Waarom jonge Amerikanen massaal twijfelen aan het kapitalisme (en het falen van het socialisme vergeten)

Waarom jonge Amerikanen massaal twijfelen aan het kapitalisme (en het falen van het socialisme vergeten)

De roep om alternatieven voor het kapitalisme klinkt steeds luider, vooral onder jongere generaties. The Atlantic-redacteur David Frum onderzoekt hoe het vergeten falen van het socialisme het debat kleurt en waarom markteconomieën onmisbaar blijven voor brede welvaart. Zelfs als het kapitalisme dringend hervormd moet worden.

In de jaren tachtig was ’s werelds grootste schoenenproducent: de communistische Sovjet-Unie. In zijn boek Dismantling Utopia uit 1994, schreef Scott Shane dat de USSR “800 miljoen paar schoenen per jaar produceerde – twee keer zoveel als Italië, drie keer zoveel als de Verenigde Staten. Meer dan drie paar schoenen per jaar voor elke Sovjet-man, -vrouw en -kind.”

En toch, ondanks die massale productie, stonden er lange rijen voor andere winkels bij het minste gerucht dat er buitenlandse schoenen te koop waren: “Het hele ontwerp van Sovjet-schoenen stond zo veraf van wat mensen zelf wilden, dat ze bereid waren urenlang in de rij te staan voor een zeldzame, geïmporteerde schoen”, vervolgde Shane.

Het Sovjet-systeem zette met miljoenen werknemers nuttige grondstoffen om in ongewenste producten. Buiten werktijd zochten mensen naar de schaarse bruikbare goederen. Het was een gigantische verspilmachine.

Voor een jongere generatie Amerikanen is het concept ‘socialisme’ een lege doos, waarin allerlei wensen en dromen kunnen worden gestopt. Maar in het verleden namen sommige mensen het project heel serieus. In ruil kregen ze echter onbruikbare schoenen.

Steeds meer Amerikanen vinden dat de economie voor hen niet werkt. En dus debatteren ze over ideeën die ooit dood en stoffig leken, en sommige politici zetten die ideeën om in een programma.

Het nieuwe socialisme, een van de resultaten daarvan, lijkt de problemen die het oude socialisme ten val brachten slechts aan te pakken door ze te ontkennen of te negeren.

Wie socialisme wil terugdringen en democratische concurrentie in de markteconomie wil behouden, moet meer doen dan socialistische alternatieven bekritiseren. De markteconomie moet worden hervormd en gezuiverd. Hieronder leg ik uit waarom

Geloof in socialisme

Tijdens zijn hoogtijdagen werd het potentieel van een geplande socialistische economie nog door ’s werelds knapste koppen geprezen. Albert Einstein schreef in 1949: “Het winstmotief, in combinatie met de concurrentie tussen kapitalisten, is verantwoordelijk voor een instabiliteit in de accumulatie en het gebruik van kapitaal. Onbeperkte concurrentie leidt tot een enorme verspilling van arbeidskrachten en tot een verlamming van het sociale bewustzijn…”

“Een planeconomie, die de productie aanpast aan de behoeften van de gemeenschap, zou het werk verdelen over iedereen die in staat is om te werken en zou iedereen, man, vrouw en kind, een inkomen garanderen.”

In 1960 voorspelde de Harvard-econoom Abram Bergson dat de Sovjet-economie de Amerikaanse zou inhalen. Bergson was niet gek. De CIA hanteerde soortgelijke schattingen van de Sovjet-economie tot ver in de jaren zestig.

Amerikanen bestempelden het socialisme misschien als onderdrukkend, toch geloofden experts dat het Sovjet-socialisme, hoe onaantrekkelijk ook, positieve resultaten kon opleveren.

Dezelfde overschatting was er ook tegenover China. In 1959 hield de toekomstige president John F. Kennedy een toespraak in de Amerikaanse Senaat, waarin hij de Chinese beweringen over een ‘Grote Sprong Voorwaarts’ bijna volledig voor waar aannam.

“De mobilisatie van de werkloze massa Chinese landarbeiders door middel van economische communes en dergelijke”, zei Kennedy, “is een prestatie waarvan de politieke en intellectuele impact in minder ontwikkelde gebieden ongetwijfeld enorm zal zijn.”

In werkelijkheid was de Grote Sprong Voorwaarts misschien wel de dodelijkste zelf veroorzaakte ramp in de geschiedenis van de mensheid. Het gedwongen industrialiseringsprogramma van Mao Zedong veroorzaakte een hongersnood, en daarbij kwamen tussen de 23 en 55 miljoen mensen om.

Welke alternatieven?

De Sovjet-economische statistieken die zo’n indruk maakten op de CIA, waren dus vervalst of zinloos. Het maakte bijvoorbeeld niet uit hoeveel paar schoenen een Sovjet-fabriek produceerde, indien niemand ze wilde dragen.

Om aan de Sovjet-sclerose te ontsnappen, stelde communistisch China in 1978 geleidelijk aan zijn landbouweconomie en zijn industrie open voor privaat beheer, marktconcurrentie en buitenlandse investeringen. Het communistische Vietnam en anderen volgden het Chinese voorbeeld.

In het Westen raakten socialistische ideeën in verval. In 1995 wijzigde de Britse Labour-partij van Tony Blair haar partijstatuten: ze schrapte de formulering waarin ze zich verbond tot “gemeenschappelijk eigendom van de productiemiddelen, de distributie en de uitwisseling”.

In Duitsland voerde de sociaaldemocratische coalitieregering van Gerhard Schröder in het begin van de jaren 2000 de meest ingrijpende bezuinigingen op de sociale uitkeringen in decennia door.

En In de Verenigde Staten verklaarde de Democratische president Bill Clinton in 1996 het “tijdperk van de grote overheid” voor gesloten.

Daar was niet iedereen blij mee natuurlijk. Tegenstanders verwierpen misnoegd Margaret Thatchers bewering dat “er geen alternatief is”, maar konden vervolgens niet op een samenhangende manier aangeven wat dat alternatief dan wel zou zijn.

In 2000 stelde antibedrijfsactivist Ralph Nader zich kandidaat voor het presidentschap om de promarktconsensus van het Clinton-tijdperk te bestrijden.

Zijn campagne voor de Groene Partij somde allerlei klachten op – van slecht openbaar vervoer, tot buitensporige CEO-salarissen – maar duidelijk maken waar hij vóór was, lukte hem niet

En zo verging het alle andere alternatieven ook. Enkelen uit de linkse vleugel destijds citeerden somber een uitspraak van de Amerikaanse marxistische literatuurcriticus Fredric Jameson: “Het is makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.”

De ‘Grote matiging’

In de kwarteeuw tussen begin 1983 en eind 2007 kenden de Verenigde Staten slechts twee korte, milde recessies: een in 1990-1991, en een die slechts duurde van het voorjaar tot het najaar van 2001.

Vanaf het begin van de tweede regering van Ronald Reagan tot het einde van de eerste regering van George W. Bush bedroeg het werkloosheidspercentage in de VS nooit meer dan 8 procent.

En in diezelfde periode was de inflatie laag en daalden de rentetarieven gestaag. Economen noemen deze tijd de ‘Grote Matiging’.

Je voelde het ook in de politiek. Peilingbureau Gallup peilt al vijftig jaar naar de stemming onder Amerikanen. Van 1983 tot 2007 bereikte het percentage Amerikanen dat tevreden antwoordde op de vraag ‘hoe het gaat in de VS’, een piek van ongeveer 70 procent – en meestal lag het steevast boven de 50 procent.

Daar kwam een abrupt einde aan. In de vijftien jaar tussen 2007 en 2022 werd de Amerikaanse economie getroffen door de Grote Recessie, de coronapandemie en de daaropvolgende inflatie.

Tijd van radicalisme

Het tijdperk van gematigdheid maakte plaats voor een tijd van radicalisme. De bewegingen volgden elkaar op: Occupy Wall Street, de Tea Party-beweging, birtherism en de militante sociale ideologie die de afkorting woke kreeg.

In 2015, midden in een golf van radicalisme, kondigde Hillary Clinton haar tweede gooi naar het presidentschap aan. In haar toespraak somde ze keurig de vertrouwde sociale groepen op; haar politiek van de jaren negentig botste met de realiteit van de jaren 2010.

Ze sprak vooral mensen aan voor wie het systeem werkte, en traditionele arbeidersgroepen, maakte geen specifieke melding van tijdelijke werknemers, gekwalificeerde professionals die in sociale status waren gedaald, of andere onrustige sociale categorieën, die na de schok van 2008-2009 in aantal waren toegenomen.

Enkele weken later kondigde ook senator Bernie Sanders uit Vermont zijn kandidatuur aan. Sanders was een eigenaardig progressief idool. Hij had zijn hele leven in de politiek gezeten, maar had weinig bereikt.

Als onafhankelijk socialist had hij zich afzijdig gehouden van de Democratische Partij en geen eigen beweging opgebouwd. Weinig mensen beschouwden hem als een inspirerende persoonlijkheid of een boeiend spreker.

Maar te midden van het radicale sentiment verzamelde hij al snel een cultstatus om zich heen, en won hij 13 miljoen stemmen, waarmee hij 23 voorverkiezingen en primary’s won.

Toen hij uiteindelijk van Clinton verloor, bleven veel van zijn aanhangers achter met wrok. Het veroorzaakte een scheiding tussen linksen en liberalen, die Donald Trump mogelijk heeft geholpen om in november 2016 het kiescollege te winnen.

In 2002, tegen het einde van haar politieke carrière, werd aan Thatcher gevraagd wat haar grootste prestatie was. “Tony Blair en New Labour”, antwoordde ze. “We hebben onze tegenstanders gedwongen van mening te veranderen.”

Sanders zou hetzelfde kunnen zeggen over Trump: weg was het Reagan-enthousiasme voor vrije markten en globalisering.

Trump beloofde harde overheidsingrepen ter bescherming van Amerikaanse bedrijven en banen, schetste een somber beeld van het land en zag de toekomst in een terugkeer naar het verleden.

Tegelijk belichaamde zijn persoonlijkheid precies de decadentie die Sanders aan het late kapitalisme toeschreef.

Aan de macht stond nu een miljardair die klanten bedroog en leveranciers oplichtte. Zijn privéleven hing aan elkaar van schandalen, en zijn regering bestond uit plutocraten en profiteurs die zich te goed deden aan belastinggeld.

Impact corona

De coronapandemie versterkte het antimarktgevoel verder. Ze verrijkte degenen die al bezittingen hadden, met name in onroerend goed: de gemiddelde huizenprijs in de VS steeg van ongeveer 315.780 euro in het voorjaar van 2020 tot 437.310 euro aan het einde van 2022.

De federale maatregelen tegen de pandemie werden ook misbruikt door ondernemers; de Amerikaanse regering schat dat maar liefst 170 miljard dollar aan covidsteungelden mogelijk frauduleus in particuliere zak is gestoken.

En je was als huurder en loontrekkende in 2022 vrijwel zeker slechter af dan in 2019. Je loon was minder waard en je huur was hoger.

Voor jonge afgestudeerden waren de vooruitzichten bijzonder somber. Gemiddeld had een student een jaar na zijn afstuderen meer dan 32.000 euro aan studieschuld. De zwakke arbeidsmarkt na covid verzwakte de hoop om die schuld terug te kunnen betalen.

De regering-Biden kon een deel van de studieschuld kwijtschelden, maar haar ambitieuzere plannen werden door het Hooggerechtshof afgewezen wegens overschrijding van de uitvoerende bevoegdheden.

Bron: DeMorgen.be

Vlaanderen in cijfers

De brochure Vlaanderen in cijfers geeft aan de hand van een brede set van Vlaamse openbare statistieken een kernachtig beeld van Vlaanderen. De statistieken beslaan een ruime waaier aan thema’s en zijn gegroepeerd in vier grote delen: bevolking en samenleving, economie en ondernemingen, ruimte en leefomgeving en overheid en bestuur. Bij meerdere thema’s wordt ook een korte vergelijking toegevoegd van de Vlaamse gegevens met de situatie in andere regio’s in de Europese Unie. De statistieken worden gepresenteerd in toegankelijke tabellen, figuren, infographics en kaarten. Via de website van het netwerk Statistiek Vlaanderen kunnen de statistieken opgenomen in deze brochure meer in detail geraadpleegd worden, net als de bijhorende datasets en informatie over de gebruikte bronnen en definities.

Lees de publicatie

  1. Vlaanderen in cijfers 2025Vlaanderen in cijfers 2025

‘Er moet een einde komen aan de straffeloosheid van politiegeweld’

‘Er moet een einde komen aan de straffeloosheid van politiegeweld’

De Antwerpse rechtbank zal zich in oktober moeten buigen over het overlijden van Pieter Aerts. Hij stierf in de zomer van 2019, toen een interventie in zijn appartement uit de hand liep. Ouders van slachtoffers en activisten ijveren bij gevallen van politiegeweld voor een eerlijke, transparante rechtspraak met respect voor de rechtstaat, de mensenrechten en de democratie.

Over de zaak van Pieter Aerts, de jonge Antwerpenaar die overleed na een misgelopen interventie van de politie, wordt dezer dagen mondjesmaat bericht. Maar er zijn veel verhalen van verbaal en fysiek politiegeweld die de media nooit halen. Ze blijven onzichtbaar en worden nergens geregistreerd.

‘Toch moet je jongeren uit de volkswijken van Brussel er niets over vragen’, zegt Ayoub Ben Abdeslam, jeugdwerker bij Foyer vzw in Molenbeek. Hij maakte zelf gratuit verbaal geweld mee toen hij zeventien was. ‘Je moet het maar één of twee keer hebben meegemaakt om een afkeer van de politie te krijgen.’

Voor slachtoffers en hun familie is het ook moeilijk om zich er over uit te spreken. In het openbaar, maar ook binnen de familie. Jarenlang kon Kalthoem (schuilnaam om haar identiteit en die van haar zoon te beschermen. Haar echte naam is bekend bij de redactie.) het woord ‘politie’ niet uitspreken in het bijzijn van haar zoon, bang dat hij weer in woede zou uitbarsten.

‘Jij weet goed genoeg dat ik dat woord niet kan aanhoren!’, zei hij de enkele keren dat ze er op een onbewaakt moment over begon. Hij was amper veertien toen hij hardhandig werd verhoord door de politie. Ondertussen is hij dertig, maar het onderwerp is nog steeds taboe.

Op een mooie lentedag in 2009 besloten de zoon en drie schoolkameraden om samen naar een Brussels park te wandelen in plaats van rechtstreeks naar huis te gaan. ‘Mijn zoon liep vooraan met een vriend, gevolgd door de twee andere vrienden. Hij had oortjes in. Plots zag hij mensen achter een van de vrienden lopen. Die had net een autoruit ingeslagen. De politie werd erbij gehaald en hij werd opgepakt.’

‘Tijdens het verhoor vertelde hij met wie hij samen was. De drie andere vrienden, onder wie mijn zoon, werden allemaal opgepakt’, zegt Kalthoem.

Naakte fouillering

‘De politie kwam naar ons huis en haalde zijn kamer ondersteboven. Ze vonden niets, geen gestolen spullen of drugs. Ze namen hem mee voor verhoor. De politieagent die ik zag toen we hem kwamen ophalen, was heel vriendelijk. Hij gaf mijn zoon de raad om zich te focussen op zijn studies en op zijn toekomst.’

‘Maar toen we thuiskwamen, vertelde mijn zoon dat hij bij elke vraag, en voordat hij de kans kreeg om te antwoorden, een klap in zijn gezicht had gekregen. Hij vertelde ook dat hij naar een heel vieze kamer werd meegenomen. “Hier zul je belanden als je stommiteiten begaat”, waarschuwde de agent. De andere vrienden kregen ook klappen in hun gezicht tijdens hun verhoor. Ze vertelden hoe hard die klappen waren en lachten ermee. Het waren tieners.’

Datzelfde jaar kwam de zoon nog twee keer hardhandig in aanraking met de politie. Kalthoem vertelt het met een mengeling van schaamte, angst, woede en schuldgevoel. ‘We wonen in het centrum van de stad. Hij was veertien en ik dacht dat het niet nodig was om hem naar school te brengen en weer op te halen. Hij kon de bus nemen, dacht ik.’

‘Jaren na het incident vertelde hij dat hij die dag ook naakt gefouilleerd werd’, gaat ze verder. Dat hij geslagen en naakt gefouilleerd werd, vindt ze buiten proportie en onaanvaardbaar. Ze heeft geen goed woord over voor de ordediensten. Natuurlijk was er geen haar op haar hoofd dat eraan dacht om te protesteren of klacht in te dienen. Ze zou ook niet weten waar of bij wie ze dat zou kunnen doen. Het liefst wil ze het hele gebeuren uit haar geheugen wissen.

Slachtoffers van politiegeweld kunnen klacht indienen… bij de politie. ‘Dat is niet evident’, zegt Joke Blockx, directeur van de Liga voor Mensenrechten.

‘Het is bovendien een ingewikkeld systeem waarover weinig wordt gecommuniceerd. Op het televisiejournaal wordt niet gezegd naar welk nummer je kunt bellen om een klacht in te dienen. Je kunt dat doen bij het Comité P, dat toeziet op onder andere de werking van de politiediensten. Maar het probleem in dat klachtensysteem is het gebrek aan onafhankelijkheid. Het zijn uiteindelijk collega’s die de klachten tegen de politiemensen onderzoeken.’

Uit zijn jaarrapport blijkt dat het Comité P slechts een beperkt aantal klachten onderzoekt. De overige klachten gaan naar de dienst intern toezicht bij de betrokken politiezone. ‘Wat we nodig hebben, is een onafhankelijk orgaan dat de politie beoordeelt en geen orgaan van de politie zelf,’ legt Blockx uit, ‘én we hebben rechters nodig die klachten aftoetsen aan onze rechtstaat, aan de mensenrechten en aan de democratie.’

Buitenvervolgingstelling is straffeloosheid

De gevallen die de media wel bereiken, zijn doorgaans die met een dodelijke afloop. Denk aan de zaak-Mawda, het tweejarige meisje dat in 2018 stierf nadat nadat politieagenten de bestelwagen waarin ze zat, samen met haar ouders en andere vluchtelingen, hadden achtervolgd en beschoten. Of Lamine Bangoura, de 27-jarige man die stierf bij een uithuiszetting. Of Adil (19), die omkwam nadat een politiewagen tegen zijn bromfiets was gebotst bij een achtervolging naar aanleiding van een controle op het naleven van de coronamaatregelen. De lijst van slachtoffers met een fatale afloop tijdens of na een politie-interventie wordt steeds langer.

Het laatste verhaal op die lijst is dat van Sourour Abouda, een vrouw van 46 die op 12 januari 2023 in een politiecel stierf. Volgens de politie heeft Sourour zichzelf van het leven beroofd, maar haar familie gelooft deze versie niet en heeft klacht ingediend. Begin april werd de betrokken politiezone naar de correctionele rechtbank doorverwezen. Een primeur in de behandeling van klachten over politiegeweld, en het wordt als een eerste maar onvoldoende stap gezien in de strijd voor rechtvaardigheid voor de slachtoffers. Geen van de individuele agenten die betrokken waren op het moment van de feiten, worden vervolgd.

In dat soort zaken komt het vaak zelfs niet tot een rechtszaak. ‘We zien hier een patroon’, zegt Joke Blockx. ‘In 99 procent van de gevallen van inverdenkingstelling verwijst de raadkamer de zaak naar de correctionele of een andere bevoegde rechtbank, tenzij het om politieagenten gaat. Dan oordeelt de raadkamer ten gunste van de buitenvervolgingstelling. Dat is een structureel probleem.’

Het is deze kwestie van systematische buitenvervolgingstelling, en dus van straffeloosheid, die de Liga ertoe aangezet heeft om zich burgerlijke partij te stellen in twee zaken: die van Mehdi Bouda en die van Pieter Aerts. In beide gevallen eindigde een interventie van de politie met de dood van de betrokkenen.

‘Het is vrij uitzonderlijk dat we ons burgerlijke partij stellen’, benadrukt Joke Blockx. ‘De politie heeft in onze democratie het monopolie op het gebruik van geweld, en we onderschatten het werk van de politie helemaal niet. Ze moeten op cruciale momenten heel snel beslissingen nemen. Maar er zijn protocollen die de politie moet volgen vooraleer ze overgaat tot het gebruik van geweld.’

‘In de zaak-Mehdi werd elf uur gewacht vooraleer de familie werd ingelicht, terwijl ze heel snel wisten dat die jongen was overleden. In de eerste vijf minuten na de aanrijding vond er een fouillering plaats, maar er werd geen eerste hulp gegeven. Fouilleren doe je niet zomaar. Een veiligheidsfouillering moet ook beantwoorden aan de principes van legaliteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit.’

‘Wanneer illegitiem politiegedrag niet vervolgd of bestraft wordt, spreken we van normvervaging’, vervolgt Blockx. ‘We zijn dan ook in beroep gegaan tegen de beslissing van de raadkamer om de agenten buiten vervolging te stellen. Wij hopen dat de kamer van inbeschuldigingstelling zal doorverwijzen naar de rechtbank en het belang van vervolging en veroordeling inziet. Want als er een rechtszaak van komt, wordt het debat, à charge en à décharge, publiekelijk gevoerd. Dat versterkt het gevoel bij de burgers dat er geluisterd wordt naar de slachtoffers en dat er zoiets als rechtvaardigheid en onpartijdigheid is. Bovendien kunnen de media erover berichten en kunnen wij de mensen onderrichten.’

Ander soort politie

De strijd tegen politiegeweld wordt voornamelijk gevoerd door de families van slachtoffers en door activisten. Het is bovendien geen populaire strijd die veel bijval oogst bij de publieke opinie. Zowel woordvoerders van organisaties die het opnemen voor slachtoffers van politiegeweld als activisten zijn dan ook heel voorzichtig en genuanceerd. ‘Het zijn enkelingen binnen de politie die zich schuldig maken aan buitensporig en gratuit geweld’, benadrukt Ayoub Ben Abdeslam.

‘Vaak wordt de strijd tegen politiegeweld gezien als een strijd tegen de politie, terwijl dit niet klopt’, vult Joke Blockx aan. ‘Het is belangrijk dat we de mensenrechten in onze democratie bewaken.’

‘We zijn niet tegen de politie’, benadrukt ook Latifa Elmcabeni, medeoprichtster van het Collectif des Madrés, een organisatie die ontstaan is in Sint-Gillis om onzichtbaar politiegeweld aan te klagen. ‘Integendeel, we hebben de politie nodig’.

De voorbije jaren werden tal van initiatieven gelanceerd om ‘de relatie tussen jongeren en politie te verbeteren’, maar het probleem is groter dan dat. Child Focus, dat nu en dan klachten krijgt wanneer de slachtoffers minderjarig zijn, vindt dat er gesleuteld moet worden aan de opleiding van de politie. Ook de Liga voor Mensenrechten ziet tekortkomingen in de opleiding, en gelijkekansencentrum Unia wijst op de nood aan meer diversiteit binnen de politiekorpsen.

Maar het heersende politieke discours helpt niet. De nadruk ligt er op meer veiligheid en meer politie. Toch willen mensen in de volkswijken ook meer politie, maar dan wel van een ander soort. Maar daar is politieke wil voor nodig. ‘Racisme is te vinden op het hoogste niveau van de macht,’ zegt Elmcabeni, ‘het is daar dat het moet veranderen.’

‘Er zijn wijken die aan hun lot worden overgelaten en die onveilig zijn geworden’, zegt Ayoub Ben Abdeslam. ‘Er is delinquentie en er worden openlijk drugs gedeald. De rijken uit andere wijken komen naar hier om zich te bevoorraden, maar het zijn de inwoners van onze wijken die de prijs betalen.’

‘Mensen moeten begrijpen dat socio-economische en culturele uitsluiting kwetsbaarheid creëren en leiden tot delinquentie. Die uitsluiting begint vanaf de kleuterschool. En politiegeweld werkt de kwetsbaarheid in de hand’, besluit Elmcabeni. ‘Dat moet veranderen.’ 

Bron: mo.be

Steun EU-lidmaatschap

Steun EU-lidmaatschap

Bijna 8 op 10 inwoners steunen lidmaatschap Europese Unie

Net als in de voorgaande jaren kon de Europese Unie (EU) ook in de herfst van 2023 op heel wat steun rekenen van de bevolking: 78% van de inwoners van het Vlaamse Gewest vond het een goede zaak dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Dat aandeel lag in 2023 op hetzelfde niveau als in 2021 en is het 2de hoogste aandeel sinds 2005.

16% van de bevolking had in 2023 geen uitgesproken mening over het EU-lidmaatschap. 5% vond het EU-lidmaatschap een slechte zaak. Dat laatste aandeel schommelt sinds 2005 tussen 4% en 10%.

Steun voor EU-lidmaatschap hoger in Vlaams Gewest dan EU-gemiddelde

De steun voor het EU-lidmaatschap lag in de herfst van 2023 hoger in het Vlaamse dan in het Waalse Gewest: in het Vlaamse Gewest vond 78% van de inwoners het lidmaatschap van de Europese Unie een goede zaak, in het Waalse Gewest 56%.

De steun voor het EU-lidmaatschap lag in het Vlaamse Gewest ook hoger dan in de meeste EU-landen. Algemeen genomen beschouwde 61% van inwoners van de 27 EU-landen het lidmaatschap als een goede zaak. Tussen de lidstaten onderling bestaan er grote verschillen. In Luxemburg waren in 2023 bijna 9 op de 10 inwoners voorstander van lidmaatschap. In Oostenrijk lag het aandeel voorstanders het laagst: daar ging het om ongeveer 4 op de 10 personen.

In het Vlaamse Gewest vond in 2023 5% van de bevolking het EU-lidmaatschap een slechte zaak. Dat waren er minder dan in het Waalse Gewest (12%). In de EU27-landen zag gemiddeld 10% van de bevolking het lidmaatschap van de EU als een slechte zaak. In Litouwen lag dat aandeel het laagst (2%), in Oostenrijk het hoogst (22%).

Bronnen

  1. Europese Commissie:Eurobarometeropent in nieuw vensterEurobarometerEurobarometer
  2. GESIS:Eurobarometeropent in nieuw vensterEurobarometerEurobarometer

Onbeperkt activeren

De regering-De Wever zet de beperking van de werkloosheidsuitkering nu definitief in gang. Maar de nieuwe regels verliezen een rechtvaardig evenwicht uit het oog tussen rechten en plichten voor werkzoekenden. Nu moet de Vlaamse regering het activeringsbeleid fundamenteel aanpassen.

De kogel is door de kerk! De jarenlange polemiek over het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd, voornamelijk gevoed door werkgeversorganisaties, bepaalde arbeidsmarktdeskundigen en politieke partijen, kent een einde. De regering-De Wever heeft immers beslist dat de werkloosheidsuitkering beperkt wordt in de tijd tot een maximum van twee jaar, met ingang vanaf 1 januari 2016.

Een uitzondering hierop vormen de werkzoekenden van 55 jaar met een loopbaananciënniteit van 30 jaar en werkzoekenden die een zorgopleiding volgen. De premier noemt dit zijn politiek ‘koninginnenstuk’. Deze structurele ingreep in de werkloosheidsverzekering dreigt evenwel niet bij te dragen tot een verhoging van de werkzaamheidsgraad … tenzij tegelijkertijd structurele ingrepen gebeuren in de architectuur van het activeringsbeleid.

In dit artikel wil ik dieper ingaan op de aanpassingen die nodig zijn om het activeringsbeleid te versterken in de context van een beperking van de werkloosheidsuitkering. Maar eerst aftoetsen of er nog sprake is van een rechtvaardige balans tussen rechten en plichten van werkzoekenden bij een gewijzigde economische omgeving.

Nooit was de werkloosheidsuitkering onbeperkt

Het zal menigeen verbazen, maar de werkloosheidsverzekering zoals historisch opgezet, voorziet nergens in een onbeperkt recht op werkloosheidsuitkering. De werkloosheidsuitkering was steeds gekoppeld aan – en dus ook beperkt door – beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. De werkzoekende moest beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en in dat kader ingaan op elk passend werk-, opleidings- of begeleidingsaanbod. Onbeschikbaarheid betekende de stopzetting van de uitkering.

Wat evenwel uit het oog wordt verloren, is dat de historische wetgever beschikbaarheid niet enkel bekeek vanuit het oogpunt van de werk­zoekende, maar evenzeer vanuit het oogpunt van de arbeidsmarkt. Werkzoekenden moesten niet enkel beschikbaar zijn voor passende jobs; er moesten ook passende jobs beschikbaar zijn voor de werkzoekende.

De economische situatie en het daarmee gepaard gaande regionaal werkaanbod was zo een van de wettelijke criteria om te oordelen of er sprake was van abnormaal langdurige werkloosheid. Indien de RVA (Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) vaststelde dat er voldoende jobopportuniteiten waren voor de betrokken langdurig werkzoekende, dan verloor die zijn recht op uitkering. Indien er geen passende werkaanbiedingen waren, kon de werkzoekende legitiem zijn uitkering behouden.

Dat was het sluitstuk van de werkloosheidsverzekering. Op die manier verzekerde het uitkeringssysteem een rechtvaardige balans tussen rechten en plichten. De context van de arbeidsmarkt was mee bepalend voor het toekennen en behouden van de uitkering.

Dat was niet zo vreemd omdat we in de jaren tachtig en negentig door de oliecrisis en de mondiaal aanhoudende economische crisis geconfronteerd werden met massaal jobverlies en een hoog niveau van gedwongen jeugd- en langdurige werkloosheid. In die mate dat de overheid overging tot het opzetten van grootschalige tewerkstellingsprogramma’s (Bijzonder Tijdelijk Kader, Derde Arbeidscircuit, Tewerkgestelde Werklozen …) om jongeren uit de langdurige werkloosheid te houden.

Die programma’s werden gefinancierd met ‘omgeploegde’ werkloosheidsuitkeringen en stelden vaak hooggeschoolde werkzoekenden jarenlang te werk. Een beperking van de uitkering in de tijd zou toen een onmetelijk verlies aan kapitaal hebben betekend en de vlotte integratie bij herneming van de economische conjunctuur hebben verhinderd.

Toekomstig onevenwicht

Uiteraard is de situatie op de arbeidsmarkt sedert iets meer dan een decennium grondig gewijzigd. Er zijn nu door de demografische ontwikkelingen aanhoudende personeelstekorten, het omgekeerde van het einde van de vorige eeuw. Voor het merendeel van de werkzoekenden zijn er nu effectieve jobopportuniteiten. Behoudens onvoorziene omwentelingen zal het eerstkomend decennium gekenmerkt blijven door arbeidsmarktkrapte.

Maar het valt nooit uit te sluiten dat we ooit opnieuw een langdurige periode van economische recessie kennen en in dat geval zal het nieuwe uitkeringssysteem niet rechtvaardig zijn ten opzichte van de dan groeiende groep van langdurig werkzoekenden. Hun rechten en plichten zijn dan niet meer in balans. Daarin schuilt een potentieel toekomstig onevenwicht waarvoor de politiek de ogen niet kan sluiten.

De invoering van een beperkte werkloosheidsuitkering vergt tegelijkertijd grondige aanpassingen aan de architectuur van het arbeidsmarkt- en activeringsbeleid. Zonder die aanpassingen betreft het een zuivere besparingsoperatie die zichzelf hypothekeert omdat ze niet bijdraagt aan een hogere werkzaamheidsgraad. Hoe hoger de werkzaamheidsgraad, hoe hoger de inkomsten voor de Staat.

Men schiet zichzelf dus in de voet indien men die maatregel niet in het licht stelt van de werkzaamheidsdoelstelling. Aanpassingen aan de activeringsarchitectuur moeten erop gericht zijn om werkzoekenden aan een nieuwe baan te helpen vóór het verstrijken van de uitkeringsduur. Dat is niet enkel van belang vanuit economisch oogpunt, waarbij het invullen van vacatures voorop staat, maar ook vanuit maatschappelijk oogpunt omdat zo bestaansonzekerheid en armoede kunnen worden voorkomen.

Wat beter kan bij de VDAB

Vooreerst moet de VDAB het proces van intake, screening en trajectbepaling snel opstarten na de inschrijving als werkzoekende. Dat proces kan nu variëren van één maand tot drie en zelfs zes maanden. Dat is eigenlijk te lang om een geslaagd integratietraject te voltooien binnen een uitkeringsduur van maximaal twee jaar. In principe zou de VDAB dit proces binnen een maand moeten kunnen afronden. Daartoe moeten mensen, middelen en expertises binnen de VDAB herschikt worden.

Het VDAB-proces kan versneld en gefaciliteerd worden als werkgevers op een veralgemeende wijze werk maken van het valideren en attesteren van de op de werkvloer verworven competenties van hun medewerkers. Bij ontslag kan de VDAB deze competenties onmiddellijk in rekening brengen in de zoektocht naar een nieuwe job. Eigenlijk zou een werkgever niet enkel verplicht moeten zijn om een C4 (bewijs van ontslag) af te leveren aan de ontslagen werknemer, maar ook een CV (competentie-visum) met verworven vaardigheden.

Bovendien kan de intake en screening versneld worden indien andere arbeidsmarktintermediairen die contact hadden met de (potentiële) werkzoekende (outplacementkantoren, GTB …) hun informatie systematisch met VDAB zouden delen.

Niet enkel het indiceringsproces moet geoptimaliseerd worden, er moet ook geremedieerd worden aan het toeleidingsproces. Dat proces is erop gericht werkzoekenden die geïndiceerd zijn, zo snel mogelijk naar de juiste begeleidings-, opleidings- of werk(ervarings)organisatie te leiden. Vaak kunnen de toegeleide werkzoekenden niet daadwerkelijk terecht in de aangewezen organisatie.

Om het indicerings- en toeleidingsproces sluitend te maken, moet er een gemotiveerde feedback gegeven worden over de redenen van niet-opname of niet-aanwerving.  Deze verplichting zou in de subsidie- of aanbestedingsregels kunnen opgelegd worden.

Geen confectie-aanpak meer

Na de trajectbepaling moet het traject van de werkzoekende snel kunnen worden ingezet en als het meerdere onderdelen bevat, naadloos voortgezet. In vele gevallen zal het integratietraject immers bestaan uit een combinatie van begeleiding, vooropleiding, opleiding en/of werkervaring. Dat traject moet zonder te lange onderbrekingen en liefst aansluitend worden georganiseerd. Dit vereist een hogere mate van flexibiliteit in hoofde van de VDAB en de uitbestedingspartners, alsook meer samenwerking in functie van de expertises van elke organisatie.

Vandaag overheerst nog een confectie-aanpak in het bemiddelingsproces. Werkzoekenden worden in kaart gebracht aan de hand van een aantal standaardmaten zoals opleiding, werkervaring en leeftijd. Bij echt maatwerk brengt men ook andere elementen in rekening bij het bemiddelingsproces zoals elders verworven competenties, de gezins- en gezondheidstoestand, de interessesferen, het ontwikkelingspotentieel, andere rollen die men opneemt, of de levensfase. Door in te zetten op data-mining en AI kan de VDAB de vele data waarover ze beschikt, gebruiken voor meer maatgerichte integratie-adviezen voor bemiddelaars én werkzoekenden.

De vacature moet vervolgens veel sneller in het reïntegratieproces betrokken worden. Dit veronderstelt de nodige ondersteuning van de werkzoekende in de zoektocht naar een vacature. Te vaak wordt die zoektocht afgewenteld op de werkzoekende, omdat die een actief zoekgedrag moet vertonen.

Maar men vergeet hierbij een gedifferentieerde aanpak. Zo zijn werknemers die hun job verliezen door een transformatie van hun industrieel bedrijf, zelf nauwelijks in staat om doelgericht op zoek te gaan naar een nieuwe job. De VDAB moet daarom met zijn bemiddelingspartners mee de brug slaan naar passende vacatures.

Diverse incentives zoals doelgroepkortingen en tewerkstelling in de sociale economie zijn gericht op personen die minstens twee jaar werkzoekend zijn. Die maatregelen moeten worden aangepast opdat ze hun volle werking zouden behouden. Wellicht is het mogelijk ze ook open te stellen voor werkzoekenden die dreigen langdurig werkzoekend te worden. De VDAB kan die groep aflijnen door gebruik te maken van verfijnde screeningsinstrumenten en profielen van de ‘vroegere’ doelgroepen.

Vrijblijvend

Door de beperking van de uitkering in de tijd ‘verhuizen’ een groot deel van de werkzoekenden van de werkloosheidsuitkering naar het leefloon, van de VDAB naar het OCMW. Waar vandaag de VDAB en de grootstedelijke OCMW’s veelal los van mekaar werken en hun eigen werking als de betere beoordelen, zou er nu veel meer moeten ingezet worden op samenwerking.

Die samenwerking moet uitgaan van de bundeling van de sterktes van beide actoren. De OCMW’s zijn sterk lokaal verankerd, hebben een sterk netwerk in de sociale sector, hebben een multidisciplinaire aanpak; de VDAB heeft een ruimer werkgevers- en vacaturebereik, heeft een breed opleidingsaanbod en werkt samen met landelijke arbeidsmarktintermediairen. Om zoveel mogelijk werkzoekenden die in het leefloon belanden maximale herinschakelingskansen te bieden, dringt zich een structurele samenwerking tussen de VDAB en het OCMW op.

Tot slot zijn er vragen over de afdwingbaarheid. De VDAB hanteerde in het verleden reeds richtlijnen voor zijn diensten over de termijnen binnen welke jonge, kortdurig en langdurig werkzoekenden in begeleiding moeten worden genomen. De Europese Werk­gelegenheidsrichtsnoeren schreven zo’n richtlijnen voor de publieke bemiddelingsdiensten voor. Maar die richtlijnen waren niet afdwingbaar door werkzoekenden. Het waren enkel ‘guidelines’ voor de bemiddelaars.

Die vrijblijvende, voorschrijvende aanpak is niet langer wenselijk omdat werkzoekenden dreigen hun traject niet te kunnen doorlopen met behoud van hun uitkering. Daarom dienen de termijnen van intake, screening en trajectbepaling, de doorlooptijden van trajecten en de samenwerking tussen de VDAB en het OCMW wettelijk verankerd te worden. Zo kan de werkzoekende zijn rechten laten gelden.

Arbeidszorg

De beperking van de uitkering in de tijd zou mits aanpassingen in het activeringsbeleid en in een tijd van arbeidsmarktkrapte geen nadelige gevolgen mogen hebben voor snel inzetbare en bemiddelbare werkzoekenden, noch voor werkzoekenden die een beroepsopleiding of herscholing nodig hebben om weer aan de slag te gaan.

Wel stelt zich de vraag naar de inschakelingsperspectieven van de toch relevante groep van werkzoekenden die tijdelijk of definitief niet naar de arbeidsmarkt kunnen worden toegeleid, doorgaans omwille van medische, mentale, psychosociale, psychiatrische problemen of een cumul ervan. Het ‘statuut’ van die groep werd tot op vandaag formeel erkend in de werkloosheidsverzekering door de VDAB en de RVA. Werkzoekenden die tot die groep behoorden, vonden een plaats binnen de sociale economie en inzonderheid binnen de voorzieningen van arbeidszorg.

Die arbeidszorg houdt in dat personen met een cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of zware sociale problematiek, die daardoor (nog) niet (meer) op de reguliere arbeidsmarkt terechtkunnen, onbezoldigde arbeidsmatige activiteiten uitoefenen onder intensieve begeleiding. Arbeidszorg kan zowel een eindbestemming als een tussenhalte zijn, een opstap naar betaald werk in de sociale of reguliere economie. Per definitie gaat het om langdurige participatie- en integratietrajecten.

Werkzoekenden in arbeidszorginitiatieven worden dan ook sowieso getroffen door de beperking van de werkloosheidsuitkering. Voor deze werkzoekenden was een uitzondering op de beperking onder bepaalde voorwaarden aangewezen, maar zo’n uitzondering is niet voorzien. De vraag stelt zich of er een valabel en duurzaam alternatief kan worden gevonden voor deze doelgroep.

Al langer dan vandaag pleiten arbeidsmarkt- en zorgorganisaties voor een beter en veilig statuut voor arbeidszorgmedewerkers, een statuut dat de deelname aan arbeidszorg aanmoedigt, alsook – wanneer mogelijk – de opstap naar betaald werk. Hun pleidooi werd erkend door vertegenwoordigers van de federale en Vlaamse regering op de Staten-Generaal van de Arbeidszorg, op 17 november 2013.

Naar een recht op maatschappelijke participatie

Is het daarom niet wenselijk dat we een recht op maatschappelijke participatie installeren dat personen die deelnemen aan maatschappelijke activiteiten, los van de arbeidsmarkt, waardeert en ondersteunt? Die ondersteuning kan geregeld worden in het uitkerings- of vergoedingsstelsel dat op de arbeidszorgmedewerker van toepassing is én in een residuair stelsel dat van toepassing is wanneer deze medewerker op geen andere uitkering of vergoeding beroep kan doen. Zo kan een transparant en rechtszeker statuut vorm krijgen.

De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd is op zichzelf geen koninginnenstuk. Dat wordt het pas als de maatregel gekaderd en aangepast wordt in functie van het bereiken van een hogere werkzaamheidsgraad. Anders is het een louter budgettaire besparingsmaatregel die vooral werkzoekenden met een zwakkere arbeidsmarktpositie treft.

Daarom moet de Vlaamse regering de architectuur van het activeringsbeleid fundamenteel aanpassen, zodat de kansen van werkzoekenden, ook de laaggeschoolde en kwetsbare, op deelname aan het arbeidsproces niet alleen gevrijwaard maar zelfs versterkt worden. Bovendien moet er een kader worden gecreëerd dat personen met een verre afstand tot de arbeidsmarkt toelaat op een veilige en rechtszekere manier te participeren aan maatschappelijke activiteiten.

Bron: visie.net