De regering zoekt 10 miljard euro en Vooruit wijst naar een ogenschijnlijk gemakkelijk doelwit: de managementvennootschap. Die zou de schatkist jaarlijks 4,2 tot 4,7 miljard euro kosten. Het probleem? Niemand weet precies wat een managementvennootschap is, hoeveel er zijn en hoeveel belastinginkomsten de overheid er werkelijk door misloopt.
De druk om tijdens de begrotingsbesprekingen de managementvennootschappen aan te pakken neemt toe. Zeker nadat vicepremier Frank Vandenbroucke een nieuwe studie presenteerde waarin de Vlaamse socialisten berekenden dat managementvennootschappen ervoor zorgen dat de staat 4,2 tot 4,7 miljard euro inkomsten misloopt. In de zoektocht naar 10 miljard ligt het dan voor de hand: dicht het gat dat managementvennootschappen slaan in de overheidsfinanciën en je komt al een heel eind. Is het echt zo simpel?
Om te beginnen, er bestaan geen managementvennootschappen. Het begrip bestaat niet, noch in het recht, noch in de fiscaliteit. Bij gebrek aan definitie kan ook niet worden gezegd hoeveel er in ons land zouden zijn, laat staan wat de budgettaire impact ervan is. Er bestaat dan ook geen onbetwist cijferwerk over. De Nationale Bank is momenteel wel met een interne studie bezig, maar die resultaten zijn (nog) niet publiek.
Het woord ‘managementvennootschappen’ is een containerbegrip. Er worden heel veel verschillende zaken ingestopt. Zo hebben Vandenbroucke en zijn partij Vooruit het over 55.000 vennootschappen van kaderleden en bestuursleden die aan hun bedrijf factureren, 2500 consultancyvennootschappen van adviseurs die factureren aan één opdrachtgever en 88.000 vennootschappen van vrije beroepen, zoals artsen, advocaten en architecten, die geen personeel hebben. Samen geeft dat zo’n 145.000 vennootschappen die volgens de Vlaamse socialisten fiscaal gemotiveerd zijn en ‘die minder belastingen en sociale bijdragen betalen. Dat kost onze welvaartsstaat jaarlijks tussen 4,2 en 4,7 miljard’.
Misbruik
Over al die cijfers valt te discussiëren. Soms lees je dat er in 2024 meer dan 53.000 managementvennootschappen waren. Anderen spreken op basis van cijfers van Statbel en de Kruispuntenbank van Ondernemingen van 80.000, een cijfer dat ook door de christelijke vakbond ACV wordt overgenomen. Dat is dus bijna de helft van het aantal dat Vooruit noemt.
En dan rijst de volgende vraag: maken al die ‘managementvennootschappen’ misbruik van het systeem? Betalen ze allemaal onterecht minder sociale bijdragen en belastingen, zoals Vandenbroucke stelt? Daar is professor emeritus fiscaal recht Luc De Broe (KULeuven) het alvast niet mee eens: ‘Beweren dat vrije beroepen met een eenmansvennootschap misbruik maken van het systeem is niet aanvaardbaar. Als je die uit de studie haalt, is het lek 2,8 miljard.’
‘Er wordt misbruik gemaakt van vennootschappen,’ zeggen Hendrik Putman en Nele Steurbaut van consultancybureau KPMG, ‘maar het gaat dan in de eerste plaats over een beperkte categorie van schijnzelfstandigen. Op papier werken zij als zelfstandige en factureren ze via hun vennootschap, in de praktijk werken ze onder gezag van een werkgever alsof ze in loondienst zijn.’
Schijnzelfstandigheid wordt in principe gecontroleerd door de sociale inspectiediensten, maar dat vergt heel veel werk voor slechts een kleine opbrengst. Want elke onderneming zou dan onder de loep genomen moeten worden om te kijken of er werknemers als schijnzelfstandigen werken. In de praktijk zijn er dan ook nauwelijks controles op schijnzelfstandigheid, aldus Dries Torreele, fiscaal jurist bij Vandelanotte.
Hoeveel schijnzelfstandigen er in ons land zijn is onduidelijk. De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid verwees ooit naar een Eurostat-enquête, waaruit bleek dat in 2017 1,5 procent van de Belgische zelfstandigen als schijnzelfstandigen konden worden gezien. Dat zou betekenen dat er in ons land 20.000 schijnzelfstandigen zouden zijn, een zeer grove schatting.
‘In elk geval vormen de gevallen van misbruik en schijnzelfstandigheid slechts een klein deel van wat vandaag allemaal als managementvennootschap wordt bestempeld’, zegt Putman. ‘En om die schijnzelfstandigen aan te pakken, waarvoor vandaag al een juridisch kader bestaat, lanceren partijen als Vooruit nu voorstellen die álle mensen zullen treffen die met een vennootschap werken.’
Appels en peren
Het aantal vennootschappen neemt toe, er is sprake van ‘vervennootschappelijking’, zo zegt de Hoge Raad van Financiën: activiteiten die voorheen als werknemer of als zelfstandige werden uitgevoerd, worden steeds vaker ondergebracht in een vennootschap. Daarvoor worden vooral besloten vennootschappen (bv’s) opgericht, soms een commanditaire vennootschap (CommV) of een vennootschap onder firma (vof).
Ongetwijfeld richten velen om fiscale redenen een vennootschap op. Dat komt onder meer omdat in ons land de jaarinkomsten boven 51.070 euro in de personenbelasting aan een tarief van 50 procent worden belast. Dat doet mensen zoeken naar mogelijkheden om aan dit hoge tarief te ontsnappen.
Maar de Hoge Raad voor Financiën wees er al op dat er ook andere motieven zijn om een vennootschap op te richten, zoals ‘juridisch (reglementair), economisch (beperken van aansprakelijkheid, faciliteren van eigendomsoverdracht), financieel (toegang tot de kapitaalmarkten), (para)fiscaal…’ Een vennootschap kan een uitstekende manier zijn om de samenwerking met anderen te organiseren, zoals bijvoorbeeld een associatie van notarissen of artsen.
Een vennootschap kan ook dienen om financiële risico’s te beperken en het privévermogen te beschermen. Als het misgaat met de onderneming, blijft het privévermogen, bijvoorbeeld de eigen woning, in principe buiten schot.
Hoe zit het nu met de fiscale en parafiscale aantrekkelijkheid van die vennootschappen? Dat is niet zo eenvoudig na te gaan, omdat onze fiscaliteit heel ingewikkeld in elkaar zit en je altijd moet opletten om geen appels met peren te vergelijken.
Volgens de Hoge Raad van Financiën is er een opvallend verschil in belastingdruk tussen werknemers, zelfstandigen en zij die via een vennootschap werken. De gemiddelde fiscale en parafiscale druk (dus met sociale bijdragen) bij hogere inkomens kan oplopen tot zo’n 60 procent voor een werknemer en 50 procent voor een zelfstandige. Wie via een vennootschap werkt, kan afhankelijk van de manier waarop hij zich bezoldigt en winst uitkeert, rond 37 procent uitkomen.
Maar zijn die situaties vergelijkbaar? De Hoge Raad voor Financiën waarschuwt voor een snelle vergelijking want ‘de verschillen in de uitgangspositie kunnen verschillen in (para)fiscale behandeling verantwoorden’. Zo neemt een bedrijfsleider meer risico op vermogensverlies. Anderzijds maakt hij meer kans op meerwaarden dan een werknemer. Bedrijfsleiders kunnen dan weer in mindere mate aanspraak maken op vervangingsinkomens.
Belastingdeskundigen Mark Delanote (UGent en KPMG Law) en Hendrik Putman vinden dat je de fiscale druk van een ‘managementvennootschap’ niet mag vergelijken met de belastingen en sociale bijdragen die een werknemer betaalt: ‘Je kunt alleen vergelijken met een zelfstandige zonder vennootschap. Want in tegenstelling tot werknemers bouwen mensen met een vennootschap zelf hun sociale bescherming op, kennen ze een hogere aansprakelijkheid, hebben ze geen ontslagbescherming en financieren ze zelf hun verzekeringen.’ Torreele: ‘En ze moeten zelf sparen voor hun pensioen.’
De discussie over ‘managementvennootschappen’ verdient hoe dan ook meer nuance dan de miljardenrekening doet vermoeden. Iedereen is het erover eens dat misbruik moet worden aangepakt, maar daarvoor is het nodig om eerst het onderscheid te maken tussen schijnzelfstandigheid en echte fraude en een vennootschapsvorm die om economische of juridische redenen wordt gebruikt. De Nationale Bank komt woensdagavond om 19 uur nog eens langs bij het kernkabinet. Wellicht zullen zij voor de nodige nuance zorgen.
Bron: Knack.be