by admin | mei 7, 2025 | Onderwijs
De Vlaamse regering wil een nultolerantie hanteren voor geweld en bedreigingen tegen leerkrachten. Dat heeft Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) gezegd in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement. Concreet zal de overheid zich altijd burgerlijke partij stellen. Het geweld tegen leerkrachten neemt toe en dat is alarmerend, vindt Demir. “Verbale agressie is wekelijkse kost geworden”, zo getuigt leerkracht Jo.
Een recente video op sociale media liegt er niet om. Een Hasseltse leerling slaat een leerkracht vol in het gezicht. Helaas is het geen alleenstaand geval. Jongeren gebruiken in het algemeen steeds meer geweld, ook op school.
“We zien bij jeugddelinquentie dat de feiten die in het algemeen gepleegd worden, los van wat er op school gebeurt, ernstiger zijn dan vroeger. Dat is alarmerend. Er zijn heel wat signalen, ook maatschappelijk, dat daar iets gaande is”, zegt Demir. Ze laat het geweld in Vlaanderen daarom in kaart brengen.
“Wekelijkse kost”
Agressie op school is meer dan fysiek geweld, het kan ook verbaal zijn. En ook dat kan aankomen. Daar kan Jo Morato over meespreken. Hij is al 20 jaar klastitularis en leerkracht mechanica en duaal lassen in de 2e graad van het secundair onderwijs. “Ik heb dat fenomeen toch zien toenemen in de laatste 20 jaar. Leerkracht zijn is tegenwoordig meer dan alleen een vak geven.”
“Zelf heb ik nog geen fysieke agressie meegemaakt, maar verbale agressie is wekelijkse kost. Het gaat soms zelfs zo ver dat we de directie moeten bellen om een leerling weg te halen. Dat doet wel iets met een mens, maar je wil dat niet laten merken. Je wil dat de rest van de klasgroep verder kan.”
Jo vindt het belangrijk om verder te kijken dan een verbale uithaal. “De leerlingen nemen vaak frustraties mee naar school. Het is een uiting van woede en ik sta daar toevallig tussen. Ik probeer het wel zo veel mogelijk te relativeren en het niet persoonlijk te nemen.”
“Moedeloos”
“De ene dag ga je al beter om met die agressie dan de andere”, zo getuigt ook Karel*. Hij geeft al 25 jaar les in het buitengewoon onderwijs aan jongeren met een gedrags- en emotionele stoornis. Dagelijks krijgt hij te maken met verbale agressie.
“Fysiek geweld is veel verminderd. Nu gaat het over bedreigingen en je uitschelden. Je stelt je weerbaar op als leerkracht, maar soms komt dat hard binnen. Je blijft een mens van vlees en bloed met gevoelens.”
“Er zijn dagen dat ik thuis kom en al huilend in de zetel zit, bij manier van spreken. Je voelt je moedeloos omdat je weer gefaald hebt. Je probeert die jongeren iets bij te brengen en de dank daarvoor is een scheldpartij. Dat weegt ook op je gezinsleven.”
“Ik voel me gelukkig wel nog veilig op school, maar ik sta hier ook al erg lang voor de klas. Misschien is het voor jongere leerkrachten wel een brug te ver.”
Luisterend oor
Zowel Jo als Karel kunnen gelukkig rekenen op steun van hun collega’s. “Af en toe eens ventileren bij hen is belangrijk”, zegt Karel. “Als je ziet aan de collega’s dat ze het moeilijk hebben, dan ga je er naartoe. Een babbel doet enorm veel. Daardoor heb je het gevoel dat je er niet alleen voorstaat. Dat het probleem niet alleen bij jou ligt.”
Leerkrachten kunnen zich ook wapenen tegen agressie door extra opleidingen te volgen. Jo is al 20 jaar leerkracht en heeft intussen veel ervaring, maar vindt dat er in zijn opleiding niet genoeg aandacht was voor agressie. “De opleiding ging ervan uit dat zoiets in het reguliere onderwijs niet gebeurt.”
Er moet meer ingezet worden op opleidingen, vindt ook Iris Steenhout, criminologe aan de VUB. “Leerkrachten zien in hun studies wel een deeltje rond agressie. Maar we hebben nu ook heel wat zij-instromers in het onderwijs die dat gemist hebben. Zij weten niet altijd hoe ze zulke situaties moeten aanpakken. Vooral opleidingen rond de-escalatie en weerbaarheid kunnen nuttig zijn.”
Aftasten van grenzen
Steenhout voerde recent onderzoek naar agressie tegen leerkrachten in het secundair onderwijs. “Het gaat vooral om leerkrachten bespuwen, imitatiegedrag, verbale agressie en seksuele intimidatie. Ook fysieke agressie komt voor, maar hoe zwaarder de agressie, hoe zeldzamer.”
“Heel veel van de pesterijen hebben te maken met het aftasten van grenzen en het gezag van de leerkracht in vraag stellen”, zegt Steenhout. “Het middelbaar onderwijs bevat nu eenmaal een groep jongeren die proberen een plaats te vinden in de samenleving. Dat maakt deel uit van hun groei.”
“En daarbij krijgen ze ook nog eens te maken met hormonale schommelingen die hun gedrag beïnvloeden. Al wil dat natuurlijk niet zeggen dat je daardoor agressie moet gebruiken.”
Meldpunt
Het onderwijs moet beter gewapend worden tegen geweld. “Herhaald agressie ondergaan leidt tot ontevredenheid, angstgevoelens, vermoeidheid en zelfs agressie of burn-out. In een tijd met een lerarentekort is dat toch iets om aandacht aan te besteden”, aldus Steenhout.
Daarin speelt ook het beleid van de school een belangrijke rol. “Het is vooral belangrijk om een luisterpunt te voorzien als school. Zo weet een leerkracht dat die ergens terechtkan.”
Jo kan op zijn school bijvoorbeeld aankloppen bij de leerlingenzorg en de pedagogisch directeur. En er is ook een meldpunt.
“Helaas zien we wel dat meldingen bij de school soms zonder gevolg blijven”, zegt Steenhout. “Scholen weten soms niet goed hoe ze agressie moeten aanpakken. Dan moeten ze extra ondersteuning durven te vragen.”
“Maar het gebeurt ook dat scholen agressie niet bespreekbaar durven maken, omdat ze vrezen om de school in een slecht daglicht te zetten. Daar speelt dus onwil en dat is echt onaanvaardbaar.”
“Het leidt tot een slecht schoolklimaat waarbij je nog meer escalaties en uitval van leerkrachten gaat krijgen. Bovendien heb je als werkgever een plicht om te zorgen voor de veiligheid van je werknemers en je scholieren.”
Bron: vrt.nws
by admin | mei 6, 2025 | Sectoren
Michelle Ginée werkte enkele jaren als OCMW-maatschappelijk werker. Ze ontmoette er heel wat mensen die niet vooruit geraakten, ook al deden ze keihard hun best. Om te tonen hoe dat komt, schreef Michelle het boek ‘Arm in rijk Vlaanderen. Getuigenissen over armoede’. Dit artikel draait rond het verhaal van Fatima.
Werken of studeren
Fatima (43): “Ik zit in de wachtzaal van het OCMW en blader door wat boekjes en brochures. In mijn handtas zit mijn getuigschrift van de lessen Nederlands, dat kan ik trots aan mijn maatschappelijk werker Celine tonen. Mijn Nederlands is best goed, al struikel ik nog wel eens over lidwoorden en vervoegingen van werkwoorden.”
“Ik zit nu op het niveau om een job te zoeken, maar mijn leerkracht moedigt me aan om nog verder te studeren zodat mijn Nederlands goed genoeg is om hier een opleiding tot zorgkundige aan te vatten. Ik ben benieuwd wat Celine ervan vindt.”
Beginnen nadenken over werken
“Ik zit nog volop in gedachten verzonken als Celine mijn naam roept. We gaan samen naar haar kantoor. Celine reageert erg enthousiast als ik haar het getuigschrift toon. ‘Knap gewerkt, Fatima,’ zegt ze. ‘Nu kunnen we beginnen nadenken over werken. Heb je al eens nagedacht over wat je graag zou willen doen?’”
“Ik vertel haar dat ik blij ben dat ze erover begint, want inderdaad, ik heb er al erg lang over nagedacht. ‘In mijn land van herkomst werkte ik als hulp van de verpleegkundigen in een ziekenhuis,’ vertel ik haar. ‘Ik deed dat graag, haalde er veel voldoening uit en had het gevoel dat ik echt iets terug kon doen voor de mensen. Daarom zou ik graag dezelfde job doen hier in België,’ vertel ik haar enthousiast.”
Eerst een opleiding
“Celine vertelt me dat ik in mijn land van herkomst zorgkundige kon zijn zonder certificaat, maar dat kan niet in Vlaanderen. Hier moet je eerst een opleiding volgen voor je aan de slag kan. ‘En die opleiding duurt twee jaar,’ zegt Celine met een wat bezorgde blik. ‘Er zijn ook andere pistes, je zou kunnen gaan poetsen bij mensen thuis, met dienstencheques.’”
“Daar had ik inderdaad al van gehoord. De buurvrouw poetste zo en had blijkbaar een niet al te groot loon. ‘Neen, ik wil echt zorgkundige worden,’ vertel ik Celine. ‘Het voelt als een roeping en ik lees in de krant dat er een groot tekort aan mensen in de zorg is.’”
Onbegonnen werk
“Celine knikt en zegt de situatie te bespreken met haar leidinggevende. De visie van het OCMW is namelijk dat mensen zo snel als mogelijk aan het werk moeten en daarom zijn ze niet happig om leefloon toe te kennen tijdens een opleiding tot zorgkundige. ‘Die opleiding is niet gemakkelijk voor anderstaligen,’ zegt Celine er nog bij. Ze vraagt me ten slotte om nog eens goed na te denken over die poetsjob.”
“Met loden schoenen verlaat ik het kantoor. Het lijkt alsof mijn lot in handen ligt van Celine.”
Uit armoede geraken
Je diploma laten erkennen is een mogelijkheid om uit de armoede te raken. Doorgroeien vanuit je ervaringen en competenties is een andere manier. Het verhaal van Fatima – een erkend vluchteling uit Syrië – toont aan dat daar heel wat drempels liggen.
Ik leg de ervaring van Fatima voor aan twee professoren met veel expertise op het vlak van arbeid en nieuwkomers.
Moeilijk hogerop raken
Volgens Ive Marx (hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en tevens directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck) raken laagopgeleide nieuwkomers maar heel moeilijk hogerop als zij onderaan de ladder van de arbeidsmarkt starten. Zeker in jobs als poetshulp met dienstencheques zijn er geen doorgroeimogelijkheden naar jobs met meer verantwoordelijkheden en meer loon.
Daarom is het voor Marx belangrijk dat we ook bij nieuwkomers eerst onderzoeken wat hun potentieel is, voor ze naar een baan te leiden.
Aan het werk
Stijn Baert, professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent, treedt Marx hierin bij. Onderzoek wijst uit dat 40 procent van de mensen met een migratieachtergrond een job uitoefenen onder hun niveau. Vanuit het perspectief van armoedebestrijding is dat toch een factor om rekening mee te houden.
Al is het volgens deze professor wel belangrijk om meer erkende vluchtelingen en nieuwkomers aan het werk te krijgen. Slechts 63 procent van de burgers afkomstig van buiten de Europese Unie is in 2022 aan het werk, lees ik op de website van Steunpunt Werk, een onderzoekscentrum van de KU Leuven dat het Vlaamse arbeidsmarktbeleid onderzoekt en de Vlaamse overheid op dit vlak adviseert.
Specifiek bij erkende vluchtelingen ligt dit percentage nog lager, op 55 procent. Vanuit dat oogpunt is het begrijpelijk dat de overheid Fatima snel aan de slag wil. Maar vanuit de arbeidskrapte binnen de zorgsector, valt het moeilijk uit te leggen dat ze in een andere richting gestuurd wordt.
Activering vanuit asielcentrum
Ik traceer Fatima’s parcours in Vlaanderen vanaf het moment dat ze met haar gezin in België arriveerde en haar intrek nam in een opvangcentrum van Fedasil. Ik neem contact op met deze federale dienst en kom zo te weten dat zij een specifieke beleidscel hebben rond deelname aan de samenleving.
Ik praat met Geert Daems, die binnen deze beleidscel expert is in het luik activering. Ik vraag hem hoe binnen een asielcentrum wordt omgegaan met toekomstdromen zoals die van Fatima. In mijn enthousiasme hoop ik hiermee de sleutel tot succes te hebben gevonden, maar Geert tempert meteen de verwachtingen.
Wie in ons land asiel aanvraagt, krijgt opvang (‘bed, bad, brood’) in afwachting van een beslissing of hun aanvraag aanvaard wordt. Eens ze in een opvangcentrum verblijven, kunnen asielzoekers een traject aangaan dat bestaat uit zoeken naar een job of uit het volgen van een opleiding. Die tweede optie kent weinig succes, aldus Geert. Dat komt omdat een asielzoeker niet zeker is van zijn of haar erkenning als vluchteling. Het volgen van een opleiding is voor zo iemand een erg groot engagement zonder zekerheden.
Wie deelneemt aan activering, kiest dus sneller voor een job en de mogelijkheid om zo wat geld opzij te zetten. Dat maakt dat er in het asielcentrum weinig mogelijkheden zijn voor iemand als Fatima om al meteen aan een zorgberoep te denken.
Ondersteuning op de werkvloer
Het is volgens Geert veel zinvoller om haar – na haar erkenning als vluchteling – op de werkvloer te ondersteunen om zo het getuigschrift tot zorgkundige te behalen. Maar laat het nu net daar zijn dat het schoentje wringt. Zeker bij mensen zonder diploma is het heel erg moeilijk om zich via de werkgever te ontplooien. Er zijn weinig initiatieven rond het behalen van het certificaat op de werkvloer.
Welke begeleiding is er dan wel? Kan de VDAB Fatima helpen bij haar droom om zorgkundige te worden? Ik neem contact op met Joke Van Bommel, woordvoerder van de VDAB. Ze vertelt me dat de VDAB een aanbod heeft voor mensen met een andere moedertaal. Die ondersteuning uit zich in allerlei vormen: er bestaat bijvoorbeeld taalcoaching op de werkvloer. Daarbij komt een externe coach de werknemer én werkgever coachen om beter samen te werken en gerichter Nederlands te leren. Er bestaan ook mogelijkheden waarbij de anderstalige stage doet op een werkvloer en zo zeer jobgericht de taal leert.
Fijne initiatieven, maar voor Fatima nemen stages alleen maar tijd in beslag. Bovendien is het aanbod niet afgestemd op mensen die zorgkundige willen worden.
Vooropleiding
Daarom vertelt Joke me ook over de vooropleiding voor social profit anderstaligen (VOSPA). In deze vooropleiding worden anderstaligen klaargestoomd om een opleiding te volgen in een zorgberoep. Deze vooropleiding verhoogt aanzienlijk de kans om een certificaat of diploma in de zorg te behalen.
Wijzen OCMW’s de weg naar dit aanbod van de VDAB? Op een studiedag sprak ik ik met OCMW-maatschappelijk werkers. Daar ontdekte ik dat er in OCMW’s van kleinere gemeenten soms weinig tot geen overleg is tussen hen en de plaatselijke VDAB. Dat is toch bijzonder, aangezien de VDAB leefloongerechtigden ondersteunt bij een van de belangrijkste voorwaarden om leefloon te ontvangen, namelijk de bereidheid om een job te zoeken. Zo komen we verschillende drempels tegen die de kansen voor iemand als Fatima beïnvloeden.
Doorgroeien in Gent
Er zijn heel wat jobs voor vrouwen zonder diploma of certificaat, maar ze bieden heel weinig doorgroeimogelijkheden. Ik begin bijna te geloven dat echt niemand bezig is met sociale mobiliteit.
Maar dan hoor ik dat de stad Gent gestart is met een interessant project in de kinderopvang. Daar wil ik uiteraard het fijne van weten, dus spreek ik af met Wendy Neirinkx, Nele Impens en Christel Verstringe in een Gentse koffiebar. Zij werken alle drie voor de stad. Nele en Christel begeleiden mensen die via individueel maatwerk aan de slag kunnen gaan in de zorg of andere sectoren van de stad. Deze jobs zijn tijdelijk, maar medewerkers krijgen wel de kans certificaten te halen en door te stromen naar een reguliere job.
Ondersteuner binnen de kinderopvang
Wendy zette haar schouders onder de functie ‘ondersteuner binnen de kinderopvang’, een vaste job waar mensen de kans krijgen om door te groeien als er potentieel is. Zo’n ondersteuner kan bijvoorbeeld alles klaarzetten, eten maken of zorgen dat de ruimtes goed onderhouden blijven. Op die manier nemen ze heel wat werk uit handen van de verzorgers.
Het mooie aan het project is dat ondersteuners de kans krijgen om door te groeien naar een job als kinderverzorger. Wie potentieel heeft, kan op elk moment een opleiding volgen. Door supervisie op de werkvloer is het voor de stad ook makkelijker om iedereen op dat vlak de beste kansen te geven. Wie niet doorgroeit, is verzekerd van een mooie job in een beschermd statuut. De insteek van ondersteunende jobs test de stad nu ook uit in woonzorgcentra en binnen andere stedelijke sectoren met een grote arbeidskrapte.
Individueel maatwerk
Werkzoekenden die in aanmerking komen voor zo’n job als ondersteuner, zijn mensen die zich in kwetsbare situaties bevinden. Het project wordt gefinancierd met middelen voor individueel maatwerk. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet je als werknemer aan verschillende voorwaarden voldoen die betrekking hebben op lichamelijke en mentale beperkingen.
Ik leg de dames de Fatima’s situatie voor. Op het eerste zicht heeft ze een te sterk profiel, vertellen de dames me, al zouden ze Fatima natuurlijk eerst moeten zien en spreken om daar echt uitsluitsel over te geven. Het is uiteindelijk de VDAB die bepaalt of iemand past binnen dit aanbod.
Fatima bleef niet bij de pakken zitten
Al branden er kleine lichtjes, voor Fatima zal het niet makkelijk worden om haar droom te realiseren: een job als zorgkundige. Toch bleef ze niet bij de pakken zitten.
“Ik kwam uiteindelijk met mijn zoon (21) overeen dat ik parttime zou werken en hij thuis bleef wonen, zodat ik de opleiding voor zorgkundige kon aanvatten. Mijn eerste module is alvast gelukt, ik heb er nu nog een aantal te gaan. Geen makkelijke klus en ik moet er echt mijn hoofd bij houden, maar ik geraak er wel en gelukkig is mijn zoon heel steunend in deze periode.”
Chapeau voor Fatima. Maar de overheid zou heel wat tandjes kunnen bijsteken zodat deze mensen met hun talenten en dromen niet langer blijven struikelen over de vele hindernissen.
Bron: sociaal.net
by admin | mei 6, 2025 | Economie
We belanden van de ene crisis in de andere. Volgens Stefanie De Bock (vzw de Transformisten) biedt enkel een fundamentele ommezwaai soelaas: “We moeten de fetisj van voortdurende economische groei in vraag durven stellen.” Deel- en repareerinitiatieven zijn een stap in de goede richting.
Polycrisis
Dat ons huidige economische model in crisis is, mag duidelijk zijn. Experten noemen het een ‘polycrisis’: een tijd waarin heel wat crisissen zich op hetzelfde moment afspelen en elkaar versterken. Neem bijvoorbeeld de klimaatcrisis die de sociale crisis versnelt: zij die het minst bijdragen aan de opwarming van de aarde, worden het hardst getroffen.
De maatregelen die regeringen op Vlaams, federaal en Europees niveau vandaag nemen, zijn symptoombestrijding en verergeren vaak zelfs de grote crisissen die er al heersen. We naderen belangrijke kantelmomenten, zowel op vlak van de klimaatcrisis als op vlak van ongelijkheid.
Fetisj
Hoog tijd dus om naar de kern van het probleem te gaan: het economische systeem. Willen we de zorg voor onze planeet combineren met een kwaliteitsvol leven voor iedereen, dan moeten we de fetisj van voortdurende economische groei in vraag durven stellen. Die stimuleert het willen hebben van meer spullen en creëert zo een permanent en onbevredigd verlangen naar meer dan wat je nodig hebt.
Daardoor bevinden we ons in een continue staat van rusteloosheid, eigen aan het economische systeem dat zelf rusteloos is en steeds meer wil. Die dwanggedachte geeft ons het gevoel dat er nooit genoeg is, dat we steeds meer nodig hebben. Op die manier putten we niet alleen de planeet, maar ook onszelf uit.
De Britse econoom Tim Jackson vat het goed samen: “People are persuaded to spend money we don’t have, on things we don’t need, to create impressions that won’t last, on people we don’t care about”.
Er zijn alternatieven
Niet alleen kritische denkers, maar ook gerenommeerde organisaties zoals de OESO en de VN stellen een economie met groei als enige doel in vraag. Zowel in de academische wereld als op het werkterrein bestaat een rijkdom aan kennis over hoe iedereen een kwaliteitsvol leven kan hebben, zonder iemand achter te laten.
Er is geen kant-en-klaar stappenplan, maar er zijn bouwstenen en er zijn kaders waarbinnen zich nu al alternatieven ontwikkelen. Die zijn gebaseerd op het idee dat er al meer dan genoeg is, maar dat het rechtvaardig (her)verdeeld moet worden, met zorg voor de planeet.
Economie van genoeg
Al in de jaren ’70 werd in Nederland een krachtige term gevonden voor die nieuwe economie: een economie van genoeg. Vanuit socio-culturele organisatie de Transformisten dragen we dat alternatief op een actuele manier uit door de spotlights te richten op pioniers die het vandaag al anders doen.
Een van die pioniers is de beweging van deel- en repareerinitiatieven. Iedereen heeft weleens een voorwerp dat defect of versleten is, of heeft spullen in de kast liggen die hij amper gebruikt. In plaats van iets nieuws te kopen, kijken deze initiatieven of ze het kapotte voorwerp kunnen repareren, of iets kunnen delen, zodat niet iedereen het hoeft te kopen.
Tegelijkertijd zorgen ze voor een radicale herverdeling van spullen. Wie te veel heeft, doneert, wie iets nodig heeft kan kiezen. Dat maakt hen ook sociaal. Meer nog dan in te zetten op premies voor mensen die al een investering kunnen doen – denk bijvoorbeeld aan de premies voor zonnepanelen en elektrische wagens – zetten ze in op de actuele noden en behoeften van iedereen. Daarnaast brengen ze mensen van verschillende achtergronden samen.
Wie deelt en repareert, ontdekt hoeveel keuze er al is, hoe we al een overvloed kennen zonder de aarde verder te moeten uitputten door meer consumptie en productie. Niet winst, maar zorg staat centraal: zowel voor mensen en spullen als voor de planeet.
Experimenten rekken onze verbeelding op
De initiatieven experimenteren door zichzelf de vraag te stellen: Hoeveel is genoeg? Wat hebben we écht nodig? Zo dagen ze ons uit om niet enkel na te denken over een bovengrens, maar ook een ondergrens van een kwaliteitsvol leven. Ze binden de strijd aan met overconsumptie en armoede.
Ze tonen hoe het anders kan en geven ze mensen een handelingsperspectief om opnieuw hun eigen keuzes te bepalen. Ze maken de alternatieven ook tastbaar. Dankzij deze initiatieven is het makkelijker om een andere wereld in te beelden. Ze rekken als het ware onze verbeelding op richting een wereld waarin de mythe van de schaarste niet heerst en waar rechtvaardigheid vanzelfsprekend is.
Nieuwe wereld
Net dat streeft een economie van genoeg ook na. Deel- en repareerinitiatieven zijn maar een stukje van een grote puzzel. Als we alles willen veranderen, hebben we iedereen nodig.
In een economie van genoeg hebben ook sociale professionals een belangrijke opdracht. We moeten durven inzetten op praktijken die zowel persoonlijk gedrag als het eisen van structurele oplossingen vooropstellen. Die twee gaan hand in hand en solidariteit staat hierbij centraal. Ook internationaal.
Een nieuwe wereld loert om de hoek. Hoe sterker onze solidariteit is en hoe luider het alternatief klinkt, hoe moeilijker het wordt voor blinde beleidsvoerders om onze basisrechten verder af te breken. Er is namelijk meer dan genoeg.
Bron: sociaal.net
by admin | mei 2, 2025 | Sectoren
1 mei is geen feest van het verleden, maar het stille vuur dat brandt zolang mensen geloven dat werk méér moet zijn dan overleven.
Op 1 mei vieren wij de Dag van de Arbeid. Geen dag van holle toespraken of beduimelde rituelen, maar een dag die ooit een reden had en vandaag nog steeds een reden heeft. Wij vieren dat werk meer is dan labeur alleen. Werk is zingeving, biedt een kader. Werk maakt een leven mogelijk. Maar werk mag niet alleen uitputten, maar ook moet dragen. Werk hoort te beschermen, niet te breken.
HET NON-BELEID VAN ZUHAL DEMIR
De harde realiteit waarmee wij vandaag geconfronteerd binnen de Vlaamse regering, trekt die belofte compleet aan flarden. Want wat de minster van Werk, Zuhal Demir (N-VA), stelselmatig uitbouwt, is geen werk dat werkt. Het is beleid dat mensen uitput, wantrouwt, straft en in de steek laat.
De feiten zijn hard en onontkoombaar. Minister Demir halveert het budget voor opleidingen. Ooit stonden er 89 miljoen euro ingeschreven om werknemers kansen te bieden. Tegen 2026 moet daar nog 45 miljoen van overblijven. ‘Levenslang leren’ klonk het nog plechtig in het regeerakkoord. Wat is daar nog van aan?
Wat er op de vloer gebeurt, is heel iets anders. Omscholing naar een betere job wordt haast onmogelijk. Ondanks het protest zet Demir ook door met het beperken van het recht op Vlaams Opleidingsverlof. Wie niet minstens 4/5e werkt, verliest het recht vanaf 1 september van dit jaar. Dit zijn geen onschuldige ingrepen. Het is moedwillig wegnemen van kansen. Zeker voor deeltijders, opvallend vaak vrouwen in zorg, dienstencheques en kleinhandel. Duizenden werknemers worden daardoor getroffen, 1 op 5 vrouwen wordt uitgesloten van het opleidingsverlof. In sommige sectoren gaat dat voer meer dan de helft van de werknemers.
Ook de loopbaanbegeleiding wordt gekort. Waar 36.000 mensen loopbaancheques gebruikten, blijven er straks 12.000 over. Op 1 april waren 1.000 cheques in 7 minuten en 30 seconden uitgedeeld. Voor de rest: niks, nada, nougatbollen. Mensen die fysiek of mentaal vastlopen, lopen tegen de deur. Dit is geen beleid, maar cynisme: besparen op wie probeert, terwijl men klaagt over krapte op de arbeidsmarkt.
Maar Demir zet door. Werkzoekenden krijgen nog vijf dagen om op sollicitaties te reageren. Eén fout, en de uitkering kan worden geschorst. Dit beleid activeert niet, het ontmoedigt. Mensen uithollen helpt niemand sneller aan werk.
WAAR IS DE VISIE?
De logica achter dit alles is wreed in haar eenvoud. Beleid schuift de risico’s door naar de werknemer. Wie niet bijblijft, wie struikelt, wie faalt, wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn eigen miserie. Je had maar flexibeler moeten zijn. Je had maar sneller moeten bijleren. Je had maar zelf je vrije dagen moeten opofferen voor bijscholing.
De samenleving mag niet meer stutten. De werknemer moet zichzelf torsen tot hij bezwijkt. Tijdskrediet wordt een luxe. Opleidingsverlof verdwijnt, tenzij je voltijds draait als een radertje in de productiemachine. Begeleiding wordt een formulier, een controle. Niet een gesprek. Niet een perspectief. Werkzekerheid? Die is geruild voor eindeloze flexibiliteit, losse uren, tijdelijke contracten, en de schrale troost van een flexi-job op zondagavond.
Er zit geen toekomstvisie achter zulke beslissingen. Er zit geen zorg in, geen solidariteit, geen inzicht in de complexiteit van het leven. Alleen een kille, technocratische wens om te besparen. Alles wat ooit gebouwd is door strijd, alles wat ooit verworven is met solidariteit, wordt teruggeschroefd onder het mom van efficiëntie.
En terwijl mensen uitgeblust thuisvallen, blijft de boodschap dezelfde: wees beschikbaar, wees wendbaar, wees niet te veel ziek. Maar vooral: verwacht niets. Verwacht geen steun, geen tijd, geen ademruimte. Verwacht niet dat werkgevers bijdragen aan je opleiding. Dat je recht hebt op vorming. Dat je werk je ook gezond mag houden.
1 MEI ALS OPDRACHT
En dus rijst de vraag, vandaag dringender dan ooit: wat doe je, als werknemer, als werkzoekende, als burger, wanneer het beleid niet langer voor jou werkt, maar tegen jou? Je kunt proberen te overleven. Flexibeler worden. Vlugger bijleren. Vlugger reageren. Vlugger ademen. Maar je zult nooit vlug genoeg zijn. Nooit beschikbaar genoeg. Nooit goedkoop genoeg. Je zult altijd tekortschieten in een systeem dat zo is ontworpen. En dat is geen toeval. Dat is beleid.
De enige echte reactie is collectief. Samen eisen dat werk opnieuw werkt. Samen verdedigen wat anderen voor ons hebben afgedwongen: opleidingen tijdens de werkuren, met uitzicht op beter werk en beter loon. Tijd om te zorgen, zonder schuldgevoel. Begeleiding die steunt, niet straft. Werk met zekerheid, niet werk met uitstel. En ja, eerlijke bijdragen van werkgevers aan de opleiding en ontwikkeling van hun personeel. Want werk is geen eenrichtingsverkeer.
Daarom vieren wij 1 mei niet als een nostalgisch ritueel. Wij vieren 1 mei als een opdracht. Want wie vandaag zwijgt, zal morgen niets meer hebben om te verdedigen. Wat vandaag nog rest zoals betaalde vakantie, tijdskrediet, opleidingsmogelijkheden is geen vanzelfsprekendheid. Het zijn wapenfeiten die opnieuw verdedigd moeten worden, tegen een regeringslogica die liever beknibbelt dan beschermt, liever verdeelt dan verbindt, liever wantrouwt dan ondersteunt. Iemand als minister Demir voert beleid dat niet vooruithelpt. Ze voert beleid dat uitput, uitsluit en wantrouwt. En dat mag nooit het laatste woord zijn.
Werk moet werken. Niet tegen mensen, maar voor hen. Voor wie zorgt. Voor wie leert. Voor wie bouwt. Voor wie opstaat om vijf uur. Voor wie op zondagavond nog een shift draait. Voor al wie wil leven van zijn werk. Daarom is 1 mei geen feest van het verleden, maar het stille vuur dat brandt zolang mensen geloven dat werk méér moet zijn dan overleven.
BRON: Sampol.be
by admin | mei 2, 2025 | Economie
Vanaf vandaag krijgen alle nieuwe vaatwassers, stofzuigers, hogedrukreinigers, grasmaaiers en laptops die in ons land verkocht worden een herstelbaarheidsindex. Dat is een score op 10 die aangeeft hoe makkelijk een product te herstellen is als het stukgaat. De score houdt onder andere rekening met de beschikbaarheid van handleidingen en de betaalbaarheid van wisselstukken.
België is na Frankrijk het tweede Europese land dat een herstelbaarheidsindex invoert. De index is een score van 1 tot 10 die aangeeft hoe herstelbaar en demonteerbaar een vaatwasser, grasmaaier, stofzuiger, hogedrukreiniger of laptop is. In een latere fase zullen ook (elektrische) fietsen, elektrische steps en tablets zo’n score krijgen. De federale regering wil fabrikanten op die manier stimuleren om het eenvoudiger te maken om hun producten te herstellen.
De score wordt bepaald op basis van verschillende criteria zoals:
Beschikbaarheid van technische herstelinformatie en onderhoudshandleidingen
Gemak van demontage en benodigd gereedschap
Beschikbaarheid van reserveonderdelen en levertijden
Verhouding tussen de prijs van reserveonderdelen en de prijs van het nieuwe product
Verkopers moeten de index online en in fysieke winkels vermelden naast de prijsaanduiding en een QR-code of link voorzien waarop de klant meer info over de specifieke berekening terugvindt.
Wie heel tevreden is met die herstelbaarheidsindex is de vzw Repair&Share. Een milieuvereniging die mensen zoveel mogelijk aan het repareren en hergebruiken wil krijgen. “In Frankrijk bestaat het systeem al een aantal jaren en dat werpt zijn vruchten af. Het heeft zowel op consumenten als fabrikanten een effect”, zegt projectcoördinator Rosalie Heens. “Uit onderzoek blijkt dat toestellen sinds de komst van de index in Frankrijk steeds beter te herstellen vallen. Fabrikanten zien het echt als een verkoopargument en consumenten houden rekening met de score bij hun aankoop.”
Testaankoop blij maar kritisch
Ook consumentenorganisatie Testaankoop is blij met de komst van de herstelbaarheidsindex, maar vindt dat de manier waarop die berekend wordt soms voor onrealistische resultaten zorgt. “Een hoge score betekent niet noodzakelijk dat een product heel herstelbaar is”, zegt woordvoerder Laura Clays. “Iets kan een hoge algemene score hebben, maar zwak scoren op demonteerbaarheid. Dan speelt het geen rol hoeveel reserve-onderdelen er beschikbaar zijn. Als je het product niet uit elkaar kunt halen, kan je het ook niet herstellen.”
“Bovendien zegt de score ook niets over de levensduur van een product. Een wasmachine met een lage score kan perfect 20 jaar lang meegaan zonder hersteld te moeten worden.”
Weten dat jouw toestel goed te herstellen is, is een ding. Maar als je zelf niet zo handig bent, ben je aangewezen op hulp van buitenaf. Daarom lanceerde Repair&Share de website herstelmij.be.
“We merken dat mensen vaak niet weten waar ze een toestel kunnen laten herstellen. Daarom hebben we een kaart ontwikkeld waarop je herstellers in jouw buurt kunt terugvinden. Dat kan gaan van repaircafés die met vrijwilligers werken – en waar je dus enkel de onderdelen moet betalen – tot zelfstandige herstellers die niet gebonden zijn aan een bepaald merk of winkel. Ook bij elektrozaken kan je voor herstellingen terecht.”
Wanneer je toestel minder dan 2 jaar oud is, valt een defect meestal onder de wettelijke garantie. Een eventuele herstelling moet dan op kosten van de verkoper gebeuren. Maar een keer buiten die garantieperiode moet je de kosten zelf betalen. “Er is een psychologische grens van hoeveel mensen over hebben voor een herstelling”, weet Rosalie. “Mensen zijn bereid om maximaal 30 procent van de prijs van een nieuw toestel te betalen voor een herstelling. Vallen de kosten hoger uit, zullen ze sneller kiezen voor een nieuwe laptop of stofzuiger.”
BRON: VRT.nws