De oppositiepartijen Ecolo-Groen, PS en PVDA-PTB willen vermogen belasten. Maar hoeveel brengt dat écht op, rekening houdend met hoe belastingplichtigen op een vermogensbelasting reageren?

Ecolo-Groen, de PS, en de PVDA-PTB dienden recent elk een wetsvoorstel in om een Belgische vermogensbelasting in te voeren. Op 22 september vond in het federaal parlement een hoorzitting plaats over deze drie wetsvoorstellen. Hier ga ik in op het opbrengstpotentieel en de belastingincidentie van de drie wetsvoorstellen, rekening houdende met schattingen voor de gedragsreacties van belastingplichtigen.

Vermogen steeds omvangrijker

Het vermogen in België is groot en wordt steeds omvangrijker. In 2024 bedroeg het totaal netto privévermogen in België 3.350 miljard euro. Dit bedrag komt overeen met 6,5 keer het netto nationaal inkomen, een van de hoogste vermogensinkomensratio’s ter wereld. In 1980 was het totaal netto privévermogen slechts goed voor 850 miljard euro (in euro’s van 2024), of iets meer dan 3,5 keer het netto nationaal inkomen. Het belang van vermogen ten opzichte van inkomen steeg dus met 80% op 40 jaar tijd.

De top 1% bezit ongeveer 22% van het vermogen in België. In België is er geen vermogensregister. De vermogensongelijkheid moet daarom worden geschat.

Er zijn drie verschillende benaderingen om de vermogensongelijkheid te schatten.

Ten eerste kan informatie over het vermogensinkomen van individuen of huishoudens gekoppeld worden aan schattingen van de opbrengstvoet van vermogen om het nettovermogen af te leiden. Aangezien vermogensinkomen tegenwoordig aan de bron wordt belast, kan deze methode niet worden toegepast op het hedendaagse België.

Ten tweede kan gebruik worden gemaakt van een vermogensenquête om respondenten rechtstreeks over hun vermogen te bevragen. Dergelijke vermogensenquêtes hebben belangrijke beperkingen, aangezien respondenten de neiging hebben hun eigen vermogen te onderschatten en rijke huishoudens vaak niet in de steekproef worden opgenomen.

Een derde benadering maakt gebruik van gegevens uit de erfbelasting. In België is door de verplichte erfaangifte van alle overledenen het nettovermogen bij overlijden bekend. Door aan de overledenen in een bepaald jaar gewichten toe te kennen, kan een representatieve steekproef van de bevolking bekomen worden en kan zo de vermogensongelijkheid worden geschat.

Recent onderzoek op basis van erfdata toont aan dat de vermogensongelijkheid in België in de 21ste eeuw gestabiliseerd is, na een sterke daling in de 20ste eeuw. In 2022 bedroeg het geschatte vermogensaandeel van de top 1% ongeveer 22%. 7% van de Belgische volwassenen bezit meer dan 1 miljoen euro nettovermogen en 1,5% bezit meer dan 2,5 miljoen.

Gedragsrespons is in belangrijke mate beleidsafhankelijk

De gedragsrespons op een vermogensbelasting is in belangrijke mate beleidsafhankelijk. De impact van een vermogensbelasting hangt af van de manier waarop belastingplichtigen reageren. Hier ga ik kort in op de (beperkte) wetenschappelijke literatuur rond gedragseffecten van vermogensbelastingen.

Er zijn verschillende manieren waarop belastingplichtigen kunnen reageren.

Ten eerste kunnen belastingplichtigen ‘reëel’ reageren door hun spaargedrag of arbeidsaanbod aan te passen. Theoretisch gezien is het effect onduidelijk: belastingplichtigen zouden minder kunnen gaan sparen of werken omdat de opbrengst van sparen of werken lager wordt (substitutie-effect), maar ze zouden ook meer kunnen gaan sparen of werken om het verlies aan vermogen/inkomen te compenseren (inkomenseffect). De resultaten van empirisch onderzoek wijzen op een beperkte spaar- en werkrespons die soms positief is.

Ten tweede zouden belastingplichtigen hun vermogen ook kunnen onderrapporteren. Empirisch onderzoek wijst op relatief belangrijke onderrapportering van vermogen wanneer belastingplichtigen zelf hun vermogen moeten aangeven.

Ten derde kunnen belastingplichtigen hun vermogen ook naar het buitenland verplaatsen (off-shoring). Er is slechts weinig onderzoek naar gedaan, maar de beschikbare studies suggereren dat off-shoring vooral voorkomt aan de bovenkant van de vermogensverdeling en recent daalde naar aanleiding van de doorgedreven automatische gegevensuitwisseling tussen landen.

Ten vierde zouden belastingplichtigen hun vermogen ook kunnen herstructureren (portfolio-shifting) om zo minder belastbaar vermogen aan te houden. Er is duidelijke empirische evidentie dat belastingplichtigen hun vermogenssamenstelling verschuiven naar minder belastbare of moeilijker te waarderen activa als reactie op een vermogensbelasting.

Ten vijfde kunnen belastingplichtigen ook reageren door te migreren. Het beschikbare onderzoek wijst op een klein negatief internationaal migratie-effect. Wel blijkt dat een vermogensbelasting ingevoerd op regionaal niveau of een tarief dat verschilt per regio een niet te verwaarlozen interne migratie kan teweegbrengen.

Deze gedragseffecten zijn sterk beleidsafhankelijk. Onderrapportering van binnenlands vermogen kan worden aangepakt door derde partijen rechtstreeks aan de belastingautoriteiten te doen rapporteren, zoals in Denemarken. Verplaatsen van vermogen naar het buitenland is oplosbaar door het invoeren van een belasting op het wereldwijd vermogen. Sinds de recente automatische uitwisseling van belastinggegevens tussen 120 landen is zoiets ook in de praktijk afdwingbaar. Portfolio-shifting kan worden tegengegaan door te kiezen voor een hoge initiële vermogensdrempel, eerder dan voor vrijstellingen, zoals een voor de gezinswoning. Rijke huishoudens die effectief naar het buitenland migreren, kunnen een ‘exit tax’ (zoals al bestaat in de VS) of een ’tail tax’ (zoals al bestaat in Nederland voor de erf- en schenkbelasting) opgelegd krijgen, waarbij ze eenmalig of nog enige tijd aan een vermogensbelasting onderworpen zijn.

Een redelijke inschatting van de totale gedragseffecten op basis van de literatuur is dat een slim ontworpen vermogensbelasting met een tarief van 1% de belastbare basis met 7-17% zou verminderen. Dit is ook het gedragseffect dat in de berekeningen van het Federaal Planbureau in het kader van de verkiezingen 2024 werd aangenomen.

Opbrengstpotentieel van een Belgische vermogensbelasting

Zowel de Ecolo-Groen, de PS als de PVDA-PTB vermogensbelastingconfiguraties hebben een progressieve tariefstructuur. De voorstellen verschillen op vier belangrijke vlakken.

Ten eerste zijn de marginale tarieven van de PVDA-PTB aanzienlijk hoger dan die van Ecolo-Groen en de PS (tot 3% tegenover respectievelijk 1,2% en 2%).

Ten tweede belasten Ecolo-Groen en de PS op individueel niveau, terwijl de PVDA-PTB op gezinsniveau belast. Dit betekent dat bij de PVDA-PTB het vermogen van partners wordt samengeteld, waardoor een gezin sneller in een hogere schijf terechtkomt.

Ten derde wordt in het voorstel van de PS het brutovermogen belast (zonder aftrek van schulden), terwijl in de andere twee voorstellen het nettovermogen wordt belast (na aftrek van schulden).

Ten vierde wordt in het voorstel van Ecolo-Groen het vermogen belast vanaf 2,5 miljoen euro (op individueel niveau en netto), in het voorstel van de PVDA-PTB vanaf 5 miljoen euro (op gezinsniveau en netto) en in het voorstel van de PS vanaf 5 miljoen euro (op individueel niveau en bruto).

Op basis van de herwogen erfdata en rekening houdend met de hierboven vermelde gedragseffecten, kan een schatting gemaakt worden van de belastingincidentie en het opbrengstpotentieel van deze drie wetsvoorstellen.

Er is een belangrijke databeperking bij de narekening van het voorstel van de PVDA-PTB. De vermogensverdeling gebaseerd op de herwogen erfenissendata is op individueel niveau en niet op gezinsniveau. Om de narekening toch uit te voeren, worden de drempelwaarden van het voorstel van de PVDA-PTB gedeeld door twee (2% tarief start bij 2,5 miljoen euro individueel vermogen in plaats van 5 miljoen euro gezinsvermogen, en 3% tarief bij 5 miljoen euro individueel vermogen in plaats van 10 miljoen euro gezinsvermogen). Na de aanpassing van de drempelwaarden wordt de narekening van het voorstel van de PVDA-PTB dan op individueel niveau uitgevoerd, net zoals voor de andere twee voorstellen.

Wat blijkt? Het voorstel van Ecolo-Groen en het voorstel van de PVDA-PTB raken naar schatting allebei 134.102 belastingplichtigen (1,5% van het totaal aantal volwassen individuen), aangezien in de narekening beide vanaf 2,5 miljoen euro netto individueel vermogen belasten. Het voorstel van de PS treft 46.643 belastingplichtigen (0,5% van het totaal). Het voorstel van Ecolo-Groen zou jaarlijks tussen 2,7 (sterke gedragsreactie) en 3,5 miljard (geen gedragsreactie) opbrengen. Voor het voorstel van de PS is dit 2,2 tot 3,1 miljard, voor het voorstel van de PVDA-PTB 4,1 tot 11,7 miljard.

De totale belastingdruk

En wat met de totale belastingdruk op vermogen in België? Om de impact van de voorgestelde vermogensbelastingen te evalueren, is het belangrijk om de belastingdruk op vermogen in België in rekening te brengen en te analyseren wat de impact van de wetsvoorstellen is. Hiervoor baseer ik me op de meest recente belastinginformatie gepubliceerd door de Europese Commissie en schattingen van het privaat nettovermogen van de World Inequality Database.

De totale belastingdruk op vermogen bedraagt in België ongeveer 2,03%, en zou met de nieuwe meerwaardebelasting op ongeveer 2,05% komen te liggen. De voorgestelde vermogensbelastingen zouden de belastingdruk op vermogen in België met 0,08-0,11 %-punt (het voorstel van Ecolo-Groen), 0,07-0,10 %-punt (het voorstel van de PS) of 0,13-0,36 %-punt (het voorstel van de PVDA-PTB) verhogen.

Deze cijfers moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Het gebruikte belastingconcept is zeer breed (vennootschapsbelasting, personenbelasting en socialezekerheidsbijdragen zelfstandigen, roerende voorheffing, registratierechten, onroerende voorheffing, erf- en schenkbelasting, effectentaks, bankenheffing, …). Daarnaast is dit een indicator van de totale belastingdruk op vermogen, en niet de belastingdruk op het vermogen van individuen die onderhevig zouden zijn aan de voorgestelde vermogensbelastingen.

Conclusie

De hier besproken narekening toont aan dat een Belgische vermogensbelasting een substantieel opbrengstpotentieel heeft, ook rekening houdend met gedragseffecten. De drie nagerekende voorstellen leveren naar schatting tussen 2,2 en 11,7 miljard euro op. De gedragseffecten die de opbrengst verminderen zijn in belangrijke mate beleidsafhankelijk en kunnen door slimme ontwerpkeuzes worden beperkt. De totale belastingdruk op vermogen in België bedraagt ongeveer 2% en zou toenemen met 0,1-0,4%-punt, afhankelijk van het voorstel en de veronderstelde gedragseffecten.

Een belangrijke kanttekening is dat de narekening zich beperkt tot het opbrengstpotentieel en de belastingincidentie. De bredere wenselijkheid van een vermogensbelasting hangt ook af van praktische en normatieve overwegingen die hier niet aan bod komen.

Deze tekst is een ingekorte versie van een Gents Economisch Inzicht (GEI) dat op 22 september werd gepubliceerd. Het GEI bevat ook technische informatie over de onderliggende berekeningen.

Bron: sampol.be