De Senaat is officieel gestart met de eedaflegging van de senatoren. Hoewel verschillende partijen (al lang) pleiten om de kamer van het federale parlement af te schaffen, bestaan mogelijkheden om die opnieuw relevant te maken. Dat zegt Patricia Popelier, professor Grondwettelijk Recht aan de Universiteit Antwerpen.

Heeft de Senaat nog nut? Dat is de vraag die veel Belgische politici zich stellen. “De Senaat is altijd al controversieel geweest”, zegt Patricia Popelier in onze dagelijkse podcast Het Kwartier. De Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers vormen samen de twee kamers van het federaal parlement.

Na de onafhankelijkheid van België (1830) is een jaar later gekozen voor een tweekamerstelsel, met de Kamer en de Senaat. “Daar zijn veel discussies aan voorafgegaan.”

De geschiedenis van de Senaat

De Senaat werd in 1831 opgericht als brug tussen de Kamer en de koning. “De Kamer moest centraal staan, om de macht bij de koning weg te nemen. Om jonge progressieve mannen daar in toom te houden, hebben ze de Senaat opgericht. Daarin zaten dan vooral oudere, wijzere mannen, die wetsvoorstellen konden tegenhouden.”

Door de jaren heen evolueerde België tot een meer democratisch land, waarbij meer mensen stemrecht kregen. “Dat vormde een probleem voor de Senaat, want het zou wettelijk niet meer mogelijk zijn om wetten tegen te houden. Stelselmatig hebben ze dan de voorwaarden aangepast om senatoren te kiezen.”

Die voorwaarden werden zo vaak aangepast, dat na verloop van tijd de Kamer en de Senaat bijna dezelfde functies hadden. “Met tot gevolg dat de Senaat geen nuttige taken meer had en dat bepaalde beslissingen alleen maar werden opgehouden door dat orgaan.”

In 1994 volgde een oplossing die we vandaag nog kennen. “Ons land keek toen naar andere federale staten om te bekijken hoe zij het probleem rond de Senaat hadden opgelost. In die landen vertegenwoordigt de Senaat niet het hele volk, maar wel de verschillende deelstaten.”

Die structuur wou ook ons land hanteren. “Maar in het begin werd dat maar halfslachtig doorgevoerd. Het was zeer complex, waar niemand tevreden over was. Uiteindelijk hebben ze er in 2011 (na de zesde staatshervorming, red.) een echte deelstaten-Senaat van gemaakt, met alle gewesten en gemeenschappen. Maar het politieke orgaan kreeg nauwelijks bevoegdheden.”

Hoe ziet de Senaat er nu uit?

Sinds de verkiezingen van 2014, de eerste na de zesde staatshervorming, kiezen we niet meer rechtstreeks wie in de Senaat mag gaan zitten. Het zijn de parlementen van de deelstaten in ons land die 50 van hun leden afvaardigen naar de Senaat:

29 senatoren worden aangeduid door het Vlaams Parlement en de Nederlandse taalgroep van het Brussels Parlement

Er zijn ook 20 Franstalige senatoren: 10 aangeduid door het parlement van de Franse gemeenschap, 8 komen uit het parlement van het Waalse Gewest en de Franse taalgroep van het Brussels Parlement duidt nog eens 2 senatoren aan. Het Parlement van Duitstalige Gemeenschap vaardigt ten slotte 1 parlementslid af naar de Senaat.

Met andere woorden: de Senaat is een ontmoetingsplaats voor de verschillende deelstaten in ons land, via de 50 deelstaatsenatoren. Daar komen nog eens 10 gecoöpteerde senatoren bij die door hun partij worden aangeduid. Ze komen 10 keer per jaar samen.

Op dit moment is de Senaat alleen bevoegd voor grondwetsherzieningen en bijzondere wetten over de structuur van de federale staat. “Er zijn dus nog maar weinig nuttige functies voor de senatoren”, aldus Popelier. “Alleen als er echt zaken veranderen aan ons systeem, wordt de Senaat ingeschakeld.”

Dan rijst de vraag of de Senaat niet te veel kosten met zich meebrengt? “Dat gaat niet over bedragen waar ze de begroting mee kunnen redden. Maar er zijn uiteraard wel kosten, zoals dat van het gebouw en het personeel. Wat brengt dat nog op? Als het nog nauwelijks operationeel is, kan je het dan niet beter opdoeken?” Die vraag stellen ook veel politici. Bijna alle partijen zijn duidelijk voorstander om de Senaat af te schaffen. Toch zijn er nog wel alternatieven

De toekomst van de Senaat

De meest voor de hand liggende optie is om er een echte deelstatensenaat met bevoegdheden van te maken, zoals in andere federale staten. “Je kan dan als deelstaten samenwerken en collectief een standpunt innemen over bepaalde wetten.”

Zo’n Senaat zou efficiënter kunnen werken dan dat alle deelstaten apart hun mening uitspreken over een wetsvoorstel. “Kijk naar het handelsakkoord (CETA) tussen de EU en Canada. De Senaat mocht daar niet over stemmen en dus moesten de deelstaten zelf beslissen en gaf het Waalse Gewest eerst zijn veto.”

Ook bij de Natuurherstelwet stemde Vlaanderen tegen en moest ons land zich onthouden over het wetsvoorstel van de Europese Unie. “Een Senaat kan verschillende gebieden bij elkaar brengen en samen onderhandelen over een standpunt.”

Voor een andere mogelijkheid kijkt Populier naar collega David Van Reybrouck. “Je kan er ook een Senaat van maken met burgerparticipatie. Veel academici denken daarover na. Al ben ik niet volledig voorstander van dat idee.

De Senaat komt op het einde van een wetgevingsprocedure, terwijl een participatie vroeger in dat proces aan bod moet komen.” Het is nog maar de vraag of er de komende maanden echt een beslissing komt over het voortbestaan van de Senaat en of er nog wel een toekomst is voor het politieke orgaan. “Als je naar een confederaal systeem wil gaan zoals de N-VA wil doen, dan is een overlegorgaan zoals dat van de Senaat overbodig en moet je het afschaffen. Al zal elke deelstaat dan wel uit eigen belang een veto kunnen stellen.” 

Bron: VRT NWS