In de loop van zijn bijna vijftigjarige carrière verschoof de blik van de Nederlandse voedingswetenschapper Jaap Seidell van “weegschaal naar wereldschaal”. In zijn “meest activistische boek” neemt hij de hebzucht van de voedselindustrie op de korrel, maar kijkt hij ook naar onze eigen voorgeprogrammeerde gulzigheid. “We moeten het systeem veranderen, van binnenuit en bottom-up.”
Wie vandaag een grote supermarkt binnenstapt, heeft al gauw keuze uit meer dan 30.000 voedingsmiddelen, schat de Nederlandse hoogleraar en voedingswetenschapper Jaap Seidell. “Dat geeft de illusie van een haast eindeloze vrijheid om te kiezen wat we eten en drinken”, schrijft hij in zijn nieuwe boek Grenzen aan de gulzigheid.
In werkelijkheid worden we vaak onbewust gestuurd door marketing, prijsstelling en beschikbaarheid. Dat speelt zich niet alleen af in supermarkten, maar ook in buurtwinkels, tankstations, horeca of treinstations – op alle plaatsen waar we vaak komen. Onze voedselomgeving puilt uit van de sterk bewerkte, calorierijke en goedkope voedingsmiddelen.
Neem suikerhoudende frisdranken met zijn ‘lege’ calorieën waarvan we al lang weten dat ze ons dik maken. En toch. Onlangs bleek uit onderzoek van de Vrije Universiteit van Amsterdam, waaraan Seidell meewerkte, dat Nederlandse tieners frisdrank volkomen normaal vinden. De helft van de jongeren krijgt op die manier negentig klontjes suiker per week binnen. Daar vraagt het tienerlichaam niet zelf om. “Het is opgedrongen door de marketing dat jongeren een sloot suiker met prik willen drinken”, vertelde hij op de Nederlandse Radio 1. Als zulke drankjes alomtegenwoordig zijn en volop gepromoot worden, zullen kinderen ze altijd verkiezen boven water. Daar sta je dan als goedbedoelende ouder.
In Grenzen aan de gulzigheid vertelt Seidell dat hij als expert weleens aanwezig was bij overleg van het International Life Sciences Institute (ILSI) in Brussel, een wetenschappelijk klinkende stichting waarvan hij pas later begreep dat ze werd opgericht door een topman van Coca-Cola met financiering van bedrijven als Nestlé, PepsiCo, Kellogg’s en Monsanto. “Deze industrie heeft jarenlang geprobeerd de relatie tussen frisdrankenconsumptie en obesitas te bagatelliseren, te verdraaien en overheidsingrijpen te vertragen.” Hij vergelijkt haar tactieken, zoals de financiering van wetenschappelijk onderzoek, met die van de tabaksindustrie.
Karamel-zeezout
In een andere analogie met big tobacco pleiten onderzoekers ervoor (begin februari nog in The Guardian) om ultrabewerkt voedsel eerder als sigaretten te behandelen. Zijn pakweg chips, koekjes en frisdrank even verslavend als tabak, willen we weten. “Dat is een ingewikkelde vraag om te beantwoorden”, vindt Seidell. “Neurowetenschappers zijn het er niet over eens. Nicotine is uitermate verslavend, maar het is één stof. Bij ultrabewerkt voedsel gaat het altijd om een combinatie. Niemand gaat een pak suiker oplepelen. Zulke producten zijn vakkundig gemaakt om lekker door te eten: luchtig of smeuïg van structuur, zoet en zout van smaak. Het is dus meer een eetverslaving dan een verslaving aan een bepaalde stof.”
Ooit was onze gulzigheid een evolutionair voordeel: mensen gingen zich volproppen of middelen inslaan voor de schaarste die kon komen. Vandaag doet dit overlevingsinstinct ons al gauw overconsumeren. “De industrie weet dat perfect en speelt daar handig op in. Niet alleen hebben bedrijven de beste technologen en smaakexperten in dienst, ze zijn ook verwikkeld in een bikkelharde concurrentie met elkaar voor de ideale balans tussen vet, zoet en zout. Karamel-zeezout is zo’n ‘winnende’ combinatie die je nu overal ziet opduiken in bereidingen. We zijn er als consument bijna weerloos tegen.”
Impulsief eet- of vreetgedrag speelt vooral bij tieners en kinderen een rol. Toetjes, snacks, ontbijtgranen … – allemaal ongezond, allemaal zaken waar ze als eerste naar zullen grijpen. Dat heeft naast smaak en structuur ook te maken met de op hen gerichte, indringende marketing van zulke producten. Seidell pleit er al lang voor om zulke reclame aan banden te leggen, zonder al te veel succes. “Veel bedrijven verklaren nu dat ze niet aan kindermarketing doen, in de klassieke zin. Dat hoeft ook niet: kinderen kijken geen TV meer. Maar online, vooral op sociale media en via influencers, is er weinig controle en wordt het een steeds groter probleem.”
Gemaksvoedsel
Jaap Seidell groeide op in de jaren 60, “toen voedsel nog van de slager, de bakker en de kruidenier kwam”. Zijn grootouders hadden een boomgaard en moestuin, en de dagelijkse kost was aardappelen, groenten en vlees. Dat heeft hij in enkele decennia volledig zien veranderen, met de bekende toename van obesitas bij kinderen. Het is een complete mismatch gebleken van een minder actief bestaan en snel veranderende eetgewoonten: mensen koken minder, en kiezen vaker voor kant-en-klaar voedsel vanwege tijdgebrek.
“We willen steeds meer doen, beleven en bereiken in dezelfde hoeveelheid tijd, er is een soort existentiële gulzigheid ontstaan: die zadelt ons op met een voortdurende druk om tijdefficiënt te zijn. Een gevolg daarvan is een enorme behoefte aan gemaksvoedsel. We eten ook steeds vaker on the go en worden daarin ontzorgd door automaten en fastfoodaanbieders.”
“Oorspronkelijk dacht ik dat mensen door simpelweg andere keuzes te maken hun toekomstige gezondheid zouden kunnen verbeteren”, schrijft Seidell. “Later begreep ik dat ik die keuzevrijheid en kracht van vrije wil schromelijk had overschat en dat wat en hoeveel we eten vooral wordt bepaald door een wisselwerking tussen de biologie en de omgeving.” Hij ging zich vooral richten op omgevingsfactoren, waaronder ook de sociaal-culturele achtergrond van mensen.
Voor sommigen is de keuzevrijheid nog meer begrensd. “We zien dat in sociaaleconomisch kwetsbare wijken het aanbod van ongezond voedsel vaak groter is en het aanbod van betaalbaar gezond voedsel kleiner, wat bijdraagt aan gezondheidsverschillen tussen bevolkingsgroepen. Uit de cijfers blijkt bovendien dat gezonde producten duurder worden in vergelijking met bijvoorbeeld ijs en snoep. De gezonde keuze maken wordt daarom steeds lastiger voor mensen die maar moeilijk rondkomen. Daarbij komt nog dat ongezondere producten veel vaker in aanbieding staan dan gezondere producten.”
Hoe houdt hij zelf maat in een voedselomgeving vol verlokkingen? Seidell koopt altijd biologisch in de supermarkt en eet weinig vlees. “Zo zal ik altijd zorgen dat er fruit en snackgroenten in de buurt liggen. Toegegeven, ik mijd plekken die impulsief gedrag belonen. Wanneer dat niet anders kan, bijvoorbeeld in het treinstation, neem ik altijd zelf iets mee. Je moet rekening houden met je eigen zwaktes.”
Moestuinieren op school
Natuurlijk zijn overgewicht en obesitas maatschappelijke problemen. In Nederland schat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de totale kosten voor de samenleving op 25 miljard euro per jaar. Dat doet de vraag rijzen: waarom grijpt de overheid niet harder in?
Ze vindt het ingewikkeld, vermoedt Seidell. “Het is een wicked problem waarin veel factoren meespelen over verschillende beleidsdomeinen. Iedereen is betrokken, maar niemand voelt zich verantwoordelijk. Een andere reden is natuurlijk het verdienmodel achter obesitas. Er is een sterke lobby van bedrijven die het beleid ondermijnt. De farmaceutische sector voert ook veel marketing en pr bij huisartsen.”
Bovendien is de overheid terughoudend omdat ze vaak beschuldigd wordt van betutteling. “Mensen willen vrije keuze op het vlak van voeding. Maar ze worden enorm gestuurd door de industrie, via marketing, voedselomgeving, gemak en andere verleidingstechnieken – alles wat ik hierboven beschreven heb. Het is dus omgekeerd: de industrie betuttelt ons.” In zijn boek merkt Seidell op dat een overheid die nalaat effectief gezondheidsbeschermingsbeleid te voeren, van verwaarlozing of nalatigheid beschuldigd kan worden.
Je zou er moedeloos van worden, maar hij blijft optimistisch. “Steeds meer mensen pikken het verhaal op, en snappen de verontwaardiging”, denkt Seidell. “De centrale overheid mag dan weinig aandacht hebben voor het probleem, je moet naar het lokale niveau kijken. Daar zijn heel wat hefbomen om zaken te veranderen. Mijn hoop is dat organisaties uit tal van sectoren bijeenkomen, ook met bedrijven, om het systeem van binnenuit te veranderen. We zien ook grotere coalities ontstaan van grassrootsbewegingen waarbij jongeren het voortouw nemen. Dat is de toekomst.”
Een van de meest spectaculaire bevindingen in zijn carrière was het onderzoek naar voedseleducatie. Amsterdam begon al in 1913 met zogenaamde schooltuinen. “Door het hele jaar door kinderen te laten moestuinieren, krijgen ze vanzelf meer waardering voor alles wat groeit en bloeit. Zij begrijpen het belang van het klimaat en een gezonde bodem voor ons voedsel als geen ander. Ze gaan ook andere dingen lekker vinden. Zo noemden kinderen uit sociaaleconomisch kwetsbare wijken na afloop eigen gekweekte tomaten hun lievelingseten. De voordelen gaan breder, bijvoorbeeld met het bevorderen van gezonde eetgewoontes, door samen te eten en daar meer tijd voor te nemen.”
“We moeten daarom ieder kind voedselonderwijs en moestuinen gunnen”, besluit Seidell. “Het is een deur naar een betere wereld.”
Bron: APACHE.be
