van Thomas PikettyGabriel Zucman. De bescheiden Dewatripont tipt hem als kandidaat voor de Nobelprijs. Zucman sprak in Bozar voor 2.000 geboeide toeschouwers.

Zucmans voorstel is eenvoudig. Tel de inkomsten op die de staat int bij werknemers, zelfstandigen en bedrijven. Neem dat bedrag en haal datzelfde bedrag op bij miljonairs. Dan kom je op een ‘rijkentaks’ van 2% die geheven wordt op het patrimonium (vastgoed en aandelen) van al wie meer dan 100 miljoen euro rijk is. Voor België zou dat elk jaar 1,8 miljard euro opbrengen. Zucman noemt zijn taks – die zijn tegenstanders wegzetten als een communistische fata morgana – een “centrumrechts voorstel”. Het is inderdaad tien keer minder dan de 11,3 miljard die het Planbureau in 2024 becijferde toen het de voorstellen van Groen doorlichtte.

De “Zucman-taks” is al jarenlang hét gespreksonderwerp in Frankrijk en in Franstalig België. Alle Franstalige media besteedden dan ook aandacht aan de lezing van Zucman in Bozar, geen enkele Vlaamse krant of zender deed dat. PS wilde hem uitnodigen voor een hoorzitting in de Kamer, maar MR stak daar een stokje voor. Ook dat was in Vlaanderen geen nieuws.

Zowat alle linkse partijen, van PVDA over de groenen tot de socialisten, zijn voorstander van een of andere vorm van miljonairstaks. Vooruit schuift het voorstel ook naar voren.

Daarmee zit de enige centrumlinkse regeringspartij op ramkoers met zowel MR als N-VA. De rechtervleugel van de regering wil niet weten van extra belastingen (correctie: N-VA pleit voor een btw-verhoging, maar die wordt ook afgeschoten door MR). De kleine meerwaardebelasting die Vooruit de vorige keer uit de brand sleepte, was al een te grote toegeving. MR en N-VA blijven hameren op de noodzaak om te besparen … op de sociale zekerheid. Het valt te verwachten dat de draconische maatregelen die Frank Vandenbroucke al heeft aangekondigd, voor hen niet voldoende zullen zijn. Er zit nog veel meer vet op de soep, zo luidt het.

Tegenvallende inkomsten

Het echte probleem van deze regering is niet de te hoge uitgaven van de overheid (al kun je over de noodzaak om nutteloos oorlogstuig te kopen een boom opzetten), maar de tegenvallende inkomsten. Dat bleek onlangs uit een rapport van het Rekenhof. Hierdoor neemt de schuld toe. Op een moment dat de intresten hoog zijn, kan dat leiden tot een rentesneeuwbal die de schuld versneld kan doen stijgen, zoals na de oliecrisis van de jaren 70.

Ondanks de gitzwarte begrotingscijfers (het Rekenhof zegt dat de regering geen 7 maar 15 miljard moet besparen) wil de regering koste wat het kost de lasten op arbeid verlagen zodat mensen met een job substantieel meer verdienen dan mensen met een uitkering. Dat zal het tekort nog doen toenemen, zeker als er geen verschuiving komt naar belasting op consumptie en vermogen. Geen van beide voorstellen is op dit moment realistisch.

Misschien heeft Sammy Mahdi wel gelijk en is het makkelijk om 7 miljard euro te vinden, zelfs zonder Zucman-taks. Als alle achterpoortjes om belastingen en sociale lasten niet te betalen, worden gesloten én als misbruiken worden ingedijkt (zowel bij uitkeringstrekkers als bij topmanagers of topdokters) is het zelfs mogelijk om veel meer geld te vinden. En dat heeft dan nog niks te maken met de strijd tegen fiscale fraude waarover we deze legislatuur nog maar bitter weinig gehoord hebben.

Een laatste voorbeeld: de aanvullende pensioenen. Dinsdag (27/5) verdedigde Joy Schols (een student van armoede-expert Wim Van Lancker) aan de KU Leuven haar doctoraat over deze koterij van het pensioensysteem die al sinds 2003 bestaat. Het is een (para)fiscaal vriendelijk systeem om naast je wettelijk pensioen een extra potje op te bouwen voor de oude dag. Je betaalt op dat aanvullend pensioen minder socialezekerheidsbijdragen en belastingen.

De Belgische overheid is er zich van bewust dat dit een gunstregime is, maar schat al jarenlang de kostprijs voor de schatkist te laag in. Joy Schols berekende voor het eerst dat het gaat om 1,6 tot 2,1 miljard euro (cijfers van 2019) in plaats van de 121,4 miljoen waar de regering van uitgaat.

Er is ook sprake van een sterk matteuseffect: 68% van de parafiscale subsidies komen terecht bij 10% van de werknemers met de hoogste inkomens.

Stuitend vrouwonvriendelijk

Wie de doctoraatsthesis van Schols bekijkt vraagt zich af waarom er in dit land nog geen vrouwenpartij is opgericht. De maatregelen van deze regering zijn stuitend in hun vrouwonvriendelijkheid. De aanvullende pensioenen komen vooral bij hoogopgeleide mannen uit de privésector terecht. PensionStat, de studiedienst van de Rijksdienst voor Pensioenen (waar Schols aan de slag zal gaan) publiceerde ronduit onthutsende cijfers over de pensioenkloof in ons land. Een man krijgt gemiddeld 2.287 euro wettelijk pensioen; een vrouw 1.884 (dat is bijna een vijfde minder). Maar mannen die een aanvullend pensioen krijgen, bouwen gemiddeld 100.766 euro op, tegenover 46.933 euro voor vrouwen: een pensioenkloof van 53%. Als je beide stelsels optelt, bedraagt de pensioenkloof 21%. Dat zijn de cijfers uit 2024. 

De nieuwe pensioenhervorming dreigt die kloof nóg groter te maken. Zo wordt het huwelijksquotiënt afgeschaft dat ervoor zorgde dat gehuwde vrouwen (of mannen) met een onvolledige loopbaan toch een hoger pensioen konden krijgen. Voor al die vrouwen die er destijds voor kozen om (een tijdje) thuis voor de kinderen te zorgen en die nu een onvolledige loopbaan hebben, is dat niet minder dan contractbreuk.

De roep om profiteurs te straffen, is legitiem. Maar een overheid die zichzelf en het contract met haar burgers respecteert, is in de eerste plaats verplicht om de meest hypocriete achterpoortjes van het systeem te sluiten. De wet moet voor iedereen gelijk zijn: elke euro die verdiend wordt, moet op een billijke manier (naar draagkracht) worden belast; of hij nu uit (zelfstandige) arbeid of vermogen komt. En iedereen moet bijdragen tot de sociale zekerheid die gebaseerd is op het verzekeringsprincipe. Wie pech heeft, ziek is of werkloos wordt, of de pensioenleeftijd heeft bereikt, heeft recht op een uitkering. En moet zich daar niet voor schamen. Integendeel: het is iets om apetrots op te zijn.

Bron: Apache.be

Pensioenhervorming goedgekeurd door parlement: vakbonden trekken naar Grondwettelijk Hof

Pensioenhervorming goedgekeurd door parlement: vakbonden trekken naar Grondwettelijk Hof

Het federaal parlement heeft vannacht de pensioenhervorming goedgekeurd. Ondanks maanden van overleg en protest houdt de regering vast aan keuzes die veel mensen zullen raken, vooral werkzoekende 50-plussers en vrouwen worden extra geviseerd. Ook jongeren wordt het perspectief op een waardig pensioen ontnomen. Daarom vechten de vakbonden dit besluit aan bij het Grondwettelijk Hof.

Na maanden vertraging door veel overleg en protest heeft het federaal parlement de pensioenwet vannacht toch aangenomen. Maar de vakbonden laten het er niet bij zitten en bereiden een annulatieverzoek voor bij het Grondwettelijk Hof. Deze zal in het najaar van 2026 ingediend worden en een uitspraak valt halverwege 2028 te verwachten. 

Aantasting van opgebouwde pensioenrechten

De vakbonden stellen fundamentele vragen bij de aantasting van opgebouwde pensioenrechten, de ongelijke behandeling van werknemers en de proportionaliteit van de pensioenmaatregelen. “Dit is niet de hervorming die werknemers verdienen. Een sociaal rechtvaardig pensioenstelsel telt zorg en tegenslag volwaardig mee, beschermt tegen pensioenbedragen onder het minimum, en biedt duidelijke, voorspelbare regels”, aldus Ann Vermorgen, voorzitter van vakbond ACV. 

“Er zijn genoeg alternatieven om de begroting te doen kloppen. Pensioenen zijn een fundament van sociale rust, gezondheid en veiligheid.” Volgens vakbond ABVV “oogt de nieuwe pensioenwet dan ook juridisch wankel”.

Zo wordt de toegang tot vervroegd pensioen drastisch beperkt. De pensioenwet bevat de verstrenging van de definitie voor een loopbaanjaar. Een loopbaanjaar telt pas mee vanaf 156 effectief gewerkte dagen per jaar in plaats van 104 effectief gewerkte dagen. En deze norm geldt ook retroactief voor de volledige loopbaan, waardoor een deel van de mensen die eerst recht hadden op vervroegd pensioen, dat recht ineens niet meer heeft.

Deze pensioenwet bevat ook nog steeds de Jambonmalus voor mensen die met vervroegd pensioen willen gaan, maar niet minstens 35 jaar en in totaal 7.020 dagen hebben gewerkt. En ook deze malus geldt retroactief.

“Wat vandaag beslist werd is een selectieve besparing die vastbenoemden, precaire loopbanen en deeltijds werkende vrouwen het hardst raken. Mensen met een modelloopbaan en zelfstandigen blijven buiten schot”, aldus ABVV.

Een doorrekening van het Planbureau leert dat de laagste pensioenen het sterkst dalen met maar liefst 12,1 percent, terwijl bijna vier op tien vrouwen bij ‘vervroegd’ pensioen een stevige pensioenmalus moeten betalen. ABVV-voorzitter Bert Engelaar: “In een land waar de wettelijke pensioenen vandaag al erg laag zijn, kunnen we enkel nogmaals vaststellen dat de Arizona-regering geen enkel respect toont voor de werknemers in dit land.”

Botsing met Grondwet

“De wet is dan wel gestemd, de juridische duurzaamheid van Jambons plannen moet nog blijken”, aldus ABVV. “De kritieken van onder meer de Raad van State (die ook stelde dat de pensioenhervorming discrimineert, red.) blijven overeind en sterken ons dossier”, stelt Bert Engelaar. “Het is en blijft een zuivere pensioenbesparing die retroactief de regels herziet en daarbij vrouwen discrimineert. Zij kunnen niet terug in de tijd gaan om hun loopbaan aan te passen.”

De pensioenwet-Jambon doet bij de vakbonden ernstige vragen rijzen over de verenigbaarheid met verschillende grondwettelijke principes. Het sociaal standstill-principe schrijft voor dat een afbouw van de sociale bescherming enkel mogelijk is met een sluitende juridische motivatie en met oog voor proportionaliteit. 

Ook is het volgens de vakbonden onzeker of deze pensioenhervorming de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel doorstaat. Zo is er mogelijk sprake van indirecte discriminatie van vrouwen, aangezien zij vaker deeltijds moeten werken wegens zorgtaken of doordat ze een beroep uitoefenen waar enkel deeltijdcontracten worden aangeboden. Europa beschouwt zo’n ongelijke behandeling van deeltijders wel degelijk als een indirecte discriminatie van vrouwen. 

Verder is ook de combinatie van retroactiviteit en een gebrek aan overgangsmaatregelen juridisch hoogst problematisch. Sommige 58-jarigen moeten zo tot zeven jaar langer werken, omdat ze in het verleden in verschillende jaren niet aan de benodigde 156 dagen geraakten. In deze krijgt het Grondwettelijk Hof het laatste woord. 

Tot slot waarschuwt het ABVV ook voor de gevolgen van een nieuw wetsvoorstel dat klaarligt in het parlement: het voornemen van Jambon om de pensioenrechten ‘af te kappen’ bij een teveel aan gelijkgestelde periodes. De zogenaamde ‘cap 20%’. Met deze ingreep zou de Arizona-regering opnieuw een sociaal akkoord naast zich neerleggen. 

Het regeerakkoord voorziet overigens ook nog een ‘hervorming’ van de gezinsdimensie, met onder meer een afschaffing van het gezins- en echtscheidingspensioen en een strengere toegang tot het overlevingspensioen. Opnieuw dreigen vrouwen daar de klos te zijn.

Pensioenproces

Op verschillende punten botst de nieuwe pensioenwet frontaal met de Grondwet, bevestigt ook pensioenspecialist Kim De Witte (PVDA). Daarom roept ook hij op tot een Pensioenproces bij het Grondwettelijk Hof, met een collectieve rechtszaak tegen deze hervorming. “Iedereen die niet akkoord is met deze pensioendiefstal, kan zich aansluiten bij deze rechtszaak.”

Bron: DeWereldMorgen.be

Huisarts over werkhervatting van langdurig zieken: “Ongezonde arbeidssituaties maken mensen ziek”

Huisarts over werkhervatting van langdurig zieken: “Ongezonde arbeidssituaties maken mensen ziek”

Huisarts Staf Henderickx heeft in zijn 47 jaar lange carrière de wereld en de ziektes zien veranderen. Door onzekerheid en hoge werkdruk vallen mensen nu sneller langdurig uit. “Langdurige ziektes zijn complex”, schrijft hij. Net daarom werkt de huidige nadruk op snelle tewerkstelling volgens hem averechts.

Langdurig zieken? Dat waren vroeger zinkarbeiders met ziekten door zware metalen, mijnwerkers met stoflong en bouwvakkers en boeren met kapotte ruggen. Vele van hen stierven na heel wat lijden voor hun pensioenleeftijd.

Ik herinner me dat ik tegen mijn collega’s ooit zei: “Ik ga op huisbezoek naar de straat der weduwe”’. Het was een straat vlak bij de zinkfabriek van Metallurgie Overpelt. Er dienden toen niet veel pensioenen te worden uitbetaald. Die generatie is verdwenen in de nevelen van de geschiedenis.

De decennia daarna zag ik meer en meer werknemers tijdens mijn raadpleging met globaal genomen drie soorten problemen: een eerste groep met chronische vermoeidheid, burn-out, depressie en slaapstoornissen, een tweede groep met allerlei klachten zoals hyperventilatie, hart- en vaatziekten, maagpijnen, enzovoort. Tenslotte een derde groep met Repetitive Strain Injuries of RSI’s, letsels van de rug, schouders, polsen en allerlei gewrichten, niet door zware belasting, maar door snel herhaalde bewegingen zoals bijvoorbeeld bij bandwerk en poetsen.

In de analyses van langdurig zieken door het RIZIV en ziekenfondsen worden opvallend genoeg eveneens drie grote groepen langdurig zieken onderscheiden: psychosociale aandoeningen, musculoskeletale klachten en een groep ‘andere ziekten’. Elke groep is verantwoordelijk voor ongeveer één derde van de langdurig zieken. De term ‘psychosociaal’ slaat onder andere op burn-out en depressie, de musculoskeletale aandoeningen komen overeen met de RSI’s en ‘andere ziekten’ is de verzamelcategorie voor alle overige aandoeningen zoals kanker, verlammingen, hartziekten, enzovoort.

Ik zal een paar voorbeelden geven. Een man met 25 jaar ervaring in een bedrijf wordt zonder motivatie opzijgezet en zijn job wordt ingenomen door een jongere collega. Zijn lichaam reageert met depressieve en lichamelijke klachten. Een verpleegster verliest haar motivatie omdat ze geen tijd meer heeft voor de patiënten, vermoeid raakt door de wisselende diensten en door concentratieverlies enkele fouten maakt. In een grootwarenhuis wordt vooral gewerkt met interims en studenten. Het vast personeel moet hen opleiden en begeleiden en tegelijk eigen taken uitvoeren. Die stress doet werknemers afglijden in een burn-out. Veel poetsvrouwen geraken in de problemen rond hun vijftigste. Door de repetitieve handelingen ontwikkelen ze nek- en rugpijnen, tennis elbow, carpal tunnel en andere RSI’s.

Wat is er veranderd op de werkvloer?

Eerst en vooral is er veel meer onzekerheid over de job. Vroeger werkte men in de mijn of in de fabriek zijn hele loopbaan. Vandaag brengen sluitingen, herstructureringen, ontslagen en functieveranderingen heel wat onzekerheid en dus stress met zich mee. Vandaag is er door automatisering, programmering en robotisering een schrijnend gebrek aan autonomie en controle van de werknemer over zijn handelingen. Dat brengt ook stress met zich mee. In vele werkplaatsen is er een gebrek aan sociale cohesie door de voortdurend wisselende teams, door het grote verloop en door ziekte. Dat zet druk op de ketel. 

Tenslotte is de rust- en hersteltijd flink afgenomen. Nachtwerk, ploegenarbeid, overwerk en wisselende diensten verstoren ons biologisch ritme. De mens is geen Duracell-konijn, de mens is geen uil, de mens is een dagdier. Slaap en rust is essentieel voor herstel. Ook de RSI’s hebben te maken met gebrek aan hersteltijd voor de pezen, spieren en gewrichten bij repetitieve handelingen.

Herstel en werkhervatting vragen specifieke expertise

Artsen zijn goed opgeleid om te reageren met hulpmiddelen zoals medicatie, vooral ontstekingsremmers, antidepressiva en tranquilizers, met kine en psychologische hulp. Herstel en werkhervatting zijn een ander paar mouwen en vergen tijd en andere expertise.

Gelukkig kunnen we een beroep doen op de vele arbeidscoaches onder andere die van de ziekenfondsen. Neem bijvoorbeeld een burn-out. De patiënt ondergaat drie fases. Hij moet zich eerst loskoppelen van de problemen van zijn werksituatie die dag en nacht door zijn hoofd gieren. Ik vertel patiënten: “Je moet door ontspannende activiteiten terug naar de onbezorgdheid van een kind. Pluk de dag. Om je hoofd vrij te maken.”

In een tweede fase moet hij met de coach bekijken welke elementen op het werk hem in een burn-out hebben geduwd. En wat daaraan verhelpen bij een werkhervatting.

In een derde fase dient de volledige of parttime werkhervatting te worden bekeken. Of het besluit kan ook zijn: een andere job zoeken. Voor medicatie is in dit proces weinig plaats.

Overlegplatform is een lege doos

Wij als huisartsen schrijven meestal de arbeidsongeschiktheid voor. Specialisten schuiven die taak meestal van zich af. Vandaag verwacht minister Frank Vandenbroucke dat de huisartsen ook een soort controlerende rol mee opnemen. De minister zegt dat wij als huisartsen in overleg moeten gaan. En daarvoor heeft hij in februari 2025 het TRIO-platform (Return To Work) gelanceerd. Dit is een digitaal, beveiligd communicatieplatform dat de samenwerking en informatie-uitwisseling vergemakkelijkt tussen de drie cruciale actoren die betrokken zijn bij de begeleiding van langdurig zieken: de huisarts, de adviserend arts van het ziekenfonds en de arbeidsgeneesheer.

Na een jaar heeft 7,4 procent van de huisartsen zich minstens één keer aangemeld bij het TRIO-platform. Zelf heb ik nog geen enkele uitnodiging gehad om langs het platform overleg te plegen. Vroeger kon ik met een telefoontje in contact komen met de medisch adviseur. Vandaag is dat verdomd moeilijk. Zelfs als je de secretaresse van het ziekenfonds aan de lijn krijgt en vraagt of de collega me terug wil contacteren voor overleg, gebeurt dat niet. Vroeger werden moeilijke dossiers beoordeelt door een RIZIV-commissie van drie artsen waarop ook de huisarts werd uitgenodigd. Maar die is afgeschaft.

Hetze duwt langdurig zieken terug naar het werk

Wat ik merk is dat sinds de hetze tegen langdurig zieken de medisch adviseurs van de ziekenfondsen zonder overleg meer langdurig zieken controleren. Dan komen patiënten me opzoeken met een oproepingsbrief waarin hen wordt aangemaand alle nodige medische verslagen mee te brengen. Ik constateer dat op basis van die verslagen meer langdurig zieken opnieuw werk bekwaam worden verklaard. Zonder overleg met mij als huisarts. 

Daarna zie ik veel van deze patiënten al snel terug, ditmaal erg geëmotioneerd. Van ontgoocheling, verdriet tot boosheid. Bij het aangetekend schrijven met de datum van de geschiktheidsverklaring zitten documenten hoe je bij niet akkoord in beroep kunt gaan bij de arbeidsrechtbank. Voor de patiënt resten er dan twee opties: het werk hervatten of tegen de beslissing in beroep gaan. Ik raad de patiënt aan om direct contact op te nemen met de arbeidsgeneesheer en te melden dat hij of zij het werk dient te hervatten en welk zijn standpunt is. De meeste patiënten reageren met: “Als ik een werkhervatting zag zitten, dan was ik al lang terug aan de slag geweest”. Sommigen kiezen om in beroep te gaan.

De mens is een holistisch wezen

Mijn besluit is dat het TRIO-overlegplatform nauwelijks door huisartsen wordt gebruikt en niet functioneert. Sterker nog onze enige functie als huisarts bestaat erin de verslagen uit te printen en met de patiënt mee te geven naar de controle door de medisch adviseur. De medisch adviseur oordeelt dan op basis van die verslagen.

Het is onmogelijk om een correcte evaluatie te maken op basis van papier. Langdurige ziektes zijn complex. De mens en zijn ziekte moeten we als arts holistisch benaderen, dat wil zeggen niet alleen zijn biologisch functioneren evalueren, maar ook zijn psychisch en sociaal functioneren in kaart brengen. Om daarna te bekijken hoe we hem of haar terug op de rails van zijn of haar gezondheid kunnen krijgen.

Als huisarts wil ik de volle verantwoordelijkheid nemen om zo goed en zo snel mogelijk alle patiënten te genezen en dus te helpen terug aan het werk te gaan. Dat doe ik in overleg met de patiënt. Druk zetten op de patiënt om het werk te hervatten stoort de vertrouwensrelatie.  

Werk is voor alle patiënten een meer zinvolle en meer lucratieve bezigheid dan ziek thuis zijn. Arbeid is een prachtige sociale invulling in het leven, maar in ongezonde arbeidssituaties ook een bron van ziekte en langdurige ziekte.

Bron: DeWereldMorgen.be

Europa zoekt een zondebok voor zijn industriële achteruitgang

Europa zoekt een zondebok voor zijn industriële achteruitgang

Europa noemt de handelsrelatie met China “onhoudbaar”, maar richt zijn pijlen op de verkeerde schuldige. Niet Beijing, maar decennia Europees wanbeleid, dure energie en industriële verwaarlozing verklaren de groeiende achterstand.

“China blijft een cruciale partner, maar de huidige handels- en investeringsrelatie is onhoudbaar.” Met die opmerkelijke formulering sloot de Europese Commissie op 29 mei een intern oriëntatiedebat over de betrekkingen met China af. Volgens Brussel raken economische en veiligheidsbelangen steeds meer verweven en is daarom een “krachtigere en samenhangendere aanpak” nodig. Die uitspraak verdient enige nuance.

Wat bedoelt Europa precies met onhoudbaar?

Want wat bedoelt Europa precies wanneer het de huidige relatie met China “onhoudbaar” noemt? Is de relatie onhoudbaar omdat China te veel exporteert? Omdat Europa een handelstekort heeft? Of omdat Europa steeds moeilijker kan concurreren met een land dat de voorbije twintig jaar systematisch heeft geïnvesteerd in industrie, infrastructuur, onderzoek en technologische ontwikkeling?

Achter de Europese bezorgdheid schuilt een ongemakkelijke realiteit: veel van de problemen die vandaag aan China worden toegeschreven, zijn in belangrijke mate het gevolg van Europese keuzes.

Van Brussel tot Berlijn klinkt dezelfde boodschap. Chinese elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen en staal zouden de Europese industrie kapot concurreren. Daarom volgen invoerheffingen, quota en handelsbeperkingen elkaar in snel tempo op. Volgens de Europese Commissie moeten die maatregelen Europa beschermen.

Maar dat verhaal houdt geen stand. De grootste bedreiging voor de Europese industrie bevindt zich niet in Beijing. Ze bevindt zich in Europa zelf.

De Europese Unie heeft vandaag een handelstekort met China van bijna 360 miljard euro. Dat cijfer wordt voortdurend aangehaald als bewijs dat China oneerlijk speelt. Maar een handelstekort zegt weinig over de werkelijke oorzaak van het probleem.

De echte vraag is waarom Europa steeds meer producten moet invoeren, terwijl China uitgroeide tot de grootste industriële macht ter wereld.

Het antwoord ligt niet in China. Het ligt in twintig jaar Europees wanbeleid.

Twintig jaar aan Europees wanbeleid

Terwijl China investeerde, desinvesteerde Europa. Terwijl China fabrieken bouwde, sloot Europa ze. Terwijl China een industriële strategie ontwikkelde, geloofde Europa dat de markt alles vanzelf zou oplossen. De gevolgen zijn zichtbaar.

In Frankrijk daalde het aandeel van de industrie in de economie van meer dan 20 procent begin jaren tachtig naar ongeveer 10 procent vandaag. In Duitsland verdwenen alleen al het voorbije jaar meer dan 120.000 industriële banen. Overal in Europa verhuisde productie naar het buitenland. Financiële diensten, vastgoed en consumptie kregen voorrang op industrie. 

China deed het tegenovergestelde. Sinds 2000 investeerde Beijing duizenden miljarden euro’s in havens, spoorwegen, energievoorziening, onderzoek, universiteiten en industrie.

Vandaag produceert China meer dan de helft van al het staal ter wereld. Het bouwt meer dan 55 procent van alle schepen. Het produceert ongeveer 60 procent van alle elektrische voertuigen en meer dan 80 procent van alle zonnepanelen.

Volgens cijfers van de Verenigde Naties is China goed voor ongeveer 30 procent van de wereldwijde industriële productie, meer dan de Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Zuid-Korea en het Verenigd Koninkrijk samen.

Dat gebeurde niet toevallig. Het kon gebeuren omdat China gedurende meer dan twintig jaar een duidelijke industriële strategie volgde. Europa had die niet. Nergens wordt dat duidelijker dan op het vlak van energie. De energiecrisis heeft veel meer schade toegebracht aan de Europese industrie dan Chinese export ooit heeft gedaan.

Voor 2022 betaalden veel Duitse bedrijven minder dan 30 euro per megawattuur aardgas. Tijdens de energiecrisis liep dat op tot meer dan 300 euro. Ook vandaag betalen veel Europese bedrijven nog altijd twee tot vier keer meer voor energie dan hun concurrenten in China of de Verenigde Staten.

Chemiebedrijven verminderen hun productie. Kunstmestfabrieken draaien op een lager pitje. Staalbedrijven verliezen concurrentiekracht. Producenten van glas, papier en aluminium verplaatsen investeringen naar landen waar energie goedkoper is.

Dat BASF vandaag meer investeert in nieuwe productiecapaciteit in China dan in Duitsland is geen gevolg van Chinese dumping. Het is het resultaat van Europese keuzes. Wanneer energie in Europa twee tot vier keer duurder is dan in China of de Verenigde Staten, vergunningen jaren aanslepen en investeringen in infrastructuur achterblijven, zoeken bedrijven logischerwijs locaties waar zij competitief kunnen produceren.

Toch is het externe zondeblok: China

Toch weigeren veel Europese leiders die realiteit onder ogen te zien. In plaats van de eigen fouten te analyseren, richten zij hun blik op een externe zondebok: China. Zo dreigt Europa dezelfde fout te maken als de Verenigde Staten onder Donald Trump. Toen Trump in 2018 zijn handelsoorlog tegen China lanceerde, beloofde hij dat invoerheffingen Amerikaanse fabrieken zouden doen terugkeren en miljoenen industriële banen zouden creëren. Honderden miljarden dollars aan Chinese producten werden belast.

De werkelijkheid pakte anders uit. Amerikaanse consumenten betaalden hogere prijzen voor tal van producten, van huishoudtoestellen tot bouwmaterialen. Amerikaanse bedrijven zagen hun productiekosten stijgen omdat zij afhankelijk waren van ingevoerde onderdelen uit China. Veel productie keerde niet terug naar de Verenigde Staten, maar verhuisde naar landen als Vietnam, Mexico, India en Thailand. Het Amerikaanse handelstekort bleef bestaan en bereikte in verschillende jaren zelfs recordniveaus.

Daarbij wordt vaak vergeten dat de zogenaamde “China Shock” niet alleen verliezers kende. Volgens de Amerikaanse econoom Jason Furman profiteerde uiteindelijk 85 tot 95 procent van de Amerikanen van de handel met China via lagere prijzen voor duizenden consumptiegoederen. Onderzoek toont bovendien aan dat Chinese invoer de levensduurte drukte en vooral gezinnen met lage en middeninkomens honderden dollars per jaar bespaarde. Ook grote Amerikaanse bedrijven profiteerden massaal van goedkopere onderdelen, lagere productiekosten en hogere winstmarges. Bedrijven als Apple, Walmart, Tesla, Nike en tal van industriële ondernemingen bouwden mee op de efficiënte Chinese productieketens die hen wereldwijd competitiever maakten. De kosten van de China Shock waren reëel en vaak geconcentreerd in bepaalde industriële regio’s, maar de voordelen werden verspreid over honderden miljoenen consumenten en duizenden bedrijven.

China bezweek intussen niet onder de druk. Integendeel. Beijing gebruikte de handelsoorlog als stimulans om sneller te investeren in strategische sectoren. De ontwikkeling van halfgeleiders, batterijen, elektrische voertuigen, artificiële intelligentie en hernieuwbare energie werd versneld.

Bedrijven als BYD groeiden uit tot wereldspelers. China werd marktleider in batterijen en zonnepanelen en bouwde zijn technologische onafhankelijkheid verder uit. Wat bedoeld was om China af te remmen, hielp het land uiteindelijk zijn eigen industriële basis verder te versterken.

Dat maakt de huidige Europese koers des te opmerkelijker. Acht jaar na het begin van de Amerikaanse handelsoorlog bestaat er nog altijd geen overtuigend bewijs dat de tarieven de Amerikaanse industrie hebben gered. Toch lijken Europese leiders een gelijkaardige strategie te willen kopiëren. Dat is economisch onverstandig en politiek kortzichtig.

De tegenstrijdigheid van het Europese beleid

Nog opvallender is de tegenstrijdigheid van het Europese beleid. Europa wil de energietransitie versnellen, maar viseert tegelijk precies de technologieën die die transitie betaalbaar hebben gemaakt. Sinds 2010 daalde de prijs van zonnepanelen met meer dan 90 procent en die van batterijen met ongeveer 85 procent. Dat was in belangrijke mate mogelijk dankzij Chinese schaalvergroting, massaproductie en technologische innovatie.

Zonder die ontwikkeling zouden zonnepanelen, thuisbatterijen en elektrische auto’s vandaag veel duurder zijn voor Europese gezinnen, bedrijven en overheden. Door invoerheffingen op dergelijke producten te verhogen, maakt Europa zijn eigen klimaatdoelstellingen moeilijker én duurder.

De kern van het probleem ligt immers niet in China, maar in de groeiende achterstand van Europa zelf.

China investeerde in 2024 meer dan 700 miljard dollar in onderzoek en ontwikkeling, ongeveer evenveel als de volledige Europese Unie samen. Het land levert jaarlijks meer dan vier miljoen afgestudeerden af in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde. China bouwde het grootste netwerk van hogesnelheidsspoorwegen ter wereld, moderniseerde zijn havens, ontwikkelde geavanceerde industriële clusters en investeerde tientallen jaren consequent in strategische sectoren.

Europa kampt ondertussen met hoge energiekosten, versnipperde markten, trage vergunningen, een tekort aan technisch personeel en een stagnerende productiviteitsgroei.

Geen enkele invoerheffing zal die problemen oplossen. Handelstarieven en economische barrières bouwen geen nieuwe fabrieken, leiden geen ingenieurs op en creëren geen innovatie. Ze kunnen hooguit tijdelijk bescherming bieden aan bepaalde sectoren, maar ze maken een economie niet sterker. Dat is de ongemakkelijke waarheid die veel Europese leiders liever niet willen horen.

China heeft de Europese energiekosten niet verviervoudigd. China heeft Nord Stream niet opgeblazen. China heeft geen twintig jaar Europese de-industrialisering veroorzaakt. De belangrijkste oorzaken van die verzwakking liggen dichter bij huis.

Daarom is de huidige hetze tegen Chinese producten zo misleidend. Ze leidt de aandacht af van de fundamentele problemen die Europa zelf moet oplossen. Ze creëert een externe vijand waar zelfkritiek nodig is. Ze vervangt een ernstig debat over energie, industrie en innovatie door politieke slogans.

De geschiedenis leert nochtans telkens opnieuw dezelfde les. Grote economische machten worden niet succesvol door concurrenten uit te sluiten. Ze worden succesvol door beter te worden dan hun concurrenten, door te investeren in onderzoek, onderwijs, infrastructuur, innovatie en industriële capaciteit.

China heeft die les de voorbije twintig jaar toegepast. Europa lijkt haar steeds vaker te vergeten.

Laat dit niet gelezen worden als een vrijgeleide voor oneerlijke handelspraktijken of voor tekortkomingen van bepaalde Chinese producten en ondernemingen. Waar dumping of marktverstorende subsidies bewezen worden, moeten die worden aangepakt. Maar wie alle Europese problemen op China afschuift, vermijdt vooral een debat over de eigen tekortkomingen.

De toekomst van de Europese industrie zal niet worden beslist in Beijing. Ze zal worden beslist in Brussel. Niet door wat China doet, maar door wat Europa bereid is te veranderen.

Bron: DeWereldMorgen.be

Een nieuwe wereldorde moet opbloeien in Europa

Een nieuwe wereldorde moet opbloeien in Europa

Het idee dat de zogenaamde nieuwe wereldorde die autoritaire leiders willen vormgeven een realiteit is waaraan we ons moeten aanpassen, is verkeerd. Het is een bedreiging waartegen we ons moeten verzetten. De vraag is dus niet hoe Europa kan openbloeien in deze nieuwe wereldorde. De vraag is hoe we vanuit Europa mee vorm kunnen geven aan een andere, meer rechtvaardige wereldorde.

‘Eerst gaan we Griekenland onderwerpen’, zei koning Pyrrhus van Epirus op een dag tegen zijn raadgever Cineas.
‘En daarna?’ vroeg Cineas.
‘Daarna zullen we Afrika veroveren.’
‘En na Afrika?’
‘We trekken verder naar Azië, we zullen Klein-Azië en Arabië veroveren.’
‘En daarna?’
‘We zullen doorgaan tot in India.’
‘En na India?’
‘Ah!’ zei Pyrrhus, ‘dan zal ik rusten.’

Het is me opgevallen dat wanneer hooggeplaatste figuren spreken of schrijven over de veranderende geopolitieke situatie in de wereld, ze daarbij graag verwijzen naar beroemde filosofen of verhalen uit de oudheid. Of het nu de woorden van Antonio Gramsci of die van Thoukydides zijn die geciteerd worden: correctheid of de context waarin de woorden van de auteurs begrepen moeten worden, lijken daarbij van ondergeschikt belang.

Omdat ik me net zo belezen wil tonen en omdat ik mezelf de vrijheid wil gunnen om me daarbij net zo weinig aan te trekken van context of correctheid, begon ik dit artikel met een citaat uit de geschiedschrijving van de Griekse schrijver Plutarchus. Het gaat me daarbij niet om historische accuraatheid of wat de auteur eigenlijk wilde zeggen. Geheel de tijdgeest volgend ben ik vooral geïnteresseerd in een goed verhaal. 

Patriarch in paniek

Het fragment is een goed verhaal, een verhaal dat me bovendien doet denken aan een belangrijk personage in het hedendaagse politieke theater: Donald Trump. Terwijl nog onduidelijk is hoe het zogenaamde proces tegen de ontvoerde president van Venezuela moet verlopen en zijn oorlog tegen Iran vooral chaos blijkt te oogsten, heeft Donald Trump zijn oog alweer laten vallen op Cuba. 

“Weet je, mijn hele leven hoor ik al verhalen over de Verenigde Staten en Cuba. Wanneer gaan de Verenigde Staten het doen? Ik geloof echt dat ik de eer zal hebben om Cuba in te nemen. Dat zou een grote eer zijn”, zo vertelt hij. Wanneer een journalist verduidelijking vraagt bij het woord ‘innemen’, reageert Trump: “Of ik het nu bevrijd of verover; ik denk dat ik er alles mee kan doen dat ik wil.” 

Ik moet meteen denken aan de andere keer dat ik diezelfde stem heb horen zeggen dat hij ergens alles mee kan doen wat hij wil. “You can do anything. Grab them by the pussy.” Het lijkt de kern van Trumps wereldbeeld: alles grijpen wat er te grijpen valt, totale dominantie, ofwel het herleiden van de ander tot een object waar je mee kan doen wat je wil. 

Het presidentschap van Trump heeft vooral nadelen voor de wereld, maar het heeft wel het voordeel van de duidelijkheid. Trump toont ons waar de logica van dominantie die altijd eigen is geweest aan het imperialisme uiteindelijk toe leidt. Zoals een bloem sterft wanneer je ze plukt, zo vernietigt de imperialistische machtslogica alles wat het in bezit tracht te nemen. 

Mensen zijn geen objecten. Of ze nu in Groenland, Iran, Palestina, Libanon, Venezuela of Cuba wonen, mensen hebben hun vrijheid, hun waardigheid, hun menselijkheid. Je kan er niet zomaar mee doen wat je wil en als je dat probeert, zullen ze zich daartegen verzetten. Het is precies die drang naar vrijheid, waardigheid, menselijkheid die Trump de Cubanen verwijt. 

Trumps brutaliteit moet daarom vooral gezien worden als een teken van zwakte. Hij gedraagt zich als een patriarch die in paniek is omdat hij beseft dat zijn vrouw hem gaat verlaten. Let op: zo’n patriarch in paniek is heel gevaarlijk, tegelijkertijd is hij ook heel zielig. Hij mag nog zo veel het tegenovergestelde brullen: Trump kan met Cuba niet doen wat hij wil. En de oorlog die hij in Iran is gestart, heeft hij ook allesbehalve onder controle. Zijn macht is tanende. 

De Verenigde Staten van Amerika slagen er steeds minder in om de wereld te domineren. De opkomst van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) is niet te stuiten. In 1990 was het nominale BBP van de VS nog ongeveer 3 keer groter dan dat van de BRICS-landen samen; vandaag hebben de BRICS-landen die achterstand zo goed als volledig dichtgereden.

Trump zal er zich met alle macht van de wereld tegen verzetten en daarbij afgrijselijk veel leed aanrichten. Het is ook niet gegarandeerd dat wat erna komt beter is, maar wel dat hij uiteindelijk zal moeten berusten in de zekerheid dat elk imperium uiteindelijk ineenstort. 

Waarom niet meteen rusten, Donald?

Een oude dame

Terwijl de Verenigde Staten zich gedraagt als een kind dat weigert te erkennen dat het bedtijd is, lijkt de Europese Unie meer op een oude dame die niet goed meer uit bed raakt. 

Decennialang heeft de EU meegeprofiteerd van de zogenaamde op regels gebaseerde orde, goed wetende dat die orde deels een leugen was, omdat de sterksten zichzelf vrijstelling gunden wanneer het hen uitkwam. Het was misschien niet helemaal eerlijk, maar het was wel een goed verhaal, vooral omdat de Europese Unie als bondgenoot mee kon profiteren van de dominantie van de Verenigde Staten. 

Nu blijkt echter dat, wanneer het erop aankomt, de Verenigde Staten geen bondgenoten hebben, enkel belangen. Meer nog: de zittende regering in de VS heeft zich tot doel gesteld om regime change te bewerkstelligen in Europa. Het is de bedoeling, zo staat het zwart op wit in de nationale veiligheidsstrategie van de VS, om “verzet te cultiveren binnen de Europese landen tegen Europa’s huidige traject”.

In hun reactie hierop gedragen de Europese leiders zich als een groep hulpjes van de grote pestkop, die het probleem met pesten pas begrijpen wanneer zij er zelf het slachtoffer van dreigen te worden. Het bericht dat de Franse president Emmanuel Macron naar Donald Trump stuurde en dat Trump op zijn sociale media deelde, is op dat vlak veelzeggend. “Mijn vriend, we zijn het helemaal akkoord over Syrië. We kunnen grote dingen doen in Iran. Ik begrijp niet wat je wil doen in Groenland.”

Wanneer er een genocide plaatsvindt in Palestina, de president van Venezuela ontvoerd wordt of Iran wordt gebombardeerd, slaagt de Europese Unie er niet in om het internationaal recht te verdedigen. Wat de Europese leiders daarbij maar niet lijken te beseffen, is dat in een wereld waarin enkel het recht van de sterkste nog van tel is op een bepaald moment ook Europa getroffen zal worden. 

Geen Europees imperialisme

Dat Europa zich los moet maken van de Verenigde Staten is een inzicht dat langzaam maar zeker het publieke debat binnen is aan het sluipen. Wanneer dat inzicht echter niet gepaard gaat met het inzicht dat Europa zich tegelijkertijd los moet maken van de in de Verenigde Staten dominante ideologie waarin het recht van de sterkste centraal staat, blijft het Europese ontwaken halfslachtig. 

Heel vaak gaat de oproep om zich los te maken van Washington gepaard met een oproep tot militarisering van Europa. “In een geopolitiek speelveld waar geen andere wet nog geldt dan het recht van de sterkste, zal Europa om te overleven de sterkste moeten worden”, zo schrijft bijvoorbeeld ook Ilja Leonard Pfeijffer in zijn boek Absolute democratie.

Wat Pfeijffer – en velen met hem – lijkt te ontgaan, is dat er een contradictie gelegen is in het idee dat je de democratie met militaire middelen kan verdedigen. Historisch gezien zijn de militarisering van de samenleving en de afbraak van de democratie fenomenen die niet geheel toevallig samen voorkomen. Ook vandaag is het opmerkelijk dat, hoe harder onze politici roepen dat we ons moeten verdedigen tegen Trump en Poetin, hoe harder ze op Trump en Poetin beginnen te lijken. Europees imperialisme is niet het juiste antwoord op de brutaliteit van het Amerikaans imperialisme.

Binnen de Europese Unie wonen zo’n 450 miljoen mensen, op het Europese continent zo’n 750 miljoen mensen. Op het Afrikaanse continent leven meer dan dubbel zoveel mensen als in Europa en in Azië nog eens drie keer zo veel mensen. Als iedereen die in India en China woont samen omhoog zou springen, leggen ze bij wijze van spreken genoeg gewicht in de schaal om de wereld te doen kantelen. 

Daar kan Europa met democratische middelen nu eenmaal niets tegen beginnen. Zolang we vasthouden aan het idee dat een minderheid moet floreren door een meerderheid onder de knoet te houden, zullen we telkens weer het verhaal van koning Pyrrhus herhalen. De namen van de personages zullen veranderen, maar het scenario zal hetzelfde blijven. 

De vergissing die tot deze herhaling van de geschiedenis als tragische farce leidt, is het idee dat de zogenaamde nieuwe wereldorde die autoritaire leiders willen vormgeven een realiteit is waaraan we ons moeten aanpassen, terwijl het een bedreiging is waartegen we ons moeten verzetten. De vraag is dus niet hoe Europa kan openbloeien in deze nieuwe wereldorde. De vraag is hoe we vanuit Europa mee vorm kunnen geven aan een andere, meer rechtvaardige wereldorde. De vraag is hoe we de belofte van de op regels gebaseerde orde waar kunnen maken. Want het was misschien al die tijd een leugen, het is wel een goed verhaal. 

Een goed begin zou zijn om alvast alle economische, diplomatieke en militaire banden met Israël te verbreken. 

Bron: DeWereldMorgen.be