Marketing in de nieuwe economie

Marketing in de nieuwe economie

Handleiding voor het creëren van échte waarde
Referentie: 9789085601142

Dit boek biedt praktijkvoorbeelden en eenvoudige stappen om in de nieuwe economie te werken aan het creëren van échte waarde, zowel in het bedrijfsleven als in de maatschappij.

Vraag jij jezelf weleens af hoe opvattingen over de economie het werk van de marketeer beïnvloeden? Wie in de maatschappij en de politiek rondkijkt, ziet iets opvallends: onze honderd jaar oude ideeën over de economie zijn aan het veranderen. Aannames over de economie worden ter discussie gesteld.

Kan onze economie wel onbeperkt blijven groeien?
Draagt onze economie wel voldoende bij aan een groei in welzijn?
Profiteert iedereen voldoende van de groei in welvaart?
In Marketing in de nieuwe economie legt Marco Kuijten de link tussen onze opvattingen over de economie en het werk van de marketeer. De opkomst van de nieuwe economie heeft het economieonderwijs op hogescholen en universiteiten al beïnvloed, nu is het tijd voor het marketingonderwijs. Marketingstudenten leren te weinig over de rol die marketing speelt in de maatschappij. Maar vergis je niet! Dit boek is geen economieboek. Het gaat over marketing en haar taak: het creëren van waarde.

Het boek is gericht op studenten en young professionals die invulling willen geven aan hun werk als marketeer in een nieuwe economie.

Marco Kuijten durft vraagtekens te plaatsen bij de relevantie van marketing, maar geeft ook oplossingen voor hoe het anders kan. Met behulp van praktijkvoorbeelden en een aantal eenvoudige stappen kunnen marketeers werken aan het creëren van échte waarde en zo weer relevant worden. Zowel in het bedrijfsleven als in de maatschappij.

Veel bedrijven kampen met aanwervings- en toeleveringsproblemen.

Het omzetverlies als gevolg van de coronacrisis is voor de Belgische bedrijven afgenomen van 10 % in mei tot 8 % in juni. De verbetering is vooral opmerkelijk voor de horecabedrijven, wat uiteraard te maken heeft met de heropening ervan. Ook de andere indicatoren wijzen op een afnemende corona-impact op de Belgische economie. Dat blijkt uit de laatste reguliere ERMG-enquête, die begin vorige week bij Belgische bedrijven werd gehouden. Daartegenover staan wel belangrijke problemen aan de aanbodzijde, die het herstel kunnen drukken. Zo blijven de spanningen op de arbeidsmarkt aanzienlijk, vooral in het Vlaamse Gewest. Daarnaast rapporteert één op de twee bedrijven dat de toeleveringen matig tot ernstig verstoord zijn.

Begin vorige week hielden verscheidene federaties die de ondernemingen en de zelfstandigen vertegenwoordigen (BECI, NSZ, UCM, UNIZO, UWE en VOKA), een nieuwe ERMG-enquête. Dat initiatief wordt gecoördineerd door de NBB en het VBO. Het was de tweeëntwintigste en laatste in een reeks enquêtes die sinds maart 2020 worden gehouden om na te gaan welke impact de coronacrisis en de beperkende maatregelen hebben op de economische bedrijvigheid en op de financiële gezondheid van de ondernemingen. Aan deze enquête namen minder ondernemingen (1 936) deel dan gewoonlijk. Dat vergroot enigszins de foutenmarge van de resultaten, die nog meer dan anders met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.[1]

De omzet en de omzetverwachtingen herstelden verder in juni

Rekening houdend met de bedrijfsgrootte en de toegevoegde waarde van de sector, meldden de vorige week ondervraagde bedrijven dat hun omzet nog 8 % lager ligt dan normaal. Dit is een verbetering met twee procentpunt in vergelijking met de enquête van mei en het beste resultaat sinds het begin van de crisis.

De omzetverbetering in juni deed zich voor in de meeste sectoren en is het gevolg van de verbeterde gezondheidssituatie en de afbouw van een aantal beperkende maatregelen. Ze was veruit het grootst in de horeca, waar het omzetverlies meer dan halveerde van bijna 70 % in mei tot 30 % in juni. Terwijl de omzet in mei na de heropening van enkel de terrassen nog niet substantieel was verbeterd (mogelijk door het slechte weer), zorgde de heropening van de binnenruimtes in juni wel voor een groot herstel. De omzet verbeterde tijdens de maand juni in mindere mate ook in de andere zwaar getroffen bedrijfstakken, met name de reisbureaus, het wegvervoer van personen, de luchtvaart, de niet-medische contactberoepen en de sector kunst, evenementen en recreatie. Vervolgens zette het geleidelijke omzetherstel zich in de meeste andere bedrijfstakken voort, zodat deze bijna het niveau bereiken dat ze zonder de coronacrisis zouden hebben behaald. Enkel in de voedings- en niet-voedingswinkels verslechterde de omzet, maar dat is mogelijk te wijten aan compositie-effecten in de steekproef.

Ook de omzetverwachtingen voor 2021 zijn verder verbeterd met 2 procentpunt tot 6 % onder het niveau dat zonder de coronacrisis zou zijn behaald. Aangezien die verwachtingen betrekking hebben op het volledige jaar 2021 en het omzetverlies in de eerste jaarhelft met een gemiddelde van 10 % nog aanzienlijk slechter was, kunnen we afleiden dat de bedrijven een sterke groei verwachten tijdens de tweede jaarhelft. Voor 2022 bleven de omzetverwachtingen stabiel op zowat 3,5 % onder het niveau dat zonder de coronacrisis zou zijn bereikt, maar voor de reisbureaus en de horeca werden ze veel gunstiger. Dat cijfer blijft wel wijzen op een persistente coronaschade aan het economische weefsel.

Ook het faillissementsrisico en de werkgelegenheidsindicatoren zijn in juni sterk verbeterd.

De andere indicatoren verbeteren eveneens en tonen de afnemende impact van de coronacrisis. Zo is het faillissementsrisico voor de tweede opeenvolgende maand sterk gedaald. Het percentage respondenten dat verwacht in de komende zes maanden failliet te gaan, daalde van 4,8 % in april tot 4,0 % in mei en 3,2 % in juni. Ook de bezorgdheid over de gevolgen van de huidige situatie voor de bedrijfsactiviteiten, gemeten op een schaal van 1 (weinig bezorgd) tot 10 (zeer bezorgd), is opnieuw gedaald, van 5,6 in mei tot 5,3 in juni.

Nadat het gedurende acht maanden op een vrijwel constant niveau van zowat 45 % was gebleven, nam het percentage werknemers dat voltijds op de werkplek werkt, in juni fors toe tot 56 %. Dat stemt overeen met het niveau van vorige zomer, toen de beperkende maatregelen in verband met de eerste golf van de epidemie waren versoepeld. Deze stijging is enerzijds te verklaren door een daling van zowel het fulltime telewerk (van 27 % in mei tot 22 % in juni) als het parttime telewerk (van 19 % in mei tot 16 % in juni), en anderzijds door de sterke daling van het aandeel van de tijdelijk werklozen (van 5 % in mei tot 2 % juni).

Daarnaast zijn ook de arbeidsmarktindicatoren in juni verbeterd. Terwijl in mei een nettotoename van de werkgelegenheid in de private sector met 22 000 werknemers werd verwacht, bedraagt de in juni verwachte werkgelegenheidsgroei 46 000 werknemers. Deze cijfers hebben evenwel betrekking op aanwervingsintenties, die zonder geschikte kandidaten wellicht niet volledig in nieuwe banen kunnen worden omgezet; in dat verband nopen de antwoorden op de vragen over aanwervingsmoeilijkheden tot enige voorzichtigheid.

Bedrijven melden grote aanwervingsmoeilijkheden, vooral doordat er onvoldoende kandidaten zijn

Uit de enquêteresultaten van mei was al gebleken dat de bedrijven veel grotere moeilijkheden ondervonden dan gewoonlijk om nieuw personeel te vinden. Dat wordt bevestigd in deze enquête waarin opnieuw werd gepeild naar de aanwervingsmoeilijkheden, met een focus op bedrijven die de voorbije zes maanden wilden aanwerven (60 % van de bedrijven). Minder dan één op vijf van deze ondernemingen had de voorbije zes maanden geen problemen om geschikt personeel in dienst te nemen. Dat percentage is lager voor Vlaanderen (15 % van de bedrijven) dan voor Wallonië (24 %) en Brussel (28 %).

De belangrijkste problemen die de aanwerving belemmeren zijn dat er gewoon onvoldoende kandidaten waren (gerapporteerd door 55 % van de bedrijven) en dat de kandidaten niet beschikten over de vereiste competenties, zoals technische vaardigheden, ervaring en soft skills (45 % van de bedrijven). Andere factoren (zoals de specifieke coronaomstandigheden of het niet aanvaarden van de loonvoorwaarden of de werkomstandigheden) hadden een veel kleinere invloed. Opvallend is wel dat, naast het gebrek aan voldoende kandidaten, ook het niet aanvaarden van de loonvoorwaarden duidelijk meer werd aangehaald door Vlaamse ondernemingen dan door respondenten uit de andere gewesten. Dit kan er op wijzen dat de nationale loonvormingsmechanismen op gewestelijke verschillen stuiten.

In de enquête werd ook gevraagd naar de strategieën die de voorbije zes maanden vaker dan gewoonlijk werden aangewend om de personeelstekorten op te lossen. In de eerste plaats zeggen de bedrijven vooral een groter beroep te hebben gedaan op externe arbeidskrachten, via enerzijds consultants, freelancers, uitzendarbeid, jobstudenten of tijdelijke arbeidsovereenkomsten (28 % van de bedrijven) en anderzijds outsourcing naar een ander bedrijf (14 % van de bedrijven). Daarnaast leverden vele ondernemingen ook extra inspanningen om personeel aan te werven, door te zorgen voor verbeterde werkomstandigheden zoals flexibelere werktijden, telewerk en een aangenamere werkplek (21 % van de bedrijven), betere loonvoorwaarden aan te bieden (15 %), arbeidskrachten uit nieuwe geografische gebieden aan te trekken (8 %) en het woon-werkverkeer in het bedrijf zelf te organiseren (2 %). Tot slot zegt 20 % van de bedrijven dat ze meer dan gewoonlijk hebben ingezet op aanvullende opleiding en ontwikkeling van het bestaande personeel. Ook hier zijn er duidelijk verschillen tussen de gewesten. Vooral Vlaamse ondernemingen hebben met name betere loonvoorwaarden aangeboden (of moeten aanbieden) en arbeidskrachten uit nieuwe geografische gebieden aangetrokken, terwijl vooral Brusselse bedrijven zorgden voor betere werkomstandigheden en het woon-werkverkeer zelf organiseerden.

Toeleveringsproblemen blijven belangrijk, maar leiden niet tot een verplaatsing van de bevoorradingsketens

Het aandeel van de bedrijven met toeleveringsproblemen is sinds begin dit jaar sterk toegenomen. Van de ondernemingen die afhankelijk zijn van toeleveringen (twee derde van de bevraagde ondernemingen), stelt de helft dat hun toeleveringen deze maand matig of zwaar verstoord zijn; dat zijn er evenveel als in de enquête van mei. De meest getroffen bedrijfstakken zijn de groothandel, de niet-voedingswinkels, de bouwnijverheid en de industrie. De meest vermelde redenen voor die bevoorradingsproblemen zijn tekorten aan de leverancierszijde (gemeld door 71 % van de respondenten met toeleveringen) en transportproblemen (28 % van de respondenten met toeleveringen).

De gemelde problemen met de bevoorradingsketen gaan gepaard met sterk gestegen inputkosten. Voor de meeste sectoren die rechtstreeks door dergelijke problemen worden getroffen, liggen de inputkosten zelfs nog hoger dan in mei: gemiddeld 17 % hoger dan normaal in de verwerkende nijverheid (tegen 14 % in mei), 17 % hoger dan normaal in de landbouw (tegen 11 % in mei) en 14 % hoger dan normaal in de groothandel (tegen 11 % in mei).

In de enquête van juni werd ook gepeild naar de locatie van de leveranciers vóór de coronacrisis en op dit moment, alsook naar de verwachtingen voor de toekomst. De verdeling van de locatie van de leveranciers vertoonde zeer weinig variatie tussen de drie geanalyseerde periodes: rekening houdend met de bedrijfsgrootte nemen Belgische leveranciers gemiddeld 61 % van de leveringen voor hun rekening en die uit de buurlanden (Frankrijk, Duitsland, Nederland en Luxemburg) 14 %. De industrie, de groothandel en de niet-voedingswinkels zijn uiteraard sterker afhankelijk van leveranciers die verder weg gevestigd zijn, maar ook voor die sector lijkt de al opgetekende en verwachte weerslag van de coronacrisis op de locatie van de leveranciers zeer beperkt te blijven.

Het toegenomen gebruik van online verkoopkanalen zal de komende jaren nog verder stijgen

Door de beperkende maatregelen ten gevolge van de gezondheidscrisis moesten heel wat ondernemingen hun digitaliseringsstrategie plots versnellen. In de enquête van juni werd in dat kader gepeild naar het veranderende gebruik van diverse verkoopkanalen (vóór de crisis, nu, en de verwachtingen voor de komende twee jaar).

In de detailhandel ligt het huidige gebruik van online verkoopkanalen veel hoger dan vóór de crisis en de komende twee jaar zal het nog verder toenemen. Het percentage bedrijven dat mobiele apps aanwendt als verkoopkanaal, zou ten opzichte van de periode vóór de crisis binnen de twee jaar vervijfvoudigen tot 9 % van de bedrijven. De handel via online marktplaatsen zou verdubbelen tot 9 % en het gebruik van een eigen webwinkel en sociale media zou met de helft toenemen tot 60 %. Anderzijds zou het aandeel van de detailhandelaars die via een fysieke winkel verkopen, in dezelfde periode vrijwel niet afnemen en ongeveer 95 % blijven belopen. De sterke toename van de online verkoopkanalen en het behouden van de traditionele verkoopkanalen gelden bovendien ook voor de andere bedrijfstakken in de Belgische economie. Bron: Nationale Bank

111.000 meer werklozen in eerste kwartaal

In het eerste kwartaal van 2021 waren er 111.000 minder mensen aan de slag dan in dezelfde periode een jaar eerder. Het gaat vooral om mensen die lang tijdelijk werkloos zijn. Dat blijkt dinsdag uit gegevens van statistiekbureau Statbel.

Statbel rapporteert voor het eerst de werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers op basis van de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). Dat is een gevolg van een Europese beslissing om de resultaten tussen landen beter te kunnen vergelijken. Dat wie langer dan drie maanden tijdelijk werkloos is, voortaan bij de werklozen of inactieven wordt gerekend, is een van de belangrijkste wijzigingen.

Op basis van de nieuwe berekening blijkt dat 69 procent van de 20- tot 64-jarigen in België in het eerste kwartaal van dit jaar aan het werk was. De officiële werkgelegenheidsgraad daalt daarmee in alle gewesten, maar vergelijken met vorige kwartalen is door de nieuwe werkwijze moeilijk. Worden de tijdelijk werklozen zoals voorheen wel bij de werkenden gerekend, dan blijft de werkgelegenheidsgraad stabiel (70,1 procent). Alleen in Wallonië blijft er ook met de meer vergelijkbare werkwijze een daling.

De werkloosheidsgraad van 15- tot 64-jarigen komt met de nieuwe werkwijze uit op 6,7 procent. Dat is 0,9 procentpunt meer dan het laatste kwartaal van 2020. Wordt er meer zoals in het verleden gerekend, dan bedraagt de werkloosheidsgraad 6,5 procent.

In absolute aantallen waren er in vergelijking met de eerste drie maanden van 2020 zowat 111.000 mensen minder aan het werk in het eerst kwartaal van dit jaar. De meesten van hen – 80.000 – zijn mensen die meer dan drie maanden tijdelijk werkloos zijn en voor het eerst dus bij de werklozen of inactieven worden gerekend.

Bij de horeca – een van de hardst getroffen sectoren door de coronacrisis – daalde het aantal werkenden niet verbazend het sterkst, met 40,4 procent. Ook binnen onder meer de ‘overige diensten’, waaronder met name de contactberoepen vallen, nam het aantal werkenden sterk af (-19,9 procent). Bron: Statbel

Eerlijker kapitalisme of een ander systeem?

De massabewegingen en crisissen van de voorbije jaren tonen dat het maatschappelijk model in elk
deelaspect in diepe crisis is. Over alles is er woede en protest. Van seksisme, racisme en LGBTQI+-fobie,
over ecologische rampen en de gezondheidscrisis, tot de gevolgen van de asociale politiek en het
besparingsbeleid. Overal ter wereld is er opstand tegen de gevolgen van vier decennia neoliberale
besparingen en verdeel- en heerspolitiek. Werkenden zien hoe hun lonen zo goed als bevroren worden,
jongeren staan oog in oog met een maatschappij die hen geen rooskleurige toekomst biedt.

Neoliberalisme gediscrediteerd
Het neoliberalisme was erop gericht om de markt over alles te laten beslissen. Er werd gezegd dat de
overheid weg moest blijven van de economie, dat die vanzelf groen en duurzaam zou worden op basis
van het winstmodel, dat discriminatie overwonnen was en dat er nog fors gesnoeid kon worden in
uitgaven zoals gezondheidszorg. Het gevolg van dit beleid was dat de rijken nog rijker werden terwijl de
meerderheid van de bevolking en de planeet daarvoor opdraaien.
Het recente PFOS-schandaal doorprikt nog maar eens de illusie dat de verantwoordelijkheid voor
vervuiling bij de individuen ligt. Jongeren horen dat ze met persoonlijke levenskeuzes kunnen bijdragen
aan duurzaamheid. Nu worden we brutaal met de neus op de feiten gedrukt: zolang bedrijven gerund
worden om winst te maken, gaan we achteruit in plaats van vooruit.

Wat is er nodig?
150 jaar geleden zei Karl Marx: “Er moet iets rot zijn in het diepste van een sociaal systeem, dat zijn
rijkdom vergroot zonder zijn ellende te verminderen.” Sindsdien heeft de werkende klasse een
onafgebroken strijd gevoerd om de door haar geproduceerde rijkdom op te eisen. Het is dankzij strijd
van de werkende klasse dat een deel van de ellende waar de kapitalisten ons mee opzadelden, is
verdwenen of afgebouwd. Het is uit zulke bewegingen dat betaalbaar onderwijs, betaalde vakantie,
afschaffing van kinderarbeid, vrouwenstemrecht en sociale zekerheid voortkomen.
Het rotte sociale systeem – het kapitalisme – waarover Marx sprak, is echter nooit uitgeroeid. Daardoor
werden alle sociale overwinningen nadien stelselmatig uitgehold. Dat is wat we vandaag meemaken. De
ongelijkheid was inderdaad nog nooit zo groot als vandaag. De 26 rijkste mensen op aarde bezitten
evenveel als de armste helft van de wereldbevolking samen.
Stel je voor wat er met die rijkdom kan gebeuren als we die investeren in onderzoek naar hernieuwbare
energiebronnen en energie infrastructuur, degelijke jobs, arbeidsduurvermindering, onderwijs en zorg,
etc. Dat is wat vandaag nodig is om de crisis op alle fronten aan te pakken. Als we vertrekken van wat
we nodig hebben, komen we automatisch bij de conclusie dat dit niet kan op basis van het private bezit
van de rijkdom. Als we onze toekomst in handen willen nemen, hebben we controle over de reusachtige
beschikbare rijkdom nodig. Dat betekent het kapitalisme in vraag stellen.
Wat is er mogelijk?

De afkeer tegen de enorme ongelijkheid leidt tot een groei van nieuwe linkse ideeën en formaties. De
steun voor Bernie Sanders in de VS was er een uitdrukking van. Bij ons is er de vooruitgang van de PVDA
in de verkiezingen en de peilingen. Dat is positief: de aanwezigheid van deze partij zet de eisen van
werkenden en jongeren kracht bij door ze een platform te geven in het parlement. Dit doorbreekt het
jarenlange monopolie van neoliberaal eenheidsdenken.
Het belang van programma en bijhorende strategie wordt op dit ogenblik slechts door een kleine
minderheid gezien. Dit zal echter aan belang winnen. Linkse formaties die groot worden, staan snel voor
een test. Maken ze als machtspartij een breuk met het gevoerde beleid of proberen ze er slechts de
scherpste kantjes van af te veilen? Welke krachtsverhouding hebben ze opgebouwd om een ander
beleid ook effectief af te dwingen? Dat zijn kwesties waarrond zowel Syriza als Podemos ontgoochelde.
Een deel van het probleem is dat deze partijen niet de werkende klasse maar zichzelf zien als motor van
verandering.
Wij delen de roep naar hervormingen. Een campagne voor een miljonairstaks om de rijkdom te
herverdelen, kan bijvoorbeeld een enorme impact hebben nu neoliberale dogma’s betwist worden. Een
miljonairstaks is niet gewoon een kwestie van een politieke keuze, het zal een strijdbeweging en
krachtsverhouding vereisen om het af te dwingen. Wij doen er alles aan om die beweging te versterken,
maar delen niet de illusie dat daarmee de kous af is. Elke verworvenheid staat nadien terug onder druk.
De kapitalisten proberen steeds terug te pakken wat ze ons moesten geven onder druk van strijd. Het
volledige systeem moet weg om plaats te maken voor een socialistisch alternatief. Dat perspectief
versterkt onze strijd vandaag en is noodzakelijk om ontgoochelingen te voorkomen. Op deze punten
verschillen wij van de PVDA, die haar positie onvoldoende gebruikt om massabewegingen uit te
bouwen, activisme eerder ziet als electorale marketing en enkel op 1 mei spreekt over socialisme.
Het kapitalisme heeft in het verleden enkel toegevingen gedaan als het bedreigd werd met revolutie en
massale klassenstrijd voor een andere samenleving. Vandaag staat het vertrouwen in het systeem op
een dieptepunt. Dit leidt niet automatisch tot massabewegingen voor socialistische verandering. Wel
zijn er steeds grotere groepen bereid om in actie te komen tegen de gevolgen van dit systeem. Daar
aanwezig zijn en een revolutionaire socialistische benadering en programma verdedigen en versterken,
is wat LSP in België en International Socialist Alternative op wereldschaal doen. Strijd is nodig om
overwinningen te boeken en het biedt een basis om de noodzaak van een socialistisch alternatief te
populariseren. Zo’n alternatief bestaat uit een samenleving waarin de rijkdommen niet langer in handen
zijn van een kleine minderheid van superrijken, maar onder democratische controle en beheer van de
werkende klasse. Bron: LSP

Online brochure: ‘Wat is socialisme volgens LSP?’ op https://bit.ly/3gUixwd

De zorgverleners zijn ook ziek

De situatie in ziekenhuizen was voor de pandemie al lang moeilijk. Er is overal een tekort aan personeel,
de werkdruk is alleen maar toegenomen. Verpleegkundigen brengen steeds meer tijd door achter een
dossier in plaats van aan het bed, en de lonen zijn zeer mager in verhouding tot de verantwoordelijkheid
en de zwaarte van het werk.

De vermoeidheid van het personeel is chronisch, dagelijks overwerk is de norm, het absenteïsme neemt
toe (36% meer, wat soms neerkomt op 45% absenteïsme in dezelfde afdeling) en collega’s worden niet
vervangen. Voeg bij dit alles het gebrek aan erkenning van de zwaarte van het beroep van verzorger. Het
resultaat? Het werk is helemaal niet aantrekkelijk. Tot 30% van de afgestudeerden verlaat het beroep
binnen de vijf jaar.
Dankzij de mobilisatie van de witte woede werd een fonds van 402 miljoen euro per jaar bekomen voor
de opleiding en aanwerving van personeel. De realiteit is echter dat er zeer weinig jobs bijkwamen die
werkelijk nuttig zijn voor een structurele verbetering van de arbeidsomstandigheden.
Ook het budget van 600 miljoen euro voor de verbetering van de zorg is ontoereikend. Enerzijds zal 500
miljoen euro van de enveloppe worden besteed aan de tenuitvoerlegging van de nieuwe IFIC-schaal, een
overeenkomst die jaren geleden werd ondertekend om de openbare en de particuliere sector te
harmoniseren, waarbij 6% toegevoegd wordt bij de totale loonmassa. Het loonmodel herschrijft de
loonevolutie over de hele loopbaan. Deze overeenkomst is overigens niet voor iedereen gunstig. De 100
miljoen die bestemd is voor betere arbeidsomstandigheden (organisatie van de vakanties,
opleidingsplannen, organisatie van de werktijden …) volstaat niet.
Om al deze redenen werd op 17 juni in de Waalse en Brusselse ziekenhuizen gestaakt. De oproep werd
massaal opgevolgd. Collega’s die nog nooit staakten, deden dit nu wel. Er waren hele afdelingen
gesloten terwijl andere werkten op zondagsbezetting. De directies moesten personeel opvorderen om
aan een minimumbezetting te komen. In enkele ziekenhuizen en in bepaalde diensten (oncologie, spoed
…) kon niemand staken omdat er sowieso in minimumbezetting wordt gewerkt. Het hield de collega’s
niet tegen om het werk te onderbreken om het protest te steunen. Stakers en soms ook enkele
patiënten verzamelden voor de ziekenhuizen om actie te voeren.
Het zorgpersoneel toonde haar kracht. De onhoudbare situatie in de ziekenhuizen zorgt voor onrust
onder het personeel, maar ook voor veel solidariteit onder de collega’s. We kunnen dit momentum
gebruiken om een sterke en ééngemaakte beweging op te bouwen die in staat is om toegevingen af te
dwingen. Het fundamentele probleem van de zorg is de steeds grotere nadruk op de marktwerking. Dat
moet stoppen! Er is een massale publieke investering in de sector nodig. Zorg moet toegankelijk zijn
voor iedereen. Dat kan het best in een nationale gezondheidsdienst gecontroleerd door het personeel
en de gemeenschap. Bron: LSP