De grote verdwijntruc: 16 miljard euro aan loon verdampt

Terwijl wij de broeksriem aanhalen, vloeit ons loon of onze uitkering rechtstreeks naar de zakken van aandeelhouders. Per gezin verliezen we jaarlijks 3.200 euro door een bewuste politieke keuze ten voordele van het kapitaal.

In de afgelopen tien jaar heeft er een opvallende verschuiving plaatsgevonden in de Belgische welvaartsverdeling. Het aandeel voor werknemers is geslonken, terwijl een groter stuk van de koek nu naar bedrijven en hun aandeelhouders stroomt.

In 2014 ging van elke 100 euro die Belgische bedrijven creëerden nog bijna 64 euro naar de werknemers. Tien jaar later is dat teruggevallen tot 59 euro. Dat berekende de studiedienst van PVDA. Vijf procent klinkt misschien bescheiden, maar op de schaal van onze economie gaat het over een kolossaal bedrag. En ook voor een gezinsbudget is het een flinke hap.

Als werkenden vandaag nog hetzelfde aandeel kregen als in 2014, dan zou er jaarlijks 15,8 miljard euro extra naar hen vloeien. Omgerekend per gezin komt dat neer op een jaarlijks verlies van 3.200 euro. Wat arbeid verloor, werd simpelweg opgeslokt door het kapitaal, in de vorm van winsten en dividenden.

Verdoken uitholling van je pensioen

Die transfer van arbeid naar kapitaal is mee het gevolg van jarenlang beleid: lonen werden geblokkeerd, terwijl winsten bleven klimmen. Maar er speelt meer.

Bij loon denken veel mensen vooral aan het bedrag dat op hun rekening verschijnt. De studie van de PVDA, gebaseerd op cijfers van de Nationale Bank, legt een dieper en pijnlijker mechanisme bloot. Vooral de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid zijn fors gedaald. In tien jaar tijd zakten die bijdragen van 16 procent naar 13,3 procent van de toegevoegde waarde.

Dat is wat men ‘uitgesteld loon’ noemt. Je ziet het niet meteen als minteken op je loonbrief, maar je voelt het wel wanneer je ziek wordt, werkloos raakt of met pensioen gaat.

Door maatregelen van de huidige en vorige regeringen is er vandaag een jaarlijks tekort van 9,2 miljard euro in de sociale kas. Denk aan onder meer de verlaging van de vennootschapsbelasting, accijnsverlagingen en de vermindering van de sociale werkgeversbijdragen. Deze ‘cadeaus’ aan de bedrijfswereld gaan ten koste van de sociale zekerheid. 

Het is net uit die sociale kas dat pensioenen, werkloosheidsuitkeringen en tussenkomsten bij ziekte worden betaald. Het leegzuigen van de sociale zekerheid gebeurt minder opzichtig, maar het komt wel neer op een indirecte en verraderlijke transfer.

De Arizona-regering duwt door

Dit is het resultaat van bewust beleid. Denk aan de indexsprong, de loonblokkering en de beruchte tax shift van de regering-Michel. Die hervorming verlaagde de bijdragen voor bedrijfsleiders van 33 procent naar 25 procent. De beloofde jobcreatie zou alles compenseren, maar dat verhaal hield geen stand.

Zelfs Bart De Wever gaf in 2016 toe dat er bewust werd gekozen om gaten in de begroting te laten: “We hebben er bewust voor gekozen om niet met alles rekening te houden.”

Het doel was budgettaire druk te creëren om later te kunnen snoeien in de sociale zekerheid. De zogenaamde ‘competitiviteit’ van onze bedrijven wordt zo rechtstreeks betaald met onze collectieve bescherming en met onze toekomstige zekerheid.

De plannen voor 2026 beloven weinig goeds. De Arizona-coalitie wil deze logica van lastenverlagingen voor de top doortrekken. Een schokkend voorbeeld dat de PVDA-studie aanhaalt, is het schrappen van bijdragen op lonen boven de 340.000 euro. Terwijl de gewone werknemer de broeksriem strakker moet aantrekken, krijgen de allerhoogste inkomens een cadeau dat de kas miljoenen kost.

Tegelijkertijd wordt de sociale zekerheid verder uitgehold door de uitbreiding van flexi-jobs en studentenarbeid. Op die uren wordt nauwelijks of niet bijgedragen. Tegen 2029 zorgt dit volgens het ACV voor een extra gat van 1,5 miljard euro. En dan klinkt het weer dat pensioenen “onbetaalbaar” zijn, terwijl dezelfde overheid intussen zelf de inkomstenkraan dichtdraait.

Er is genoeg voor iedereen

Het hoeft niet zo te zijn. Op basis van cijfers van de Commissie voor de Vergrijzing berekende de PVDA-studie dat er tegen 2029 zo’n 6,7 miljard euro extra nodig is voor de pensioenen. Als we die 15,8 miljard euro die naar het kapitaal vloeide terug naar de arbeid halen, kunnen we de pensioenen moeiteloos betalen, en blijft er zelfs nog heel wat geld over.

Met het overschot van 9,1 miljard euro zou elk mediaanloon met 165 euro bruto per maand kunnen stijgen. De taart groeit wel degelijk, alleen wordt ze steeds schever verdeeld. Het is tijd dat werkende mensen opnieuw hun eerlijke deel opeisen. 

In dat verband plant het gemeenschappelijk vakbondsfront van ABVV, ACV en ACLVB provinciale actiedagen op 5, 10 en 12 februari en een nationale betoging op 12 maart. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Estlandse cellen huren is geen oplossing voor onze overvolle gevangenissen

Ministers Van Bossuyt en Verlinden trokken naar Estland om cellen te huren voor Belgische gedetineerden, maar ze kijken de verkeerde kant op. In plaats van mensen 1.500 kilometer verderop te dumpen, zouden ze beter leren hoe Estland zijn criminaliteitscijfers en gevangenisbevolking écht deed dalen.

Het is een beeld dat bijna uit een dystopische roman komt: Belgische gevangenen die op het vliegtuig worden gezet naar de Baltische staten omdat onze gevangenissen uit hun voegen barsten. De oplossing van ministers Kathleen Van Bossuyt (Justitie) en Annelies Verlinden (Binnenlandse Zaken) is even simpel als kortzichtig: we huren gewoon wat ruimte in het buitenland.

Het probleem van de overbevolking in onze gevangenissen is chronisch. Al jaren horen we kreten van cipiers, advocaten en mensenrechtenorganisaties over mensonwaardige toestanden. Matrassen op de grond, gebrek aan hygiëne en oplopende spanningen zijn de dagelijkse realiteit. Maar door cellen in Estland te huren, bestrijden we enkel een symptoom, niet de ziekte.

Waarom zijn die Estlandse cellen eigenlijk leeg?

Het is pijnlijk dat onze ministers naar Tallinn reizen en enkel de vierkante meters van de cellen opmeten. De echte vraag die ze hadden mogen stellen is: waarom heeft Estland cellen over, terwijl wij er tekortkomen? Het antwoord ligt niet in ‘meer cellen bouwen’, maar in een fundamenteel ander beleid dat de afgelopen decennia daar werd gevoerd.

Estland is erin geslaagd de gevangenispopulatie drastisch te verminderen. Dat deden ze niet door criminelen vrij spel te geven, maar door onder andere in te zetten op alternatieve straffen. Terwijl wij in België nog steeds te veel vasthouden aan de cel als het enige ‘echte’ instrument, begrijpen zij dat een gevangenis vaak een dure hogeschool voor criminaliteit is.

Preventie werkt beter dan opsluiting

De Estse aanpak focust op het aanpakken van de wortels van criminaliteit. Investeringen in onderwijs, jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg zorgen ervoor dat mensen minder snel in de marginaliteit belanden.

Estland zette ook sterk in op het vermijden van jeugdopsluiting. In 2024 meldde de publieke omroep dat er zelfs geen minderjarigen meer in Estse gevangenissen zaten, precies omdat men jongeren liever van het gevangenissysteem weghoudt via alternatieven en begeleiding.

In België besparen we vaak op precies die diensten, die moeten voorkomen dat iemand het verkeerde pad opgaat. Dat is dweilen met de kraan open.

Bovendien zet Estland sterk in op bemiddeling en enkelbanden. Voor veel feiten is een opsluiting contraproductief: mensen verliezen hun job, hun woning en hun sociale netwerk. Wanneer ze vrijkomen, hebben ze niets meer en is de stap naar nieuwe feiten klein. Door mensen in de samenleving te houden onder strikte begeleiding, blijft de recidive veel lager.

Recht op rehabilitatie wordt geschonden

Het plan om gevangenen naar Estland te sturen, is ook juridisch en menselijk een risico. Het wettelijke doel van een straf is rehabilitatie. Hoe kan een gedetineerde zich voorbereiden op een terugkeer naar onze maatschappij als hij 1.500 kilometer verderop zit? Contact met familie en advocaten wordt vrijwel onmogelijk door de enorme afstand en de taalbarrière.

Studies tonen keer op keer aan dat contact met de buitenwereld en de familie de belangrijkste factor is om na een straf niet opnieuw in de fout te gaan. Door gevangenen te exporteren, snijden we die banden door. We creëren een groep mensen die volledig ontworteld terugkomt. Dat brengt de veiligheid in onze eigen straten op lange termijn alleen maar in gevaar.

Peperdure vlucht vooruit

Laten we het ook over de centen hebben. Het huren van buitenlandse cellen is peperduur. Er moeten transporten worden geregeld, Belgisch personeel moet ter plaatse toezien op de naleving van onze wetgeving en de huurprijs per cel is niet mals. Dat geld zou veel beter geïnvesteerd worden in onze eigen justitie en in de uitbreiding van alternatieve strafmaatregelen.

Het lijkt erop dat deze ministers vooral een snelle politieke overwinning willen boeken voor de camera’s. “Kijk, we lossen de overbevolking op”, klinkt het dan. Maar in werkelijkheid schuiven ze het probleem gewoon over de grens. Het is een brevet van onvermogen voor een land dat weigert te investeren in een modern, humaan en efficiënt justitiebeleid.

Justitie heeft nood aan visie, niet aan export

Wij hebben een fundamenteel ander beleid nodig. We moeten stoppen met het opsluiten van mensen met zware verslavingsproblemen of psychische aandoeningen in gewone gevangenissen. Zij horen thuis in de zorg, niet in een cel. Ook zogenaamde ‘mensen zonder papieren’ en zónder strafblad horen daar niet opgesloten te worden. Dat alleen al zou de druk op onze gevangenissen spectaculair doen afnemen.

Volgens strafpleiter Walter Damen hebben “alle partijen die de laatste dertig jaar aan de macht zijn geweest gefaald”. Hij schat dat een op de vijf van de huidige gevangenen in België er echt thuishoort. 

De reis naar Estland had een leermoment kunnen zijn. Een kans om te zien hoe een moderne staat criminaliteit beheersbaar maakt door in te zetten op de mens achter de dader. In plaats daarvan waren Van Bossuyt en Verlinden op zoek naar een huurcontract. Dat is geen visie maar het faillissement van het Belgische gevangenisbeleid.

Bron: Dewereldmorgen.be

Hogere uitkering werkloosheid helpt mensen sneller en beter aan werk

Onderzoekers van KU Leuven, UC Louvain en Steunpunt tot bestrijding van armoede onderzochten de langetermijneffecten van sociale uitkeringen bij 70.000 mensen. Hun besluit is verrassend: hogere werkloosheidsuitkeringen verhogen de kansen op het vinden van werk, op beter wonen en betere gezondheid.

Het bericht verscheen voor het eerst maandag 2 februari in De Morgen, maar kreeg verder weinig aandacht. Het onderzoek ging bovendien over meer dan de aanpak van werkloosheid. Hogere sociale uitkeringen verhogen ook de kansen op beter wonen en hebben een gunstig effect op de gezondheid. 

Wonen en gezondheid verhogen op hun beurt de kansen om werk te vinden, wat uiteindelijk ook in het voordeel is van de economie. Toch doet de federale regering het omgekeerde: alle sociale uitkeringen verlagen, de voorwaarden verstrengen, controles opdrijven en de duur van werkloosheidsuitkeringen beperken tot twee jaar.

Professor sociaal beleid Ides Nicaise komt op basis van een studie van KU Leuven tot deze verrassende conclusie. Werkloosheidsuitkeringen en andere sociale uitkeringen moeten volgens hem minstens omhoog naar 1500 euro, tot het niveau van de Europese armoededrempel.

Nu ligt het Belgische leefloon op 1300 euro per maand voor een alleenstaande steuntrekker. Wie ‘sociale fraude’ pleegt door het mooiste te doen wat een mens kan doen, namelijk gaan samenleven met een geliefde partner, wordt daar echter zwaar voor bestraft. De uitkering wordt snel en onverbiddelijk ingetrokken.

Van opinies en feiten

Volgens de N-VA, CD&V en Vooruit zijn de huidige uitkeringen voor werkloosheid te hoog. Ze moeten nog meer omlaag om werklozen er zo toe te brengen werk te aanvaarden dat hen wordt ‘aangeboden’. Het is een mantra dat na ettelijke jaren herhaling zo vanzelfsprekend is gaan klinken dat het bijna als een ‘feit’ wordt aangevoeld, niet als een ‘opinie’. Het omgekeerde stellen voelt bijna contra-intuïtief aan. 

Ernstig wetenschappelijk onderzoek van meerdere jaren heeft echter aangetoond dat het omgekeerde waar is: hogere uitkeringen voor werklozen helpen mensen sneller aan een baan en helpen hen sneller terug te integreren in de actieve maatschappij.

Het gaat daarbij om veel meer dan het helpen van mensen in armoede met een ruimere toelage, zoals in De Morgen wordt beargumenteerd. Degelijke uitkeringen hebben niet alleen een gunstig effect op werkkansen, maar verhogen ook de kansen op beter wonen en hebben een positieve impact op de gezondheid. 

Het onderzoek van Re-inVEST, het samenwerkingsverband van KU Leuven, UC Louvain en het Steunpunt tot bestrijding van armoede, stelt duidelijk dat: degelijke sociale uitkeringen “laten (hen) toe om te blijven investeren in hun gezondheid, opleiding, mobiliteit, connectiviteit, in hun kinderen en in leefbaar wonen”.

Zo geraken ze sneller terug duurzaam aan de slag en uit de armoede. Te lage uitkeringen, daarentegen, “drijven vooral (maar niet uitsluitend) de laagste inkomens en personen met een handicap in een neerwaartse spiraal van schuldenlast”. 

Een voorbeeld uit velen. Een alleenstaande moeder verliest haar baan als huishoudhulp wegens rugproblemen, heeft geen geld voor kinesitherapie zodat ze niet beter wordt, kan de huur niet betalen en moet noodgedwongen verhuizen naar een ‘goedkopere’ schimmelwoning, heeft geen geld voor kinderopvang en geen geld voor de bus zodat ze weer een verplicht sollicitatiegesprek mist, zakt weg in een depressie en verliest haar werkloosheidsuitkering wegens ‘onvoldoende inzet’ om werk te zoeken.

Dat voorbeeld laat zien dat lagere uitkeringen een negatieve impact hebben op de kwaliteit van wonen en op de gezondheid, zodat mensen nog minder in staat zijn om werk te zoeken. En als een laaggeschoolde werkzoeker dan toch een slecht betaalde en onzekere baan aanvaardt (of opgelegd krijgt) blijkt het loon onvoldoende om de kosten van kinderopvang en de bus naar het werk te compenseren.

Nogmaals daarover het onderzoeksrapport: “Het versassen van langdurig werklozen van de werkloosheidsverzekering naar de bijstand (dreigt) meer armoede te produceren, eerder dan de terugkeer naar het werk te bevorderen”.

Officiële cijfers onderschatten armoede

Daarnaast wijst het onderzoek op de uitholling van de sociale zekerheid: “Binnenkort zal meer dan de helft van de werklozen geen recht meer hebben op een werkloosheidsuitkering; in 2024 bedroeg het aantal gerechtigden op het ‘Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI)’ 14,9 per 1000 inwoners – tegenover 8,5 per 1000 in 2007 (…) bijna één op twee huishoudens met een inkomen beneden de leefloongrens (46 procent) blijkt geen leefloon te ontvangen”.

Met andere woorden: de officiële cijfers over steuntrekkers onderschatten de werkelijke armoedecijfers. Bovendien worden de voorwaarden om sociale steun te verkrijgen steeds strenger; ook de controles nemen toe, net als het aantal opgelegde sancties.

“Het feit dat, ondanks de stijgende cijfers over het aantal gebruikers, de niet-dekking door het RMI als laatste vangnet na een halve eeuw nog steeds circa 46 procent bedraagt, spreekt boekdelen: het wijst op een ernstige mismatch tussen de regelgeving en de behoeften van de doelgroep.”

Waarom die halsstarrigheid, Vooruit, CD&V en N-VA?

Wanneer ernstig onderzoek aantoont dat de strijd tegen werkloosheid en tegen armoede beter ‘werkt’ met hogere uitkeringen en dat dit daarenboven de economie ten goede komt omdat meer mensen aan werk raken, waarom zijn de politieke krachten dan zo hard van het tegendeel overtuigd?

Omdat deze economische meeropbrengst van een sociaal actieve overheid wordt verdeeld over de hele maatschappij en niet exclusief naar de top gaat. Hogere uitkeringen of eerlijk betaald werk verhoogt de levensstandaard van de laagste klassen. 

Echte armoedebestrijding, echte bestrijding van werkloosheid brengt de toplaag van de maatschappij niets op.  Bovendien, armoede en werkloosheid is in feite goed voor mensen aan de top van de financiële pyramide. Het zet werkende mensen immers onder druk om nog lagere lonen te aanvaarden.

De ijver waarmee werklozen, armen en langdurig zieken door de federale regering van Vooruit, CD&V en N-VA worden aangepakt met telkens weer nieuwe bijkomende voorwaarden en strengere controles is recht evenredig met hun ijver om fiscale fraude te negeren. 

De voorbije 20 jaar is, ondanks economische groei en bedrijfswinsten, de armoede slechts gedaald van 22,6 in 2005 naar 18,2 procent in 2024. Bijna één op vijf Belgen leeft nog steeds in armoede, in een van de meest welvarende landen ter wereld.

De huidige federale regering onder leiding van Bart De Wever (N-VA) is de meest fanatiek neoliberale sinds 1980. N-VA, CD&V en Vooruit hebben het recht op werkloosheidsuitkering tot 2 jaar beperkt. Voor wie de uitkering nog krijgt, was ze al laag en wordt ze nog verminderd. 

Tussen 1 januari 2026 en 31 december 2027 zullen ongeveer 180.000 mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen. De echte oorzaken van hun werkloosheid worden niet aangepakt. Binnen een jaar mag een stijging van de armoedecijfers verwacht worden. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Wat verandert er in januari  2026?

Wat verandert er in januari  2026?

Een nieuwe maand, nieuwe maatregelen, wijzigingen van de wetgeving, enz.

Hierbij een kort overzicht.

Sectorakkoord 2025-2026 voor het paritair comité 200

Sectorakkoord voor paritaire comités 116 en 207

Kilometervergoeding en CREG-tarieven vanaf Q1 2026

Nieuwe informatie over aanpassingen aan het bijzonder belastingstelsel

Verhoging van het maximumbedrag van de maaltijdcheques

  • Effectentaks verdubbeld

En er is meer slecht nieuws voor beleggers. Een van de meest besproken maatregelen in het federale begrotingsakkoord van eind november is de verdubbeling van de effectentaks voor Belgen die meer dan 1 miljoen euro op hun rekening hebben staan. Die belasting wordt verdubbeld van 0,15 naar 0,3 procent.

  • Verminderd btw-tarief voor warmtepompen

De warmtepomp moet een van de sterren van de energietransitie worden. Technologisch is de warmtepomp efficiënt, maar de markt blijft achter. De prijs, waaronder het btw-tarief, blijft een van de grootste obstakels. Daar komt vanaf 1 januari 2026 alvast een beetje verandering in: het verlaagde btw-tarief van 6 procent voor warmtepompen geldt dan opnieuw voor alle woningen, ongeacht hun leeftijd. Momenteel geldt dat tarief van 6 procent enkel voor woningen ouder dan tien jaar, voor woningen jonger dan tien jaar is dat 21 procent. Het gaat om een tijdelijke maatregel die loopt tot eind 2030 en die de energietransitie moet versnellen. Lees meer.

  • Aangifte van overlijden kan voortaan digitaal

Aan een overlijdensaangifte gaat heel wat administratie vooraf. Zo’n proces neemt al gauw vier tot vijf werkdagen in beslag. De Vlaamse regering heeft daarom beslist de aangifte van een overlijden te digitaliseren. Dat gebeurt vanaf 1 januari via een platform dat de naam eLys draagt. De aangifte wordt automatisch naar de uitvaartondernemer en de gemeente gestuurd. Dat moet tot een snellere opmaak van overlijdensakten leiden. Leuven en Lier pionierden al in 2025 met het initiatief. Vanaf 1 januari moet elke Vlaamse gemeente eLys gebruiken .

  • Digitale, gestructureerde facturatie verplicht

Vanaf 1 januari is er geen ontkomen meer aan: dan moeten alle Belgische btw-plichtige ondernemingen tussen elkaar gestructureerde elektronische facturen gebruiken, via het Peppol-netwerk, kort voor Pan-European Public Procurement Online.

  • Een nieuwe pensioenbonus, nog geen -malus

De pensioenbonus is een financiële tegemoetkoming waarmee de federale overheid burgers wil aansporen om langer aan het werk te blijven. De beloning bestaat uit een extra vergoeding boven op het wettelijke rustpensioen. De introductie van de initiële pensioenbonus voor werknemers en zelfstandigen dateert al van 2005, maar de maatregel werd al enkele keren aangepast. Vanaf 1 januari wordt, waarschijnlijk, een nieuwe pensioenbonus ingevoerd met nieuwe voorwaarden, die u vanaf volgend jaar kunt beginnen opbouwen. Het parlement moet die maatregel wel nog formeel stemmen. De invoering van de pensioenmalus, voor vervroegde uittrede voor de wettelijke leeftijd, wordt met een jaar uitgesteld naar 2027.

  • Cryptobeleggers en de fiscus

Op 1 januari 2026 treedt Europese DAC 8-richtlijn in werking. Die verplicht cryptoplatformen om informatie te delen met de fiscale administraties van de Europese lidstaten. Het gaat bijvoorbeeld om de identiteit van de cryptobelegger en de financiële transactiegegevens van de portefeuille. Die gegevens worden vervolgens automatisch uitgewisseld tussen de lidstaten. De fiscale administratie zal dus een volledig beeld krijgen van de crypto-activiteiten van de beleggers.

  • Basisbankdienst duurder bij KBC

De ‘basisbankdienst’ legt banken een gegarandeerde dienstverlening op, zowel voor ondernemingen als voor particulieren. Daar zijn wel een aantal voorwaarden aan verbonden (lees meer hier). De grootbank KBC trekt zijn tarief met Nieuwjaar 2026 op van 1,25 euro naar 1,65 euro per maand. Daarmee benadert KBC het huidige maximumbedrag dat een bank u mag vragen. Dat maximumbedrag bedraagt sinds januari dit jaar 19,86 euro per jaar. Onder meer ING en BNP Paribas Fortis zitten rond een vergelijkbaar bedrag. Het maximumbedrag van de basisbankdienst wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.  Bron: Trends

Aantal leerlingen dat thuis geen Nederlands spreekt stijgt op alle onderwijsniveaus

Het aantal leerlingen in Vlaanderen dat thuis geen Nederlands spreekt, blijft toenemen. In het kleuteronderwijs ging het vorig schooljaar om 29 procent van de kleuters, in het lager onderwijs om 28 procent en in het secundair onderwijs om 23 procent. Dat blijkt uit cijfers van Statistiek Vlaanderen.

De thuistaal is een belangrijk leerlingenkenmerk dat mee het sociale profiel van een school bepaalt. Andere factoren zijn het aantal leerlingen met een schooltoeslag, het aandeel leerlingen dat woont in een buurt met een hoge mate van schoolse vertraging en het aantal leerlingen met een laagopgeleide moeder.

Toename

Uit cijfers van Statistiek Vlaanderen blijkt dat het aandeel kleuters met een niet-Nederlandse thuistaal de voorbije tien jaar is toegenomen. In het schooljaar 2014-2015 ging het om 21 procent, tegenover 29 procent in het schooljaar 2024-2025.

Die stijgende trend is ook zichtbaar in het lager en secundair onderwijs. In het lager onderwijs nam het aandeel leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands toe van 18 naar 28 procent. In het secundair onderwijs steeg dat percentage in dezelfde periode van 13 naar 23 procent.

Bron: HLN.be