Beperking werkloosheidsuitkering: ‘Dit is een sociaal experiment met 180.000 mensen’

Beperking werkloosheidsuitkering: ‘Dit is een sociaal experiment met 180.000 mensen’

De federale regering besliste om de werkloosheidsuitkeringen in de tijd te beperken. Wat betekent dat in de praktijk? En wat zegt deze maatregel over hoe we vandaag kijken naar mensen zonder werk? Caro Van der Schueren en Raf De Weerdt van ABVV geven er op 13 november een webinar over voor SAM, steunpunt Mens en Samenleving en Sociaal.Net.

Allemaal verliezers

Aan het hoofdkantoor van het ABVV in de Brusselse Hoogstraat prijkt een spandoek tegen de Arizona-regering: “Tous perdants. Allemaal verliezers.” Die boodschap sluit naadloos aan bij het debat over de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd.

De maatregel treft vooral mensen in een kwetsbare positie, maar op den duur gaan we er allemaal door op achteruit. Allemaal verliezers, dus. Hoe dat zit, leggen Caro Van der Schueren, arbeidsmarktadviseur bij het Vlaams ABVV, en Raf De Weerdt, federaal secretaris bij het ABVV, uit. We spraken met hen af voor een genuanceerd en geëngageerd gesprek over de onrechtvaardigheid en ineffectiviteit van die maatregel, het stigmatiserende politieke discours over werkzoekenden, en het groeiende belang van samenwerking tussen sociale professionals en vakbonden.

Ik wil het vandaag met jullie hebben over de inperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Wat heeft de federale regering op dat vlak precies beslist?

Raf: “In tegenstelling tot wat in veel media werd geschreven, worden de werkloosheidsuitkeringen niet standaard beperkt tot twee jaar, maar tot twaalf maanden. Als je aan bepaalde voorwaarden voldoet, krijg je per vier gewerkte maanden één extra maand uitkering, en kom je uit op een maximum van vierentwintig maanden. Daarna schuift de overheid de verantwoordelijkheid voor het inkomensverlies volledig door naar het individu.”

Hoeveel mensen worden getroffen?

Raf: “Naar schatting zullen zo’n 180.000 mensen hun uitkering verliezen. Dat is een enorm sociaal experiment waar deze regering zich aan waagt. De maatregel wordt in drie fasen uitgerold: de eerste groep verliest haar uitkering op 1 januari, de tweede op 1 maart en de laatste op 1 april.”

Hebben jullie zicht op welke groepen in die eerste golf  zitten?

Caro: “In de Vlaamse cijfers zien we dat ongeveer 50 procent een arbeidsbeperking heeft. Ook het opleidingsniveau is cruciaal: meer dan de helft van de mensen die hun uitkering nu verliezen, behaalde geen diploma secundair onderwijs. De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd treft dus duidelijk vooral mensen in een kwetsbare positie.”

“Dat is niet verrassend: Vlaanderen heeft al decennialang een van de minst inclusieve arbeidsmarkten van Europa. Het gaat hier dus niet over mensen die niet willen werken, maar over mensen die voortdurend op structurele barrières botsen in hun zoektocht naar werk.”

Kan je  dat concreet maken?

Caro: “De getroffen groep bevat veel oudere werknemers. Tal van onderzoeken tonen aan dat niemand hen nog aanneemt. Zij worden door deze maatregel dubbel gestraft: eerst doen ze alle moeite om werk te vinden — wat niet lukt — en vervolgens verliezen ze ook nog hun uitkering.”

“Wij hebben verhalen van mensen die meer dan 100 sollicitaties hebben verstuurd. Als ze al op gesprek mogen komen, wordt hen in hun gezicht gezegd: ‘Fijn dat je langskomt. Je hebt veel ervaring, maar sorry, we vinden je te oud.’ We vergeten te vaak dat het niet de VDAB is die beslist of mensen een job krijgen. Dat zijn de werkgevers en zij blijven in dit verhaal weer eens buiten schot.”

Maar je zou kunnen zeggen dat deze beslissing de profiteurs uit het systeem gooit en op die manier het draagvlak voor onze sociale bescherming vergroot.

Caro: “Dan vertrek je van het idee dat die mensen profiteurs zijn, terwijl dat niet klopt. En zelfs als je zo redeneert, houdt het argument geen stand. In Groot-Brittannië is daar grootschalig onderzoek naar gedaan: politici die voortdurend spreken over misbruik van de sociale zekerheid, ondermijnen net het draagvlak ervoor.”

“Het is precies dat discours — dat de nadruk legt op de vermeende profiteurs en op het aantal sancties — dat ervoor zorgt dat mensen minder vertrouwen krijgen in het systeem. Ze gaan geloven dat er vooral misbruik wordt gemaakt, en vrezen daardoor dat er voor hén minder zal overblijven als ze ooit zelf hulp nodig hebben.”

Raf: “Wat mij zorgen baart is dat dit discours, vroeger vooral gehanteerd door rechtse partijen, vandaag wordt overgenomen door centrumpartijen. Helaas wordt dat debat te vaak misbruikt om niet te moeten spreken over het echte probleem: de structurele onderfinanciering van onze sociale zekerheid.”

“Ik noem dat de paradox van de omgekeerde solidariteit. Er is nog nooit zo weinig uitgegeven aan werkloosheidsuitkeringen. Maar hoe minder mensen gebruik maken van een bepaald systeem, hoe meer mensen van de kant zullen zeggen: “we zullen de vijs een keer aanspannen, want dat zullen wel profiteurs zijn.” Het is niet logisch maar maatschappelijk werkt schijnbaar het wel zo.”

Hoe pak je het dan wel aan?

Caro: “Als arbeidsbemiddelaar moet de VDAB de link leggen tussen de vraag- en de aanbodszijde, tussen de werkgevers en werknemers. Maar wat hebben we de afgelopen jaren gedaan? We zijn met allerlei controle- en sanctiesystemen gaan kijken of de werknemers wel genoeg moeite deden. Terwijl het niet zij zijn, die beslissen of ze aan het werk kunnen gaan, dat zijn we werkgevers.”

“Natuurlijk moet je ook investeren in werkzoekenden, maar via begeleiding, niet via sancties. Alleen is dat veel te weinig gebeurd. Uit onderzoek van de Universiteit Antwerpen blijkt dat 75 procent van de werkzoekenden in Vlaanderen na één jaar werkloosheid  geen enkel begeleidingsaanbod meer had gekregen van de VDABOnderzoeksproject: “Profiel en arbeidspotentieel langdurig werkzoekenden op zoek naar hefbomen.” Jonas Wood, Inge Pasteels, Karel Neels, Sunčica Vujić. Universiteit Antwerpen en Hogeschool PXL 2023.. Terwijl we weten dat het na dat eerste jaar net veel moeilijker wordt om opnieuw aan de slag te raken.”

Raf: “De uitkeringen zijn nooit onvoorwaardelijk geweest. Mensen moeten beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, cursussen volgen, verplicht solliciteren… Wie dat niet doet, wordt gesanctioneerd. Het beeld van de werkloze in de hangmat klopt gewoonweg niet. Als mensen toch lange tijd werkloos bleven, dan is dat niet omdat ze niet wilden werken, maar omdat ze daartoe geen eerlijke kans kregen, ze niet in de mogelijkheid waren om te werken, dit het enige statuut was waarin ze ‘pasten’ of omdat de begeleiding tekortschoot … Dat is allemaal niet hun fout en toch dragen zij de gevolgen.”

Wat zijn de gevolgen van deze maatregel?

Caro: “Dat weten we eigenlijk niet. Minister Clarinval schermt met een onderzoek dat een derde van de getroffenen aan het werk zal gaan, een derde bij het OCMW terecht zal komen, en een derde van de radar zal verdwijnen. Alleen ging het in deze studie over de jongeren die in 2015 hun recht op een inschakeluitkering verloren. Dat is een heel andere groep dan waar we het vandaag over hebben.”

En dan nog zijn het zeer zorgwekkende cijfers: een derde van de mensen die uit de statistieken verdwijnen, en een derde die bij het OCMW terechtkomen…

Raf: “Absoluut, maar ook de mensen die aan het werk gaan, zijn vaak niet te benijden. Eén van de functies van een werkloosheidsuitkering is dat mensen een kwalitatieve, passende job kunnen zoeken.”

“Valt die inkomensgarantie weg, dan moet je eender wat aanvaarden. En wie heeft dat graag? De werkgevers natuurlijk, want zo moeten zij er niet voor zorgen dat ze goede arbeidsvoorwaarden aanbieden. Uiteraard ga ik kort door de bocht, maar we mogen er niet blind voor zijn dat het uitbreiden van de arbeidsreserve ook een doel van deze beslissing is. Het globaal welbevinden zal er in ieder geval niet door verbeteren.”

Caro, je stelde het eerder al: kortgeschoolden zijn wel heel kwetsbaar op onze arbeidsmarkt.

Caro: “We onderschatten dat. De kans dat kortgeschoolden zonder job zitten, is in Vlaanderen 1 op 2. Bij langgeschoolden is dat slechts 1 op 10. Dat heeft ook te maken met maatregelen als flexijobs of studentenarbeid. Waar komen die banen vooral voor? In de horeca, de kleinhandel … sectoren waar vroeger nog wel werk voor kortgeschoolden voorhanden was.”

“Door al die flexibele arbeidssystemen die onze politici creëren, moeten ze daar vandaag concurreren met goedkopere, makkelijker inzetbare krachten. Dat is een strijd die ze niet kunnen winnen. Waarom zou een werkgever hen een vast contract geven en niet voor die goedkopere, flexibelere werknemers kiezen?”

Raf: “Bovendien zijn die vormen van arbeid zo goedkoop omdat werkgevers er nauwelijks sociale zekerheidsbijdragen op betalen. De sociale zekerheid heeft vandaag een tekort, niet omdat we te veel uitgeven, maar omdat we de inkomsten stelselmatig hebben uitgehold. Wie echt bezorgd is om dat systeem, breidt het aantal flexi-jobs niet verder uit en legt ook geen indexsprong op tafel. Dat zijn allemaal maatregelen die de financiering nog verder ondergraven.”

Veel van de mensen die door deze maatregel getroffen worden, gaan bij het OCMW terecht komen. Blijven jullie die mensen juridisch ondersteunen?

Raf: “De tijd dringt natuurlijk want de eerste dossiers lopen al vanaf januari. Maar dat is zeker de bedoeling. We beschouwen mensen die een leefloon krijgen nog altijd als werknemers, die op termijn kunnen terugkeren naar de arbeidsmarkt. Daarom willen we hen niet loslaten. We zullen hen helpen bij hun aanvraag bij het OCMW, en waar nodig, ook bij betwistingen. Niet om het OCMW aan te vallen, maar om ervoor te zorgen dat de procedure correct verloopt en dat mensen krijgen waar ze recht op hebben.”

Bij een budgetonderzoek stellen OCMW’s steeds vaker dat het lidmaatschap van de vakbond overbodig is voor leefloongerechtigden. Horen jullie dat ook?

Caro: “We krijgen die signalen ook en vinden ze hoogst problematisch. Het maakt mensen juist kwetsbaarder. Lid zijn van de vakbond is geen overbodige kost. Het is een vorm van bescherming. Hoe minder mensen lid blijven, hoe moeilijker het wordt om hun belangen te verdedigen. We willen daarover met OCMW’s in gesprek gaan, om duidelijk te maken dat lidmaatschap net een hefboom is om hun rechten te vrijwaren.”

Bij maatschappelijk werkers leeft vandaag veel frustratie over de vakbonden. Ze zeggen dat dossiers van werkzoekenden bij de vakbond, hulpkas of mutualiteit te laat worden afgehandeld, waardoor mensen zonder inkomen bij het OCMW terechtkomen. Dat alles samen zou zelfs goed zijn voor 30 procent van hun dossiers. Hoe zit dat precies?

Raf: “Wij hebben ook leden die werken binnen de OCMW’s, dus we weten dat er een enorme druk ligt op de maatschappelijk werkers. Ik snap hun frustratie.”

“Het is belastend om voorschotten te moeten betalen op uitkeringen die eigenlijk van de vakbond zouden moeten komen. Maar het cijfer dat het een derde van hun dossiers zou gaan, geeft een vertekend beeld. Om alles toch wat in perspectief te plaatsen: als we kijken naar hoeveel van de door ons afgehandelde op die manier bij het OCMW terechtkomen, dan is dat minder dan één procent.”

Maar die ene procent zorgt wel voor veel werk op de OCMW’s. Waar loopt het mis?

Raf: “De realiteit is dat wij enkel kunnen uitbetalen van zodra een dossier volledig is. Als bijvoorbeeld de werkgever de C4 niet juist heeft ingevuld, of als iemand onze brieven niet begrijpt door taalproblemen, dan kunnen wij niet betalen. Zodra dat opgelost is, betalen we zo snel mogelijk.”

“We kunnen geen uitkeringen betalen aan mensen die daar nog geen recht op hebben. Als wij zouden voorschieten en achteraf blijkt dat iemand geen recht had op een uitkering, dan moeten wij die kost dragen. Dat kan uiteraard niet, want dat is de verantwoordelijkheid van de overheid. Het OCMW heeft daar een ander mandaat in: zij doen een sociaal onderzoek voor ze betalen, en weten dus dat hun voorschot terecht is. Wij kunnen dat nooit met zekerheid zeggen zolang het dossier niet volledig is.”

Het lijkt alsof deze kritiek over de voorschotten in sommige gevallen ook wel past in het bredere anti-vakbondsdiscours. Herkennen jullie dat?

Raf: “Als je ziet wie zulke verhalen naar buiten brengt, dan komt dat vaak uit de hoek van bepaalde, specifieke gemeentebesturen. Dat is politiek natuurlijk niet neutraal. Het past in een bredere aanval op de vakbonden. Wat me echt boos maakt is dat dit discours ook onze mensen aan de loketten viseert. Zij werken keihard om mensen die door dit beleid getroffen worden voort te helpen. Zij verdienen die kritiek echt niet.”

Blijft wel de vaststelling dat vakbonden ook bij sociale professionals niet altijd even populair zijn.

Raf: “Dat vind ik zorgelijk en vreemd. Misschien is het positieve aan deze hervorming dat we daardoor gedwongen vaker met elkaar in contact komen en beter leren samenwerken.”

Caro: “We gaan die ontmoeting ook zelf initiëren. Op 9 december organiseert Force, het bewegingswerk van het Vlaams ABVV, samen met de Federatie van Vlaamse OCMW Maatschappelijk Werkers een ontmoetingsdag tussen vakbonden en maatschappelijk werkers. Dat is nodig, want vakbonden en sociaal werkers staan aan dezelfde kant: die van mensen in een kwetsbare positie.”

Bron: sociaal.net

Armoede maakt eenzaam, eenzaam maakt arm

Armoede maakt eenzaam, eenzaam maakt arm

Armoede veroorzaakt eenzaamheid. En eenzaamheid maakt het moeilijker om uit armoede te geraken. In een nieuwe podcast brengt deLink de verhalen en inzichten van ervaringsdeskundigen en experts samen. “Je denkt voortdurend: ik ben een last. Dus je zwijgt en je kruipt weg, terwijl je eigenlijk gewoon wil gezien worden als mens.”

Eenzaamheid en armoede

Als iemand weinig contacten heeft, krijgt die persoon minder hulp bij het vinden van werk, het aanvragen van uitkeringen of het omgaan met schulden. Eenzaamheid kan leiden tot depressie of uitzichtloosheid, waardoor het moeilijker wordt om stappen te zetten richting werk of opleiding.

Wij maakten vanuit deLink vzw, een erkende opleidings- en vormingsorganisatie voor ervaringsdeskundigheid in armoede en sociale uitsluiting, de podcast ‘Tussen stilte en schaarste’ over die connectie tussen armoede en eenzaamheid. Om er aandacht voor te vragen, en om de kennis van onze opgeleide ervaringsdeskundigen een podium te geven. In de eerste aflevering van onze podcast spreken we met onderzoeker Jasper De Witte (HIVA, KU Leuven) en ervaringsdeskundige Cassy.

Doorzettingsvermogen

“Mijn levenspad is er een van veerkracht en doorzettingsvermogen”, vertelt Cassy. “In mijn jonge jaren beschikte ik niet over een middelbaar diploma, was ik in periodes thuisloos en leefde ik permanent in armoede.”

“Om mijn gezin te kunnen onderhouden werkte ik voornamelijk in supermarkten en op klantendiensten, maar ik merkte al snel dat deze jobs niet strookten met mijn waarden en normen.”

“Ik besloot een andere weg in te slaan en volgde een vierjarige opleiding bij deLink vzw tot ervaringsdeskundige in armoede en sociale uitsluiting. Het was een intense en confronterende periode waarin ik oog in oog kwam te staan met trauma’s en onrecht uit het verleden.”

“In oktober 2023 kreeg ik de kans om te beginnen werken bij deLink. Daar zet ik mij sindsdien met hart en ziel in om bewustzijn te creëren rond de gevolgen van armoede en sociale uitsluiting.”

Stem laten horen

Cassy: “Vandaag vertel ik mijn verhaal, niet vanuit een slachtofferrol, maar vanuit mijn kracht. Ik heb nog altijd littekens,maar ik heb ook het lef om mijn stem nu te laten horen. Dit is mijn verhaal en het mag, nee, het moet gehoord worden.”

“Mijn eenzaamheid begon eigenlijk al als kind. Thuis gebeurden er dingen die niet klopten. Daar mocht ook niet over gesproken worden. Ik kom uit een kluwengezin. Dat betekent dat we sterk verbonden waren met elkaar, maar dat daardoor de persoonlijke grenzen niet altijd duidelijk waren. Al snel voelde ik: hier klopt iets niet. Ik begon me te verzetten, niet omdat ik lastig was, maar gewoon omdat ik de waarheid niet langer voor mezelf kon houden.”

“Dat verzetten tegen mijn ouders maakte me nog eenzamer. Ik mocht amper buiten. Ik zat meestal alleen, opgesloten inmijn kamer. En eigenlijk alleen mijn hond gaf mij troost. Dat was mijn beste vriendin, want die vertelde nooit iets verder.”

Alles viel weg

Cassy: “Toen ik uiteindelijk wel durfde praten, dankzij hulp op mijn middelbare school, viel ineens alles weg. Mijn familie keerde mij de rug toe en op mijn achttiende stond ik op straat. Zonder geld, zonder een diploma, zonder een idee waar ik hulp kon vinden. Die periode is keihard geweest.”

“Ik bleef zoeken, maar uiteindelijk heb ik vooral herkenning en erkenning gevonden bij mensen die dezelfde ervaring al hadden gehad en dus ook op straat leefden.”

Onderzoek naar eenzaamheid

Jasper De Witte is als socioloog verbonden aan HIVA Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (KU Leuven) en is coördinator van het onderzoek ‘A Lonely Planet? Eenzaamheid aanpakken vanuit een ruimtelijk perspectief: onderzoek naar de invloed van de buurt en omgeving’.

Jasper: “Eenzaamheid betekent eigenlijk simpelweg dat je ontevreden bent met je sociale relaties. Het kan zijn dat je niet tevreden bent met het aantal relaties dat je hebt, of dat je vindt dat de relaties die je wel hebt niet goed genoeg zijn.”

“Het is een onaangenaam gevoel, vergelijkbaar met honger of dorst, eigenlijk een soort van overlevingsmechanisme. Als je je eenzaam voelt, is dat een signaal van je lichaam dat je terug aansluiting moet zoeken bij een groep.”

“Het is ook een fysiek waarneembaar proces in je lichaam: je maakt meer adrenaline en cortisol aan, je hormoonhuishouding verandert, je immuunsysteem past zich aan. Eenzaamheid is dus meer dan een gevoel. Het is een biologische impuls die je richting verbinding probeert te sturen, richting heraansluiting bij de groep.”

“Hieruit volgt ook dat eenzaamheid niet per definitie mag worden geproblematiseerd. Het is een heel normaal en noodzakelijk menselijk gevoel dat we nodig hebben om te overleven.”

Soorten eenzaamheid

Jasper: “We maken een onderscheid tussen drie vormen van eenzaamheid: emotionele, sociale en existentiële eenzaamheid.”

“Emotionele eenzaamheid is een gemis aan een hechte, affectieve band, bijvoorbeeld met een partner of beste vriend. Sociale eenzaamheid is een gebrek aan een breder netwerk van kennissen, familie, collega’s. Uit onderzoek blijkt zo dat ook mensen in een relatie zich eenzaam kunnen voelen. Wel dertig procent van de mensen in een relatie gaf aan zich soms of vaak eenzaam te voelen. Het toont dat één sterke band niet volstaat, ook het bredere sociale netwerk is belangrijk.”

“Existentiële eenzaamheid is een gevoel van zinloosheid, het idee dat je geen plaats hebt in de wereld. Dit is eerder spiritueel of filosofisch van aard. Existentiële eenzaamheid gaat echt over een doel hebben in je leven.”

Geen weg vooruit meer

Cassy: “Soms vragen mensen aan mij wat ik in die situatie nodig had. Maar als ik eerlijk ben, weet ik dat tot op de dag van vandaag nog altijd niet. Als je je echt eenzaam voelt, voel je je alleen op de wereld. Een weg vooruit, dat zie je niet meer.”

“Dus hoe kun je dan verwachten dat iemand anders je eruit gaat trekken als je zelf nog niet weet waar je eerst moet beginnen? Eenzaamheid, dat sluit je op. Niet alleen in je huis. Je zit met je problemen, je wilt niet dat mensen dat zien, je zit met die schaamte, dus je blijft liever binnen.”

“Maar die eenzaamheid zit ook in jezelf. Je raakt geïsoleerd, stil en heel onzichtbaar. En op den duur zelfs in die mate dat je je verhaal niet meer durft te vertellen. Dat is niet omdat je dat niet wilt. Je denkt voortdurend: ik ben een last. Dus je zwijgt en je kruipt weg, terwijl je eigenlijk gewoon wil gezien worden als mens.”

Eenzaamheid is niet individueel

Jasper: “Het grote probleem is dat eenzaamheid te vaak wordt herleid tot een individueel en subjectief gevoel. Terwijl uit onderzoek blijkt dat eenzaamheid heel sterk wordt bepaald door maatschappelijke ongelijkheid en structurele barrières die sociale uitsluiting in de hand werken.”

“De oplossing voor eenzaamheid mag je dus niet alleen bij het individu leggen. We moeten meer oog hebben voor structurele maatregelen om eenzaamheid tegen te gaan. Een voorbeeld van een structurele maatregel is armoede tegengaan.”

“De mensen die het minst verdienen in Vlaanderen hebben bijna dubbel zo veel kans om zich eenzaam te voelen als mensen met een hoger inkomen. Armoede leidt dus per definitie tot eenzaamheid. Mensen met weinig geld hebben simpelweg niet de middelen om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Ze kunnen bijvoorbeeld niet of minder deelnemen aan sociale activiteiten zoals sporten, uitgaan of familiebezoeken.”

“Daarnaast zorgt economische stress voor druk op sociale relaties, zowel binnen het gezin als daarbuiten. Mensen in armoede wonen ook vaker in afgelegen of minder veilige buurten waar sociale verbondenheid minder is. Armoede leidt bovendien vaker tot gezondheidsproblemen: het verhoogt onder andere de kans op angst en depressie.”

Vooroordelen

Cassy: “Toen ik verslaafd raakte en dakloos werd, kreeg ik met heel wat vooroordelen te maken. Mensen liepen letterlijk in een boog rond mij op straat. Ook in de hulpverlening was dat zo. Nog voordat je een woord kunt zeggen aan de balie, hangt er al een oordeel aan je lijf. En je ziet dat in die mensen hun ogen.”

“Ik verdroeg dat niet. Dus ik zocht steeds weer een manier om me te blijven verdoven. Als je je emoties kunt uitzetten, dan helpt dat om te overleven. Anderen zagen vooral mijn problemen, maar niet de persoon die ik eigenlijk was. Ik voelde me vooral een dossier.”

“Toch vond ik wel verbondenheid, niet bij die instanties, maar bij de mensen die hetzelfde meemaakten, die begrepen mij ook het beste. Geen hulpverleners, geen oplossingen, maar gewoon mensen die konden luisteren. Soms was dat wel genoeg voor even. Echte verbondenheid ontstaat niet in kantoren. Dat ontstaat door gesprekken te hebben met diemensen op een bankje, in alle stilte en met alle erkenning.”

Lotgenotencontact

Jasper: “Eenzaamheid gaat over je uitgesloten voelen, je niet verbonden voelen met andere mensen. Lotgenotencontacten laten toe dat je je niet meer alleen voelt in jouw specifieke situatie. Contact met lotgenoten zorgt ook voor afleiding en leidt ertoe dat je sociale en emotionele steun krijgt. Je kan ook tips en tricks uitwisselen en soms kun je iets teruggeven aan de ander.”

“In het beleid rond eenzaamheid ontwaren we drie belangrijke vaststellingen. Ten eerste wordt er te weinig onderscheidgemaakt tussen de verschillende soorten eenzaamheid. De aanpak van eenzaamheid van een rouwende oudere is anders dan die van een eerstejaarsstudent of een alleenstaande ouder.”

“Ten tweede ligt er te veel focus op het tegengaan van sociale eenzaamheid. Een praatje met iemand kan fijn zijn, maar zal niet per se diepere eenzaamheid oplossen. Voor mensen die zich ernstig eenzaam voelen, kosten sociale contacten heel veel energie.”

“En als laatste is er de eenzaamheidsparadox. Hoewel eenzaamheid je normaal aanzet tot verbinding, kan ernstige eenzaamheid net leiden tot sociale isolatie. Mensen worden overgevoelig voor sociale signalen, interpreteren zaken negatief, voelen zich miskend en trekken zich terug. Of ze gaan net extreem aanklampen aan hun netwerk, wat anderen afschrikt.”

Bron: sociaal.net

De realiteit achter de retoriek: factcheck van het openingscollege van Bart De Wever aan de UGent

“De diagnose van De Wever klinkt hard maar correct”, schrijft Bart Eeckhout in De Morgen. “De premier, die een voorgeschiedenis heeft als academicus, had ook cijfers mee om dat te bewijzen”, vult zijn collega aan. Nochtans valt er heel wat af te dingen op zowel de analyse van de eerste minister als de manier waarop hij met cijfers omgaat.

“Hij toont zich wel echt als een staatsman”, reageert een student. Het is de eerste zin in de reportage van De Standaard op Instagram over de lezing van Bart De Wever aan de UGent. Wie de video verder bekijkt, krijgt sterk de indruk dat het woord ‘staatsman’, dat maar liefst vijf keer terugkomt, in de mond van de studenten gelegd wordt. Dat een groot deel van de studenten positief naar de eerste minister kijkt, is niet onwaarschijnlijk. Dat ze allemaal zelf bedachten om heel nadrukkelijk het woord staatsman uit te spreken, is dat wel.

Met dat beeld van De Wever als staatsman is de toon gezet. Of je nu de televisie aanzet, op sociale media scrollt of de kranten leest, overal wordt de lezing van De Wever bewierookt. “De diagnose van De Wever klinkt hard maar correct”, schrijft Bart Eeckhout in De Morgen. “De premier, die een voorgeschiedenis heeft als academicus, had ook cijfers mee om dat te bewijzen”, vult zijn collega aan.

Op de VRT was men zelfs vóór de lezing overtuigd van de argumenten van de eerste minister. “Veel succes met de lezing. Ik hoop dat ze goed luisteren”, supporterde Ivan De Vadder, vol bewondering voor De Wever. In plaats van de macht kritisch te bevragen, beperkt de journalistiek zichzelf op deze manier tot doorgeefluik van die macht. Want in tegenstelling tot wat de kranten schrijven, valt er best wel wat af te dingen op de analyse die De Wever bracht, en ook op de cijfers die hij toonde. 

Eloquentie en eruditie

Niet alleen de pers leek zichzelf in dienst te stellen van de machtspoliticus die De Wever is. Ook de universiteit deed dat. “De vereiste eloquentie en eruditie zijn niet iedereen gegeven, maar wel aan Bart De Wever”, zo sprak Carl Devos, de professor politicologie die het college organiseerde.

Tien jaar geleden was De Wever al eens te gast in het college van professor Devos. Toen riep hij op om vluchtelingen de toegang tot de sociale zekerheid te ontzeggen. “De geschiedenis heeft u al eens gelijk gegeven”, met die woorden blikt Devos in zijn intro daarop terug. Eerstejaarsstudenten die geacht worden de politiek op een wetenschappelijke en dus ook kritische manier te bestuderen, worden in het vak ingeleid door een professor die met zijn adoratie voor de eerste minister geen blijf weet.

Devos kondigde De Wever bovendien niet zomaar aan als politicus. Hij kondigde hem aan als een “oud-academicus” die “in elke rol die hij opnam ook altijd een publiek intellectueel bleef.” En hij voegde eraan toe: “historici zijn goed geplaatst voor vooruitblikken.” Alsof De Wever de studenten toesprak als historicus die een wetenschappelijke analyse kwam meegeven, en niet als politicus die – zoals voorzitter van Beweging.net Julie Hendrickx Devos terecht opmerkt – gewoon campagne kwam voeren.

Laten we dus dat gebrek aan kritiek enigszins proberen te compenseren. In wat volgt gaan we doorheen de volledige lezing van De Wever. We weerleggen zijn argumenten stap voor stap. 

Communisme versus kapitalisme?

De Wever begint zijn uiteenzetting met een standbeeld van Lieven Bauwens. Nadat hij gespeeld in shock is dat de studenten die hij op willekeurige wijze aanduidt de man niet meteen herkennen, legt hij uit dat hij een belangrijke ondernemer en industrieel spion was. Bauwens bracht Engelse katoentechnologie naar Gent.

Dat De Wever zijn lezing begint met een oude Gentse ondernemer is niet enkel om de studenten te kunnen inwrijven dat ze hun geschiedenis niet kennen, maar vooral omdat in zijn wereldbeeld het grote ondernemers zijn die de basis vormen van ongeveer alles. Hij had kunnen beginnen met een afbeelding van de mensen die in de textielsector werkten, maar De Wever kiest bewust voor het perspectief van de ondernemers.

Met zijn volgende slide maakt De Wever die keuze ook heel expliciet. Op de linkerkant zette hij Karl Marx, op de rechterkant Adam Smith. “Twee grote theorieën over welvaart die met elkaar hebben geclasht”, aldus De Wever. “Eigenlijk is dit gevecht door de twintigste eeuw beslecht: game, set, match. Het communisme heeft verloren. Het kapitalisme is bij uitstek hetgeen dat onze welvaart kan maximaliseren.”

In plaats van studenten aan te moedigen om, zoals de slogan van de UGent nochtans van hen vraagt, te durven denken, wil De Wever hier in de eerste plaats inperken waarover nog mag worden nagedacht. Alles wat buiten zijn economische denkkader past, wordt afgeserveerd als communistisch en dus achterhaald.

Met de theorie van Adam Smith zelf heeft dat overigens weinig te maken. “De geneigdheid om de rijken en machtigen te bewonderen en bijna te aanbidden en mensen in armoedige en nederige omstandigheden te verachten of op zijn minst te veronachtzamen, vormt de grootste en algemeenste oorzaak van de ontaarding van onze morele gevoelens”, zo schrijft Smith in De theorie over morele gevoelens, wat hij zelf als zijn belangrijkste werk zag. Het is dus maar de vraag wat hij zou denken van een lezing die begint met een standbeeld van een rijke industrieel.

De theorie over de onzichtbare hand van de markt waar De Wever naar verwijst, zag Smith zelf als een beschrijvende theorie. Dat wil zeggen: een theorie over hoe de economie functioneert, en dus niet noodzakelijk hoe ze zou moeten functioneren. Het idee van De Wever dat welvaartsmaximalisatie de belangrijkste, zo niet enige, opdracht is van de overheid en de overheid daarom de ondernemers moet dienen, is eerder afkomstig van Friedrich Hayek dan van Adam Smith.

Het verhaal van De Wever heeft veel meer met het neoliberalisme te maken dan met het klassieke liberalisme. Dat is de ideologie die op redelijk agressieve wijze alle sociale verworvenheden die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgebouwd, wil afbreken, met als belangrijkste argument dat er geen alternatief is.

De welvaartsstaat redden?

Wat we in Europa kennen is geen zuiver kapitalistisch model, zo gaat De Wever verder met zijn redenering. De kapitalistische economie genereert hier wel de welvaart, dat is de sokkel waarop ons systeem gebouwd is. Maar boven op die sokkel hebben we een sociaal systeem uitgebouwd: de sociale zekerheid, betaalbaar onderwijs, betaalbare gezondheidszorg.

De Wever zegt dat sociaal systeem te steunen, maar in dezelfde adem voegt hij eraan toe dat het veel te groot is geworden en moet worden afgebouwd. Een beetje zoals hij tien jaar geleden beweerde racisme te kunnen indijken door de vluchtelingen buiten te houden, beweert hij nu de welvaartsstaat te kunnen redden door haar af te breken.

“Welvaart en niet de staat is uiteindelijk het fundament waar al de rest op rust”, aldus De Wever. Merk op dat in deze absolute tegenstelling de staat geen enkele rol speelt in de creatie van welvaart. Dat is een duidelijke ideologische stelling. Een bekende econome als Mariana Mazzucato toont duidelijk aan hoe dit in de realiteit wél het geval is.

Afbeelding

Dat hij de welvaartsstaat wil afbreken, is een rechtse politieke keuze, maar zo presenteert De Wever het niet. Hij presenteert ze alsof die keuze de enige mogelijke is. “De harde waarheid is dat die welvaartsstaat gaat instorten”, aldus De Wever. “Dat is een mathematische zekerheid.” Dat komt volgens De Wever omdat “we heel exclusief de nadruk zijn gaan leggen op de herverdeling, op de zuilen, en vergeten zijn te kijken naar de sokkel.”

De sokkel is te smal en de pilaren zijn te dik. En dus moeten we, ik citeer, “uit die dikke zuilen weg te hakken wat er niet thuishoort en in de mate van het mogelijke het steengruis in de sokkel opnemen. Dat lijkt mij redelijk evident.” Vrij vertaald: stelen van de zieken, de werkzoekenden en de gepensioneerden om het te geven aan de rijke ondernemers.

Creatief met cijfers

Die vrije vertaling is grof verwoord, maar het is ook grof hakwerk dat De Wever wil inzetten.
“Is het verstandig dat wij het enige land zijn van Europa waar werkloosheid nog een levenskeuze kan zijn tot het einde van uw dagen?”, zo vraagt hij retorisch. “Is het mogelijk dat wij een half miljoen langdurig zieken blijven ondersteunen?”

Over die langdurig zieken heeft hij ook, zoals De Morgen schrijft, cijfers bij om zijn punt te bewijzen. Alleen springt hij er nogal vreemd mee om. De Wever heeft het over “steekproeven die wij onlangs hebben gedaan bij een willekeurige groep mensen die zich als langdurig ziek hebben ingeschreven. Een kwart bleek niet in de invaliditeit thuis te horen.”

Nu, die steekproeven heeft hij niet afgenomen, die zijn afgenomen door het RIZIV. Het RIZIV zelf benadrukt dat het om een selectieve steekproef gaat: “De dossiers die we opnieuw hebben gecontroleerd, zijn mensen met een ziektecode die geen erkenning tot de pensioenleeftijd rechtvaardigt.” 

In de groep van mensen met chronische aandoeningen als dementie of parkinson was haast iedereen terecht invalide verklaard tot de pensioenleeftijd. De cijfers waar De Wever naar verwijst, gaan over de 768 gevallen uit een andere groep, van mensen met een niet-onomkeerbare ziekte. Die cijfers kan je dus helemaal niet extrapoleren naar de hele groep, zoals De Wever wel doet. Op die manier zet hij een heleboel mensen die ziek zijn, onterecht weg als profiteurs.

De staatsschuld

“De overheidsuitgaven zijn ontspoord alsof zij geen relatie meer hadden tot de sokkel waar zij op rusten, en dat is onhoudbaar”, dat is de centrale stelling van De Wever.

Dat we in de schulden zitten, valt natuurlijk niet te ontkennen. En dat dit een probleem is, wist zelfs de man die De Wever op zijn tweede slide zette om hem de grond in te boren al. “Het enige deel van de zogenaamde nationale rijkdom dat werkelijk het gemeenschappelijk bezit is van de moderne volkeren”, zo schreef Karl Marx in Het Kapitaal, “is hun staatsschuld.”

De vraag is waar die staatsschuld vandaan komt. Als we Bart De Wever mogen geloven, is dat de schuld van alles wat links is. De uitgaven van de sociale zekerheid en onze publieke diensten zouden uit de pan rijzen en dus moet er drastisch worden bespaard, maar is dat wel zo?

Een blik op de evolutie van de Belgische staatsschuld van de afgelopen jaren vertelt een heel ander verhaal. 

De overheidsschuld, zo leren we uit de sociaal-economische barometer van het ABVV, bedraagt 105 procent van het bbp. Het grootste deel van die schuld dateert van veertig jaar geleden: tussen 1979 en 1983 is de schuldgraad gestegen van 66,6 procent naar 106,8 procent. België boekte toen hoge begrotingstekorten net op het moment dat de internationale rente historisch hoog stond.

Sindsdien is het Belgische begrotingstekort echter vooral gedaald. België boekte van 1985 tot 2009 primaire overschotten. Als die trend de afgelopen jaren wat gekeerd lijkt, heeft dat in de eerste plaats met twee belangrijke gebeurtenissen te maken. Ten eerste was er de financiële crisis van 2008, waarin de overheid miljarden euro’s uitgaf om de banken te redden. Ten tweede was er de coronacrisis, waarin de overheid opnieuw serieus geld uitgaf om de economie overeind te houden.

Langer leven, langer werken?

De overheidsschuld is dus vooral het gevolg van de pogingen om de sokkel waar De Wever het over heeft overeind te houden. De overheid – zeker ook in het kapitalisme – speelt namelijk wél een belangrijke rol in de welvaartscreatie.

Als we De Wever mogen geloven, is de toestand van de sociale zekerheid onhoudbaar vanwege de stijgende uitgaven, onder meer door de kosten van de vergrijzing. Zo verwees De Wever naar de zogenaamde demografische afhankelijkheidsratio: het dalend aantal werkenden per gepensioneerde dat de vergrijzing onbetaalbaar zou maken.

Het is een feit: onze samenleving telt een groeiend aantal gepensioneerden. Ze telt tegelijk minder kinderen, jongeren en werkzoekenden. Voor de betaalbaarheid moet je met die volledige verhouding rekening houden. Vandaag zijn er 1,6 niet-werkenden per werkende; dat is de economische afhankelijkheidsratio. In 2070 blijft die verhouding volgens het Planbureau ongeveer hetzelfde.

Dat de kosten voor de pensioenen bij ongewijzigd beleid zullen stijgen, klopt wel, maar dat we dubbel zo lang zouden moeten werken om ze te kunnen betalen, zoals De Wever letterlijk beweerde, is onzin. Dat de vergrijzingskost op zich beheersbaar is, zeg ik niet alleen, maar ook bijvoorbeeld professor demografie Patrick Deboosere.

In zijn boek Worden onze kinderen 120 jaar? haalt Deboosere ook het riedeltje onderuit dat we langer moeten werken omdat we ook langer leven, dat De Wever in zijn lezing ook weer herhaalde. De bevolking wordt vooral ouder omdat steeds minder mensen vroegtijdig sterven. Vroeger was er veel meer zuigelingensterfte, kindersterfte en sterfte van jongvolwassenen, wat de gemiddelde levensverwachting sterk naar beneden trok. Maar wie oud werd, werd toen ook al bijna even oud als nu.

Starve the beast

Als de pensioenen steeds moeilijker te betalen zijn, is dat in de eerste plaats omdat de inkomsten van die sociale zekerheid de afgelopen decennia zijn gedaald. De sokkel, in de metafoor van De Wever, is een zelfbewuste politieke actor van rijke ondernemers die steeds minder zin hebben om de pilaren nog verder te ondersteunen.

De belangrijkste bron van inkomsten voor de sociale zekerheid zijn de bijdragen van werknemers en werkgevers. Een deel van je brutoloon – in de meeste gevallen 13,07 procent – gaat naar de sociale zekerheid. Die werknemersbijdragen zijn de afgelopen decennia relatief constant gebleven.

De werkgever legt hier bovenop de werkgeversbijdrage. Dat deel is echter systematisch gedaald in de afgelopen decennia. Waar eind jaren 90 de werkgeversbijdragen nog ongeveer 34 procent van de loonmassa bedroegen, ligt dat cijfer vandaag bijna 10 procent lager.

Dat is het gevolg van een reeks vrijstellingen en de zogenaamde taxshift. In 2014 verlaagde toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) de patronale bijdragen op arbeid, waardoor de sociale zekerheid vandaag jaarlijks miljarden aan inkomsten verliest.

“Die belastingverlaging”, zo schrijft algemeen secretaris van ACV Puls Lieveke Norga daarover in De Standaard, “zou zichzelf terugverdienen door jobcreatie, klonk het toen. Intussen is gebleken dat zo’n cadeau doorgaans rechtstreeks naar de aandeelhouders gaat. Dat zijn miljarden minder om onze levensstandaard te beschermen tegen inkomensverlies bij ziekte, ontslag of ouderdom. Als het doel van de taxshift was om onze sociale zekerheid veilig te stellen, dan kunnen we dat een dure mislukking noemen.”

De studiedienst van het ACV berekende dat het overheidstekort voor 2024 vrijwel samenvalt met de inkomsten die de staatskas door de taxshift misloopt, samen met de loonsubsidies die werkgevers kregen van diezelfde regering.

De Wever past met andere woorden de strategie toe die de Amerikaanse conservatieven starve the beast noemen: eerst snoeien in de inkomsten om dan luid te roepen dat de overheid zonder geld zit en er dus geen andere mogelijkheid is dan te besparen op sociale uitgaven.

Hetzelfde geldt voor de dalende productiviteitsgroei waar De Wever in zijn lezing over klaagt en die volgens hem te maken heeft met een teveel aan regelgeving vanuit de overheid. Heel wat gerenommeerde economen, waaronder ook Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, wijzen net naar het besparingsbeleid dat De Wever zo koppig wil doorzetten als oorzaak van die dalende trend.

Cynisch wereldbeeld

Wat De Wever voorstelt als onvermijdelijk is met andere woorden een politieke keuze. Die keuze was al duidelijk aan het begin van zijn lezing toen hij ervoor koos om op zijn eerste slide een standbeeld van een rijke industrieel te zetten. Die keuze zette zich door in het gegeven dat hij de mogelijkheid om een vermogensbelasting in te voeren en de impact van de toenemende militarisering op de begroting buiten beschouwing liet in zijn praatje.

Dat media en academici dat voorstellen als de waarheid is gênant, maar dat hij zijn politieke keuzes verdedigt, is op zich wat je kan verwachten van een politicus. De manier waarop hij mogelijke andere politieke keuzes wegzet daarentegen, is zorgwekkend. De Wever schetst in zijn lezing met veel gevoel voor dramatiek zijn publiek een doemscenario voor en presenteert zichzelf vervolgens als de enige mogelijke verlosser.

Tegenspraak, daar heeft hij het moeilijk mee. “Ik zal bepaalde mensen misschien af en toe viseren”, zo sprak De Wever aan het begin van zijn lezing. “Zolang dat allemaal op een respectvolle manier gebeurt waarbij ik spreek en u moet ondergaan, kan dat allemaal perfect verlopen, denk ik.” Hij zegt het met een kwinkslag, maar de toon is wel gezet.

Het zou een vergissing zijn om de opeenvolging van rancuneuze uithalen naar links waarmee De Wever zijn betoog doorspekt, als een humoristische bijkomstigheid te zien. Zijn cynische communicatiestijl is ook de uitdrukking van een cynisch mens- en wereldbeeld.

“Ik ben niet vies van het woord macht, daar gaat het over. Licht en liefde, dat is heel mooi, maar het is nog veel mooier als je macht hebt”, zo vat De Wever zijn lezing samen. En die macht, dat heeft De Wever goed begrepen, die ligt bij diegenen die het geld hebben. Daarom wil hij vooral meer grote ondernemers naar Europa en, als het even kan, Vlaanderen halen.

“Dit is het enige waar wij in Europa mee bezig zouden moeten zijn”, zo roept hij. “Het enige! Al de rest is hieraan ondergeschikt.” Weg dus klimaatbeleid, weg mensenrechten. Eerst geld en macht nastreven, en dan zal de rest wel in orde komen. Vandaar ook dat hij op zijn laatste slide de slogan Labore et Constantia projecteert: arbeid en standvastigheid. Vrij vertaald: hard werken en zwijgen. Dat is wat deze machtspoliticus die zich keizer waant van zijn onderdanen verwacht.

Macht en tegenmacht

En wie daar niet in meegaat, krijgt de volle lading. De Wever gaat op een totaal oneerlijke manier om met zijn politieke tegenstanders. Bijna Trumpiaans sneert hij naar de linkerzijde, die volgens hem “een klimaatsaus” over het degrowth-denken gegoten heeft “om het een existentieel karakter te geven”, alsof de ecologische crisis een complot is van mensen die naar een ander economisch systeem willen.

Voor zijn lezing kondigde De Wever nog aan dat hij niet te hard zou uithalen omdat hij nu eerste minister is, maar wanneer hij spreekt over de vakbonden kan hij zich niet langer houden en begint onze staatsman luid te roepen. Staken? “Dat kan echt niet! Dat kan echt niet!” Dat De Wever zo’n hartsgrondige hekel heeft aan stakingen, is omdat ze aantonen dat het de werkende mensen zijn, niet de rijke ondernemers, die voor onze welvaart zorgen. Als zij stop zeggen, valt alles stil.

Als we vandaag in een democratie leven, dan is dat mede omdat politici niet mogen bepalen of er al dan niet gestaakt wordt; dat bepalen werkende mensen gewoon zelf. Daarom is de geplande actiedag van dinsdag 14 oktober zo belangrijk, omdat die de sociale realiteit die De Wever buiten beeld probeert te houden, naar boven brengt.

De grote uitdaging voor de vakbonden, het middenveld en de brede solidaire tegenstroom zal zijn om zich niet enkel te verzetten tegen de plannen van deze regering, maar ook duidelijk te maken hoe een andere politiek, die de rijkdom aan de top van de samenleving activeert en investeert in de grote sociale, ecologische en democratische noden, mogelijk is. Daarom organiseert Hart Boven Hard aan de vooravond van de betoging haar Nacht van het Verzet in de Beursschouwburg van Brussel. Die avond belooft alvast een stuk interessanter te worden dan het propagandapraatje van De Wever.

Bron: DeWereldMorgen.be

De stille roof: 35 miljard euro die de begrotingsgesprekken verzwijgen

Terwijl politici ruziën over miljarden aan besparingen, verdwijnt er elk jaar een veelvoud in de schaduw. In 2023 stroomde maar liefst 35 miljard euro weg uit de sociale zekerheid. Dit geld ging niet naar pensioenen of zorg, maar naar bedrijfswinsten en loonsubsidies zonder garantie op jobs.

De begrotingsgesprekken zijn een mooi staaltje spektakeldemocratie: Bart De Wever geeft aan UGent een donderpreek bedoeld om eerstejaars de stuipen op het lijf te jagen en Bouchez doet de ene stoere uitspraak na de andere. De media gaan er volledig in mee, dat is goed voor de kijk- en leescijfers, maar ondertussen missen ze het debat ten gronde. 

Dat debat werd onlangs wel gevoerd in Leuven. Daar vond De Staat van de Welvaartsstaat plaats, een vijfjaarlijkse conferentie die uniek is in Europa. Toponderzoekers uit de hele EU kwamen er samen om de toestand van de sociale zekerheid te bespreken. 

In die conferentie werd de vinger op de wonde gelegd. Maar van politici of media geen spoor. Geen enkel debatprogramma nodigde de sprekers uit, geen enkel journaal kwam luisteren. 

Terwijl de spektakeldiscussie over “besparingen” en de vraag of we afstevenen op een noodbegroting of zelfs een gefakete regeringscisis het nieuws domineren, bleef de analyse van professor Jozef Pacolet (HIVA-KU Leuven) en andere academici onopgemerkt: de ‘welvaartsstaat’ boert niet zo slecht in België. Socioloog Jan Hertogen maakte tegen deze achtergrond de rekening op van onze sociale zekerheid: in 2023 werd maar liefst 35 miljard euro aan de sociale zekerheid onttrokken. 

Dat bedrag – drieënhalf keer meer dan wat de regering zoekt in haar geplande besparingsronde – is geen detail, maar de clou van de zaak. Het toont aan hoe structureel onze sociale bescherming wordt leeggezogen door een beleid dat de lasten systematisch verschuift van bedrijven naar burgers.

Plundering van de sociale zekerheidskas

De sociale zekerheid is niet door regeringen uitgevonden. Ze is opgebouwd door de arbeidersbeweging: onderlinge bijstandskassen, spaargroepen en vakbonden legden vanaf het eind van de negentiende eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog de basis voor het systeem dat ziekte, werkloosheid en ouderdom moest opvangen. 
Werkgevers werden verplicht om een deel van de loonmassa bij te dragen. Niet als gunst, maar als een rechtvaardig deel van de meerwaarde die werknemers produceren.

Vandaag wordt dat principe ondergraven. In de jaren zestig betaalden werkgevers nog 37 procent van het brutoloon aan sociale bijdragen. Na tientallen kortingen, taxshifts en uitzonderingen blijft daarvan nog ongeveer 25 procent over. Het verschil – miljarden per jaar – verdwijnt als winst of dividend, zonder controle of voorwaarden.

Volgens mijn berekeningen ging in 2023 21 miljard euro verloren via lagere werkgeversbijdragen en 14 miljard euro via loonsubsidies. Een fractie daarvan creëert echte banen. Het overgrote deel is pure cash die rechtstreeks naar bedrijven en aandeelhouders stroomt.

De “dure werknemer”?

Terwijl de sociale zekerheid wordt leeggetapt, blijven werkgeversorganisaties klagen over “te hoge loonkosten”. Maar cijfers tonen het tegenovergestelde. België geeft meer dan vijf procent van de loonmassa uit aan subsidies. Dat is acht keer zoveel als Frankrijk en bijna zes keer zoveel als Nederland.

De zogenaamde “loonkloof” is bovendien kunstmatig: de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven mag wettelijk de lastenverlagingen van de taxshift niet meerekenen in zijn internationale vergelijkingen. Zo lijkt het alsof onze lonen “te duur” zijn, terwijl ze in werkelijkheid zwaar gesubsidieerd worden.

Toch blijven regeringen deze fictie voeden om nieuwe kortingen te verantwoorden. “Om de welvaartsstaat te redden, moet ze gestaag worden afgebroken. Met die ietwat kromme redenering kom je weg als je mensen eerst de stuipen op het lijf jaagt en hen het gevoel geeft dat er geen alternatief is.” Zo vat Hendrik Vos, professor Europese Studies aan UGent, deze fictie samen in De Standaard.   

De echte oorzaak van het begrotingstekort

In 2023 bedroeg het officiële begrotingstekort 26,7 miljard euro. Dat cijfer wordt gretig gebruikt om nieuwe besparingen te rechtvaardigen. Maar als men de 35 miljard euro aan sociale-zekerheidsverlies daarbij optelt, wordt duidelijk waar het gat werkelijk zit: niet bij uitkeringen, leeflonen of pensioenen, maar bij de transfers naar bedrijven. 

Dat geld komt niet terug in de economie via tewerkstelling of belastinginkomsten, maar verdwijnt in de private winstsfeer.

Het gevolg is dat de sociale zekerheid structureel ondergefinancierd raakt. Overheden vullen de tekorten aan met algemene belastingen, waardoor het draagvlak van de solidariteit verschuift van werkgevers naar de rest van de bevolking. Ondertussen wordt ons verteld dat het systeem “te duur” is.

Flexi-jobs en studentenarbeid: de sluipmoord op zekerheid

Daarbovenop komen nieuwe uitzonderingsstatuten: flexi-jobs, studentenwerk, tijdelijke en deeltijdse contracten. Deze vormen van werk betalen amper bijdragen, maar vervangen steeds vaker vaste jobs. Ze ondergraven de solidariteitsbasis van het systeem.

Zelfstandigen dragen minder bij dan werknemers, maar krijgen steeds meer sociale rechten. En vermogens blijven grotendeels buiten schot. De ongelijkheid groeit, niet omdat er te veel solidariteit is, maar omdat de sterkste schouders structureel te weinig bijdragen.

Gezien de huidige grote ongelijkheid heeft professor emeritus Wim Moesen in Terzake van 22 oktober daarom gepleit voor een volledige hervorming van de belastingen. Volgens hem moet elk inkomen, hetzij uit arbeid, hetzij vermogen, proportioneel bijdragen aan de sociale zekerheid. Daar zijn we nog lang niet. Vooral de grote vermogens ontspringen hier de dans. 

Herfinanciering in plaats van afbraak

Als België echt op zoek is naar “10 miljard euro aan besparingen”, dan ligt het antwoord voor de hand: herfinancier de sociale zekerheid. Om de forse besparingen te verantwoorden wordt gezwaaid met onze hoge schuldenlast. Maar als je kijkt naar de 210 miljard euro die tussen 2016 en 2024 uit de sociale zekerheid verdwenen is ten behoeve van de ondernemingen, dan is dit gelijk aan een derde van de totale schuld. 

Alleen al het terugschroeven van een deel van de huidige subsidies en kortingen zou miljarden opleveren, zonder iemand in armoede te duwen. Dat is de kern van de oproep die uit deze analyse kan worden afgeleid. De boodschap is eenvoudig: wie de welvaartsstaat wil redden, moet zorgen dat haar inkomsten beschermd blijven.

De sociale zekerheid is geen kostenpost, maar een collectieve verzekering. Het is het fundament van onze samenleving. Ze garandeert zorg, inkomen en waardigheid, ongeacht afkomst of status. Wat vandaag uit die pot wordt gehaald om bedrijven te “ontlasten”, is in feite een overdracht van publieke naar private rijkdom.

Of, zoals Lieveke Norga van ACV Puls het scherp stelt: “Wie het ernstig meent met de bescherming van ons sociale model, ziet er ook op toe dat de inkomsten van dat model gevrijwaard blijven. Deze regering laat onze sociale zekerheid nóg verder leegbloeden, met de uitbreiding van flexi-jobs, studentenjobs en werkgeversvrijstellingen, en met nog eens een miljard euro bijkomende ‘lastenverminderingen’ – in feite winstvermeerderingen ten kosten van het sociale verzekeringssysteem. Dat maakt het discours over het ‘algemeen belang’ totaal ongeloofwaardig.”

Dit is wat het echte begrotingskader zou moeten zijn: hoeveel van die 35 miljard euro kan en moet worden ingezet voor extra jobs en sterkere inkomsten voor de sociale zekerheid.

De keuze is helder: blijven we toekijken hoe de welvaartsstaat wordt afgebouwd via sluiproutes en fiscale gaten, of kiezen we voor een eerlijke herverdeling waarin kapitaal opnieuw bijdraagt? Solidariteit is geen kost, het is de bron van onze welvaart.

Meer cijfers en tabellen over deze kwestie vind je hier.

Bron: Dewereldmorgen.be

Een samenleving die op ouderen bespaart, bespaart uiteindelijk op zichzelf

Een samenleving die op ouderen bespaart, bespaart uiteindelijk op zichzelf

De Vlaamse begrotingen van 30 miljoen in de ouderenzorg klinkt als efficiëntie op papier, maar op de werkvloer betekent het minder tijd, meer druk en minder waardigheid voor ouderen.

Het geluid van haastige voetstappen van een collega die van kamer naar kamer holt. De blik van een bewoner die smekend naar de deur kijkt, wachtend op hulp bij het eten. Een andere zorgvrager wilde zijn krant; een eenzame dame had net haar middagmaal gehad en vroeg of er nog tijd was voor een paar extra minuten gezelschap. In de negentien jaar die ik werk als zorgkundige zijn het zulke kleine momenten die bepalen hoe een dag écht voelt in een woonzorgcentrum. Ze zijn niet meetbaar in Excel-sheets, maar cruciaal voor de waardigheid van wie bij ons woont. 

Toen ik die ochtend hoorde van de aangekondigde knip van 30 miljoen euro die de Vlaamse overheid gaat uitvoeren in de ouderenzorg, dacht ik niet aan begrotingen. Ik dacht aan die krant en die extra minuten. Hoeveel van zulke momenten rekenen we eigenlijk weg als ‘efficiëntiewinst’ het nieuwe credo wordt?

Bevoegd minister Caroline Gennez probeerde gerust te stellen dat de besparing kan zonder dat de factuur van bewoners stijgt. Reken je het cijfer even uit, dan geeft dat meteen een beeld van de schaal: 30.000.000 euro gedeeld door ongeveer 84.000 erkende woonzorgcentrumplaatsen komt neer op ongeveer 357 euro per plaats per jaar, afgerond zo’n 360 euro, of ongeveer 30 euro per maand per bewoner. Dat is geen abstract bedrag: het is de marge die een voorziening nodig heeft voor extra handen bij piekmomenten, voor kleine investeringen in comfort of voor het opvangen van onvoorziene kosten. Als je die marge wegneemt zonder dat de factuur omhooggaat, rest er maar één logische plek om te besparen: de zorg zelf.

Werkvloer en werkdruk: geen rek meer in het systeem

Op de werkvloer merken we de gevolgen dagelijks. Een besparing van deze grootte klinkt op papier beheersbaar, maar in de realiteit is er weinig vet meer rond de botten. Directies en leidinggevenden draaien nu al op minimale buffers, personeel compenseert tekorten met overuren en informele oplossingen, opleidingen en begeleiding van nieuw personeel worden uitgesteld. Dat laatste is bijzonder pijnlijk: als stagebegeleider zie ik hoe belangrijk tijd voor begeleiding is om nieuwe medewerkers in te werken. Snijd je daarin, dan verhoog je het risico op fouten en personeelsverlies, en dat is precies het omgekeerde van wat kwalitatieve ouderenzorg nodig heeft.

De verleiding bestaat om te roepen dat ‘efficiëntiewinsten’ alles zullen oplossen: betere planning, digitalisering, minder administratie. Maar deze baten zijn grotendeels al geplukt in eerdere jaren. Digitalisering vereist investeringen en tijd, en is bovendien niet heiligmakend. Laat ik een voorbeeld geven: we kregen een gloednieuw tabletsysteem om zorgmomenten te registreren. Een mooi idee, in theorie. In de praktijk betekent het dat ik, na het helpen van een bewoner naar het toilet, niet meteen door kan naar de volgende, maar eerst vijf minuten moet invoeren wat ik net heb gedaan. 

De tablet ligt niet bij de hand, het systeem loopt vast. Ondertussen hoor ik de oproepknop van andere zorgvragers, maar de administratie wacht, de cijfers moeten kloppen. De menselijke maat verdwijnt achter de muur van de digitale verantwoording.

Een goede planning werkt niet als er simpelweg te weinig handen zijn om de zorg uit te voeren. Efficiëntie vertaalt zich nooit naar betere zorg, maar naar schaarser bevraagde uren. In de praktijk betekent dat het protocol zegt dat een bewoner ongeveer vijftien minuten hulp krijgt bij het wassen, terwijl je in werkelijkheid weet dat iemand met dementie of een zware fysieke beperking rust, geduld en een menselijk woord nodig heeft. 

Dat zijn minuten die er in de ochtendzorg gewoon niet zijn. Efficiëntie zonder structurele versterking betekent dus dat zorgteams op korte termijn meer doen met minder, en op middellange termijn breekt het systeem, met daarbij nog uitval door burn-out en langere wachtlijsten als rechtstreeks gevolg.

Bovendien zijn er kosten die niet verdwijnen: energie, voeding, medische materialen en technische onderhoudskosten stijgen vaak sneller dan de raming. Een budgettaire besparing creëert dus een breuk tussen beleidsargument en realiteit op de werkvloer. Voor bewoners vertaalt dat zich in minder tijd voor activiteiten, gehaaste wasbeurten en dat ene troostende woord dat uitblijft. Wie dagelijks zorg nodig heeft, voelt dergelijke verschuivingen dus onmiddellijk.

Financiële keuzes en politieke verantwoording

Politiek wordt dit voorgesteld als verantwoord begrotingswerk: solidariteit hier, efficiëntie daar. Maar politieke keuzes zijn nooit neutraal. Als de zorgpremie verhoogd wordt en tegelijk middelen uit de ouderenzorg gehaald worden, dan is dat geen technische correctie, dat is een prioriteitenlijst. Burgers betalen meer, maar de opbrengst vloeit niet rechtstreeks naar de plaatsen waar die het hardst nodig is.

Dat moet helder benoemd worden: de regering maakt een keuze, en die keuze heeft een gezicht. Het is het gezicht van de verpleger die langer moet werken zonder extra handen, van de familie die vaker moet bijspringen, en van de bewoner die minder bezoek en minder activiteit ziet. Ik zie jonge, nieuwe mensen die vol idealisme beginnen, maar binnen het jaar terug vertrekken omdat de realiteit een muur van stress en onmogelijke verwachtingen is. Wie kiest er nog voor deze prachtige, menselijke job als het enige perspectief dat geboden wordt dat van een eeuwige besparingsronde is? 

De vergrijzing versnelt immers, de zorgbehoeften worden complexer, de kostprijs stijgt. Toch denken de opeenvolgende ministers dat er blijvend kan bespaard worden op een systeem dat al jarenlang uitgehold wordt. Het Rekenhof wees er al op dat de financiering van de woonzorgcentra structureel ontoereikend is.

Waar is het langetermijndenken gebleven, de moed om te investeren in de toekomst? Dan heb ik het over gerichte investeringen in personeel, werkbare roosters die echt houdbaar zijn, en middelen voor begeleiding en opleiding. Investeren in zorg betekent het aantrekkelijk maken en houden van het zorgberoep. Dat betekent vaste jobs in plaats van een flexibele schil aan interim-krachten. 

Het vereist bovenal voldoende personeel om de werkdruk draaglijk te maken, zodat we niet langer van crisis naar crisis hoeven te gaan. Het gaat over de erkenning dat kwaliteitsvolle zorg tijd kost, en dat tijd geld is. Zolang de besparingslogica de bovenhand houdt zal de vicieuze cirkel van uitstroom, onderbezetting en kwaliteitsverlies nooit doorbroken worden. Het is een democratische keuze over hoe wij als samenleving omgaan met mensen die hun leven grotendeels hebben opgebouwd en nu kwetsbaar zijn. Als die keuze inhoudt dat kwaliteit en waardigheid wordt ingeruild voor een ogenschijnlijke begrotingswinst, dan mogen we dat niet stilzwijgend accepteren.

Een moreel kruispunt

Na negentien jaar heb ik gezien hoe de zorg is veranderd. Meer administratie, meer procedures die moeten gevolgd worden, minder tijd voor het echte werk: zorg verlenen. Elke euro die vandaag wordt weggesneden, betaalt de samenleving morgen dubbel: in verslechterde zorg, in ziekteverzuim onder personeel en in menselijke ellende die zich niet makkelijk in cijfers laat vatten. 

Daarom mevrouw de minister, buig de besparingslogica om naar een investeringsplan. Zorg is geen kostenpost die moet geoptimaliseerd worden, het is een fundament van onze samenleving, een recht voor onze ouderen en een roeping voor duizenden werknemers in de sector. Want begrijp goed: een samenleving die op haar ouderen bespaart, bespaart uiteindelijk op zichzelf. 

Bron: Dewereldmorgen.be