In 2019 publiceerde The New York Times “The 1619 Project” van Nikole Hannah-Jones. Vier eeuwen nadat Afrikaanse gevangenen aan de kust van Virginia arriveerden, werd het ontstaansverhaal van Amerika opnieuw vormgegeven door dit project met slavernij en de bijdrage van Afro-Amerikanen als kern. Een aangevulde versie verscheen in 2021 en werd in een review samengevat als “Decentering Whiteness and Uplifting Black Voices”.
Het was een langverwachte correctie op witte, Eurocentrische verhalen die nog steeds dominant zijn. Dit nieuwe verhaal plaatst een vraagteken bij begrippen als ontdekking (door Columbus) en kolonisatie (door Europeanen) en stelt de inheemse bevolking centraal in de Amerikaanse geschiedenis. De lijst van First Nation History analyses is ondertussen behoorlijk aangegroeid. Samen met Kathleen DuVal, geschiedenis professor aan de University of North Carolina, Chapel Hill, en recent Pulitzer Prize Winnaar, fungeert Ned Blackhawk’s “The Rediscovery of America” centraal in dit soort overzichten.
Ned Blackhawk, lid van de Te-Moak-stam van de Western Shoshone in Nevada, — bestuurslid van de School for Advanced Research, Howard R. Lamar Professor Geschiedenis en Amerikaanse Studies aan Yale University, en winnaar van vele professionele prijzen voor zijn onderzoek over de invloed van inheemse volkeren op en in de totstandkoming van de Verenigde Staten –, vraagt zich af “hoe kan een natie die gesticht is op de thuislanden van onteigende inheemse volkeren de meest voorbeeldige democratie ter wereld zijn?” (p. 1). Deze openingsvraag hangt als een spook boven het boek, een alomtegenwoordige herinnering aan de eeuwenlange strijd om land en hulpbronnen van de oorspronkelijke bewoners.
En, hoe hebben historici de centrale rol van inheemse volken in de Amerikaanse geschiedenis genegeerd? Hiermee behoort Blackhawk tot een nieuwe generatie historici die niet langer naar Amerika en haar geschiedenis kijkt vanuit eurocentrisch perspectief, maar de invloed van de talloze inheemse volken erkent. En de invloed was aanzienlijk, want in 1492, datum dat Columbus de Amerikas officieel ‘ontdekte’, vormde het reeds de thuisbasis van 75 miljoen inheemse volkeren (p. 19). (Andere schattingen varieren van 8 tot 142 miljoen, met de meerderheid rond de 40 miljoen.)
‘The Rediscovery of America’, als synthetisch werk, sluit aan bij ander onderzoek en maakt gebruik van primaire bronnen over fundamentele gebeurtenissen in de Amerikaanse geschiedenis om de betrokkenheid van inheemse volkeren bij die gebeurtenissen te benadrukken. Inheemse volken hebben altijd een centrale rol gespeeld in de Amerikaanse geschiedenis, betoogt Blackhawk, maar wetenschappers op het gebied van de Amerikaanse geschiedenis hebben de betekenis van inheemse Amerikaanse volken in de vorming van de Amerikaanse geschiedenis vaak genegeerd.
Het boek ontkracht ook de mythe dat inheemse volken snel werden overspoeld door superieure Europese kolonisten. Inheemse volken konden het grootste deel van hun grondgebied in de Verenigde Staten tot in de 19e eeuw behouden. Begin 19e eeuw, na de Amerikaanse Revolutie en een robuustere expansie van blanke kolonisten naar het westen met financiële en militaire steun van de federale overheid, werden de meeste inheemse volken echter van hun land beroofd en naar het westen verdreven.
Veelvoorkomende mythologieën over de Amerikaanse geschiedenis en inheemse volken worden dus door Blackhawk ontkracht. Gebeurtenissen die als fundamenteel worden beschouwd, draaien vaak om oorlog en gewelddadige confrontaties tussen kolonisten en inheemse volkeren.
Een ‘andere’ geschiedenis
Om die ‘andere’ geschiedenis van de Verenigde Staten te vertellen, verwerpt Blackhawk ontdekkingsverhalen en benadrukt hij een lange geschiedenis van ontmoetingen tussen inheemse volkeren en nieuwkomers in Noord-Amerika, evenals de invloed en mobiliteit van inheemse volkeren.
Blackhawk beschrijft enkele van de interacties tussen inheemse volkeren en Europeanen die de ontwikkeling van de Verenigde Staten hebben gevormd. Elke stam heeft natuurlijk zijn eigen geschiedenis, en Blackhawk selecteert noodzakelijkerwijs een deel van deze complexe geschiedenis. Een belangrijk thema is hoe inheemse volkeren kolonisten dwongen de soevereine rechten van inheemse volkeren te erkennen en te respecteren.
Zodoende verweeft Ned Blackhawk vijf eeuwen aan inheemse en niet-inheemse geschiedenis, van de Spaanse koloniale verkenning tot de opkomst van de zelfbeschikking van de inheemse Amerikanen aan het einde van de twintigste eeuw. Indianen speelden een fundamentele rol in de vormgeving van de Amerikaanse constitutionele democratie, zo stelt hij, zelfs toen ze werden vermoord en van hun land werden beroofd.
De verschillende lagen van invloed en interactie zijn niet altijd wat we op school leerden, maar hij wil de gaten in die geschiedenis van de VSA coherenter maken. Hij pleit voor een paradigma van ‘ontmoeting’ in plaats van ‘ontdekking’, waarin Europeanen en hun kolonistengemeenschappen niet de exclusieve onderwerpen van onderzoek zijn. Hij wijst op een generatie wetenschappers die hebben aangetoond dat “Amerikaanse Indianen centraal stonden in elke eeuw van de Amerikaanse historische ontwikkeling”, met name ook tijdens het tijdperk van de Amerikaanse Revolutie.
In deze transformatieve synthese laat hij zien dat
• de Europese kolonisatie in de 17e eeuw nooit een vooraf bepaald succes was;
• inheemse volkeren de crisis van het Engelse rijk mede vormgaven;
• de eerste aanzetten tot de Amerikaanse Revolutie werden gegeven door Indiaanse aangelegenheden in het binnenland;
• de veelgehoorde mythen over de relaties tussen inheemse kolonisten, zoals de mythe van Thanksgiving, vaak berustten op een vreedzame co-existentie, waaruit culturele beïnvloeding over en weer ontstanden (en zelfs gemengde huwelijken);
*de Californische indianen die het doelwit waren van federaal gefinancierde milities tot de eerste slachtoffers van de Burgeroorlog behoorden;
• de overwinning van de Unie zorgde voor een definitieve herijking van inheemse gemeenschappen in het westen; en
• twintigste-eeuwse reservaatactivisten de Amerikaanse wetgeving en politiek hervormden.
Structuur
Het boek is verdeeld in twee delen, elk met zes hoofdstukken.
Deel I, toepasselijk getiteld “Indianen en Rijken”, schetst de geschiedenis van ontmoetingen tussen inheemse volkeren en de Spanjaarden in de zuidelijke grensgebieden, verplaatst zich naar het noordoosten en de opkomst van Brits Noord-Amerika, en belicht de ontwikkeling van Nieuw-Frankrijk.
De tweede helft van Deel I onderzoekt de strijd om het hart van het continent, richt zich op de inheemse oorsprong van de Amerikaanse Revolutie en eindigt met het ontstaan van het federale indianenbeleid in de nasleep van de Revolutie.
Deel II, “Struggles for Sovereignty”, begint met de onteigening van inheemse volkeren in de beginjaren van de republiek, springt naar de westkust om de rol van de regio in de Monroe Doctrine te schetsen en verbindt de Burgeroorlog met wat Blackhawk “het inheemse westen” noemt.
De laatste drie hoofdstukken concentreren zich op het reservatentijdperk (met name de inname van zowel inheemse landen als inheemse kinderen), en de opkomst van het inheemse activisme in het begin van de twintigste eeuw, en, ten slotte, de inheemse weerlegging van het ontslagbeleid en de drang naar zelfbeschikking.
Blackhawk beweegt zich gemakkelijk door tijd en ruimte en verbindt cruciale gebeurtenissen in de geschiedenis van de inheemse bevolking met bredere thema’s en gebeurtenissen in de Amerikaanse geschiedenis. Hoewel hij niet terugdeinst voor een beschrijving van de gewelddadige manieren waarop inheemse volkeren van hun thuisland werden weggerukt, zijn deze beschrijvingen nooit gratuit – in plaats daarvan toont Blackhawk gedetailleerd de doelbewuste processen waarmee de Amerikaanse overheid probeerde inheemse volkeren te onteigenen en hun stemrecht te ontnemen. “Hoewel geweld een essentieel onderdeel was van het kolonialisme, was het nooit voldoende om permanente doelen voor het rijk te bereiken”, meent Blackhawk (p. 81).
De Herontdekking van Amerika is daarom niet bedoeld om een sensationeel verslag te zijn van de geschiedenis van de indianen, een verslag dat de oorlogen, bloedbaden en uitbraken beschrijft die inheemse volken verwoestten. Maar Blackhawk argumenteert overtuigend dat het identificeren van de Amerikaanse geschiedenis als een geschiedenis van genocide het heersende, eerder ‘eurocentrische’ verhaal compliceert, en het boek is bedoeld om deze betwiste betekenissen te verduidelijken.
De Zevenjarige Oorlog (1756-1763) tussen Groot-Brittannië en Frankrijk
Neem bijvoorbeeld de Zevenjarige Oorlog tussen Groot-Brittannië en Frankrijk, die begon als een geschil over Noord-Amerikaanse landclaims in de regio rond Pittsburgh en eindigde in 1763 toen Frankrijk Canada aan Groot-Brittannië afstond.
Onder leiding van Pontiac, een opperhoofd uit Odawa (Ottawa), namen de Indianen de wapens op tegen de Britten in wat bekend werd als de Pontiac-opstand. Er ontstond een conflict dat de spanningen tussen de Britse kroon en haar eigen onderdanen zou aanwakkeren en de ondergang van het Britse Rijk in Noord-Amerika zou inluiden.
De trek van kolonisten naar inheems gebied leidde ertoe dat Britse functionarissen kolonisatie ten westen van de continentale waterscheiding langs de Appalachen verboden in de haastig opgestelde “Proclamatie van 1763”.
Kolonisten aan de grens die meer land wilden organiseren, protesteerden tegen dit Britse beleid. De weerstand tegen het gecentraliseerde gezag en de vijandigheid tegenover inheemse volkeren langs de grens speelden daarom een grote rol in de aanloop naar de Amerikaanse Revolutie. Interessant is dat grensbewoners die zich verzetten tegen Britse koloniale functionarissen zich vaak vermomden als indianen, zelfs vóór de beroemde Boston Tea Party, toen mannen verkleed als indianen thee in de haven van Boston gooiden uit protest tegen Britse handelsbeperkingen.
In tegenstelling tot typische Amerikaanse geschiedenissen, die de neiging hebben alle indianenstammen diametraal tegenover de kolonisten te plaatsen, benadrukt Blackhawk hoe stammen soms de kant van de koloniale machten kozen, zoals de Frans-Algonkin-alliantie in de Zevenjarige Oorlog. Complexe verhalen zoals deze laten zien hoe indianenstammen macht en invloed uitoefenden in de geopolitieke conflicten van koloniaal Amerika, zowel in conflicten met kolonisten als in strategische allianties met koloniale legers die hun strategische positie in een multipolaire wereld versterkten.
Blackhawk legt uit: “De kolonisten zijn na de Zevenjarige Oorlog naar het binnenland verhuisd en begonnen met het bouwen van kleine boerderijen en boomgaarden en het fokken van vee en varkens. Gedurende de late jaren 1750 en vroege jaren 1760 waren ze er klaar voor om meer land in het binnenland te veroveren.
De indianen verzetten zich hiertegen en de Britse kroon besloot dat een nieuwe oorlog in het binnenland te kostbaar was, en vaardigde daarom in 1763 een koninklijke proclamatie uit om te beletten dat hun kolonisten zich naar het binnenland zouden verplaatsen.
“De kolonisten tarten het Britse gezag. Een van de manieren waarop ze dat deden, is door indianen te doden die volgens hen de handel met Pontiacs bondgenoten aanwakkerden in plaatsen zoals Detroit en aan de overkant van een weg tussen Philadelphia, een zeehavenstad, en Pittsburgh, dat recent was gesticht en hernoemd naar de toekomstige Britse premier William Pitt. Langs deze 480 kilometer lange weg, bekend als Forbes Road, beginnen milities in feite niet alleen Indiaanse gemeenschappen te plunderen, waarvan ze vreesden dat ze handel dreven met Pontiac, maar ook Britse bevoorradingstreinen omdat de Britten vrede probeerden te sluiten met Pontiac. Dit zijn geen rovers. Het zijn rebellen. Het zijn opstandelingen met een soort politieke psychologie die erop gericht is de loyaliteit van de inheemse Indianen te verstoren”.
Het einde van de grens
De auteur voegt eraan toe: “Daar vindt de revolutie een van haar meest vormende brandstof. Het idee van een grens die wordt aangevallen door ‘genadeloze Indiaanse wilden’ staat in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring. Waar komt dat idee vandaan? Amerikaanse historici zijn er niet in geslaagd de oorsprong en genealogie van die taal, die ideologie en in wezen die geschiedenis die de vroege republiek zal doordringen, voldoende te verklaren.
“Het is geen toeval dat er geen federaal erkende stammen zijn in de staten Ohio en Pennsylvania, waar deze conflicten het hevigst waren.”
De volkstelling van 1890 was de eerste keer dat volkstellers geen grens meer konden trekken tussen bewoond en onbewoond gebied. Frederick Jackson Turner noemde dit het “einde van de grens”, een gebeurtenis die hij beschouwde als een keerpunt in de Amerikaanse geschiedenis. De grens hielp het individualisme en de oppositie tegen overheidscontrole vorm te geven. Turner betoogde dat de migratie naar het westen en de vestiging van nieuwe grenzen transformatieve processen waren die het idee van het Amerikaanse exceptionalisme vormgaven. Niet toevallig was 1890 ook de datum van de laatste “strijd” tussen de VS en een Indiaans volk, het bloedbad bij Wounded Knee Creek in North Dakota.
De waargenomen dreiging van de indianen was cruciaal, stelt Blackhawk, voor de vorming van een centrale overheid die haar gezag over nationale aangelegenheden kon uitbreiden. Er werd een federale grondwet opgesteld om de 13 staten te verenigen en hun territoriale expansie te beheren.
Dat andere gezichtspunt is vanaf het begin duidelijk: Hoewel de natie misschien gegrondvest is op het ideaal van universele gelijkheid, moeten lezers rekening houden met het feit dat keerpunten zoals de Constitutionele Conventie, de Haïtiaanse Revolutie en de Louisiana Purchase “dat concept hebben getransformeerd en beperkt”, vooral toen de nieuw gevormde en de steeds veranderende systemen van de Amerikaanse overheid, naturalisatie en eigendom van onroerend goed, meer mensen uitsloten dan ze binnenlieten (p. 239).
Nieuwe eeuw, oude problemen
In de hoofdstukken over het begin van de twintigste eeuw belicht Blackhawk activisten die zich inzetten voor de bescherming van de rechten van Indiaanse volkeren of het behoud van inheemse culturen. Blackhawk besteedt aandacht aan enkele bekende figuren uit de inheemse geschiedenis, zoals Tisquantum, Pontiac en Popé. Het boek belicht ook invloedrijke inheemse vrouwen,zoals Toypurina, Ada Deer en Laura Cornelius Kellogg, die vaak buiten beschouwing worden gelaten in kolonisten- of reguliere geschiedenissen.
Een belangrijke, maar volgens Leonard Carlson, emeritus universitair hoofddocent aan Emory University, soms over het hoofd geziene figuur was Charles Curtis, lid van de Een Kaw-natie. Curtis was van 1929 tot 1933 voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, senator voor Kansas en vicepresident van de Verenigde Staten onder Herbert Hoover. De pogingen om Indiaanse gebieden te privatiseren eindigden met de verkiezing van Franklin D. Roosevelt in 1932 en de goedkeuring van de Indian Reorganization Act (ook bekend als de Wheeler-Howard Act) in 1934. Deze wet, opgesteld door John Collier, die commissaris van Indiaanse Zaken werd, maakte een einde aan de toewijzing van land, de verdeling van reservaten in individuele landbezittingen, en moedigde de mensen in elk reservaat aan om een geschreven grondwet aan te nemen die een formeel stambestuur in hun reservaten vestigde.
Blackhawk besluit zijn boek aan het einde van de twintigste eeuw, waar hij waarschuwt dat het activisme van de inheemse bevolking voor rechtvaardigheid en soevereiniteit niet mag rusten: “Aan het begin van de eenentwintigste eeuw doken er opnieuw voortdurende uitdagingen op voor die soevereine verworvenheden, toen congresleden, rechters en andere machtscentra zich opnieuw richtten op Indiaanse grondgebieden, jurisdictie en hulpbronnen” (p. 445).
Volgens Anthony Earth , een internationaal advocaat en expert op het gebied van buitenlands beleid, stelt die voortdurende afrekening een andere vraag dan die welke Blackhawk aan het begin van zijn boek stelde: “Hoe kunnen inheemse volken de leidende democratie ter wereld ervan overtuigen om boete te doen voor onrecht dat door hen is aangedaan door hun thuisland te onteigenen en ervoor te zorgen dat tribale soevereiniteit de zelfbeschikking van de inheemse bevolking ondersteunt?”
Het beantwoorden van die vraag brengt ernstige uitdagingen met zich mee, vooral in een verdeeld Amerika dat worstelt om een leidende democratie te blijven. Momenteel ontbeert de boete voor onrecht uit het verleden tegen inheemse volken politieke zichtbaarheid en steun, vooral in vergelijking met campagnes voor herstelbetalingen voor slavernij. Maar wat tribale soevereiniteit en rechten betekenen in de Amerikaanse politieke en juridische orde blijft omstreden, zoals blijkt uit recente zaken voor het Hooggerechtshof over indianenstammen en voogdij over kinderen, strafrecht en waterrechten.
Daarom roept de door Blackhawk geprezen inheemse macht volgens Earth de verantwoordelijkheid op “om zich een toekomst voor te stellen die bevrijd is van de historische feiten. Die verantwoordelijkheid is dan ook een daad van verzet tegen het verleden dat de toekomst dicteert”.
Tribale soevereiniteit
Het boek belicht ook de hedendaagse prestaties van de burgerrechtenbeweging van de Native Americans, waaronder de toenemende economische en politieke invloed van reservaten op het nationale toneel.
Stammen en hun aanhangers hebben zich ingezet om de tribale soevereiniteit te verdedigen. Sinds 1970 hebben talloze groepen petities ingediend bij de federale overheid en zijn ze als stammen erkend. Officieel zijn er vandaag 574 federaal erkende Amerikaanse indianen- en Alaska Native-stammen in de Verenigde Staten. Deze stammen worden erkend als afzonderlijke politieke entiteiten met een regeringsrelatie met de federale overheid van de VS.
Elke stam heeft beleid moeten ontwikkelen voor zijn interne bestuur, het beheer van zijn hulpbronnen en het bestuur van zijn grondgebied. Blackhawk bespreekt enkele voorbeelden van ingewikkelde juridische kwesties waarmee stammen in de tweede helft van de twintigste eeuw te maken kregen. Deze omvatten de vraag of een stam gokken op zijn land mag toestaan, zelfs als de staat waarin de stam woont gokken verbiedt (stamcasino’s en gokrechten zijn een belangrijke bron van inkomsten voor sommige, maar niet alle, stammen) en in de staat Washington juridische gevechten door inheemse gemeenschappen om visrechten te verdedigen die zijn vastgelegd in verdragen uit de jaren 1850.
Kortom
‘The Rediscovery of America’ deconstrueert effectief veelvoorkomende misvattingen over de vroege Amerikaanse geschiedenis voor de niet-ingewijde lezer. Het biedt een nuttig startpunt voor lezers die niet bekend zijn met inheemse perspectieven op het onderwerp.
Blackhawks hervertelling van de Amerikaanse geschiedenis erkent de blijvende macht en het voortbestaan van inheemse volken, wat resulteert in een waarheidsgetrouwer beeld van de Verenigde Staten.
Referentie:
Ned Blackhawk
The Rediscovery of America: Native Peoples and the Unmaking of US History,
De boom in de bouw is al jaren voorbij, en beterschap is niet meteen in zicht. Maar de sector wanhoopt niet. “Er is een enorme woningnood, al onze infrastructuur moet worden vernieuwd. We staan voor de grootste bouwopgave sinds de Tweede Wereldoorlog.”
De bouw heeft al betere tijden gekend. Het aantal bouwvergunningen zakt in elkaar, het aantal faillissementen van bouwbedrijven breekt records. En de woningprijzen zakken niet, integendeel. Een goede woning is voor een modaal gezin erg duur geworden. “Voor een nieuwbouwappartement met twee slaapkamers op een goede locatie betaal je in Mechelen al gauw 400.000 euro, exclusief btw en kosten”, zegt de Mechelse aannemer Bob Van Poppel. “Interesse is er genoeg, maar er zijn te weinig mensen die het kunnen betalen. Door de gestegen materiaal- en loonkosten zijn de woningprijzen in vier jaar 30 procent hoger geschoten, terwijl ook de hypotheekleningen flink duurder zijn geworden. De mensen zullen moeten wennen aan de nieuwe prijzen.” (Meer cijfers in de Trends Vastgoedgids Lente 2025)
Om het enigszins betaalbaar te houden, worden nieuwe huizen en appartementen almaar kleiner. “Maar op zeker moment kom je aan de grens van wat je nog een huis of appartement kunt noemen”, zegt Dirk Evenepoel, de zaakvoerder van de bouwonderneming en projectontwikkelaar BATO in Schepdaal. “Tien jaar geleden had een nieuwbouwhuis in zijn standaardversie een bewoonbare oppervlakte van 180 vierkante meter. Vandaag is dat nog 135 vierkante meter. Dan zit je toch aan een ondergrens.”
Evenepoel hoopt dat de bouw het ergste achter de rug heeft. “De laatste twee jaar zijn hard geweest, wat ook wel het kaf van het koren gescheiden heeft. Tijdens de boom in de pre-coronajaren was ook de slager op den duur met projectontwikkeling bezig, wat tot een wildgroei geleid heeft. Dat gaat er nu uit.” Wat niet betekent dat het herstel voor de deur staat, volgens Van Poppel. “De bouw zal altijd een competitieve sector blijven, maar de rekening klopt niet meer. Het evenwicht tussen de kosten en de opbrengsten is zoek.”
De cijfers
Dat zoekgeraakte evenwicht verklaart de regen aan faillissementen. Tussen 2021 en 2024 steeg het aantal jaarlijkse faillissementen van 1.466 naar 2.671, een kleine verdubbeling, aldus data van de handelsinformatieleverancier Trends Business information. En de toekomst oogt slecht. “Het reservoir aan ondernemingen die bedreigd zijn, neemt nog toe”, zegt Pascal Flisch, analist van Trends Business Information. “Tussen 2019 en 2023 is het aantal Belgische bouwbedrijven met een negatief eigen vermogen gestegen met een vijfde. Die bedrijven hebben meer schulden dan activa en zijn niet meer solvabel.”
De groei van de bouwbedrijven is mak. “Hun groei volgt de inflatie vaak niet”, volgens Flisch. “Tussen 2019 en 2023 bedroeg de inflatie 15,7 procent. Enkel bij de middelgrote bouwbedrijven groeide de toegevoegde waarde meer dan de inflatie is gestegen. Bij de kleine en grote bouwbedrijven was de reële groei nul of zelfs negatief. Het is tijd voor minder maar sterkere bouwbedrijven”, besluit Flisch. “Het grote aantal onrendabele bedrijven wijst erop dat niet alle bouwfirma’s relevant zijn. Niet iedereen in de bouwsector moet zijn eigen firma oprichten.”
Dat laatste is gebeurd tijdens de coronajaren, toen de bouw mocht blijven werken, aldus Niko Demeester, de gedelegeerd bestuurder van de sectorverenging Embuild. “De bouwvakker die al tien jaar voor een baas werkte, heeft toen een bestelwagen gekocht, zijn gereedschap erin gegooid en is aannemer geworden. Nu de tijden slecht zijn, gaan die kleine nieuwkomers eruit en scoort de sector maand na maand faillissementenrecords.”
Er speelt ook een statistische wetmatigheid, volgens Jean-Pierre Waeytens, de gedelegeerd bestuurder van de sectorverenging Bouwunie. “Hoe meer starters er zijn, hoe meer faillissementen volgen in de eerste vijf jaar.”
Het probleem
De bouw is een sector van microbedrijven. Volgens cijfers van Embuild maken zelfstandigen zonder personeel maar liefst 79,5 procent uit van de zowat 160.000 bouwbedrijven, waaronder ook loodgieters, dakwerkers, elektriciens en zo meer. Doordat velen hun kans wagen, is de concurrentie hard en zijn de winstmarges laag. De productiviteit behoort tot de laagste in de hele industrie. In die omstandigheden maakt een slechte conjunctuur meteen veel slachtoffers.
Bij de grote bedrijven raakt de bittere pil intussen verteerd, maar zij zijn in de minderheid. Bouwbedrijven met 1 tot 49 werknemers maken 20,1 procent van het totaal uit, de bedrijven met 50 werknemers en meer zijn goed voor amper 0,4 procent. De toestand schreeuwt om consolidatie, maar die zit er niet echt aan te komen, volgens Demeester. “De kapitaalintensiteit neemt toe, zeker in de ruwbouw. In dat segment gaan we naar een schaalvergroting, wat echter niet wil zeggen dat elke aannemer minstens 100 werknemers zal tellen. De vele kleine zelfstandigen in de afwerking en het onderhoud – denk aan de loodgieter of de elektricien – zullen overleven. Terwijl ze vroeger in dienstverband werkten, vormen ze nu een netwerk van zelfstandigen die samen hetzelfde werk doen.”
De kwetsbaarheid van de bouw is niet alleen te wijten aan kleinschaligheid. “De bouw is een atypische sector”, zegt Waeytens. “Onze werven zijn tijdelijk, terwijl onze vaste kosten blijven lopen, zoals afschrijvingen en lonen. Als je orderboekje afslankt tot enkele maanden, zit je al snel financieel krap.” Het is niet gemakkelijk geld verdienen met eindproducten die tot 100 jaar meekunnen, volgens Demeester. “De bouw werkt voor de lange termijn met een verdienmodel op korte termijn. De duur van een bouwproject gaat van enkele maanden tot enkele jaren. In die korte periode moet je rond zien te komen en het liefst nog winst maken ook. De oplossing is geld te verdienen aan de hele levenscyclus van het bouwwerk, door ook te zorgen voor het onderhoud, uitbreidingen en renovaties.”
De vooruitzichten
De vele plagen die de bouwsector teisteren – de slabakkende conjunctuur, de dure bouwmaterialen, de hoge energieprijzen, de zware loonkosten, de gestegen hypotheekrente, de wispelturige regelgeving, de tegenwerkende gemeentebesturen, de ellenlange vergunningsperiodes en de eindeloze beroepsprocedures – zullen morgen niet verdwenen zijn. “De bouwsector staat nog voor jaren van nulgroei”, zegt Demeester. “De bouw van kantoren, industriële gebouwen en infrastructuur zal zich nog vrij goed houden. Maar de nieuwbouw van woningen zal blijven afzien. Dat segment zit nog altijd 15 procent onder het niveau van het coronajaar 2022 en zal in de komende jaren nog dieper zakken (zie grafiek Nieuwbouwwoningen op de glijbaan). In de periode 2022-2024 is het aantal vergunningen met 30 procent gedaald, tot het laagste niveau in een kwarteeuw.”
De renovatie van woningen is sinds de coronapandemie blijven klimmen, maar blijft ver onder haar potentieel, ook in de volgende jaren (zie grafiek Renovatie woningen stijgt traag). De renovatiemarkt is te versplinterd. “Ik pleit schuldig”, zegt Demeester. “Ik ben ook al tien jaar mijn huis aan het renoveren. Wij zijn een land van individuele renoveerders. Om efficiënt, snel en goedkoper te werken zou je hele wijken tegelijk moeten aanpakken.”
De goedkeuring van het verlaagd btw-tarief voor sloop en heropbouw is alvast een stap in de goede richting, volgens Demeester. “Maar de versoepeling van de renovatieplicht is contraproductief” (zie kader onderaan ‘Je laat mensen zichzelf bedriegen’).
De toekomst: de grootste sprong komt van AI
Het tij zal keren in de bouwsector, omdat het niet anders kan. “Er is een enorme woningnood, al onze infrastructuur moet worden vernieuwd”, zegt Demeester. “We staan voor de grootste bouwopgave sinds de Tweede Wereldoorlog. De bevolking blijft groeien. Tegen 2060 zal België 1,2 miljoen extra inwoners tellen. Als we de open ruimte willen vrijwaren en toch betaalbare woningen voor onze kinderen willen, moeten gemeentebesturen ophouden met verdichtings- en inbreidingsprojecten te blokkeren. De tijd van de alleenstaande villa’s en fermettes is voorbij.” Onze infrastructuur is versleten, volgens Demeester. “Veel wegen, bruggen en gebouwen dateren nog van de jaren zestig en zeventig, en ook de energie-infrastructuur is verouderd. Reken daar nog de nieuwe kazernes en andere militaire infrastructuur bij, als onderdeel van de verhoogde defensie-inspanningen, en de conclusie is helder: er komt een enorme golf business op ons af.”
Een hogere productiviteit en dus grotere weerbaarheid zal moeten komen van automatisering, robotisering en nieuwe technieken zoals de prefabricage van bouwcomponenten en assemblage op de werf. Maar de grootste sprong zal komen van artificiële intelligentie (AI), aldus een studie die de consultant EY uitvoerde in samenwerking met Buildwise, het onderzoekscentrum van de Belgische bouwsector. Volgens de studie kan AI de omzet van de Belgische bouwsector doen groeien van 1,3 miljard euro in 2024 naar 14,6 miljard euro in 2032, of meer dan een vertienvoudiging.
Dat komt doordat AI zowat alle aspecten van het bouwproces kan ondersteunen. AI zou bijvoorbeeld lastenboeken kunnen scannen, zodat bouwbedrijven veel sneller kunnen oordelen of een project binnen hun capaciteiten valt. “Bij grote projecten als Oosterweel of het nieuwe NAVO-hoofdkwartier zijn de lastenboeken gigantisch en ingewikkeld”, zegt Demeester. “Vroeger moest je daar een team van specialisten op zetten om dat allemaal te lezen en te verwerken. Nu giet je die lastenboeken in een speciale AI-toepassing die alles voor jou checkt en regelt.”
Een andere AI-toepassing is het screenen van bouwplannen. “Dat moet conceptiefouten vermijden, een van de oorzaken van de lage winstmarge in onze sector”, aldus Demeester. “Door vooraf fouten uit bouwplannen te halen, zal AI ons een hoop kosten besparen. Als we AI ook nog voeden met de kennis over alle bouwprojecten wereldwijd, zullen we het perfecte huis en de perfecte brug kunnen bouwen, op de meest efficiënte manier bovendien. Met dat AI-project zijn we al bezig. Vergeet dus maar dat wij technologisch achterop zouden lopen. De bouw is rock-’n-roll.”
‘Je laat mensen zichzelf bedriegen’
De versoepeling van de renovatieplicht zal veel woningeigenaars een kater bezorgen.
”Ons land heeft het meest verouderde woningenpark van Europa”, zegt Niko Demeester van de sectorvereniging Embuild. “Drie kwart van de woningen dateert van voor 1981. Toch renoveren we jaarlijks amper 1 procent van het totaal, goed voor 30.000 woningen.”
Er ging een zucht van opluchting door de sector toen het parlement deze maand het verlaagde btw-tarief van 6 procent aannam voor sloop- en heropbouw van woningen als onderdeel van een projectontwikkeling. De maatregel zal de woningnood helpen lenigen, volgens Demeester. “Als jij en ik onze woning slopen, komt er één nieuwe woning in de plaats. Een projectontwikkelaar daarentegen zal er enkele rijwoningen of appartementen bouwen.”
De versoepeling van de renovatieplicht – aangekochte huizen moeten nog slechts het EPC-label D halen, en dat binnen de zes jaar – zal veel mensen een kater bezorgen, volgens Demeester. “Je bent niet langer verplicht je huis geleidelijk tot het EPC-label A te renoveren. Zo laat je mensen zichzelf bedriegen. Ze zullen enkele tienduizenden euro’s investeren in de renovatie. Dat is verloren kapitaal. Want na tien jaar is het huis opnieuw verouderd en mag je herbeginnen. De vorige, strengere renovatieplicht stimuleerde om grondig te renoveren, zodat je voor dertig jaar goed zat. Dat is een stuk duurder, maar het verplichtte de verkoper ertoe de renovatieplicht af te trekken van zijn verkoopprijs. Meteen na de invoering van de strengere renovatieplicht zagen we de prijzen van verouderde panden zakken.”
Uitgestippeld renovatieplan
Kopers kunnen zich maar beter geen illusies maken, volgens Jean-Pierre Waeytens van Bouwunie. “Binnen de tien jaar zal de overheid de renovatieplicht opnieuw strenger maken. Daar zijn wij voorstander van, op voorwaarde dat je de kopers voldoende tijd geeft, bijvoorbeeld tien of vijftien jaar. Zo kunnen ze na de aankoop van het pand opnieuw spaargeld opzijzetten voor de renovatie. Om uitstelgedrag te vermijden zou je kopers moeten verplichten een uitgestippeld renovatieplan te volgen.”
Terwijl de renovatieplicht versoepeld is, moet nieuwbouw blijven voldoen aan strenge duurzaamheidseisen. “Ook dat zorgt ervoor dat bouwen duurder wordt”, zegt Waeytens. “We moeten ons durven af te vragen of de slinger niet doorgeslagen is. Als je een woning bouwt met het EPC-label A, inclusief warmtepomp en vloerverwarming, zal je elektriciteitsfactuur wel dalen, maar onvoldoende om die investering in twintig à dertig jaar terug te verdienen. Waar zal het eindigen? Heeft het zin mensen een CO2-neutrale woning te doen bouwen, als ze 135 jaar nodig zullen hebben om die investering terug te verdienen? Dat zijn drie generaties.”
Volgens Thomas De Jonckheere zijn alleenstaanden de grote verliezers van de fiscale hervorming van de regering-De Wever. “België voert de wereldranglijsten aan in de fiscale druk op alleenstaanden zonder kinderen. Toch slaagt de regering er niet in daar structureel iets aan te doen.”
Minister van Financiën Jan Jambon (N-VA) zwaait met het fiscale zomerakkoord alsof het om een revolutionaire hervorming gaat. Er worden mooie vooruitzichten geschetst, zoals een verhoging van het nettoloon en de middenklasse die er eindelijk op zou vooruitgaan. Wie wat dieper in de cijfers duikt, merkt echter dat dit akkoord vooral mikt op electorale perceptie in plaats van op structurele rechtvaardigheid. Het is een cijferoefening die uitblinkt in beloften waarvoor de rekening door iemand anders zal moeten worden betaald — en waarschijnlijk nooit zal worden betaald.
De kern van de zaak: de echte opbrengsten van deze fiscale hervorming worden pas verwacht vanaf 2029 (aanslagjaar 2030). Tot dan gaat het slechts om kruimels. Het extra nettoloon waar men nu zo graag mee pronkt, blijft verwaarloosbaar. De onmiddellijke impact op de koopkracht is marginaal — zeker als men rekening houdt met de inflatie, de energieprijzen en de levensduurte.
Dat de structurele verhoging pas ingaat in 2029 is geen toeval. Dan staan er federale verkiezingen op het programma. De huidige regering schuift dus maatregelen naar voren die volledig afhangen van de wil en de slagkracht van een volgende federale ploeg. Tot 31 december 2029 kan elke toekomstige regering de beloofde verhoging probleemloos terugdraaien. Gezien de somber gestemde begrotingsprognoses en het tanende budgettaire realisme lijkt dat zelfs een bijzonder waarschijnlijk scenario.
Wat we vandaag meemaken, is een schijnpolitiek: men maakt de bevolking iets wijs dat praktisch nauwelijks haalbaar lijkt, en waarvoor men hoogstwaarschijnlijk zelf geen verantwoordelijkheid meer zal dragen.
En wie zijn de grote verliezers in dit verhaal? Onder meer de alleenstaanden — al jarenlang de zwaarst belaste groep in ons land. België voert steevast de wereldranglijsten aan in de fiscale druk op alleenstaanden zonder kinderen. Toch slagen onze regeringen er keer op keer niet in daar structureel iets aan te doen.
De regering erkende in haar eigen regeerakkoord nochtans de diversiteit aan samenlevingsvormen en beloofde een beleid dat neutraliteit zou garanderen. Maar in de praktijk blijft dat holle retoriek. De enige maatregel uit het zomerakkoord die een licht voordeel oplevert voor alleenstaanden, is de hervorming van de bijzondere bijdrage aan de sociale zekerheid — een correctie, maar geen doorbraak. De verhoging van de belastingvrije som geldt voor iedereen, dus ook voor koppels met twee inkomens. De alleenverdieners die alle kosten zelf dragen (huur of hypotheek, energie, verzekering, boodschappen…) schieten daar relatief weinig mee op.
Ja, ook de alleenstaande zal in zijn koopkracht een minieme stijging zien, maar nog altijd aanzienlijk minder dan het klassieke gezin. Dat is nauwelijks te rijmen met de zelfverklaarde doelstelling van fiscale neutraliteit tussen samenlevingsvormen.
Een echte hervorming had meer moed vereist. Een hogere belastingvrije som specifiek voor alleenstaanden, bijvoorbeeld. Of een versnelde en volledige afbouw van het huwelijksquotiënt, in plaats van de ‘afbouw light’ tot de helft, die nu is voorzien. Met de vrijgekomen middelen had men de fiscale druk voor alleenstaanden eindelijk kunnen verlichten.
Daarbovenop is de in het verleden gemaakte keuze voor de uitbreiding van flexi-jobs tot een brede waaier aan sectoren — ook die waar nauwelijks zwartwerk voorkomt — een fiscale keuze die geld kost. Geld dat men ook had kunnen inzetten voor wie nu onder aan de fiscale ladder bungelt. De uitbreiding lijkt meer ingegeven door werkgeverslobby’s dan door een rechtvaardigheidsgevoel.
Kortom: de alleenstaande wacht al jaren op een echte fiscale hervorming, en moet vandaag opnieuw vaststellen dat zijn of haar belangen onderaan op het prioriteitenlijstje staan. Ook de gezinnen, overigens, gaan er de komende jaren nauwelijks op vooruit.
Wat blijft, is een regering die in alle talen zwijgt over de komende jaren, en een toekomstbeeld ophangt dat er op papier mooi uitziet, maar op geen enkele manier verankerd is in politieke of budgettaire realiteit. Wie gelooft in een belastingverlaging in 2029, gelooft in sprookjes. En sprookjes, zo leert de geschiedenis, eindigen zelden goed wanneer het over begrotingen gaat.
De regering van Bart De Wever neemt verregaande maatregelen, maar ook die volstaan niet om de begroting te redden.
De regering-De Wever zet met een pensioenmalus en een beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zwaar geschut in om het gat in de begroting te dichten. Toch loopt het begrotingstekort verder op, tot maar liefst 6,5 procent in 2030.
Tijdens de nachtelijke voorstelling van het zomerakkoord begin vorige week schuwde premier Bart De Wever (N-VA) de grote woorden niet. “Dit is de grootste hervorming van de eeuw’ en “du jamais vu’, bewierookte de premier het werk van zijn regering. “Deze hervorming is een van de grootste van de jongste decennia. We moeten teruggaan tot de regeringen van Wilfried Martens of Jean-Luc Dehaene voor een vergelijkbaar pakket”, reageert professor economie Erik Buyst (KU Leuven). “Wel moeten we nog afwachten of die maatregelen op het terrein worden uitgevoerd, maar de intenties zijn veel groter dan normaal. Dit is een potentiële krachttoer.” (lees verder onder de video)
Maatregelen zoals de pensioenmalus en de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd mogen naar Belgische normen revolutionair heten. Ook de forse besparing op de werkingskosten van de overheid is opmerkelijk. “Maar naar Europese normen is dat perfect normaal beleid. Er is ook geen alternatief. Zonder dit beleid zou België vroeg of laat onder externe dwang tot nog pijnlijkere maatregelen worden gedwongen”, zegt Erik Buyst.
Dit akkoord maakt een keerpunt in het begrotingsbeleid mogelijk. Het dringt de werkingskosten van de overheid terug en stabiliseert de sociale uitgaven rond 26 procent van het bbp, wat in tijden van vergrijzing een huzarenstukje is. Uitgedrukt in procent van het bruto binnenlands product (bbp) zullen de uitgaven van de gezamenlijke overheden dalen vanaf 2026, ondanks de stijging van de rentelasten en de hogere defensie-uitgaven. Onder de regering-De Croo stegen de sociale uitgaven nog met 1,5 procentpunt van het bbp. “De stabilisatie van de sociale uitkeringen als gevolg van het nieuw gevoerde beleid staat in schril contrast met eerdere projecties”, stelt het Planbureau vast.
De relatieve daling van de overheidsuitgaven is een historische kentering, doordat de uitgaven de voorbije decennia systematisch sneller zijn gestegen dan het bbp. Dit jaar nog schieten de uitgaven verder door tot een historisch hoog niveau van 55,7 procent van het bbp, waardoor het begrotingstekort verder ontspoort tot 5,4 procent van het bbp. Een nog verdere stijging zou onbetaalbaar worden. Tegen 2030 zouden de overheidsbestedingen dalen tot 55 procent van het bbp, verwacht het Planbureau. De daling is dus een must, maar is beperkt. De overheid zal in 2029 nog altijd een groter deel van het bbp uitgeven dan in 2024. En toch gaat het rotten van de begroting verder. Tegen 2030 verwacht het Planbureau een begrotingstekort van 6,5 procent van het bbp, vertrekkend van het tekort van 5,4 procent van dit jaar (zie tabel Het rotten van de begroting gaat verder). Je kunt het ook anders bekijken; zonder hervormings- en besparingsbeleid zou het begrotingstekort nog veel hoger oplopen, richting 8 procent en meer. Zulke cijfers zou België aan Europa en de financiële markten niet meer verkocht krijgen. Maar goed, voor het eerst in decennia is die verdere ontsporing niet te wijten aan de overmatige stijging van de sociale uitgaven. Rest de vraag: waaraan ligt het dan wel?
1. Bij ongewijzigd beleid loopt begrotingstekort automatisch op
Een begroting opmaken in tijden van vergrijzing is een bijzonder ondankbaar karwei. Doe je niets, dan lopen de rode cijfers automatisch verder op. Dat betekent dat een regering al stevig moet besparen om het deficit louter te stabiliseren. Het verschil tussen ongewijzigd beleid en een begrotingstekort van 1,5 procent – op termijn een must om de overheidsfinanciën op de rails te krijgen – bedraagt ongeveer 6 procent van het bbp, of ongeveer 35 miljard euro. Met extra uitgaven voor defensie en de klimaattransitie kom je zelfs aan een vereiste begrotingsinspanning van 50 miljard euro, becijferde de Europese Centrale Bank.
Die inspanning is historisch groot. De moeder van alle Belgische saneringen blijft de besparingsoperatie annex het herstelbeleid van de regeringen-Martens in de jaren tachtig. Toen werd zes jaar lang een inspanning van ruim 1 procent van het bbp geleverd (zie grafiek Nieuwe historische begrotingsinspanning is nodig). In de jaren negentig saneerden de regeringen-Dehaene zes jaar lang 0,7 procent van het bbp om België klaar te maken voor de deelname aan de euro. Dat lukte door de belastingen te verhogen en door een daling van de rentelasten. Beide scenario’s zijn vandaag niet voor herhaling vatbaar. Na de Europese schuldencrisis hebben de regering-Di Rupo en de regering-Michel, weliswaar met totaal andere beleidsaccenten, zeven jaar lang het begrotingstekort teruggedrongen met 0,2 procentpunt per jaar.
Nu is opnieuw een stevige begrotingsingreep nodig: zeven jaar lang is een verbetering met 0,5 procentpunt per jaar nodig. Dat lijkt doenbaar, maar de eigenlijke inspanning is dus groter, doordat het begrotingstekort bij ongewijzigd beleid vanzelf oploopt. De regering-De Wever doet een deel van die klus, maar in één legislatuur valt ze nooit te klaren. De steun van de deelstaten is daarbij wenselijk, maar weinig waarschijnlijk. Het beste wat ze kunnen bieden, is wellicht hun begrotingstekorten te stabiliseren.
Vooral de pensioenhervorming zorgt, zeker op termijn, voor een aanzienlijke besparing. Ze roomt de vergrijzingskosten tussen 2024 en 2070 af met 1,8 procentpunt van het bbp, berekende de Studiecommissie voor de Vergrijzing. In plaats van met 3,5 procentpunt van het bbp, stijgen de vergrijzingskosten met 1,7 procentpunt tegen 2070. Daarmee komt België tussen de mensen. Tussen 2022 en 2070 stijgen de vergrijzingskosten in de Europese Unie gemiddeld met 1,4 procentpunt.
‘Deze hervorming is een van de grootste van de jongste decennia. Dit is een potentiële krachttoer’
De afbouw van de voordelige pensioenregimes (0,6 procentpunt), de invoering van een pensioenmalus (0,4 procentpunt) en de tijdelijke opschorting van de welvaartsenveloppe bij de pensioenen (0,3 procentpunt) zetten het mes in de vergrijzingskosten. Let op, de uitgaven voor de vergrijzing stijgen nog altijd, maar dankzij deze hervormingen minder snel. De volgende regeringen zullen deze coalitie dankbaar zijn. “Het is heel on-Belgisch dat deze regering hervormingen aandurft waarvan vooral de volgende regeringen de vruchten zullen plukken”, zegt Erik Buyst.
Toch pieken de vergrijzingskosten pas tegen 2050 op 27,6 procent van het bbp. De uitgaven voor de pensioenen stabiliseren enigszins, maar de aanhoudend stijgende uitgaven voor de gezondheidszorg houden de budgettaire druk hoog – tegen 2050 stijgt het aantal 75-plussers met bijna 75 procent, wat het zorgbudget onvermijdelijk de hoogte injaagt. Tot 2050 dreigt elke begrotingsopmaak gepaard te gaan met moeilijke nachtelijke onderhandelingen. Niet dat het na 2050 snel beter wordt. Tussen 2050 en 2070 stijgen de vergrijzingskosten niet langer, maar daarmee is alles gezegd. De regering-De Wever zit gevangen in die realiteit. De hervormingen zijn naar Belgische normen historisch, maar volstaan enkel om de stijging van de sociale uitgaven af te remmen. Ze zijn onvoldoende om het begrotingstekort terug te dringen.
2. Hogere uitgaven voor defensie
Stabiliseren de sociale uitgaven voor het eerst sinds lang, dan krijgt de regering een nieuwe factuur voor defensie in de bus. Al vanaf dit jaar worden de defensie-uitgaven opgetrokken tot de NAVO-norm van 2 procent van het bbp. Ook de vorige regering had al een vergelijkbare inspanning van 0,6 procent van het bbp geleverd om het defensiebudget te verhogen. De volgende jaren blijft het defensiebudget op 2 procent van het bbp, vergelijkbaar met het historisch hoge niveau van eind jaren tachtig. Een mogelijke verdere verhoging, richting 3 procent en meer, wordt pas in 2029 bekeken.
Europa sluit voorlopig de ogen voor die hogere defensie-uitgaven. Investeringen in munitie, tanks of fregatten mogen voorlopig buiten het budget blijven. Op die manier kan België de volgende jaren binnen de Europese begrotingslijnen kleuren. Tot 2028 stijgen de Belgische overheidsuitgaven iets minder snel dan Europa voorschrijft, om de begroting op de rails te krijgen. Het gaat daarbij om de nettotoename van de uitgaven, waarbij ook rekening wordt gehouden met de evolutie van de inkomsten. Een verhoging van de belastingen bijvoorbeeld maakt een verhoging van de uitgaven mogelijk zonder die uitgavennorm te schenden.
‘We moeten in België de waarheid durven te zeggen. Er is géén budgettaire ruimte voor een belastingverlaging’
Vanaf 2029 dreigen de netto-uitgaven opnieuw behoorlijk meer te stijgen dan Europa toelaat. Dat komt doordat de extra defensie-uitgaven dan wel binnen het budget vallen en de geplande belastingverlagingen op kruissnelheid komen. Voor Europa is die belastingverlaging op basis van de huidige begrotingsregels een ongedekte cheque. Mogelijk steekt achter die verlaging ook een verhonger-het-beeststrategie van de regering. Door de inkomsten te verlagen wordt druk gezet om de uitgaven terug te dringen. De regering-Michel paste die strategie al in beperkte mate toe.
3. De geplande belastingverlaging
Dat de begroting toch verder slagzij maakt, ondanks het historische keerpunt in de uitgaven, komt vooral door een ander keerpunt. Voor het eerst in lang zullen de fiscale en parafiscale ontvangsten gevoelig dalen. Vooral vanaf 2029, als de geplande verlaging van de personenbelasting op toerental komt, lopen de inkomsten terug en dreigt de begroting versneld te kapseizen. De voorbije jaren schommelden de overheidsinkomsten rond 50 procent van het bbp, om tegen 2030 te dalen tot 48,5 procent. Die belastingverlaging kost de overheid bijna drie keer meer dan de verhoging van het defensiebudget.
“We moeten in België de waarheid durven te zeggen. Er is géén budgettaire ruimte voor een belastingverlaging”, zegt Erik Buyst. “Die is alleen mogelijk als de overheid nog zwaarder op dieet wordt gezet. Maar het laaghangend fruit is geplukt. Extra besparingen en hervormingen worden moeilijker en zullen op meer weerstand botsen.”
‘Het is heel on-Belgisch dat deze regering hervormingen aandurft waarvan vooral de volgende regeringen de vruchten zullen plukken’
Onder de regering-De Croo stegen de belastinginkomsten nog, zonder daarvoor grote maatregelen te nemen. Door een stijging van de werkgelegenheid en de lonen leidde de sterke progressiviteit van de belastingen tot een stijging van het gemiddelde belastingtarief. Daarnaast profiteerde de vorige regering van hoge voorafbetalingen in de vennootschapsbelasting en nog hoge belastingen op kernenergie. De regering-De Wever hoeft niet te rekenen op die bonussen. Een belastingverlaging, zeker op arbeid, is wenselijk, maar die ambitie is voorlopig niet gefinancierd.
4. Rentebonus is veranderd in rentemalus
Voor de regering-De Wever is geen rentebonus weggelegd. Integendeel: door de verdere stijging van de staatsschuld en de stijging van de rentevoeten loopt de rentefactuur opnieuw op. De stijging is geleidelijk doordat de Belgische schuld op relatief lange termijn gefinancierd is, maar in de periode 2024-2029 lopen de rentelasten op met 0,6 procentpunt van het bbp. Op elke 100 euro ontvangsten moet de overheid straks 7 euro besteden aan rentelasten. Dat is nog betaalbaar, maar er gaat zo veel beleidsruimte verloren.
De federale regering mag daarbij van geluk spreken dat er nog geen rentesneeuwbal rolt. De rente die de overheid betaalt op haar schuld is nog altijd lager dan de nominale groei van het bbp. De stijging van de overheidsschuld is daardoor nog volledig te wijten aan de stijging van het begrotingstekort zelf. De hoge tekorten en schulden maken de begroting wel heel kwetsbaar. De Nationale Bank waarschuwt al enkele jaren dat er geen begrotingsbuffers meer zijn om tegenslagen op te vangen.
5. Beperkte terugverdieneffecten
De hoop van de regering-De Wever om de begrotingsput deels te vullen met 8 miljard euro terugverdieneffecten is wellicht ijdele hoop. “Er is een brede consensus dat de terugverdieneffecten lager zullen uitvallen dan de regering inschat”, zei Pierre Wunsch, de gouverneur van de Nationale Bank, nog in juni.
Het Planbureau houdt in zijn vooruitzichten rekening met terugverdieneffecten, maar is over de toename van de werkgelegenheidsgraad en de economische groei minder enthousiast dan de regering. Een extra scheut groei zou de begroting deugd doen, maar de haperende internationale conjunctuur maakt voorlopig geen groeimirakels mogelijk. De Belgische economie houdt relatief stand, maar meer dan de potentiële groei van 1 à 1,5 procent zit er niet in. Met die groeicijfers kun je de begroting niet saneren in tijden van vergrijzing. Zelfs met de hulp van historische hervormingen volstaat een normale economische groei niet om de begroting op het droge te trekken.
Zelfs met de hulp van historische hervormingen volstaat een normale economische groei niet om de begroting op het droge te trekken.
Er is nochtans nog veel mogelijk om de Belgische groei op te vijzelen met verdere structurele hervormingen op de arbeids- en productmarkten. De productiviteitstoename, essentieel om de vergrijzing te betalen, staat op een laag pitje. Een omvattend pakket maatregelen om de groei te stimuleren staat niet in het regeerakkoord. “Het is typisch Belgisch dat een regering ofwel bezuinigt, ofwel de groei aanzwengelt via een versterking van de concurrentiekracht. Een Belgische regering doet dat nooit tegelijk, omdat je dan te veel mensen te veel pijn doet. Op zich is dit geen onverstandige politiek, omdat je in dit land een politiek van het haalbare moet voeren om zaken gedaan te krijgen”, zegt Erik Buyst.
De tactiek van premier De Wever om zich langzaam te haasten maakt historische hervormingen mogelijk, maar redt de begroting nog niet, hoewel de regering officieel nog vasthoudt aan een begrotingstekort van 3 procent tegen 2029. Op basis van het huidige regeerakkoord en de besliste hervormingen is die doelstelling niet haalbaar. MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez spreekt al van een Nieuw Testament ter aanvulling van het Oude Testament, maar de vraag is of deze regering nog voldoende politiek kapitaal heeft om het regeerakkoord open te breken. De regering-De Wever staat in elk geval nog voor een hels karwei, als zelfs een beleidsrevolutie onvoldoende is om de begrotingsput te vullen.
Om de schoolkosten voor kinderen wat te temperen krijgt u in augustus een extraatje boven op de gebruikelijke kinderbijslag. Brussel en Vlaanderen hanteren een verschillend systeem.
De Vlaamse schoolbonus, de vroegere schoolpremie, wordt rond 8 augustus betaald. Dat is een ondersteuning in de opvoedingskosten voor elk kind dat in juli recht had op een Groeipakket, de vroegere kinderbijslag. De term is wat misleidend, want ook kinderen die nog niet naar school gaan krijgen de bonus.
Het bedrag van de schoolbonus hangt af van de leeftijd van het kind en is iets hoger dan vorig jaar. Voor kinderen tot 4 jaar is er een bedrag van 22,52 euro. Voor de leeftijdscategorie van 5 tot 11 jaar is dat 39,41 euro, van 12 tot 17 jaar 56,3 euro en van 18 tot 25 jaar 67,56 euro. Daarbij wordt gekeken naar de leeftijd van uw kind op 31 december 2024.
Het bedrag van de schoolbonus hangt af van de leeftijd van het kind en is iets hoger dan vorig jaar.
U hoeft geen aanvraag te doen, de schoolbonus wordt automatisch uitbetaald, samen met het basisbedrag van het Groeipakket van de maand juli.
De schoolbonus mag niet verward worden met de schooltoeslag. Dat is een extra bedrag voor gezinnen met een laag inkomen voor een kind dat Nederlandstalig kleuter-, lager- of secundair onderwijs of HBO5 Verpleegkunde volgt in Vlaanderen of Brussel. Het bedrag hangt af van het type onderwijs en het gezinsinkomen. De betaling ervan gebeurt tussen ten vroegste eind augustus en eind december.
Brusselse leeftijdstoeslag
De ouders van meer dan 300.000 Brusselse kinderen hebben begin augustus de jaarlijkse leeftijdstoeslag – vroeger bekend als de schoolpremie – al gekregen.
Het bedrag in Brussel stijgt met de leeftijd. Voor kinderen tot 5 jaar gaat het om 24,87 euro, voor kinderen van 6 tot 11 jaar 37,30 euro en van 12 tot 17 jaar 62,17 euro. Voor jongeren tussen 18 en 24 jaar wordt een opdeling gemaakt naargelang de studies. Voor jongeren die geen hoger onderwijs volgen is er een bedrag van 62,17 euro en voor zij die dat wel doen is dat 99,47 euro.
Ook Brusselse gezinnen moeten zelf niets doen om de premie te krijgen. Hij wordt automatisch samen met de kinderbijslag betaald.
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.