Acht mythes over de vakbond getoetst aan de werkelijkheid

Acht mythes over de vakbond getoetst aan de werkelijkheid

Vakbonden staken lukraak zonder aan de gevolgen te denken, lobbyen alleen voor eigen belang, ijveren voor een minderheid van de bevolking en zijn een last voor de economie. Werkelijk? Wij nemen de proef op de som.

Tijdens stakingsacties zoals nu op 24-25-26 november 2025 duiken steevast hardnekkige mythes op in mainstream en sociale media. Op de lange lijst van mediamythes zijn dit de acht koplopers.

De eerste de beste gelegenheid

Mythe 1: vakbonden staken bij de eerste de beste gelegenheid, met overdreven en onrealistische eisen, zonder overleg, zonder aan de gevolgen te denken.

Geen enkel vakbond neemt zomaar een beslissing om te staken. Stakingen zijn duur voor de vakbonden. Gemiddeld betalen zij hun stakende leden 40 euro per dag (voor een voltijdse baan). Het exacte bedrag verschilt per vakbond en per sector. Dit bedrag kan oplopen bij langdurige stakingen. Staken betekent dus aanzienlijk loonverlies voor de stakers en een financiële aderlating voor de vakbonden.

Vakbonden beslissen pas tot staken wanneer alle andere opties door werkgever of regering worden geweigerd, geblokkeerd of op de lange baan geschoven. Staken is een ultieme keuze nadat talrijke inspanningen voor het bereiken van een sociaal akkoord zijn mislukt – zoals nu met deze federale regering.  

De beslissing tot staking wordt door elke vakbond met de achterban overlegd en goedgekeurd. Ze spreken altijd af met de werkgevers hoe de minimumdienst bij hulpdiensten en zorgsector verzekerd blijft, zodat niemand in gevaar komt en kwetsbare personen geen risico’s lopen.

‘Lobbygroepen’

Mythe 2: vakbonden zijn ‘lobbygroepen’ voor het enge eigenbelang van hun leden.

Elk sociaal recht dat wordt verworven geldt altijd voor alle werkende mensen. Vakbonden ijveren dus ook voor de rechten van wie geen lid is van een vakbond (of voor wie lid is van een andere vakbond). 

Die voor iedereen verkregen arbeidsvoorwaarden, veiligheid, comfort, rusttijden zijn geen dure privileges. Zij verhogen de efficiëntie en de productiviteit. Ze zijn essentieel om kwaliteitsvolle dienstverlening te garanderen. Openbare diensten en privébedrijven functioneren beter wanneer werknemers in veilige en zekere omstandigheden hun taken kunnen vervullen.

Vakbonden doen veel meer dan ijveren voor de rechten van werkende en werkzoekende mensen. Zij voeren campagne rond maatschappelijke thema’s als antiracisme, gelijk loon voor gelijk werk. Ze zijn solidair met de internationale strijd voor rechtvaardigheid, zoals het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk.

Vakbonden zijn ouderwets

Mythe 3: vakbonden zijn passé en staan voor een krimpende minderheid van de werkende bevolking.

De vakbonden vernieuwen zichzelf voortdurend. Vakbondssectoren groeien omdat ze nieuwe groepen aanspreken. Nieuwe delen van de wereld industrialiseren en werknemers strijden er voor hun rechten. Zij vinden daarvoor inspiratie bij de resultaten van vakbonden in andere landen. 

Wereldwijd daalt het vakbondslidmaatschap de voorbije veertig jaar, niet toevallig sinds het neoliberalisme is doorgebroken als de leidraad voor regeringen. Autoritaire regimes voeren harde repressie tegen vakbondsleiders, maar de voorbije veertig jaar werd vakbondsactiviteit ook in democratische landen aan banden gelegd met neoliberale maatregelen. 

In de VS neemt het aantal deelstaten toe waar vakbondsactiviteit wettelijk verboden is. In Groot-Brittannië hebben opeenvolgende Conservatieve en Labourregeringen de mogelijkheid tot sociale actie wettelijk sterk ingeperkt. 

Wat de huidige stakingen aantonen is dat de sociale strijd allesbehalve passé is, nu vele ooit door harde strijd verworven rechten worden aangevallen. Als de syndicalisatiegraad afneemt is dat een gevolg van de harde maatregelen tegen vakbonden.

Last voor de economie

Mythe 4: vakbonden zijn een last voor de economie.

Dit is de hardnekkigste mythe over vakbonden – en over stakingen – in deze lijst. Vakbonden dragen door hun dagelijkse activiteit echter bij aan de economie. Dat doen ze onder andere door hun permanente aanwezigheid in bedrijven en diensten, door bemiddeling bij conflicten op de werkvloer en het suggereren van maatregelen voor de verbetering van de veiligheid waardoor het aantal arbeidsongevallen vermindert. 

Door dagelijks contact met de collega’s op de werkvloer kunnen vakbonden preventief optreden en veel conflicten voorkomen. Een betere werksfeer met duidelijke afspraken leidt tot minder arbeidsgerelateerde ziekten. Praktijkopleidingen op het werk verhogen de productiviteit van de werknemers.

Er werden in België nog nooit degelijke onderzoeken gedaan naar de economische meeropbrengst van vakbonden. In Groot-Brittannië werd dat wel gedaan in 2010. De Conservatieve regering onder leiding van David Cameron wilde de nefaste invloed van vakbonden aantonen die met stakingen de Britse arbeider zijn recht op werken zou ontzeggen. 

Die studie schatte de meeropbrengst door de gestegen productiviteit dankzij de vakbonden op 13,95 miljard euro per jaar dankzij onder andere de verbeterde moraal en het engagement van de werknemers. Dat was niet het resultaat dat de Britse regering had verwacht. Deze studie werd na publicatie verticaal geklasseerd.

Talrijke onderzoeken tonen aan dat vakbondsonderhandelingen de economische stabiliteit vergroten en economische groei creëren, door ongelijkheden in te perken en de koopkracht van de werkende bevolking te verbeteren.

IMF-studies tonen een rechtstreeks verband aan tussen de afname van de syndicalisatiegraad en de toename van de rijkdom van de top-tienpercent.  Vakbonden zorgen voor economische stabiliteit door billijke herverdeling van de economische opbrengsten die door de werkende mensen werden gecreëerd.

De OESO, een samenwerkingsverband van de rijke landen, zegt dat sociaal overleg zorgt voor meer jobs, betere arbeidskwaliteit en een inclusievere arbeidsmarkt voor vrouwen en minderheden.

Enkel de openbare sector

Mythe 5: vakbonden zijn bijna uitsluitend met de openbare sector bezig, omdat daar de meeste van hun leden werken.

De geschiedenis van de sociale strijd toont dat meer sociale rechtvaardigheid in de openbare sector altijd heeft geleid tot sociale verbetering in de privésector.

Deze regering beweert dat vakbonden onfair zijn tegenover werknemers in de privésector. Maar betere arbeidsvoorwaarden in de openbare sector kwamen er net door vakbondsstrijd en wettelijke bescherming. Die voortrekkersrol heeft ook in de privésector sociale rechten afgedwongen: arbeidscontracten met loonafspraken, duidelijke arbeidsvoorwaarden, vakantiedagen en ziekteverlof.

Vakbonden moeten enorme uitdagingen aangaan om te organiseren en te rekruteren in de privésector vanwege de andere aard van de werkgelegenheid daar. Toch zijn miljoenen werknemers in de privésector lid van een vakbond – en vele anderen die geen lid zijn, maar dat wel zouden willen. 

Vakbonden willen de lat gelijk leggen tussen privé en openbaar naar omhoog, niet naar omlaag.

Vol met witte mannen

Mythe 6: vakbonden zijn wit, mannelijk en oubollig.

Dat vakbonden historisch grotendeels mannelijke bastions waren klopt zeker. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is de tewerkstellingsgraad van vrouwen fel toegenomen, dus ook het lidmaatschap van vrouwen in de arbeidersbewegingen. Het waren uiteraard ook witte bastions.

Sinds de sociale bewegingen in de jaren 1970 de begrippen ongelijkheid en racisme op de agenda zetten, hebben vakbonden voortdurend gevochten tegen ongelijkheden, voor grotere participatie van vrouwen, mensen van kleur en etnische minderheden, mensen met een handicap en jongeren.

Talrijke hoge vakbondsfuncties worden in 2025 door vrouwen en mensen van kleur ingenomen. Het heeft tijd en strijd gekost en er is nog heel wat werk te doen, maar vakbonden scoren hoger dat de meeste andere instellingen op gebied van diversiteit en gelijkheid – beter dan bijvoorbeeld ondernemingsraden van bedrijven of politieke partijen.

Macht en democratie

Mythe 7: vakbonden worden ondemocratisch bestuurd door machtige ‘baronnen’ die hun leden bevelen om te staken.

Democratische vertegenwoordiging op de werkplaats is de essentie van vakbonden. Het recht om een vakbond op te richten of erbij aan te sluiten, wordt internationaal erkend als een fundamenteel principe van democratische maatschappijen, zoals het vermeld staat in Artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Vakbonden hebben een actieve rol gespeeld in de democratisering van landen als Zuid-Afrika, Polen en Spanje. Vakbonden verspreiden een cultuur van democratie. Hoge niveaus van vakbondslidmaatschap gaan gepaard met hogere democratische participatie en hogere deelname van burgers aan verkiezingen.

Alle vakbondsleiders worden democratisch verkozen door de leden. Het beleid wordt gevormd door democratische structuren, zoals jaarlijkse of meerjaarlijkse conferenties van de afgevaardigden.

Net zoals met elke andere democratische instellingen kennen vakbonden hun gebreken, maar er is altijd bereidheid tot verbetering. In weinig organisaties zijn de leiders zo aansprakelijk en aanspreekbaar als in de vakbonden.

Ze organiseren om de vier jaar sociale verkiezingen, waarbij zij een mate van democratische transparantie tonen die geen enkele andere organisatie van het maatschappelijk middenveld haalt. Alle werknemers in een bedrijf hebben stemrecht in de sociale verkiezingen, ook niet-vakbondsleden. 

Onpopulair

Mythe 8: vakbonden zijn niet populair.

De manier waarop de vakbonden in de media worden voorgesteld, geeft de indruk dat ze algemeen geminacht worden. De Belgische syndicalisatiegraad is de voorbije twintig jaar licht gedaald maar is nog altijd zeer hoog. 

Iets meer dan de helft van de werkende en werkzoekende Belgen is lid van een vakbond, zowel in de privé- als in de openbare sector. Dat zijn allesbehalve impopulaire cijfers.

Zoals hierboven al vermeld is die daling niet te wijten aan vermindering van populariteit maar aan de veranderende arbeidsmarkt. Steeds meer bedrijven maken lidmaatschap een nutteloos aanvoelend engagement. Bovendien is syndicaal actief zijn in een privébedrijf veel riskanter dan in de openbare sector, waar de wettelijke bescherming van verkozen vakbondsafgevaardigden wel nog gerespecteerd wordt. 

De afwezigheid van vakbondsmilitanten in bedrijven heeft een negatieve impact op de bereidheid om lid te worden, laat staan om actief en openbaar te militeren. Dat geldt in heel de privésector, maar vooral in de kleinere bedrijven en nog het meest bij zelfstandigen.

De syndicalisatiegraad neemt niet af omdat vakbonden niet populair zouden zijn, maar omdat ze de voorbije veertig jaar steeds harder worden aangepakt. In absolute cijfers neemt wereldwijd het aantal vakbondsleden wel toe, maar die stijging is kleiner dan die van de totale werkende bevolking. Vakbonden zijn echter nog altijd de grootste organisaties van het maatschappelijk middenveld.

Bron: Dewereldmorgen.be

Waarom staken werkt en zo belangrijk is

Als werkgevers “honderden miljoenen schade” roepen, verklappen ze per ongeluk de echte motor van onze welvaart: arbeid. Een staking stopt niet alleen de band, maar snijdt vooral in de winst, en precies dáárom is ze zo machtig.

Bij elke staking gaan werkgevers door het dak. “De vakbonden ondergraven de welvaart van de Vlaming met deze actie. In economisch moeilijke tijden brengen ze honderden miljoenen schade toe aan de economie”, zei Voka-topman Hans Maertens na de staking in maart. VBO-baas Pieter Timmermans sprak vorige week over “schade die het half miljard euro nadert”.[1]

Die verontwaardiging verraadt iets belangrijks: als er niet gewerkt wordt, valt niet alleen de loonmassa stil, maar vooral de winst. De “schade” waar ze het over hebben, is in grote mate de meerwaarde die werkenden normaal creëren en niét als loon terugzien. 

Deze citaten zijn interessant omdat ze ongewild aangeven wie de rijkdom in ons land creëert en waarom staken zo belangrijk is. 

Wat een staking duidelijk maakt 

Elke arbeider of bediende produceert meer rijkdom dan wat zij of hij aan loon ontvangt. We nemen een voorbeeld: een werknemer produceert per dag 250 euro aan toegevoegde waarde. Die persoon zal daar niet het volledige bedrag van krijgen, maar slechts een gedeelte, bijvoorbeeld 200 euro, als brutoloon. 

Het verschil – 50 euro – is de meerwaarde. Dat deel vloeit naar de werkgever en (via dividenden) naar aandeelhouders, of gaat naar investeringen en financiële beleggingen. 

Die ‘meerwaarde’ of winst[2] is precies datgene waar het bij de werkgever om draait. Want grondstoffen en machines leveren op zichzelf niets op. Het is arbeid die goederen en diensten maakt, en dus waarde schept. En zolang die arbeid méér waarde oplevert dan er als loon terugkeert, loont het voor werkgevers om mensen aan te werven. 

Dat is het hart van het kapitalisme – zedig verzwegen in de meeste economie-handboeken.

We hebben dat mechanisme meestal niet in de gaten, maar op een stakingsdag komt het aan de oppervlakte, omdat die meerwaardecreatie dan wegvalt. Werkgevers moeten die dag weliswaar geen loon uitbetalen aan de stakers, maar zij verliezen wel de meerwaarde die die werknemers anders hadden gecreëerd. En dat is wat hen zo woest maakt. 

Op een stakingsdag wordt de bron van de verrijking drooggelegd en wordt het kapitalisme in zijn hart geraakt. Daarom gaat de elite zo tekeer tegen stakingen. Als de werkgevers zeggen dat ze 500 miljoen verliezen, dan wil dat eigenlijk zeggen dat de werknemers die dag normaal 500 miljoen rijkdom creëren die ze zelf niet als loon ontvangen.  

De kern van de sociale strijd 

De sociale geschiedenis in België is één lange worsteling over wie welk deel van de koek krijgt. De logica is eigenlijk heel eenvoudig: hoe lager de lonen en hoe slechter de werkomstandigheden (langer of harder werken voor hetzelfde loon) hoe hoger de meerwaarde of de winst. 

De werkgevers willen zo hoog mogelijke winsten. Daarom streven ze, hierin gesteund door rechtse overheden, naar zo laag mogelijke lonen en werkomstandigheden die hun zo weinig mogelijk kosten. Omgekeerd leveren arbeiders en bedienden al sinds meer dan 150 jaar strijd om hun lonen en werkomstandigheden te verbeteren. 

En het gaat niet alleen om het loon zelf, maar ook om het zogenaamde ‘uitgesteld loon’. Dat is dat gedeelte van het brutoloon of van de winst, dat opzij gezet wordt voor pensioenen, vakantie, ziekte- en werkloosheidsuitkeringen (sociale zekerheid). Dat is ook loon, een deel van de waarde die de werknemer gecreëerd heeft, maar dat niet direct uitbetaald wordt. 

De huidige stakingsgolf past in een lange traditie van sociale strijd. Sinds het einde van de negentiende eeuw draait de Belgische sociale strijd rond de strijd over de meerwaarde, of anders gezegd, over de verdeling tussen (uitgesteld) loon en winst. 

Voorbeelden hiervan zijn de stakingen in Luik en Henegouwen van 1886. Deze eisten kortere werkdagen, hogere lonen en eerste werkloosheidskassen via vakbonden. 

Andere voorbeelden: na de zware stakingen van 1936 volgden loonsverhogingen, de 40-urenweek (in delen van de industrie) en betaalde vakantie. Met het Sociaal Pact (1944) ontstond de sociale zekerheid – pensioen, ziekte en werkloosheid – gefinancierd door bijdragen van werknemers en werkgevers. 

De Winterstaking van 1960-61 verzette zich tegen de Eenheidswet die uitgaven voor sociale zekerheid en openbare diensten zou terugschroeven. In de jaren 1990 drukten het Globaal Plan (1993) en de Wet op het concurrentievermogen (1996) de loonruimte en leidden ze tot een herschikking van de uitkeringen, wat het arbeidsaandeel onder druk zette.

De indexsprong van 2015 pakte de automatische loonindexering aan en raakte de koopkracht rechtstreeks. De pensioendebatten sinds 2020 over minimumpensioen, strengere loopbaanvoorwaarden en pensioenbonus, samen met de loonblokkering, hebben de laatste jaren opnieuw geleid tot mobilisatie. 

Gunstige krachtsverhoudingen 

De verdeling van de meerwaarde en de uitkomst van de sociale strijd worden bepaald door de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal. Deze wordt op haar beurt voor een groot deel medebepaald door vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

Als er meer vraag is naar werk dan er aanbod is, dan moet een werknemer tevreden zijn met wat zij of hij kan krijgen. In dat geval staan de werknemers zwak en de werkgevers sterk. In het omgekeerde geval zal de werkgever bereid zijn om betere lonen en arbeidsomstandigheden te bieden om toch maar aan voldoende werknemers te geraken. In dat geval staan de werknemers sterk en de werkgevers zwak. 

Die verhoudingen zijn nu de laatste jaren zeer gunstig geëvolueerd voor de wereld van de arbeid. Als gevolg van vergrijzing en lagere immigratie wordt de poel met beschikbare arbeidskrachten almaar kleiner en is de arbeidsmarkt nog nooit zo krap geweest als vandaag. Dat verstevigt de onderhandelingspositie van de werknemers.   

Normaal gesproken moet zich dat onvermijdelijk vertalen in betere arbeidsomstandigheden en hogere lonen. Dat is nu eenmaal de wet van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. 

Voorlopig worden hogere lonen in ons land tegengehouden door de loonnormwet. De rechterzijde probeert de gunstige krachtsverhoudingen op de arbeidsmarkt ook te verminderen door enerzijds mensen langer te laten werken (hogere pensioenleeftijd) en anderzijds meer mensen aan het werk te krijgen. Dat laatste gebeurt door de jacht op werklozen en langdurig zieken. 

Met de huidige arbeidskrapte zijn de omstandigheden dus gunstiger dan ooit voor de arbeidersbeweging. We staan voor een tijdperk waarin de wereld van de arbeid in het offensief kan gaan en een verloren deel van de koek terug kan opeisen en verwerven. Na de hete herfst zou het wel eens een hete winter kunnen worden.  

Notes:

[1] De berekening kan je als volgt maken. Jaarlijks wordt er in België voor 642 miljard euro aan toegevoegde waarde geproduceerd (het bnp). De privé-bedrijven zijn goed voor 56 procent daarvan, ongeveer 360 miljard euro. Dat betekent als je feestdagen en weekends in rekening brengt ongeveer 1,4 miljard euro per werkdag. In de veronderstelling dat een derde van de werknemers het werk neerlegt kom je dan aan 460 miljoen euro per werkdag.

[2] Meerwaarde is potentiële winst, want de geproduceerde goederen of diensten moeten ook daadwerkelijk verkocht worden, dan pas zijn ze winst.

Bron: Dewereldmorgen.be

1 op 5 leerkrachten overweegt onderwijs te verlaten: je zou voor minder staken

Voor het eerst sinds 2001 leggen leerkrachten in Vlaanderen twee dagen na elkaar het werk neer. Het zegt alles over hoe diep de onrust zit in het onderwijs.

Dat het 24 jaar geleden is dat leerkrachten twee dagen op rij staakten, zegt veel. Het wijst op structurele problemen die zich jaar na jaar hebben opgestapeld: financieel, organisatorisch en menselijk. “Uitzonderlijke maatregelen vragen uitzonderlijke acties”, zegt Nancy Libert, algemeen secretaris van ACOD Onderwijs.[1]

Vorige acties trokken tienduizenden stakers, nu is de nervositeit nog groter omdat de plannen dit keer rechtstreeks snijden in wat de job nog aantrekkelijk maakt. 

Pensioenen 

De lont aan het kruitvat is de pensioenhervorming. Tot nu toe bouwden leerkrachten sneller een volledig pensioen op dan werknemers in de privésector. Dat gunstregime verdwijnt.

Ook de tweede voordeelregel gaat op de helling. Het pensioen werd berekend op de laatste tien loonjaren. Dit zijn meestal de best betaalde jaren. Maar dat wordt nu stapsgewijs afgebouwd richting een berekening over de volledige loopbaan. 

Volgens de bonden verliezen leerkrachten daardoor gemiddeld 200 tot 300 euro netto per maand aan pensioen. Bij directies kan dat zelfs oplopen tot 1.000 euro. Voor wie bijna met pensioen is, is de klap door overgangsregels kleiner. Maar wie middenin of aan het begin van de loopbaan staat, ziet het pensioenbedrag flink teruglopen. 

De geplande maatregelen zullen ook vrouwen het meest treffen. Onderwijs is een sector met veel deeltijds werk. Dit zijn vaak vrouwen die zorg en job combineren. Precies bij hen bijt de hervorming het hardst: ze voldoen trager aan loopbaanvoorwaarden en hebben dan minder pensioenopbouw.

Leerkrachten zullen in de toekomst niet alleen een lager pensioen hebben, ze zullen er ook langer voor moeten werken. En dat is teveel van het goede. Opa’s en oma’s voor de klas is pedagogisch gesproken al niet direct een goed idee, maar voor velen is het gewoon onwerkbaar. 

Op dit moment is één op de tien 55-plussers wegens ziekte afwezig. Trek je die leeftijd verder op, dan stijgt de afwezigheid door ziekte nog meer. Zeker nu de vroegere landingsbanen zijn afgeschaft.

Hoge pensioenen?

Leerkrachten hebben doorgaans een hoger wettelijk pensioen dan werknemers in andere sectoren, maar in de privésector wordt dat vaak gecompenseerd met groepsverzekeringen. Het onderwijspensioen kan je beschouwen als een sociaal contract. Het is uitgesteld loon als gedeeltelijke compensatie voor lagere lonen en minder extralegale voordelen tijdens de loopbaan. Denk hierbij aan een bedrijfswagen, hospitalisatieverzekering, of een tweede pensioenpijler. 

Leraren dragen bovendien meer pensioenbijdragen af dan veel andere beroepsgroepen, waardoor een hoger pensioen logisch is. De geplande afbouw van voordelen of verplicht langer werken voor hetzelfde pensioen, voelt dan ook als inbreuk op dat uitgestelde loon. 

Job nog minder aantrekkelijk 

De geplande pensioenmaatregelen tasten ook de aantrekkelijkheid van de job verder aan. Omwille van de hoge werkdruk was die de laatste jaren al flink gedaald. Uit een grootschalig tijdsonderzoek van 2018 blijkt dat leraren, de vakantieperiodes ingerekend, gemiddeld 42 uur per week werken, met pieken van bijna 50 uur in een gewone lesweek. Bijna de helft van de leerkrachten werkt vaak of altijd na acht uur ’s avonds en 45 procent werkt ook op zondag. 

Het lesgeven zelf is ook moeilijker en lastiger geworden, omdat de klassen heterogener zijn, de leerlingen en de ouders mondiger, en het aantal leerlingen met specifieke zorgnoden is sterk gestegen. Die hoge werkdruk eist zijn tol. Een op drie leerkrachten riskeert een burn-out. Dat is de hoogste score van alle sectoren. 

Leerkrachten worden stiefmoederlijk behandeld. Ze moeten zich voor van alles en nog wat administratief verantwoorden én indekken. Ouders stappen tegenwoordig gemakkelijk naar de rechter als ze niet akkoord gaan met een beslissing van de klassenraad. Doorheen de jaren werd de didactische en pedagogische autonomie ook sterk ingeperkt. 

Voor starters duurt het bovendien soms jaren voordat ze een stabiele en volledige betrekking, en dus inkomen, hebben. Als men nu bovenop die hoge werkdruk ook nog eens de gunstige pensioenregeling ongedaan maakt, dan valt een van de belangrijkste ‘voordelen’ van het onderwijs weg en krijgt de aantrekkelijkheid van de job opnieuw een flinke knauw. 

“Politici hameren terecht op het belang van kwalitatief onderwijs in ons land. Maar die kwaliteit kunnen we alleen garanderen als we voldoende gekwalificeerde en enthousiaste personeelsleden hebben”, aldus Koen Van Kerkhoven, secretaris-generaal van de christelijke onderwijsvakbond. 

De cijfers liegen er niet om. In een bevraging die het COC en COV[2] deed, zegt 1 op 5 van het personeel te overwegen het onderwijs te verlaten als de plannen doorgaan. Dat is niet minder dan leegloopalarm in een sector die nu al piept en kraakt onder een lerarentekort. De boodschap van de regering dat “iedereen moet bijdragen” komt in de leraarskamer aan als: “jullie nog wat extra”. 

Eisen

Onderwijsmensen grijpen niet snel naar het stakingswapen. Ze laten hun leerlingen niet graag in de steek en zijn bovendien getraind om conflicten op een herstelgerichte wijze op te lossen, door overleg en geduldig luisteren. Als ze volgende week toch staken, dan wil dat zeggen dat de noden hoog zijn.

Twee gemiste lesdagen zijn misschien vervelend voor de ouders, maar een structurele uitholling van het beroep weegt zwaarder. Als 1 op 5 leerkrachten overweegt te vertrekken, dan heb je geen “gijzeling” door staking, maar een systeem dat in slow motion vastloopt. 

De vakbonden willen een krachtig signaal geven aan de regering. De regering serveert het verhaal dat “iedereen zijn deel doet”, maar schuift in de praktijk de rekening door naar openbare diensten en hun personeel. De echte sterkste schouders blijven te vaak buiten schot. Zo worden grote vermogens en kapitaalinkomens milder belast dan arbeid. 

Volgens de onderwijsbonden kiest de regering vandaag voor een begrotingspad dat pijn doet aan mensen die onze samenleving juist dragen.

Hun eisen zijn duidelijk. Ze vragen compensaties als de pensioenplannen doorgaan, bijvoorbeeld via een groepsverzekering. Daarnaast eisen ze een verlaging van de werkdruk met minder planlast, duidelijke kerntaken en structurele zorg- en administratieve ondersteuning in elke school.  

Ze vragen werkbare klassen met realistische maxima. Ze willen een bescherming voor wie zorg en job combineert: deeltijds werken mag niet langer een boete zijn op latere leeftijd. Ten slotte willen ze dat er geïnvesteerd wordt in waardige loopbanen en dat er opnieuw treffelijke eindeloopbaanstelsels komen. 

Bart De Wever gaf aan dat hij de welvaartsstaat wil redden. Als dat echt het geval is, dan laat je het onderwijs niet bloeden en leg je de rekening niet bij wie voor de klas staat. COV formuleert het zo: “Wie onderwijs verwaarloost, snijdt niet enkel in budgetten, maar in het hart van de samenleving.” 

Lees ook: 

– Zijn de onderwijspensioenen werkelijk te hoog?
– De Wever spaart superrijken en legt de factuur bij wie werkt

Notes:

[1] ACOD Onderwijs is de onderwijssector van de socialistische vakbond ACOD die personeel in het onderwijs in België vertegenwoordigt en verdedigt.

[2] COC en COV zijn de twee onderwijsbonden van het ACV. COC vertegenwoordigt personeel in onder andere secundair, hoger en volwassenenonderwijs en CLB/ondersteuning, terwijl COV het kleuter- en lager onderwijs organiseert.

Bron: Dewereldmorgen.be

3 dagen staking bij NMBS: “Wij willen een spoor voor mensen, niet voor winst”

3 dagen staking bij NMBS: “Wij willen een spoor voor mensen, niet voor winst”

De federale regering wil 675 miljoen euro besparingen opleggen aan de spooractiviteiten. Volgens de spoorvakbonden zal dit alleen maar leiden tot een slechtere dienstverlening. Om dat te voorkomen kondigen ze volgende week een 3-daagse staking aan.

675 miljoen euro wil de federale regering besparen op spooractiviteiten. Ook wil de regering aanwervingen door HR-Rail bevriezen en de taakverdeling tussen NMBS, Infrabel en HR Rail veranderen. Daarbovenop streeft de regering naar een overname van het volledige personeelsbeheer door NMBS en Infrabel. 

Voor het spoorpersoneel alle reden om komende week op 24, 25 en 26 november te staken, legt Pierre-Lejeune van vakbond ACOD-spoor uit. Samen met ACV-Transcom, VSOA Spoor, OVS en ASTB vormen ze een gemeenschappelijk vakbondsfront tegen deze besparingsplannen van de federale regering.

Sociale inlevering

De vakbonden zien achter de regeringsplannen geen visie voor het spoor, maar een louter neoliberale besparing, die volledig ten koste gaat van het personeel en van het bedrijf. Wat door de regering hervorming wordt genoemd, komt neer op sociale inlevering.

“De aanval op onze sociale rechten is dermate groot dat wij de handen in elkaar hebben geslagen”, zegt Koen De Mey van ACV-Transcom. “Alleen in redelijke werkomstandigheden kunnen wij onze reizigers een degelijke dienstverlening bieden. Als wij zelf de aantrekkelijkheid van het beroep in vraag gaan stellen, is het einde zoek.”

Zo gaan de plannen van de regering om statutaire aanwervingen af te schaffen uit van een negatieve kijk op werknemers die gebaseerd is op wantrouwen. Mensen met een verzekerde tewerkstelling zouden vanuit die neoliberale visie niet efficiënt of productief zijn. 

De realiteit op de werkvloer wijst echter uit dat statutair aangeworven werknemers net wel zeer goed werk leveren, omdat zij zonder angst voor politieke druk of commerciële belangen hun taak kunnen uitvoeren. Zij garanderen de continuïteit van kennis en ervaring. Bovendien zijn statutaire werknemers zeer loyaal. “Het spoorwegpersoneel is trots om een essentiële schakel te zijn in een dienst die dit land draaiende houdt”, aldus het vakbondsfront.

Slechtere dienstverlening

Joachim Permentier weerlegt als woordvoerder van OVS de mythe dat liberalisering garant zou staan voor een betere dienstverlening aan de reizigers. In een geliberaliseerde markt gaat winst voor op kwaliteit van dienstverlening. 

De concrete gevolgen zijn bekend: het minimale personeelsbestand leidt tot vertragingen of afschaffingen van treinen en de besparingen op onderhoud van treinen en stations leidt eveneens tot slechtere dienstverlening. Het overblijvende personeel raakt overwerkt wat de vicieuze neerwaartse cirkel nog versterkt.

“Dit gemeenschappelijk vakbondsfront toont hoe diep de malaise zit bij het spoorpersoneel”, stelt Tony Fonteyne van ACOD-Spoor. “Neem de geplande pensioenhervorming naar 67 jaar, dat is voor de vele zware beroepen bij het spoor niet vol te houden. Wil je de veiligheid van de reiziger garanderen, dan heb je superwakkere mensen nodig die fit en uitgerust aan hun taak beginnen. Iedere dag opstaan om drie uur ’s morgens, dat ziet een 66-jarige niet meer zitten. Ik trouwens ook niet.”

Tiffany Deruiter van ASTB is al zestien jaar treinbestuurder: “Wij staan paraat op elk moment van de dag. We beginnen om drie uur ’s morgens of werken door tot 2 uur ‘s nachts. Ik merk dat veel collega’s met de jaren slaapproblemen krijgen of andere fysieke klachten.” 

“Daarnaast zijn er bij het spoor nog veel andere zware jobs in ploegendienst (drie keer acht uur), zoals die van spoorarbeiders. Ik vind het belangrijk dat wij samenkomen voor de zware beroepen, want voor hen is werken tot 67 jaar niet OK!”

Die druk op personeel uit zich ook in nieuwe ogenschijnlijk kleine maatregelen. Zo legt de NMBS haar personeel een regel op die in de privésector volledig verboden is. Wie bij het spoor deeltijds werkt, krijgt slechts proportioneel rouwverlof. Ook kan je bij de NMBS geen kredieturen krijgen voor opleidingen.

Maandenlange onderhandelingen

Tientallen maanden hebben de vakbonden met de regering onderhandeld: vruchteloos. Telkens ondervonden ze de onwil van de regering om naar een sociale dialoog te streven. Stakingen zijn altijd een laatste drukkingsmiddel geweest wanneer onderhandelingen faalden. Dat is nu meer dan ooit het geval. De regering wil eigenhandig optreden door het sociaal overleg naast zich neer te leggen.

“De zeer zware maatregelen die de regering van plan is, vragen om zware acties en dat is de reden waarom dit historisch front van de vijf spoorvakbonden drie dagen het werk neerlegt”, zegt Peter Cools van VSOA-Spoor.

“Als wij vaststellen dat deze regering niet bereid is tot overleg, zijn wij wel genoodzaakt te staken. Dit is het resultaat van jarenlange vergeefse onderhandelingen. Dit gaat over de afbraak van het spoor.” De spoorvakbonden wijzen er op dat wat met het spoor gebeurt een voorbode is van de plannen die de regering heeft voor alle andere sectoren van de economie, de openbare diensten en de privésector.

Voortrekkersrol

Hoe groot de impact zal zijn van deze staking door alle spoorvakbonden samen valt nog af te wachten. De wet verplicht de NMBS tot een minimale dienstverlening tijdens sociale protesten. Dit is een systeem dat mét akkoord van de vakbonden altijd al heeft bestaan in de zorgsector en bij de hulpdiensten brandweer en politie. Voor het spoor werd dat tegen de vakbonden in door vorige federale regeringen opgelegd.

Een eeuw geleden waren de spoorvakbonden samen met de collega’s van de mijnwerkersvakbonden de voortrekkers voor de sociale rechten die voor en na de Tweede Wereldoorlog werden bekomen voor iedereen: de achturenwerkdag, de vijfdagenwerkweek, pensioen, ziekteverzekering, jaarlijkse vakantie, betere werkomstandigheden. Nu nemen de spoorvakbonden die voortrekkersrol dus terug op. 

Bron: Dewereldmorgen.be

Besparen op zorg, cashen op winst: hoe Vlaanderen zijn ouderen laat vallen

Besparen op zorg, cashen op winst: hoe Vlaanderen zijn ouderen laat vallen

Ondanks luide alarmbellen van de sector snijdt de Vlaamse regering in de ouderenzorg en thuiszorg. Deze besparingen schrappen jobs en ondermijnen de zorgkwaliteit, wat aantoont dat in onze maatschappij winst boven de noden van ouderen gaat.

“Wat is ’t plan?” Met die prangende vraag trekken directies van zowat zeshonderd woonzorgcentra aan de alarmbel. Een jaar na de start van de nieuwe Vlaamse ploeg is er nog steeds geen kompas voor ouderenzorg, zeggen ze. Wél zijn er heel concrete besparingen.

In september werd 30 miljoen euro weggesneden bij woonzorgcentra en 30 miljoen in de thuiszorg. Recent kwam daar nog eens 16 miljoen bovenop, onder meer door te snoeien in middelen voor bewoners met hogere zorgnoden. Omgerekend: ongeveer 45 euro minder subsidies per bewoner per maand.

Tegelijk klinkt het dat “er nog vet op de soep zit” en dat reserves kunnen worden afgeroomd, zelfs wanneer die dienen om te renoveren of te bouwen. De sector is “verontwaardigd en bezorgd” en mist een duidelijk plan van de minister. 

Efficiëntiewinst? 

Vlaanderen vergrijst en zorgvragen worden complexer. Personeel is schaars en het vertrouwen brokkelt af door beleid dat vooral lijkt te vertrekken uit controle en wantrouwen. In de open brief klinkt het dat de sector warmere en kleinere woonvormen wil en daarnaast betaalbare zorg en ondersteuning voor medewerkers.

Minister Caroline Gennez houdt vol dat de ingreep niet automatisch leidt tot hogere facturen of minder kwaliteit. Volgens haar kunnen er “efficiëntiewinsten” worden geboekt, en zal de overheid streng toezien op dagprijzen. 

Maar in de praktijk landt de besparing op de basistegemoetkoming voor zorg. Dat is precies het potje waaruit lonen van zorgkundigen en verpleegkundigen worden betaald. Omdat de woonzorgcentra hun dagprijs niet mogen verhogen zullen ze moeten besparen op personeel, met alle gevolgen voor de levenskwaliteit van de bewoners.

Directeurs rekenen het voor: 30 miljoen op een totaal van ongeveer 2,8 miljard lijkt een kleine procentuele ingreep. Maar op instellingniveau zullen er jobs sneuvelen en zal de zorgkwaliteit achteruit gaan. Een Limburgse koepel met 920 bewoners becijferde dat de besparingen neerkomen op het verlies van een halftijdse zorgmedewerker per instelling.

“Met minder personeel hetzelfde aantal bewoners even goed verzorgen? Dat is gewoon niet ernstig,” klinkt het. Wie vandaag al kleinschalig werkt – exact wat de overheid aanmoedigt – heeft net meer mensuren nodig. Daar valt weinig “efficiëntiewinst” uit te halen zonder dat het voelbaar wordt aan het bed.

“Een citroen kun je een paar keer uitpersen, maar dan komt er echt niks meer uit”, klinkt het. 

Intussen wijst de minister op voorzieningen met reserves en op financiën die niet elke euro tot op de dag verantwoorden. Er zijn inderdaad spelers die met vastgoedconstructies winst op zorg proberen te puren. Strengere controle is daar aangewezen en terecht. Maar die excessen mogen geen alibi zijn voor een lineaire besparing in een sector die al jaren krap staat.

“Waarom pakt de minister die paar cowboys niet aan?”, zo vraagt Jos Aben van de Zorggroep Ouderen Genk zich geërgerd af. De sector wil strengere controles in plaats van een breed snoeimes dat ook correcte voorzieningen treft.

Wie betaalt de rekening?

De Vlaamse basistegemoetkoming bedraagt 89 euro per bewoner per dag, of 2.700 euro per maand. Bewoners betalen daarbovenop hun woon- en leefkosten via de dagprijs. Die lag in 2024 gemiddeld op 72 euro per dag (ongeveer 2.200 euro per maand) en volgens de OKRA[1]-barometer in 2025 op 2.300 euro per maand.

Voor veel gepensioneerden overstijgt dat ruimschoots het maandpensioen. Familie springt bij en spaarcenten smelten. Een extra 30 euro per maand lijkt misschien beperkt, maar voor bewoners die nu al honderden euro’s bijleggen, is het opnieuw een tik.

Kinderen verkopen het ouderlijk huis om de zorgfactuur af te betalen. Partners duiken in reserves. Tantes teren hun leven lang gespaarde buffer op.

De getuigenissen zijn pijnlijk concreet. Duizend euro extra in vier jaar tijd bovenop een al zware rekening. Maandelijks 1.500 euro bijpassen voor beide ouders. Of een partner die elke maand duizend euro uit spaargeld bijlegt terwijl de kwaliteit onder druk staat. 

Tegen die realiteit klinkt het geruststellend dat dagprijzen niet mogen stijgen zonder toestemming van de minister. Maar die prijscontrole is geen wondermiddel als tegelijk de financiering aan de zorgzijde wordt teruggeschroefd. Wie niet aan personeel wil tornen, moet elders besparen of inkomsten zoeken.

De keuze wordt dan: minder mensentijd of hogere dagprijs. In beide gevallen verliest de bewoner.

Ook de thuiszorg voelt de knip. Minder middelen voor gezinszorgdiensten met veel oudere cliënten betekent minder ondersteuning waar net de druk het hoogst is. Dat botst frontaal met de ambitie om mensen langer thuis te laten wonen.

Zonder voldoende thuiszorg, respijtzorg[2] en aangepaste woningen verandert “zo lang mogelijk thuis” in een dure kapstok. Residentiële zorg wordt dan uitgehold, met wachtlijsten als gevolg. Terwijl we tegen 2030 nood hebben aan ongeveer 10.000 extra plaatsen, blijft een afdoende programmatie van bijkomende plaatsen uit.

“Op deze wijze stevenen we regelrecht af op lange wachtlijsten in de ouderenzorg. En veranderen we langzaam woonzorgcentra in loutere opvang van zwaar zorgbehoevende ouderen in de laatste maanden van hun leven”, aldus de Okra. 

Winst of mensen

Dat onze ouderen op deze manier behandeld worden hoeft eigenlijk niet te verwonderen. In onze samenleving telt winst boven alles, en wie niet productief is en dus geen winst oplevert – zoals de ouderen – wordt gezien als kost in plaats van als waardevolle groep. 

Daarom is er chronisch te weinig geld voor ouderenzorg terwijl er wél geld is voor bedrijven, defensie en grote projecten. Daarom is er structurele onderfinanciering wat leidt tot te weinig personeel, lage lonen, hoge werkdruk en slechte leefomstandigheden in woonzorgcentra.  

Het is geen toeval dat die zorg steunt op laagbetaalde en laag gewaardeerde jobs, meestal vrouwen met (vaak) een migratieachtergrond. 

Overheden en verzekeraars duwen de sector richting “efficiëntie”: minder personeel, meer flexibiliteit en lagere profielen. De rekening wordt betaald door bewoners, families en uitgeperst personeel.

Zolang winstmaximalisatie de prioriteit is van onze samenleving zullen de noden van ouderen, net als die van andere ‘onrendabele’ groepen, altijd onderaan belanden. Er is nog veel werk aan de winkel. 

Note: 

[1] OKRA is een onafhankelijke Vlaamse ouderenorganisatie van en voor 55-plussers die lokaal activiteiten organiseert én de belangen van senioren verdedigt.

[2] Respijtzorg is tijdelijke vervangende zorg zodat de mantelzorger even kan uitblazen. Dat kan enkele uren, dagen of weken via thuisoppas, dagopvang of kortverblijf.

Bron: Dewereldmorgen.be