‘Wanneer steeds meer mensen kopje onder gaan, wordt de druk op het systeem vroeg of laat onhoudbaar’

Een analyse van de Onafhankelijke Ziekenfondsen op basis van Planbureau-cijfers spreekt van 600.000 langdurig zieken tegen 2035. Tommy Browaeys vreest voor een implosie als we het tij niet kunnen keren.

Als ik bij het horen van het radiobericht op een stoel gezeten had, zou ik er misschien wel vanaf gevallen zijn. Een analyse van de Onafhankelijke Ziekenfondsen op basis van Planbureau-cijfers spreekt van 600.000 langdurig zieken tegen 2035. Op het moment dat ik in 2015 aan mijn boek Wake-up Call begon te schrijven, waren dat er 400.000 en haalde ik het beeld aan van een maatschappij die op een misschien wel fataal infarct afstevende. Ondanks mijn oprechte hoop dat we die Titanic mits de juiste koerswijzigingen nog zouden kunnen bijsturen, zijn er sindsdien 100.000 bijgekomen. 

Terwijl de toename in die periode al de predikaten ‘exponentieel’ en ‘alarmerend’ kreeg, weet ik niet goed hoe die 50 procent groei nu te bestempelen. Die evolutie is zowel nefast voor de sociale zekerheid als de werkgelegenheidsgraad, twee schalen van een balans van uitgaven en inkomsten die in evenwicht moeten zijn om ons model boven water te houden. Wanneer steeds meer mensen kopje onder gaan, wordt die collectieve druk op het systeem vroeg of laat onhoudbaar. Een implosie dreigt ook voor ondernemingen die door de – soms kunstmatige? – schaarste op de arbeidsmarkt de uitval onvoldoende (tijdelijk) kunnen opvangen. En bij uitbreiding voor ons allemaal.

Hoop op duurzame omslag

We hebben met z’n allen tien jaar de tijd om een dreigende onleefbare samenleving een nieuwe voedingsbodem te geven. Daar zullen compromissen voor nodig zijn. Ik kijk uit naar politieke actieplannen richting verkiezingsjaar 2024 waarbij de hindernis van het continue gekissebis plaats maakt voor een duurzame – daar is het magische woord – omslag.

Ik hoop dat ondernemingen goed nadenken over hoe ze de Jenga-puzzel in hun organisatie aanpakken. Hoe zorg je voor een betere fundering? Neem je niet zelf te veel blokjes in lagere regionen weg waardoor de toren vroeg of laat in elkaar stuikt? Raakt het middle management gesqueezed tussen boven en onder? Is er voldoende evenwicht in bewegingsruimte en verbindende specie tussen de blokjes zodat flexibiliteit noch cohesie afbrokkelt? Waar vallen de gaten en waarom? Kan een blokje dat uitviel opnieuw ergens (anders) tussengeschoven worden en dat waarover het uitgleed omzetten in lijm voor de collega’s?

Ik reken erop dat we ook als werknemer voldoende in de spiegel kijken om te beseffen in welke mate we zelf de stenen kunnen leggen op de weg die we bewandelen.

De wortel van het pensioen

2035 doet bij mij nog een belletje rinkelen. Uiteraard heb ik ook ik al eens een blik geworpen op één van de misschien wel meest bezochte pagina’s van de Federale Overheid: MyPension. Blijkbaar is dat het jaar dat ik – op dit moment –  ten vroegste ‘mag’ stoppen met werken. Zo zit ik qua professionele loopbaan ergens halverwege het traject dat ik vanaf mijn crash in 2015 nog af te leggen had. Wat-als-vragen zijn per definitie zinloos. Toch vroeg ik me al eens af hoe mijn context eruit gezien zou hebben, mocht ik tegen beter weten in op dezelfde manier doorgegaan zijn.

Het valt me in die statistieken namelijk op dat 80 procent van de stijging bij 55-plussers zit. Wie te lang op zijn tandvlees zit en blijft doorbijten, kan die verder gaan dan tot op het bot? De wortel die je jezelf de hele tijd voorhield of liet voorhouden, valt dan misschien uiteindelijk wel in je mandje. De vraag zal zijn of je nog in staat bent om ervan te genieten.

‘We zijn kampioenen in nu afzien om later misschien ooit gelukkig te zijn’, stelde ik 10 jaar geleden. ‘Later komt nooit’, las ik elders. Dat weten is goed. Het beseffen nog beter. En er iets mee doen helemaal goed. Want hoe lang kan je doorgaan met het steken van stents terwijl je jezelf bij steeds minder vrije aders in de rode hartslagzones jaagt.

Achterpoortjes

We zijn ook altijd sterk geweest in het creëren van achterpoortjes waardoor mensen toch vroeger konden stoppen met werken om van hun zuurverdiende oude dag te genieten. Die deurtjes worden kleiner en sommige zelfs gesloten. Zou dat mee aan de basis van de stijgende cijfers in die leeftijdsgroep kunnen liggen? Kunnen we van zuurverdiend naar zoetverdiend en bekijken hoe we die kortsluiting op latere leeftijd al vroeger in de kiem smoren?

De goeie ouwe naïeve pareto: stel dat 80 procent van de mensen werkt – doelstelling van de overheid – en dat pakweg 20 procent daarvan minder gaat werken dan nu, hebben we dan voldoende fundering om de 20 procent die echt niet aan de slag kan voldoende te ondersteunen en het op de werkvloer eventueel zelfs meer dan 80 procent zo goed te hebben als vandaag? Een stukje van die nieuwe vrije tijd kan misschien ingevuld worden voor maatschappelijk relevante of caritatieve initiatieven.

Ik heb het geluk dat ik mag dromen en niet elke gedachtekronkel tot op de komma moet becijferen. Elke stap in de richting van een droom is er eentje in de goede richting. Sommigen moeten dan mogelijk voor een wat minder brede weg kiezen. Maar het zou best kunnen dat trager wandelen op dat smallere pad aangenamer aanvoelt en je zo ook meer ziet. In mijn geval is dat alvast zo. En langs de zijkanten groeit er zowel verwacht als onverwacht moois, wat voor een glimlach zorgt die ik al mijn leeftijdsgenoten toewens.

Ten slotte: ook bij jongeren blijven de statistieken stijgen, terwijl de wachtlijsten voor psychologische ondersteuning steeds langer worden. De 50-plussers van later verdienen misschien wel de belangrijkste plek in alle plannen die we vandaag smeden. Want als we te koppig zijn om het voor onszelf te doen, laten we het dan minstens voor hen proberen.

Tommy Browaeys schrijft rond mentaal welzijn en hoogsensitiviteit. Meer van zijn gedachtekronkels op waarjewerkelijkademt.be.

Bron: Knack

‘Dertien examens in twintig dagen, wat is daar eigenlijk het nut van?’

Masterstudente Journalistiek en StampMedia-reporter Lara Tytgat (KU Leuven) staat stil bij de zin en onzin van de klassieke blok- en examenperiode. ‘Stelt er zich echt niemand vragen bij het opstellen van een examenrooster met dertien examens op twintig dagen?’

Juni. De meest gevreesde maand voor de student. Het is eindelijk mooi weer, maar tijd om daarvan te genieten is er niet. De grote boosdoener, de blok, steekt daar een stokje voor. De blokperiode betekent een wekenlange opsluiting om cursussen van vijfhonderd pagina’s vanbuiten te leren en die kennis vervolgens opnieuw uit te spuwen op een examen van gemiddeld acht pagina’s.

Om nadien dezelfde cyclus te herhalen voor het volgende examen. En het volgende. Maar waaróm moeten we studeren? Waaróm moeten we op een maand tijd leerstof in ons hoofd proppen, om die nadien weer onoverkomelijk te vergeten? Want zeg nu zelf, hoeveel leerstof kan je een week na je examen nog opsommen, laat staan een maand of een jaar later?

En nee, die vragen komen niet van een student die gewoon ‘te lui’ of ‘te dom’ is om te studeren. Ik studeerde in de blokperiode gemiddeld acht uur per dag en werd daarvoor ook beloond met goede punten. Ik dank mijn kortetermijngeheugen daarvoor, maar mijn langetermijngeheugen laat me dan weer in de steek om de cursusinhouden van mijn minstens vijftig op de universiteit afgelegde examens nu nog te kunnen recapituleren. En ik ben niet de enige.

De Duitse psycholoog Hermann Ebbinghaus toonde in 1885 met zijn ‘vergeetcurve’ al aan dat we geleerde informatie snel vergeten. Volgens zijn curve onthouden we na enkele dagen nog hoogstens twintig procent van de leerstof die één keer werd ingestudeerd. De realiteit is nu eenmaal dat veel studenten enkel — of nauwelijks — de tijd hebben om alles gewoon één keer in te studeren.

Dus wat is het nut van de examens dan eigenlijk? Bewijzen hoe sterk je wil is om, ondanks het mooie weer, urenlang standvastig achter je bureau te zitten, met slaaptekort dat elke dag groter wordt en waarbij zelfs de talloze kopjes koffie en energiedrankjes niet meer helpen? Bewijzen dat je sterker bent dan de paniek- of stressaanvallen en vlagen faalangst die je kunnen overvallen door de extreme hoeveelheid leerstof die je op enkele dagen in je hoofd moet steken?

“Wij hebben dat vroeger ook moeten doen, hoor”, is vaak het antwoord dat studenten van hun ouders krijgen, wanneer ze over de examens klagen. Oké, examens bestaan al zolang we ons kunnen herinneren. Dus omdat onze ouders hebben afgezien, moeten wij en de generaties na ons ook nodeloos afzien?

Ik zeg niet dat examens integraal afgeschaft moeten worden. Ik begrijp ook dat er een manier moet zijn om de kennis van studenten te testen. Maar stelt er zich echt niemand vragen bij het opstellen van een examenrooster met dertien examens op twintig dagen? Of examens tijdens een stageperiode? Of examens bovenop het schrijven van een thesis en talloze andere deadlines?

Examens op zich vind ik niet eens zo erg. Ik durf zelfs te zeggen dat ik studeren en examens invullen leúk vind, tenminste als het vak me ligt. Maar de stress van meerdere examens op een korte tijdspanne te moeten afleggen en een maand lang geen enkele rustperiodes te hebben, neemt de fun van het studeren meteen weer weg. Daarnaast zijn examens echt niet de enige manier om te zien of een student de leerstof beheerst. Permanente evaluatie en interactiviteit of debat in de les kan ook echt wel iets vertellen over kennis. Want is het dan echt zo effectief om duizenden pagina’s studeren, om op verschillende examens te kunnen presteren en die kennis nadien weer onvermijdelijk te verleren?

Bron: Knack

‘Toekomstige sociale huurders mogen geen spaargeld, geen toekomst hebben’

Met de invoering van de middelentoets geeft de Vlaamse regering kandidaat sociale huurders de raad om niet te veel te sparen. Terwijl mensen toch sparen met een duidelijk doel voor ogen of als buffer voor wanneer het slechter gaat of iets vervangen moet worden, zoals een kapotte koelkast of wasmachine.

adia is een werkende alleenstaande moeder. Ze huurt een klein appartement op de private huurmarkt. Ze droomt van een klein huisje voor haar en haar zoon. Ze wil haar zoon ook graag verder laten studeren. Daarom probeert ze te sparen. De huur voor haar appartement en de andere kosten maken de marge om te sparen erg klein. Toch lukt het haar om elke maand geld opzij te zetten. Haar ouders proberen haar ook te steunen. Ze staat op de wachtlijst voor een sociaal huurappartement. De huur voor dat appartement zal veel lager zijn dan wat ze nu betaalt. Zo kan ze meer sparen. Eindelijk komt ze aan de beurt. Tot haar verbazing moet ze aan de woonmaatschappij het saldo op haar spaarrekening tonen. Ze heeft teveel gespaard om sociaal te kunnen huren. En een eigen huisje is verder af dan ooit.

Ludo heeft heel zijn leven hard gewerkt. Het was niet makkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen maar hij is er toch in geslaagd om zijn kinderen een goede start te geven in het leven. Een eigen huis heeft hij nooit kunnen kopen. Huren op de private markt lukte wel, maar met zijn pensioen is dat niet meer haalbaar. Hij staat op de wachtlijst voor een sociale woning. De kleine uitkering van de groepsverzekering heeft hij op zijn spaarrekening gezet. Hij gebruikt ze heel zuinig om zijn pensioen aan te vullen en om later eventuele kosten voor het woonzorgcentrum te kunnen betalen. Hij heeft bericht gekregen van de woonmaatschappij dat hij aan de beurt is. Helaas is hij te zuinig geweest met de uitkering van de groepsverzekering. Hij heeft te veel spaargeld. Ludo zal dit eerst moeten opsouperen voor hij weer in aanmerking komt voor een sociale woning.

De invoering van de middelentoets zorgt ervoor dat Sofie en Ludo tot een bijzondere groep Vlamingen behoren. Kandidaten op de wachtlijst voor een sociale woning zijn de enigen in Vlaanderen van wie de overheid het vermogen mee in aanmerking neemt om hun grondrecht op wonen waar te maken. Voor voordelen waar vooral middenklassers gebruik van maken zoals Mijn Verbouwpremie, Mijn Verbouwlening of geconventioneerd huren moet niemand inzage geven in zijn bankrekeningen.  

De Vlaamse regering wil een middelentoets invoeren als bijkomende inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde voor sociale huur. Het bedrag op spaar-,betaal-, termijn- en effectenrekeningen van kandidaat-huurders mag niet hoger zijn dan:

Alleenstaande zonder persoon ten laste: 28.105,00 EUR

Alleenstaande met handicap: 30.460,00 EUR

Iedere andere persoon zonder kinderen: 42.156,00 EUR

Verhoging per persoon ten laste: 2.356,00 EUR

De controle gebeurt bij inschrijving en bij toewijzing van een woning. De kandidaat moet zelf alle bewijsstukken leveren.

En wat met al die Nadia’s waarvan moeder met een vruchtgebruik  in het ouderlijk huis woont na het overlijden van vader? De gedeelde eigendom moet van de hand gedaan worden, want Nadia mag geen eigendom hebben. Zelfs geen eigendom waar men geen inkomsten van heeft! En als zus of broer dan al bereid is om een gedeelte van de eigendom te kopen, heeft Nadia dan weer teveel geld op de rekening. Dit terwijl één Belg op zeven spaargeld nodig heeft om elke maand rond te komen. 

De middelentoets past in een rist wijzigingen aan (spel)regels van sociale huur. Controleren, opvolgen, registreren, signaleren, beboeten, straffen, uit huis zetten wordt steeds meer een kerntaak van de sociale woonmaatschappijen. Niet alleen voor de woonmaatschappijen wordt het zo een administratieve mallemolen, maar ook kandidaat-huurders moeten voortdurend de nodige documenten bijeenzoeken. Niet alleen doet de voorwaarde op zichzelf weinig ter zake, de bijkomende administratieve last voor kandidaten werkt ontmoedigend. Zo leiden deze maatregelen tot een extra drempel in de toegang tot sociale huisvesting.

De minister legt zijn beleidsprioriteiten bij het beperken van de toegang én bij het stigmatiseren van sociale huurders. Vakkundig leidt de minister zo de aandacht af van dé topprioriteit voor het woonbeleid: het voorzien van een voldoende aanbod aan sociale en betaalbare woningen.

Sociaal wonen moet voorzien in huisvesting voor woonbehoeftige gezinnen. Voldoen aan de inkomensgrenzen en geen woning in volle eigendom hebben zijn meer dan voldoende voorwaarden om mensen met woonbehoefte af te bakenen.

De middelentoets is niet nodig om de woonbehoeftigheid te toetsen. De kans dat de mensen met lage inkomens die kandideren voor een sociale woning over ruime spaartegoeden beschikken is  klein. Het effect op de wachtlijst zal verwaarloosbaar zijn. Dus misschien is deze maatregel toch weer eerder bedoeld om het stigma van fraudeurs en profiteurs te versterken, in plaats van in te zetten op sneller meer sociale woningen.

En dat Nadia en Ludo, spaarzame en hardwerkende mensen, hiervan de dupe worden, is blijkbaar bijzaak.

Dit opiniestuk werd samen geschreven voor: Gert Eyckmans (directeur VVH), Eric Vos (directeur HUURpunt), Joy Verstichele (coördinator Vlaams Huurdersplatform) en Danielle Vernimmen, (woordvoerder VIVAS).

Bron: Knack

‘Wat als niet de docent, maar de student bepaalt waar de lat ligt?’

François Levrau stelt zich vragen bij de grote in- en uitstroom in het hoger onderwijs. Voor deze bijdrage vertrekt hij van een denkbeeldig scenario waarin studenten weigeren te studeren en daardoor het onderwijsniveau artificieel naar beneden halen en ziet een parallel met de huidige situatie.

Ik beken: van tijd tot tijd lig ik wakker van dit (nachtmerrie)scenario. Ik zie een grote groep studenten voor me die een snood plan bekokstooft: kortelings voor het examen spreken ze onderling af om een groot deel van de cursus niet of nauwelijks te studeren. De antwoorden op de examenvragen zullen daardoor uiteraard ondermaats zijn. Als gevolg van die lage scores, zal de docent zichzelf in twijfel trekken. ‘Hoe komt het toch dat zo goed als niemand de vragen correct kon beantwoorden?!’; ‘Was mijn cursus te moeilijk?’; ‘Misschien waren mijn vragen onduidelijk?’; ‘Misschien heb ik het niet goed uitgelegd tijdens de les?’; etc. Wanneer de studenten dat plan voor verschillende vakken zouden toepassen en wanneer dit scenario zich een aantal jaar na elkaar zou herhalen, dan is de kans reëel dat bepaalde stukken leerstof op termijn gewoon uit de cursussen zullen verdwijnen; dat de examenvragen steeds milder zullen worden verbeterd; en dat de examenvragen ook gewoon makkelijker zullen worden.

De studenten beschikken immers over één troefkaart: het hoger onderwijs kan niet zonder hen (zeker wanneer er financiële incentives meespelen). Kort gezegd: de docent heeft zijn verwachtingen aangepast aan de snode wil van de studenten. Het onderwijsniveau is daardoor op artificiële wijze gedaald. Dit is een fictief (horror)scenario. Of niet…

Wat bijvoorbeeld als studenten – zonder dat ze dat weliswaar doelbewust afspreken en zonder dat er dus sprake is van een kwade wil – menen dat studeren ook maar gewoon een project is dat naast zovele andere projecten staat, zoals ‘hobby’s’, ‘reizen’ en ‘werken’ (niet altijd om de studies te bekostigen, maar ook om wat centen te verdienen teneinde zo de ontspanningscultuur mogelijk te maken)? Wat als ze het diploma gewoon beschouwen als iets dat kan afgevinkt worden en niet langer als een proeve van intellectuele excellentie? Wat dus als het besef dat de studies prioritair zijn en dat andere zaken daaraan eigenlijk ondergeschikt zijn naar de achtergrond verdwijnt?

Het gevolg laat zich raden: de studieijver en -focus verdwijnen waardoor de resultaten erop achteruit gaan. Of wat als studenten – zonder dat ze dat uiteraard doelbewust afspreken – minder goed gevormd zijn nadat ze de secundaire schoolbanken verlaten en nauwelijks nog correct kunnen schrijven? Het gevolg voor het hoger onderwijs laat zich wederom raden: het startniveau ligt lager; de examenvragen worden taalkundig niet op een correcte wijze beantwoord; en de studenten kunnen ook minder goed analytische verbanden leggen. Wanneer een docent wordt geconfronteerd met een grote groep van studenten die (1) weinig intellectueel ambitieus is; (2) beperkt taalvaardig is en (3) algemeen bepaalde vaardigheden en stukken kennis ontbeert, dan zal hij zichzelf, net als in het fictieve scenario, in vraag stellen. ‘Misschien moet ik de hoeveelheid leerstof toch wat beperken?’; ‘Misschien moet ik niet meer proberen het onderste uit de kan te halen?’; ‘Misschien moet ik niet al te streng verbeteren?’; ‘Misschien moet ik al die taalfouten gewoon maar laten passeren?’; etc.

Ook de onderwijsinstelling zal zich genoodzaakt zien om zichzelf in vraag te stellen. ‘Misschien heeft dat zakkende niveau te maken met de manier waarop er wordt gedoceerd en geëxamineerd?’; ‘Misschien zijn er te weinig ondersteuningsmogelijkheden voor de studenten?’; ‘Misschien schort er iets aan het aanbod?’; ‘Misschien moeten de studenten voortaan ook hun docenten kunnen evalueren?’; ‘Misschien moeten de studenten nog meer mogelijkheden krijgen om zelf te kiezen welke vakken ze wel/niet volgen?’; ‘Misschien moeten de docenten nog meer ondersteund, geprofessionaliseerd en gecontroleerd worden?’; ‘Misschien moeten de vrijstellingen wat ruimhartiger worden uitgedeeld?’; ‘Misschien moeten de deliberatieregels versoepeld worden?’; ‘Misschien kan er anno 2023 gewoon niet meer verwacht worden dat studenten zich op hun studies focussen?’; ‘Misschien moeten de studenten nog meer begeleid worden en moet de leerstof in mooie pakketjes aangeboden worden?’; ‘Misschien moeten we afstappen van die focus op het correcte gebruik van de taal, want is het zich op een correcte wijze kunnen bedienen van complexe taal niet iets elitair?’; etc.

Dat kunnen op zich allemaal zinvolle overwegingen zijn, maar de olifant in de kamer is deze: als het lager en het secundair onderwijs al jaren wordt geconfronteerd met een dalend niveau, en als tegelijk wordt vastgesteld dat de instroom in het hoger onderwijs jaar na jaar toeneemt, dan kan het niet anders dan dat daar een groot probleem ontstaat. Natuurlijk is het voor een samenleving een goede zaak wanneer veel (jonge) mensen hogere studies volgen en al even vanzelfsprekend is het een goede zaak wanneer jongeren die eertijds geen of minder kans hadden om hogere studies te volgen  (bijvoorbeeld omwille van hun sociaaleconomische achtergrond) nu wel dat duwtje in de rug krijgen.

De vraag is echter of niet teveel (jonge) mensen worden geënthousiasmeerd om hogere studies te volgen, terwijl het eigenlijk duidelijk is dat ze niet allen voor die studies ambities koesteren noch daarvoor de intrinsieke capaciteiten hebben of de juiste attitude aan de dag leggen. De ruime toegankelijkheid mag dan wel een nobel doel zijn, het komt niet overeen met de reële vraag naar hoger onderwijs en naar alles wat daarmee samengaat, of zou moeten samengaan. Denk hier onder andere aan de wil en het vermogen om tot het uiterste te gaan in de confrontatie met complexiteit, alsook om accuraatheid na te streven; deadlines te halen; zich op details te focussen; op korte tijd grote hoeveelheden leerstof te verwerken; en om een kritische mening te vormen die niet gebaseerd is op de eigen ervaringen en gevoelens, maar op feiten en degelijke argumenten.

Beloven de onderwijsinstellingen zo langzamerhand niet iets dat ze gewoon niet meer kunnen waarmaken wanneer ze elk jaar (steeds meer) studenten het op één na hoogste onderwijsdiploma schenken? Zeker aan de universiteit bemoeilijkt de focus op toegankelijkheid de intellectuele excellentie waardoor uiteindelijk de middelmaat de geïnstitutionaliseerde academische norm wordt. Als hier iets van aan is, zijn we dan niet stilaan beland in dezelfde situatie als het fictieve scenario waarbij studenten moedwillig afspreken om niet meer te studeren?

Als we in het fictieve scenario zouden afkeuren wat de studenten al die jaren hebben bekokstoofd en als we in dat scenario zouden betreuren dat het niveau er op artificiële wijze is op achteruitgegaan, waarom stellen we ons dan als maatschappij niet wat meer vragen bij de impact van die verhoogde (en verzwakte) instroom in het hoger onderwijs? Mogelijks is de universiteit een soort verlengstuk van het secundair onderwijs geworden en worden jongeren dus wat langer op de schoolbanken gehouden. Met excellentie, complexiteit, uitdaging en analyse heeft het niet meer primair te maken. Die zaken kunnen dan gezocht en gevonden worden in zij-trajecten (denk aan de honour programs) of vervolgopleidingen (het doctoraat).

Of dat zo is en of dit dan te betreuren valt, laat ik open. Ik zie de voordelen van verhoogde toegang tot het hoger onderwijs, maar stel ook de nadelen vast.

Bron: Knack

Wat de dood van Sanda Dia ons leert over de zelfverklaarde elite in Vlaanderen

Wat de dood van Sanda Dia ons leert over de zelfverklaarde elite in Vlaanderen

Wie een blikje frisdrank steelt in de supermarkt mag het via snelrecht binnen de maand voor de correctionele rechtbank uitleggen, maar de rijkeluiszoontjes die Sanda Dia dood folterden lopen nog altijd vrij rond. De dood van Sanda is geen ‘geïsoleerd incident’, maar wijst op een diepgewortelde cultuur van geweld, machtsmisbruik en vernedering bij de zelfverklaarde Vlaamse elite.

Een tijdje geleden dagvaardde het Leuvense parket een 25-jarige Leuvenaar via snelrecht op verdenking van winkeldiefstal. De man werd, zo blijkt uit het proces verbaal, betrapt in de Carrefour toen hij een blikje frisdrank en kippenvleugeltjes wilde stelen. De man mocht het binnen de maand voor de correctionele rechtbank gaan uitleggen.

Twee jaar na de feiten liepen de Reuzegommers die Sanda Dia in 2018 dood folterden – een ander woord bestaat er niet voor het sadistische geweld dat Sanda moest ondergaan – nog vrij rond. Ze mochten ook gewoon verder blijven studeren. Een taakstraf en een opstel (!) volstonden voor de KULeuven.

Pas toen de publieke opinie ontplofte en studenten betoogden, startte het universiteitsbestuur een nieuwe tuchtprodure en werd de Reuzegommers alsnog de toegang tot de universiteit ontzegd.

“Ik heb het gevoel dat er een soort klassenjustitie speelt”, zegt de vader van Sanda Dia. “Dat de zonen van advocaten, ondernemers en een rechter zwaarder doorwegen dan de zoon van een arbeider van allochtone afkomst.” Geef de man eens ongelijk.

De Raadkamer had in september 2020 moeten beslissen om de 18 betrokken clubleden naar de rechtbank te verwijzen, maar daar hebben de duurbetaalde advocaten van de fils-à-papa’s een stokje voor gestoken. De beklaagden vroegen ‘bijkomend onderzoek’, en de hele zaak riskeerde op de lange baan te belanden.

Nadat het dossier twintig maanden lang werd doodgezwegen. Nadat diezelfde beklaagden, vlak na de feiten, zoveel mogelijk sporen, foto’s, filmpjes en ander bewijsmateriaal hebben gewist. Dit is geen zoektocht naar de waarheid, dit was een vertragingsmaneuver om de ons-kent-ons-elite te beschermen. Uiteindelijk is het dan toch tot proces gekomen.

De onderwereld van de bovenwereld

Sanda was de eerste van zijn familie die de kans kreeg om te studeren. Zijn vader werkt als arbeider in de DAF-fabriek en werkte zich elke dag uit de naad om Sanda’s studies te betalen.

Sanda wist dat je in onze samenleving niet louter op kwaliteiten en talenten beoordeeld wordt. Je moest de juiste mensen kennen, en de ouders van de Reuzegommers waren advocaat, rechter, gouverneur, bankier en CEO.

Sanda zag het elitaire Reuzegom als een manier om hogerop te geraken, getuigen zijn vrienden, een short-cut naar succes. “Hij redeneerde: die mannen hun ouders hebben zotte jobs, ons-kent-ons. Sanda zocht naar connecties, omdat hij wist dat onze maatschappij zo in elkaar zit.”

Misschien is dat wel de kern van het probleem. Dat onze maatschappij zo in elkaar zit. In zijn boek The State in Capitalist Society wijst de Britse marxist Ralph Miliband er – op basis van een uitgebreide studie – op de samenhang tussen de politieke en economische elite die naar dezelfde scholen gaat, dezelfde salons bezoekt, dezelfde belangen verdedigt, zich superieur waant en de rangen sluit voor klootjesvolk.

Je zou het de onderwereld van de bovenwereld kunnen noemen. “Omdat Dia de eerlijkheid van de Vlaamse meritocratie betwijfelde, kwam hij in de cynische en berekende kringen van de happy few terecht”, schrijft Paul Goossens.

“Hoe schaamteloos en opportunistisch die wereld is, drong niet tot hem door. Evenmin kon hij bevatten dat vrienden er nauwelijks meer dan gebruiksvoorwerpen zijn, zeker als ze uit de lagere sociale klassen komen en weinig antennes in hogere kringen hebben. Als ze de eigen carrière hypothekeren of de groep in diskrediet brengen, worden ze meedogenloos gedumpt.”

Geweld en racisme

De dood van Sanda Dia is meer dan “één fatale ontsporing” zoals een bekende bedrijfslobbyist op Twitter betoogde. Dit is geen geïsoleerd incident, maar een accident waiting to happen. Reuzegom kwam al eerder in opspraak nadat een levend biggetje een kogel door de kop kreeg en schachten levende konijntjes moesten slachten.

“Het mag geen jaar worden als in een bso-schooltje met een of andere allochtoon”, zo speechte de schachtentemmer die de fatale doop organiseerde bij zijn verkiezing. “Ik wil er geen bruut jaar van maken, maar een gestoord bruut jaar, voor de elite die wij zijn.” Dit hallucinante citaat is exemplarisch voor de diepgewortelde cultuur van vernedering en geweld bij de elitaire studentenclub.

MO*journaliste Tine Hens noemt het chronische normvervaging. “Zou het kunnen dat de ouders van de studenten van studentenclub Reuzegom zich in hun rijke Vlaamse wijken lichtjes superieur voelen? Dat ze wat geradicaliseerd zijn in hun elitaire denken?”

Het superioriteitsdenken van de zelfverklaarde “potentiële Vlaamse elite” sluit naadloos aan bij een virulent dedain voor de arbeidersklasse en mensen met migratieroots. “Ik zie niet in waarom het woord racisme weer boven gehaald moet worden”, zei Sammy Mahdi (CD&V) over de dood van Sanda.

Nochtans was Sanda al eerder slachtoffer van racisme bij Reuzegom. Een zaalverantwoordelijke getuigde hoe clubleden Sanda uitscholden voor het “n-woord” en hij na een cantus het lokaal moest schoonmaken omdat hij “als zwarte de witte mensen moest bedienen”. Bij een ander incident werd een dakloze man met Afrikaanse roots vernederd, terwijl de Reuzegommers “Handjes kappen, de Congo is van ons” zongen.

Op een inderhaast gewiste gsm-foto vond de politie foto’s waarop Reuzegommers trots poseerden met witte kappen van de Ku Klux Klan. Racisme was een essentieel ingrediënt van de elitaire Reuzegom-cultuur.

Een canon van reactionaire normen en waarden

Studentendopen zijn nu eenmaal een “eeuwenoud gebruik”, sust de kletsende klasse op sociale media, een traditionele “initiatierite”. Maar dit gaat niet over een paar ad fundums in je bloot gat op de Bondgenotenlaan.

Dit gaat over machtsmisbruik, vernedering, geweld en een totalitaire cultuur. Hoe gestoord is onze samenleving als comazuipen, seksisme, racisme en pure folterpraktijken het toegangsticket vormen tot de eerste klasse?

Moeten wij dan nog verwonderd zijn als vandaag de dag langdurig zieken worden opgejaagd, als afgedankte arbeiders bij het huisvuil worden gezet, als vluchtelingen op zo weinig mededogen kunnen rekenen?

Het misprijzen voor de werkende klasse wordt er in de elitaire studentenclub letterlijk ingeramd, terwijl alcohol de schachten gemakkelijker moet doen wennen aan de cultuur van geweld, vernedering en machtsmisbruik – de canon van waarden en normen die de zelfverklaarde Vlaamse elite blijkbaar noodzakelijk acht om de samenleving te besturen.

Professor psychologie Paul Verhaeghe wees er in zijn boek Identiteit al op hoe in onze kapitalistische samenleving specifieke eigenschappen, zoals concurrentie, agressie en arrogantie worden gestimuleerd, terwijl empathie, solidariteit en bescheidenheid net worden afgestraft. Is dat de wereld die wij willen?

Elitaire studentenclubs die jongeren uit de hogere klasse moeten voorbereiden op het echte leven vind je niet alleen in Vlaanderen. Aan de prestigieuze universiteit van Oxford heb je de beruchte Bullingdon Club, met vooraanstaande politici als Boris Johnson en David Cameron in hun rangen.

De Club heeft een reputatie van geweld, seksisme en elitarisme. Volgens een van de ex-leden van de Bullindon Club was geld verbranden voor de ogen van een bedelaar een vast ingrediënt van het inwijdingsritueel. Op de exclusieve champagne-diners van de studentenclub werden prostituees ingehuurd, waarna traditioneel het hele restaurant kort en klein werd geslagen.

In Nederland heb je Vindicat, de oudste studentenclub van het land, waar naast een hele resem ondernemers ook de prinsen van Oranje hun broek hebben gesleten. De elitaire studentenclub staat bekend voor een cultuur van grof seksisme – bangalijstjes inbegrepen, minachting voor het ‘plebs’ en een cultuur van machtsmisbruik en geweld.

“Oefenen voor de neoliberale maatschappij waarin de zwakke moet boeten en de sterke moet zegevieren”, noemt Thijs Lijster het in een essay voor de Groene Amsterdammer.

In 1997 drinkt een aspirant-lid van Vindicat een liter jenever, waarop hij een epileptische aanval krijgt, stikt, en overlijdt. In 2017 belandt een student tijdens zijn ontgroening in het ziekenhuis met ernstig hersenletsel, nadat de schachtentemmer urenlang op zijn hoofd had gestaan. Sadisme als eersteklasseticket naar de commanding heights van de samenleving.

Dit nooit meer

De dood van Sanda Dia is geen geïsoleerd drama, maar wijst op een structureel, dieperliggend probleem.

De cultuur van geweld, vernedering en machtsmisbruik in elitaire studentenclubs. De structurele normvervaging van de zelfverklaarde Vlaamse elite. De normaliteit van racisme en seksisme in die kringen. De zwijgcultuur van rijkeluiszoontjes die zich ver boven het gewone volk verheven voelen. De straffeloosheid. En wat dat alles ons zegt over de samenleving waarin wij leven.

Dit nooit meer. Sanda verdient gerechtigheid. En wij verdienen een samenleving die niet gebouwd is op concurrentie, machtsmisbruik en misprijzen voor de werkende klasse, maar op diepmenselijke waarden als solidariteit, respect en rechtvaardigheid.

Bron: DeWereldMorgen.be