by admin | sep 7, 2026 | Economie
De ongelijkheid in ons land is groter dan verwacht. Dat blijkt uit een studie van de KU Leuven op basis van nieuwe data. Die nam niet alleen inkomen uit arbeid onder de loep, maar ook het vermogen, zoals spaargeld of aandelen. En dan ziet het plaatje er de laatste 15 jaar plots helemaal anders uit.
Qua inkomensongelijkheid gold België jarenlang als het Gallische dorp van Asterix en Obelix. Ons land was een uitzondering op de algemene internationale trend. Terwijl de inkomensongelijkheid overal om ons heen toenam, toonden rapporten van de OESO, de club van rijke landen, dat dat in België niet het geval was. Ons land kende volgens studies een zeer laag niveau van ongelijkheid, te vergelijken met egalitaire landen als Finland en Zweden.
Dat de ongelijkheid bij ons stabiel bleef, is allesbehalve evident. Want maatschappelijke veranderingen zoals een oudere bevolking en kleinere (eenouder)gezinnen wegen daarop. “Het is het beleid dat ervoor gezorgd heeft dat de ongelijkheid niet is gestegen”, zegt professor economie André Decoster van de KU Leuven.
“We hebben een herverdelend belasting- en uitkeringssysteem en dat heeft er tamelijk goed voor gezorgd dat de ongelijkheid min of meer stabiel is gebleven. Althans: op basis van de tot nu toe gebruikte bronnen.”
Voor hun boek ‘De paradox van ongelijkheid in België’ heeft een onderzoeksgroep van de KU Leuven, UAntwerpen en de ULB het beleid van de verschillende regeringen sinds 1985 onder de loep genomen. Onder bijna alle regeringen (Martens, Dehaene, Verhofstadt, Leterme, Van Rompuy, Di Rupo en De Croo) blijft de ongelijkheid bijna altijd stabiel.
“Als er fors moest bespaard worden, bijvoorbeeld in de jaren 1990 onder Dehaene, dan spaarde men zoveel mogelijk de laagste inkomensgroepen”, zegt Decoster. “Als er een belastingverlaging kon toegekend worden, bijvoorbeeld onder Verhofstadt begin jaren 2000, dan wonnen de laagste inkomensgroepen relatief meer dan de hogere.” Er is maar 1 uitzondering en dat is de regering Michel, waar alle inkomensgroepen evenveel wonnen.
Nieuwe bronnen, andere conclusies
De inkomensenquêtes, die doorgaans aan de basis liggen van zulke conclusies, zijn volgens de onderzoekers van de KU Leuven niet ideaal. Ze geven wel een goed beeld van inkomen uit arbeid, maar veel minder uit vermogen. Bovendien zouden rijke mensen minder snel deelnemen aan zulke enquêtes. Voor dit onderzoek zijn daarom andere bronnen gebruikt: een enquête naar het (inkomen uit) vermogen, de belastingaangiftes en de nationale rekeningen.
Die bronnen werpen nu een nieuw licht op de ongelijkheid in ons land. De inkomensongelijkheid is niet alleen hoger dan uit de klassieke enquêtes blijkt, ze verloopt ook minder stabiel dan we tot nog toe dachten. De dalende trend tot ongeveer 2010 komt tot stilstand, en sinds de financiële crisis neemt de inkomensongelijkheid in ons land toe.
Lage rente
De verklaring ligt in ons land niet bij de toenemende ongelijkheid in inkomen uit arbeid, maar wel bij het inkomen uit vermogen. Sinds 2010 is dat inkomen uit vermogen sterker gegroeid dan het bruto binnenlands product (bbp), de totale waarde aan goederen en diensten die ons land produceert. Bovendien is de ongelijkheid binnen dat inkomen uit vermogen ook nog fors toegenomen. Dat heeft voor een groot deel te maken met de lange periode van lage rente.
De interesten op spaarrekeningen, maar ook andere vastrentende producten zoals obligaties, zijn sinds de financiële crisis stevig gedaald. Deels door het beleid van de Europese Centrale Bank om de Europese economie uit het slop te halen, na de zware financiële crisis. Een lage rente moest lenen goedkoper maken en sparen ontmoedigen.
Denk maar aan de wettelijke minimumrente van 0,11 procent die jarenlang van toepassing was op de spaarrekeningen van veel banken. Of denk aan de periode dat het Agentschap van de Schuld zelfs geen staatsbon uitgaf omdat het rendement te laag zou zijn om het grote publiek te overtuigen. Bovendien zijn spaarrekeningen ruim verspreid onder de bevolking, waardoor voor een groot deel van de bevolking het inkomen uit vermogen afnam.
Aan de andere kant zijn de inkomsten uit meer risicodragend kapitaal, zoals dividenden uit aandelen, fors toegenomen. Zulke beleggingen zitten meer geconcentreerd bij een kleiner deel van de bevolking. Dat verklaart meteen waarom de ongelijkheid in inkomen uit vermogen sterk gestegen is.
“We dachten dat we echt een uitzondering waren en dat de ongelijkheid hier niet toenam. Nu hebben we een aanwijzing dat dat wel het geval is”, concludeert Decoster. “Maar dat betekent niet dat we vergelijkbaar zijn met de Verenigde Staten (zie grafiek, red.). Temeer omdat de toename van de ongelijkheid komt vanuit inkomen uit vermogen. In andere landen, zoals de VS maar ook in Duitsland, is het vooral de ongelijkheid in het arbeidsinkomen die is toegenomen. Bij ons blijft de ongelijkheid in het arbeidsinkomen eerder stabiel.”
Decoster: “Verschuiving naar belasting op inkomen uit vermogen is onvermijdelijk”
Wat kunnen de federale regeringsonderhandelaars met dit onderzoek? Volgens professor Decoster mag de conclusie van het onderzoek in elk geval niet zijn dat we een “absoluut gelijke samenleving” moeten willen, zo zegt hij in De Ochtend op Radio 1. “Sommige ongelijkheden zijn verantwoord, bijvoorbeeld als je veel risico neemt of heel hard werkt. Maar andere ongelijkheden, daar zijn we wel bekommerd over, zoals ongelijke startkansen of tegenslagen. Net daarvoor hebben we een zeer forse sociale zekerheid uitgebouwd.”
In zijn ogen is dé grote uitdaging van de politiek om die sociale zekerheid te blijven financieren, nu de bevolking en de economie aan het veranderen zijn.
“Politici hebben het altijd over de hervorming van de personenbelasting. Maar volgens mij ligt de échte uitdaging van de lasten op arbeid bij het feit dat de sociale zekerheid exclusief door arbeid wordt gefinancierd (en een beetje uit de algemene middelen). Als je dat wilt verschuiven, is er maar 1 andere mogelijkheid: een belasting op inkomen uit vermogen. Ik zou dus wel eerder kijken naar inkomen uit vermogen dan naar een vermogensbelasting zelf. Maar ik denk dat zo’n verschuiving onvermijdelijk is.”
Bron: VRT.NWS
by admin | sep 7, 2026 | Verkiezingen 2024
Het politieke najaar is begonnen. De eerste minister heeft meteen de krijtlijnen voor de begrotingsbesprekingen duidelijk gemaakt. Ook de andere partijen laten even in hun kaarten kijken, waardoor iedereen beseft dat het moeilijke onderhandelingen zullen worden, al ontkennen verschillende politici dat een val van de regering nakend is. Maar ook andere moeilijke dossiers, zoals de wet over de woonstbetredingen die in het najaar moet worden goedgekeurd, verhogen de moeilijkheidsgraad. En dan is er nog de PS die keihard oppositie voert. Soms zelfs onder de politieke gordel.
1. De slechte begrotingscijfers
Eerste minister Bart De Wever geeft geen persconferenties en nauwelijks interviews, en toch staat zijn visie op de begroting breed uitgesmeerd in alle kranten. Schaarste creëren heeft soms een groot rendement. Dat is het gevolg van de truc met de informele briefing: een uiteenzetting over de begroting voor alle politieke journalisten, zonder geciteerd te worden.
De uitgangspunten van de eerste minister worden trouwens gedeeld door sommige andere politieke partijen. De minister van Begroting, Vincent Van Peteghem van CD&V, voegt er in De Morgen zijn accenten aan toe. “We moeten de wereld het signaal geven dat we de zaak onder controle hebben. We hebben maatregelen nodig die meteen renderen, niet over 20 jaar.”
Dat is volgens de minister van Begroting de inzet van deze begrotingsonderhandelingen. “Faalt de regering, dan hebben we niet alleen iets uit te leggen aan de burgers. Dan nemen de financiële markten ons te grazen.”
Want de rentelast op de schuld stijgt snel. Dat is een internationaal fenomeen, maar hoe hoger de schuld, hoe groter het effect van die stijging. “De helft van het voorspelde tekort gaat dan op aan rentebetalingen. Daarbij komt een lek in de inkomsten. Dat verklaart mee het blijvende primaire tekort: we krijgen onze uitgaven onvoldoende gedekt. En ja, die uitgaven blijven ook stijgen, vooral door de vergrijzing.”
De eerste minister zou het liefst van al enkele maatregelen nemen die elk een groot bedrag opleveren. Zoals een btw-verhoging, een idee van Van Peteghem. “De btw-aanpak van de vorige ronde is een mooi voorbeeld van hoe je jezelf in de problemen werkt met kleine maatregeltjes, omdat je de grote hervorming niet aandurft. Keep it simple.”
Maar de liberalen herhalen, nog voor de aanvang van de onderhandelingen, hun veto. “De MR komt op voor de koopkracht. Voor ons is een aanval op de btw dan ook onaanvaardbaar.” Dat zegt vicepremier David Clarinval in La Libre Belgique. En zijn voorzitter Georges-Louis Bouchez sluit ook nieuwe lasten uit.
Opvallend is dat de eerste minister zelf geen voorstel op de tafel wil leggen. Hij heeft een mapje met een aantal ideeën, en wacht op de voorstellen van de andere partijen. De MR wil de uitgaven verminderen, en dus fors besparen. En de groei aanzwengelen. En ook dat is een axioma voor de eerste minister. “Als je wil dat meer mensen aan het werk willen gaan, moet je zorgen dat werken meer loont”, geeft ook Van Peteghem toe.
In elk geval zijn de cijfers die we voorgeschoteld krijgen heel negatief. We worden letterlijk rijp gemaakt voor de besparingen en belastingen die we zullen moeten ondergaan. En voorlopig klinkt er nauwelijks een positief geluid.
Er is op dit moment “geen licht aan het einde van de tunnel”, het beeld dat Wilfried Martens ooit gebruikte, of liever, niemand lijkt het licht te zien schijnen. Op 1 politicus na: Georges-Louis Bouchez. Die zei gisteren op zijn openingscongres dat de eerste minister te negatief communiceert. “Ik heb het daar al vele maanden over met de premier. Ik pleit ervoor om opnieuw wat bezieling en visie in de politiek te brengen.”
2. Woonstbetredingen
De woonstbetredingen is één van de belangrijke dossiers van het najaar, naast de begroting.
Een filmpje van 11.11.11 roept de parlementsleden op om het wetsontwerp niet goed te keuren. In het filmpje is te zien hoe een alleenstaande moeder met 2 minderjarige kinderen een schuilplaats zoekt in eigen huis terwijl er luid op de deur wordt gebonsd, en uiteindelijk de politie het huis binnenvalt.
In De Zevende Dag vindt minister van Asiel en Migratie Anneleen Van Bossuyt (N-VA) het filmpje misleidend. Volgens haar geldt het wetsontwerp alleen voor mensen die illegaal in het land verblijven, een gevaar zijn voor de openbare orde en systematisch niet meewerken aan een onderzoek. Bovendien is er nog een onderzoeksrechter die toestemming moet geven.
Verschillende burgemeesters, zoals Mohamed Ridouani (Vooruit) van Leuven of Jean Spinette (PS) van Sint-Gilles, hebben al een resolutie laten goedkeuren om de wet – wanneer die is goedgekeurd – niet toe te passen. En net dat irriteert de minister. “Brusselse burgemeesters klagen aan dat in Brussel mensen zonder papieren op hun straten rondzwerven, maar zelf zijn ze niet bereid een van de instrumenten om de criminaliteit te bestrijden, toe te passen.”
De vraag blijft of alle parlementsleden van Vooruit en Les Engagés dit ontwerp zullen goedkeuren. In elk geval hebben zowel minister van Begroting Vincent Van Peteghem (op Radio 1) als MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez dit weekend een val van de regering “onverantwoord” genoemd. En wanneer politici zeggen dat er geen verkiezingen komen, worden ze vaak net voorbereid.
3. Een film uit 1971
De PS-burgemeester van Charleroi, Thomas Dermine, heeft het moeilijk met de manier waarop de strijd tegen de drugshandel wordt gevoerd. Hij vindt dat de haven van Antwerpen niet streng genoeg controleert, waardoor de drugs steden als Brussel kunnen overspoelen. “Antwerpen is the weak entry point van de Europese drugssmokkel”, zegt hij letterlijk in De Standaard.
Drie ministers uit Antwerpen zijn daar volgens hem voor verantwoordelijk. Jan Jambon die bevoegd is voor de douane, Annelies Verlinden die te weinig agenten van de federale gerechtelijke politie inzet, en de eerste minister die niets doet. Dermine spreekt over de ‘Antwerp Connection’. Dat is een verwijzing naar de populaire film ‘The French Connection’ uit 1971, waarin New York wordt overspoeld door Franse drugs vanuit Marseille. Het is een keiharde politiefilm in een rauwe, realistische stijl, beloond met 5 Oscars.
Volgens Dermine staan de drie Antwerpse ministers “veel te dicht bij het Antwerpse zakenleven”. Met de verwijzing naar de politiefilm suggereert hij wel dat de Antwerpse politiek en de misdaadmaffia met elkaar verweven zijn. Maar zover wil Dermine niet gaan.
“Mijn punt is dat de Antwerpse zakenwereld en het leadership van deze regering heel dicht bij elkaar staan. Daardoor zijn die politici zich erg bewust van de industriële en logistieke belangen van hun copains, die zo veel mogelijk vrij spel moeten krijgen voor hun economische activiteiten. Daardoor is er te weinig oog voor een situatie die alle stadscentra degradeert. Het gebeurt onbewust, maar het gebeurt wel.”
Metaforen zijn altijd handig in politieke communicatie. Ook tijdens het debat in de commissie gebruikte PS-Kamerlid Ridouane Chahid hetzelfde beeld. Het is dus uitgewerkt door de PS-spindoctors, maar hier gaat de PS toch heel kort door de bocht. Want zonder bewijzen is het een slag onder de politieke gordel.
Bron: VRT.NWS
by admin | sep 7, 2026 | Economie
Waste Warriors, een organisatie die zich inzet tegen voedselverspilling, roept supermarkten op om gewichtsnormen voor groenten en fruit te laten vallen. “Schoonheidsidealen” van supermarkten maken 10,2% van de oogst van Vlaamse landbouwers onverkoopbaar en verspillen jaarlijks 120 miljoen kilo groenten en fruit”, klinkt het. De federatie van Belgische supermarkten nuanceert de kritiek, maar wil het gesprek aangaan. “De supermarkten erkennen dat specificaties regelmatig tegen het licht moeten worden gehouden, zeker nu extreme weersomstandigheden tot grotere verschillen in vorm en formaat leiden.”
In een open brief aan alle grote supermarktketens roept Waste Warriors op om gewichtsnormen voor groenten en fruit te laten vallen en de consument te laten kiezen: geef groenten en fruit in alle maten en vormen een plek in de rekken. Tegelijkertijd organiseert de Antwerpse organisatie tegen voedselverspilling een petitie om 10.000 handtekeningen te verzamelen. Die wil Waste Warriors op 30 oktober aanbieden aan de supermarkten.
Waste Warriors verwijst naar onderzoek van de Universiteit Gent in opdracht van het toenmalige Vlaamse Departement Landbouw en Visserij. Daaruit blijkt dat Vlaamse landbouwers door cosmetische kwaliteitseisen gemiddeld 10,2% afzetverlies rapporteren. Voor de belangrijkste onderzochte teelten gaat het volgens de organisatie samen om bijna 120 miljoen kilo groenten en fruit.
Bij groenten is het afzetverlies volgens de organisatie vooral groot bij bloemkool (13,9%), wortelen (13,3%), knolselder (12,6%) en courgette (11,5%). “Bij appels loopt dat op tot bijna 20 procent. Bij zoete aardappel kan het aandeel dat de winkelrekken niet haalt in bepaalde seizoenen zelfs oplopen tot 40 procent.”
Broccoli standaard 500 gram
Marketingstandaarden bepalen volgens Waste Warriors al decennialang hoe groenten en fruit eruit moeten zien voor ze in de winkelrekken belanden. “Alles wat niet aan de norm voldoet, verdwijnt uit de keten nog voor het bij de consument geraakt. Zo moet een pompoen minstens 400 gram wegen, terwijl een zoete aardappel maximaal 800 gram mag wegen.” Uit eigen onderzoek zou blijken dat bij zeven op de tien onderzochte grote Belgische supermarktketens een broccoli steevast exact 500 gram weegt. “Om daarvoor te zorgen, worden grotere exemplaren bijgeknipt, waarbij eetbare roosjes verloren gaan”, klinkt het.
De verspilling als gevolg van de cosmetische normen zou in de toekomst kunnen oplopen als gevolg van de klimaatopwarming en de extreme weersomstandigheden. “De hittegolf van deze zomer zorgt ervoor dat groenten kleiner zijn. En de hagel van dit voorjaar veroorzaakte schilschade bij heel wat fruitsoorten. Eén vlekje kan al genoeg zijn om perfect eetbaar fruit af te keuren”, zegt Thomas Schiltz, stichter van Waste Warriors. “Onze mailbox loopt ondertussen over van telers met miljoenen kilo’s perfecte groenten en fruit die hierdoor dreigen niet in de winkelrekken te belanden.”
Supermarkten: specificaties aanpassen door weersomstandigheden
De supermarkten erkennen via sectororganisatie Comeos dat de weersomstandigheden impact hebben. “Specificaties zouden regelmatig tegen het licht gehouden moeten worden, zeker nu extreme weersomstandigheden tot grotere verschillen in vorm en formaat leiden. Waar normen niet wettelijk verplicht zijn, moet ruimte bestaan om ze aan te passen wanneer dat voedselverlies kan voorkomen, zonder afbreuk te doen aan voedselveiligheid, correcte consumentenvoorlichting en commerciële haalbaarheid”, meldt Comeos aan VILT. De organisatie zegt open te staan voor overleg hierover met landbouwers, veilingen, consumentenorganisaties en Waste Warriors.
Tegelijkertijd weerleggen de supermarkten de beschuldigingen van Waste Warriors. “De indruk dat supermarkten massaal perfect eetbare groenten en fruit weggooien omdat ze niet mooi genoeg zijn, is te simplistisch”, aldus Comeos-woordvoerder Hans Cardyn.
“Gewichtsnormen niet alleen om esthetische redenen”
Supermarkten hanteren volgens hem bepaalde kwaliteits- en maatspecificaties niet louter om esthetische redenen. “Sommige normen zijn vastgelegd in Europese regelgeving. Bijvoorbeeld rond minimale kwaliteit, versheid, het intacte, herkomst, kwaliteitsklasse en voor bepaalde producten sortering naar grootte. Andere specificaties worden binnen de keten afgesproken om producten efficiënt te kunnen verpakken, vervoeren, prijzen en presenteren. Of om de consument een herkenbaar product en een voorspelbare hoeveelheid te bieden.”
“Bij producten die per stuk of in een verpakking met een vast gewicht worden verkocht, is een zekere uniformiteit praktisch belangrijk”, vervolgt hij. “Die zorgt ervoor dat producten in de verpakking passen, dat de aangegeven hoeveelheid klopt en dat consumenten producten en prijzen gemakkelijk kunnen vergelijken. Ook houdbaarheid, rijpheid, stevigheid en weerstand tegen transportschade spelen een rol.”
Niet verkocht is niet per se weggegooid
Tegelijkertijd weerlegt Comeos de beschuldiging dat groenten en fruit die niet aan de specificaties voldoen, worden weggegooid. “Afhankelijk van hun kwaliteit worden ze rechtstreeks verkocht, aangeboden in gemengde pakketten of verwerkt tot soep, sap, puree, salades of bereide maaltijden. Ook zijn er schenkingen aan sociale organisaties of verdere valorisering, bijvoorbeeld als dierenvoeding.”
Daarmee weerlegt Comeos de interpretatie van Waste Warriors van het onderzoek van UGent, dat inmiddels al tien jaar oud is en volgens de sectororganisatie deels achterhaald en incorrect is. “10,2 procent afzetverlies in het beoogde kanaal is niet hetzelfde als 10,2 procent weggegooid voedsel.”
Voor meer recente cijfers verwijst het naar eigen onderzoek. Comeos rapporteerde dat in 2024 meer dan 97,5% van de voeding in de winkelrekken verkocht raakte en dat minstens 31 miljoen maaltijden werden geschonken. “Van voeding die niet meer voor menselijke consumptie geschikt was, ging volgens die cijfers 15% naar dierenvoeding en 79% naar vergisting.”
Bron: VILT.be
by admin | sep 7, 2026 | Onderwijs
Onderwijs is te belangrijk om het elke vijf jaar aan politieke dadendrang over te laten. Misschien hebben we geen nieuwe minister van Onderwijs nodig, maar opnieuw een minister van Opvoeding. Want de verantwoordelijkheid voor onze jeugd ligt niet alleen bij de school, maar bij ons allemaal.
eer dan twintig jaar geleden leerde ik het Antwerpse theatergezelschap Marthatentatief kennen en zag hun stuk over De ontembare stad.
Twee jaar geleden maakte Bart Van Nuffelen, de maker van de wondermooie podcast De Kunst van het verdwijnen, samen met onze collega’s en jongeren het jeugdtheaterstuk Fatilou M. Bijna een jaar lang liep hij rond op onze school. Hij wilde de wereld van onze jongeren leren kennen, begrijpen en vatten, om vervolgens samen met hen een stuk te maken.
Dat leverde niet alleen een theaterstuk op, maar ook onderstaande tekst. Bart schreef de tekst voor De veranderende stad maar herschreef hem speciaal voor ons team. Hij las de tekst voor op, jawel, een pedagogische studiedag. Gelukkig kon dat toen nog.
Deze tekst is voor mij een mooie analyse van de staat van onze maatschappij én ons onderwijs. Vooral de positiviteit ervan raakt me elke keer opnieuw. Alles is mogelijk.
Wij werken in een sciencefictionschool: de toekomst doet zich hier voor nog voor wij – en vooral anderen – haar kunnen zien en begrijpen.
Alles verandert voortdurend. Maar nergens zo zichtbaar als hier in Antwerpen, hier in Deurne, hier in de Spectrumschool.
Statistisch gezien is het aannemelijk dat er vandaag, tijdens deze vergadering, ergens een nieuwe inwoner en toekomstige leerling van onze school wordt geboren.
En wonderlijk genoeg is de kans reëel dat dat kindje ver van hier geboren wordt: in Afghanistan, Marokko, Eritrea of tussen de kapotgeschoten muren van een stad in Oekraïne of Palestina.
Binnen vijf jaar komt het misschien samen met zijn broertjes, zusjes en ouders in onze stad wonen.
En toeval of niet: hun komst zal een kantelmoment zijn.
Voor het eerst in de geschiedenis zullen er in Antwerpen, en dus ook op onze school, meer mensen wonen met een andere origine dan mensen met een oorspronkelijke Belgische achtergrond. In andere wereldsteden, zoals New York en Londen, is dat al langer de realiteit.
Die verandering is. Ze gebeurt. En ze is niet tegen te houden of terug te draaien.
Het enige wat we kunnen doen, is die verandering erkennen, begrijpen en omarmen.
De kans is ook reëel dat dat stadskind zich hier niet welkom zal voelen. Dat het zal opgroeien in een verdeelde stad.
Het is aan ons allemaal om ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.
Want het kan ook anders.
Het kan hier gelukkig worden. Het kan deel uitmaken van een nieuwe, open stad.
Het is allemaal mogelijk.
Dat kindje groeit op in Antwerpen, in Deurne. Het gaat naar de basisschool in de buurt en vervolgens naar het middelbaar, op de Spectrumschool.
Met andere woorden: dat kindje komt jullie tegen.
En gelukkig maar.
Want zonder dat jullie het zelf weten of ten volle beseffen, zijn jullie, jullie werk en jullie aanwezigheid een essentiële kracht in deze veranderende stad en school.
Jullie zetten kinderen en jongeren die nooit anders gekend hebben dan dat ze hard moesten duwen om vooruit te geraken, even uit de wind.
Jullie tonen dat sommige mensen wind mee hebben en anderen wind tegen. Dat daar op korte termijn niet altijd iets aan te veranderen is. Maar vooral: jullie leren hen dat wind tegen je niet minder maakt.
Integendeel.
Als je begrijpt waarom je wind tegen hebt, kan het je misschien zelfs sterker maken. In ieder geval helpt het je om klaar te zijn voor een waardevol leven in Antwerpen. Een leven waarin je nodig bent.
Dat is jullie job.
En dat is wat jullie zo belangrijk maakt voor de toekomst. Voor die voortdurend veranderende stad waar wij allemaal deel van uitmaken.
Over tankers en andere schepen
“Het onderwijs is geen tanker, maar een vloot van schepen”. Het is het nieuwe credo van onze minister van Onderwijs, Zuhal Demir (N-VA). En gelijk heeft ze!
Sommige scholen lijken op cruiseschepen, andere op gammele bootjes. De omstandigheden verschillen enorm. Soms zelfs zo sterk dat vergelijkingen tussen scholen nauwelijks zinvol zijn.
We hebben in Vlaanderen verschillende rederijen: de netten en koepels, maar ook heel veel verschillende inrichtende machten. Daarnaast is elke lokale context anders.
Een school in Antwerpen is geen school in Ieper. Een vakschool is geen humaniora. Niet qua infrastructuur, niet qua leerinhouden en vaak ook niet qua instroom. Een basisschool is zowel in de praktijk als in de regelgeving nauwelijks te vergelijken met een secundaire school. En dan hebben we het nog niet gehad over het buitengewoon onderwijs, het volwassenenonderwijs, het deeltijds kunstonderwijs of het hoger onderwijs.
Elke school is dus een ander bootje. Maar we zitten wel allemaal in hetzelfde schuitje.
Vroeger was alles beter?
Volgens sommigen was vroeger alles beter. Dat ik anders dan mijn kinderen ben opgegroeid, valt moeilijk te ontkennen. Ik ben net 47 geworden. Ik merk zelfs een groot verschil tussen hoe mijn oudste dochter van 24 opgroeide en naar school ging, en hoe mijn jongste dochter van 8 vandaag opgroeit.
De nood aan meer structuur en meer common ground is reëel.
Het is dan ook goed dat onze minister die noodzaak erkent en ernaar handelt. Meer aandacht voor regels en routines, maar ook voor gedrag als onderdeel van het curriculum, zijn noodzakelijke stappen.
Maar ze zullen op zichzelf niet het wezenlijke verschil maken waarop we hopen.
Daarvoor moet er veel meer gebeuren. In het onderwijs, maar ook in de maatschappij. Want daar zit volgens mij een belangrijk deel van het probleem.
‘It takes a village to raise a child’. Maar die ‘village’ zijn we kwijt
It takes a village to raise a child. Maar die village zijn we kwijt. Wanneer het misloopt, wordt er vooral naar ‘het onderwijs’ gekeken. Kinderen worden niet alleen thuis en op school opgevoed. Ze leren ook in de publieke ruimte hoe onze samenleving werkt, hoe we met elkaar omgaan en wat we belangrijk vinden. Maar net die publieke ruimte wordt steeds minder een gemeenschappelijke ruimte. We leven in een bijzonder individualistische maatschappij.
Ook onze gemeenschappelijke cultuur verandert razendsnel. Ze wordt tegelijk steeds wereldser, maar ook steeds kleiner.
Ik ben opgegroeid met Samson. Mijn oudste dochter met K3. Mijn jongste lijkt veel minder common ground te hebben met haar klasgenoten, behalve wanneer er weer een nieuwe TikTok-rage is. Zoals onlangs de ‘dumpling unboxing’: plastic prullen uitpakken die achteraf zelfs eerder toxisch bleken te zijn.
De tijd waarin iedereen FC De Kampioenen kende en Jommeke las, is voorbij. Dat lijkt misschien onschuldig, maar het heeft vele gevolgen. Ook voor onze taal bijvoorbeeld. Zegswijzen die voor ons vanzelfsprekend zijn omdat we ze tientallen keren hoorden in dezelfde televisieprogramma’s en nadien leerden op school, kennen onze kinderen niet meer. Zij brengen op hun beurt nieuwe woorden binnen in onze maatschappij. Dat is niet beter of slechter. Het is anders. En daar moeten we mee leren omgaan. Wanneer we willen dat onze kinderen die ‘oude’ spreekwoorden kennen, moeten we hen dit ook expliciet aanleren en niet verwachten dat deze kennis vanzelf komt.
Politici proberen maatschappelijke veranderingen soms tegen te houden met verboden. Eerst de smartphone, binnenkort misschien sociale media. Ik vind dat bijzonder naïef. Ik ben een zeer koele minnaar van het smartphoneverbod. Wij hebben immers jongeren die vroeger naar school komen om via de wifi van school te werken, lezen of op te zoeken. Niet iedereen heeft die toegang thuis. Maar ook, in de geest van de tekst van Bart, de verandering kan je niet tegenhouden. Je kan alleen leren ermee om te gaan.
Dat betekent uiteraard niet dat we alles blindelings moeten laten gebeuren. We moeten grenzen stellen, keuzes maken en jongeren beschermen waar dat nodig is.
Maar we moeten vooral begrijpen dat de wereld van vandaag niet opnieuw de wereld van gisteren wordt. En daar moeten we in het onderwijs meer rekening mee (kunnen) houden.
Een mening is nog geen visie
Politiek en onderwijs, het blijft een moeilijke combinatie. Iedereen heeft een mening over onderwijs, want iedereen is ervaringsdeskundige. Ook onze politici zaten allemaal op de schoolbanken. Sommigen zelfs bijzonder lang. Toen kon dat nog; toen was alles immers beter. Maar een mening is nog geen visie. Dat het onderwijs zo sterk gepolitiseerd is, vind ik één van de grootste extralegale nadelen van onze sector.
Ik ben nu veertien jaar directeur en heb dus al een aantal ministers zien passeren. Elke minister wil zijn of haar stempel drukken. Logisch. Dat is politiek.
Maar voor het onderwijs is die voortdurende dadendrang minder logisch. Vooral de afgelopen jaren is dat erg voelbaar geworden. Niet alleen door de hoeveelheid veranderingen, maar ook door de snelheid waarmee ze worden ingevoerd en gecommuniceerd.
Je hoort iets eerst op sociale media of in het nieuws. Pas daarna komt de beleidstekst. En tegen dat je de concrete impact ervan op je schoolwerking hebt kunnen inschatten, staat de volgende maatregel alweer voor de deur. Dat is geen goede manier om duurzaam onderwijsbeleid te voeren.
Neem de modernisering van het secundair onderwijs: meer opleidingen in plaats van minder. Meer werk voor schoolteams. En minimumdoelen die zo vaag zijn opgesteld dat elke vakgroep op elke school ze zelf moet interpreteren en vertalen. Dat kost tijd en energie. Bovendien heeft dit ook gevolgen voor jongeren die van school veranderen. Wat op de ene school ‘nauwkeurig werken’ is, is dat niet noodzakelijk op de andere.
Onze collega’s van de eerste graad hebben intussen al twee ingrijpende moderniseringen achter de rug. Met de nieuwe minimumdoelen in het basisonderwijs komt er mogelijk opnieuw een aanpassing. Drie moderniseringen op minder dan tien jaar tijd. Vraag het aan een expert veranderingsmanagement. Vraag het aan een expert motivatiepsychologie. Of nog beter: vraag het aan de leraar die elke dag voor een klas staat. Ze zullen er waarschijnlijk hetzelfde over denken. Alleen heeft die laatste er meer last van.
Corona bracht Europees relancegeld en daarmee de Digisprong. De strategische doelstelling was (te) eenvoudig: elke leerling een eigen laptop. De gevolgen waren drastisch en wat mij betreft dramatisch: scholen braken computerlokalen af, leerkrachten gingen aan de slag met nieuw digitaal lesmateriaal, jongeren zaten elk lesuur achter een laptop, ouders werden op kosten gejaagd omdat elke school haar eigen digitale aanpak had.
En toen kwam er een nieuwe minister. Nieuwe inzichten. Nieuwe spelregels. Onze huidige minister verkiest immers pen en papier, en gelooft niet in volledig digitaal werken. En gelijk heeft ze.
Maar daar zit precies mijn punt. Het probleem is niet dat een minister een andere visie heeft. Het probleem is dat we telkens opnieuw van koers veranderen zonder dat er een langetermijnvisie onder ligt. We hadden geen laptopplan nodig. We hadden een onderwijskundige visie op digitalisering nodig.
Het extralegale nadeel: de politiek
Een nieuwe regering, een nieuwe focus. Een nieuwe ronde in de rollercoaster.
Over het smartphoneverbod had ik het al. Maar er zijn nog andere dossiers. Neem ‘Iedereen Taalheld’. De analyse is moeilijk te betwisten: ja, taal is belangrijk. Ja, taalverwerving verloopt anders dan vroeger. Ja, onze jongeren hebben nood aan een sterke taalbasis, nu nog meer dan vroeger. Er moet dus wat veranderen in de aanpak van de afgelopen jaren. De gekozen oplossing via de Taalheldklassen en in het secundair de Taalhelduren zal echter nooit voldoende slagkracht hebben wanneer dit niet wordt ingebed in een ruimer plan.
Bovendien kregen scholen alweer bijzonder weinig tijd om dit concreet uit te werken.
Wat dit dossier extra pijnlijk maakt: tegelijk met de terechte focus op taal, werd de omkadering voor de vervolgcoaching van anderstalige nieuwkomers met twee derde verminderd. Niet omdat wetenschappelijk onderzoek of praktijkervaring aantoonde dat die omkadering niet nodig was. Integendeel: net daarom werd het tien jaar geleden onder minister Crevits ingevoerd.
De reden? Er moet worden bespaard en ‘deze leerlingen behoren nog steeds tot de meest omkaderde leerlingen’. Sic het kabinet. Wetende dat dit over jongeren in bijzonder kwetsbare situaties gaat, is dat een zeer cynische uitspraak.
Ook de levensbeschouwelijke vakken moesten worden aangepast. De berekeningswijze werd plots drastisch aangepast, zogezegd om het voor scholen eenvoudiger te maken en natuurlijk ook om te besparen. Op onze school kregen we zo de absurde situatie dat we op drie weken tijd gingen van een vakgroep van tien mensen naar vier en vervolgens terug naar tien. Het massale protest maakte immers duidelijk dat deze aanpassing enkel nefaste gevolgen zou hebben.
Het siert onze minister dat ze de maatregel uiteindelijk introk.
Maar tegelijk kwamen er andere ‘kleine aanpassingen’, zoals ze het zelf noemt.
Weg facultatieve verlofdag. Weg pedagogische studiedag. Minder evaluatiedagen, vooral in scholen met permanente evaluatie. En opnieuw studie op school. Het lijken misschien kleine aanpassingen. Maar wie in een school werkt, weet dat ze een enorme impact hebben op de dagelijkse werking. En dan is de vraag: Wat is er níet veranderd? Wat we echt nodig hebben.
Extralegale voordelen
Ik had het al over een extralegaal nadeel. Natuurlijk heeft het onderwijs ook extralegale voordelen. Al zijn die minder zichtbaar dan in de privésector. Geen dertiende maand. Geen maaltijdcheques. Geen tweede pensioenpijler.
Wat hebben we dan wel? Om te beginnen: betekenis. Onze job doet ertoe. Het gevoel dat je een verschil kunt maken, zelfs al is het maar voor een deel van je leerlingen, is moeilijk in woorden te vatten. Niets is mooier dan een oud-leerling tegenkomen en horen hoe het met hem of haar gaat. En dan horen dat onze school, of één van onze leerkrachten, ooit het verschil heeft gemaakt. Dat is een extralegaal voordeel dat geen enkele loonbrief kan vatten.
Het tweede voordeel kunnen we moeilijk ontkennen: de vakanties. Ja, we hebben veel vakantie. Ja, die vakantie doet deugd. En ja, ze is nodig. Naast bijwerken zijn het vooral onze recuperatiedagen na een schooljaar waarin een echte 38-urenweek eerder uitzondering dan regel is. Een beetje de annualisering van de arbeidstijd die de regering-De Wever wil avant la lettre.
Sinds onze vorige minister en die vermaledijde Digisprong hebben we er nog eentje bij: een internetvergoeding van 20 euro per maand. Mooi meegenomen.
Maar mijn persoonlijke favoriet is een ander, vaak onderschat extralegaal voordeel: wij kunnen twee keer nieuwjaar vieren!
Het gevoel van 1 september lijkt voor mij sterk op dat van 1 januari. Nieuwe plannen. Nieuwe kansen. Nieuwe leerlingen. Nieuwe collega’s. Nieuwe agenda (jawel, op onze school is dat een papieren versie). Nieuwe lijstjes. Wat wil je veranderen? Wat heb je nodig? Wat zou je graag anders doen?
Nieuwjaarke zoete
Bij de start van het nieuwe schooljaar, onze tweede nieuwjaarsdag dus, maakte ik daarom een nieuwe benodigdhedenlijst.
1. Een minister van Opvoeding (of liever nog: géén minister)
Het gedenkteken hangt er nog in ons gebouw van 1975: ingehuldigd door Herman De Croo, minister van Nationale Opvoeding. Vroeger was alles beter, dat dus ook. Alleen al die titel maakt duidelijk dat we samen verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van onze jeugd. Niet enkel de ouders, niet enkel de school. Minstens symbolisch lijkt me die titel nu zeker aan de orde. Aangezien onze politiek wel houdt van symboolbeslissingen, kan dit er misschien ook eentje worden.
Moest ik kunnen kiezen, komt er dus opnieuw een minister van Opvoeding. Of liever nog: géén minister, en wordt onderwijs volledig losgekoppeld van de vijfjaarlijkse politieke dadendrang.
2. Een visie die verder gaat dan oneliners
We hebben immers een visie nodig die verder gaat dan één regeerperiode. Een visie die niet alleen vertaald wordt in operationele doelen, maar ook in strategische en vooral duurzame keuzes.
‘Elke leerling een laptop’ is daar een mooi voorbeeld van. Natuurlijk had het onderwijs nood aan een ICT-toekomstplan. Sommige scholen meer dan andere. Maar zo’n plan gaat over veel meer dan laptops.
Hetzelfde geldt voor het schrappen van een pedagogische studiedag of het verminderen van evaluatiedagen. Lestijd optimaliseren is een verdedigbare strategische doelstelling. Maar dan moeten de operationele keuzes wel kloppen.
Er zijn vandaag veel grotere uitdagingen.
Jongeren die vaak afwezig zijn, gewettigd of ongewettigd, en daardoor enorme hoeveelheden lestijd missen. Dat heeft gevolgen voor hun slaagkansen, voor de lestijd én voor de werklast van elke leraar. Toch lees je daar in het regeerakkoord weinig over, behalve dat ouders gestraft moeten worden.
Jongeren die wel op school zijn maar uren les per week missen door een afwezige leraar. Het lerarentekort bestaat en heeft verstrekkende gevolgen. De minister werkt momenteel aan een nieuw plan, dat hopelijk voldoende ruim en allesomvattend is.
Of neem het acute plaatstekort in bepaalde regio’s. Vandaag zijn er jongeren die niet in de opleiding terechtkunnen die bij hen past. Een jongen die elektricien wil worden maar noodgedwongen in verzorging start, heeft beduidend minder kans op een succesvolle schoolloopbaan. Daar verandert enkele uren meer studie op school niets aan.
3. Een visie die rekening houdt met doelgroep en context
Een one-size-fits-all model is zelden mooi.
Ja, we varen dezelfde richting uit. Maar niet elk schip heeft dezelfde motor nodig. Niet elk schip vaart in dezelfde omstandigheden. En niet elk schip heeft dezelfde bemanning.
Tijdens corona werd pijnlijk duidelijk hoe weinig kennis er soms is over andere vormen van onderwijs dan het klassieke ASO. Ook vandaag wordt te weinig rekening gehouden met de specifieke noden van bijvoorbeeld het buitengewoon onderwijs of het praktijkonderwijs. Dat bleek uit de recente ‘kleine aanpassingen’ waar er verhoudingsgewijs meer werd geschrapt in evaluatiedagen in scholen met permanente evaluatie dan in scholen met examens.
4. Een echte visie op buitengewoon en praktijkonderwijs
We hebben dringend een concrete visie nodig op het buitengewoon én het praktijkonderwijs.
Vraag aan tien mensen wat inclusief onderwijs betekent en je krijgt tien verschillende antwoorden. Ik blijf dan ook op mijn honger zitten bij het nochtans knappe werk van het beleidsplan Scholen voor iedereen over een duidelijke definitie van inclusie. Hoe ver willen we gaan? Dat is geen theoretische vraag. We hebben vandaag immers vier opleidingsvormen en acht verschillende types binnen het buitengewoon onderwijs.
Nog pijnlijker is misschien de vraag: zou jij jouw eigen kind naar het praktijkonderwijs sturen? Het vakonderwijs is meestal de laatste keuze.
Dat is deels perceptie, maar die perceptie wordt ook door beleid gevoed. Je kan starten in Latijn en daarna ‘afzakken’ naar hout. Omgekeerd kan het niet. De waterval dus.
Jongeren worden meestal/bijna altijd pas naar het vakonderwijs gestuurd wanneer ze falen in theoretische vakken, vaak wiskunde of talen. Alsof een vakman of vakvrouw die competenties niet nodig heeft. Alsof technisch of praktisch talent minder waard is dan theoretisch talent. Zolang we dat niet veranderen, blijft het praktijkonderwijs de laatste keuze.
5. Data zijn belangrijk, maar praktijkervaring is onmisbaar
Data zijn nuttig. Ze kunnen onze koers bepalen. Maar data staan nooit op zichzelf. Je kunt dezelfde cijfers bovendien op verschillende manieren interpreteren. Daarom zijn data en wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk, maar niet voldoende.
Ook praktijkervaring en expertise uit het veld zijn cruciaal. En precies daar wringt het vandaag. Beleid wordt te vaak gemaakt over scholen, in plaats van met scholen.
Wie dagelijks voor een klas staat, een school organiseert of jongeren begeleidt, beschikt over kennis die je niet uit een spreadsheet haalt. Die expertise moet mee aan tafel.
Stabiele koers
En dan terug naar het begin: we kunnen de verandering niet tegenhouden. De toekomst is er al. Ze zit vandaag in onze klaslokalen. In de jongeren die hier rondlopen. In hun taal, hun cultuur, hun verwachtingen, hun zorgen en hun dromen. Anders dan toen wij opgroeiden. Niet beter, niet slechter. Het is aan ons, de vloot van schepen, om te leren varen in de wereld die eraan komt. Met behoud van wat goed werkt en aanpassingen waar nodig. Met vertrouwen in de mensen aan boord. Maar bovenal met een duidelijke en stabiele koers. Ondanks de kapitein die elke vijf jaar wisselt.
Liefste leerkrachten en alle medewerkers in en rond onderwijs: geniet van jullie nieuwjaarsdag en vergeet niet dat uiteindelijk alles mogelijk blijft!
Bron: Sampol.be