Ben je helemaal nieuw in het onderwijs, of wil je in het onderwijs gaan werken, en vraag je je af welke salarisschaal bij een bekwaamheidsbewijs of ambt hoort? Dan kan je die opzoeken op de website van de bekwaamheidsbewijzen. Voor professionals (softwareleveranciers, schoolsecretariaten,…) die de salarisschalen eventueel zouden gebruiken in eigen toepassingen, worden hieronder downloadbare csv-bestanden met de salarisschalen aangeboden: • Detailgegevens van de salarisschalen: omschrijving, jaarbedragen, minimum leeftijd, verhogingen,… • Bedragen van de salarisschalen: de berekende bedragen (bruto tot belastbaar) op basis van de huidige index per anciënniteit. Overzicht van de salarisschalen, met bedragen berekend tot op het niveau van het bruto belastbaar maandsalaris. Elementen die de salarisschaal bepalen: • Het ambt dat je uitoefent • De graad waar je in werkt • De onderwijsvorm waar je in werkt • Het onderwijsniveau waar je in werkt • Je bekwaamheidsbewijzen • Je eventuele nuttige ervaring
Als je je salarisschaal kent, kan je hieronder de bedragen raadplegen
Het Antwerps stadsbestuur (N-VA, Open VLD en Vooruit) lonkt naar het privaat kapitaal van beursgenoteerde investeringsmaatschappijen zoals Aedifica en Cofinimmo. Deze maatschappijen hebben de afgelopen jaren hun greep op de Vlaamse woonzorgcentra drastisch versterkt. Op dit moment is 26 procent van de woonzorgcentra in Vlaanderen in handen van winstgerichte bedrijven. Hun businessmodel draait rond het verwerven van zorginfrastructuur om deze vervolgens aan hoge prijzen door te verhuren aan commerciële zorgketens. Met haar uitgebreid netwerk van woonzorgcentra en serviceflats is het Zorgbedrijf Antwerpen dan ook een interessante vastgoedinvestering.
Al bij de oprichting in 2009 stelde het zorgbedrijf een private kapitaalparticipatie in het vooruitzicht. In 2017 waren er gesprekken om 100 miljoen euro op te halen. Het stadsbestuur en de CEO van het zorgbedrijf wilden daarvoor een aparte vennootschap oprichten om onder meer het zorgvastgoed in onder te brengen. Er was één probleem: de decretale basis hiervoor was onbestaande.
Traditioneel wordt de openbare dienstverlening in België door de overheid of het gesubsidieerde (vaak christelijke) middenveld uitgebaat. Openbare diensten zijn van groot maatschappelijk belang. Ze waarborgen de rechten van iedereen op huisvesting, onderwijs en zorg.
In het Vlaanderen van minister-president Jan Jambon is er echter steeds minder plaats voor openbare diensten. Van werkloosheidsbemiddeling over mobiliteit tot cultuur, onderwijs en de zorgsector: de Vlaamse regering wil zo goed als elk aspect van de samenleving openstellen voor privaat kapitaal en marktwerking.
Een zorgvereniging of zorgbedrijf is een publiekrechtelijke entiteit die verbonden is aan een OCMW en zo verschillende vormen van zorg aanbiedt. Juridisch gezien zijn het ‘welzijnsverenigingen’. Het Vlaams regeerakkoord van 2019 kondigde al de toetreding aan van private partners in de structuren van deze welzijnsverenigingen. Het punt bleef lange tijd onder de radar. Maar in november 2020 – nota bene tijdens de tweede de coronapandemie – schoten parlementsleden van de drie Vlaamse meerderheidspartijen in actie.
Zij dienden een voorstel van decreet in dat welzijnsverenigingen de mogelijkheid moet geven om zelf een vzw of vennootschap op te richten of er deelgenoot van te worden. De welzijnsvereniging kan aan deze privaatrechtelijke structuren dan personeel overdragen of ter beschikking stellen. Ze kunnen daarin ook erkenningen, subsidies en infrastructuur onderbrengen. Als klap op de vuurpijl kunnen private vennootschappen tot 49 procent van het kapitaal inbrengen. Met recht en rede spreken wij daarom van het ‘privatiseringsdecreet’.
Volgens de Europese Unie is de zorgsector een economische dienst die onderworpen is aan de regels van de interne markt. Europa verplicht de Vlaamse overheid op die manier om te voorzien in gelijke subsidies voor de uitbaters van commerciële, non-profit en openbare woonzorgcentra.
Het verklaart waarom er vanuit commerciële hoek zoveel interesse is voor de ouderenzorg. Door de vaste subsidiestroom is het vanuit winstoogpunt zeer aantrekkelijk – want weinig risicovol – om actief te zijn in de zorgsector. Commerciële zorgketens rekenen op publieke middelen om hun private winsten te garanderen. Dat is de essentie van privatisering.
In Vlaanderen is vooral het onderliggende zorgvastgoed een belangrijke bron van inkomsten en winsten. Investeringsmaatschappijen verwerven woonzorgcentra die ze tegen zeer hoge huurprijzen verhuren aan een andere speler die de uitbating voor zijn rekening neemt. Deze uitbaters – vaak vzw’s die behoren tot een commerciële zorgketen – kunnen deze huurprijzen slechts betalen met overheidssubsidies, door te besparen op personeel of door hoge ligdagprijzen aan te rekenen. Vaak is het een combinatie van deze drie.
Volgens de Socialistische Mutualiteiten bedroeg in 2019 de gemiddelde dagprijs in een openbaar woonzorgcentrum 56,27 euro. In een for profit-rusthuis lag dat met 64,66 euro fors hoger. Bewoners betaalden gemiddeld ook het meest in Brussel, Antwerpen en Vlaams-Brabant waar de for profit-sector net de sterkste opmars maakte.
Voor elke 100 bewoners zetten commerciële rusthuizen 33 personeelsleden in, tegenover 39 in de non-profit vzw-rusthuizen en 44 in de openbare rusthuizen. Dat wreekt zich in de zorgkwaliteit, zeker als het personeel in functie van kostenefficiëntie steeds meer gegevens moet registreren en dus minder aan de eigenlijke zorg toekomt.
Het nieuwe decreet wil de scheiding tussen het zorgvastgoed en de exploitatie van de zorgactiviteit – zo kenmerkend voor de commerciële zorgsector – nabootsen binnen de structuur van de openbare welzijnsverenging.
Dat blijkt uit de herstructurering van Zorgbedrijf Antwerpen waarvoor de gemeenteraad groen licht gaf. De meerderheid neemt met die beslissing een loopje met de juridische werkelijkheid. Het Vlaamse Parlement heeft zich immers nog niet uitgesproken over het privatiseringsdecreet dat dergelijke herstructureringen mogelijk moet maken.
Toch zijn de plannen voor zo’n private participatie reëel. Volgens de krant De Tijd zijn er in Antwerpen al gesprekken met een consortium waartoe naast de Participatiemaatschappij Vlaanderen – met de Antwerpse N-VA-schepen Koen Kennis als voorzitter – ook Aedifica en de commerciële rusthuisuitbater Vulpia behoren.
Investeerders in vastgoed verwachten een rendement. Dat heet de introductie van de winstlogica in het zorgbedrijf. Volgens het stadsbestuur zou de zorg ondergebracht worden in een vzw zonder private kapitaalsinbreng en dus 100 procent publiek eigendom blijven. Maar deze vzw zal wel het zorgvastgoed huren van de vastgoedvennootschap. Kortom: het is de uitbater die betaalt voor de winsten van de private investeerder.
Privatisering zorgt er dus voor dat publieke middelen wegvloeien naar private investeerders. Deze middelen kunnen niet gebruikt worden waarvoor ze bestemd zijn: zorg verstrekken.
Voorstanders van de herstructurering spreken van een realistisch rendement van 3 procent voor de private investeerder. Maar op de markt liggen die rendementen eerder tussen de 5 en 6 procent. Waarom zou een private investeerder dan met minder en dus met lagere huurprijzen genoegen nemen in de Antwerpse structuur?
Ook de besparingsdruk zal in naam van efficiëntie – lees: het rendement van de aandeelhouder – verder oplopen. Het is exact wat het Antwerpse stadsbestuur verwacht, aangezien de toelage aan het zorgbedrijf tegen 2025 met meer dan 10 miljoen euro moet dalen.
Geloof mij: het zorgbedrijf zal gekneld zitten in de dubbele houtgreep van besparingen en private winstbelangen. Een verbetering van de zorgkwaliteit lijkt dan weinig realistisch. Bovendien dreigen de dagprijzen van de woonzorgcentra verder te stijgen. Minder kwaliteit voor meer geld.
Verregaande schaalvergroting is volgens het Antwerpse stadsbestuur de oplossing. Maar het Zorgbedrijf Antwerpen is vandaag al actief in meer dan achttien verschillende gemeenten. De kapitaalsverhoging en haar nieuwe vastgoedvennootschap moet het zorgbedrijf toelaten om overal in Vlaanderen nieuwe eigendommen te verwerven. Deze groei moet er dan voor zorgen dat in Antwerpen betaalbare en kwaliteitsvolle zorg mogelijk blijft.
De zorgbelangen van de Antwerpenaar staan echter niet centraal. Schaalvergroting, omzetgroei en kostenreductie zijn immers elementen bij uitstek van de commerciële zorgsector. Waarom? Investeringsmaatschappijen staan te popelen om zich in te kopen in Zorgbedrijf Antwerpen. Het is een ideale springplank om overal in Vlaanderen zorgvastgoed te verwerven en een graantje mee te pikken van de torenhoge huurinkomsten. Medewerkers en burgers dreigen de rekening te betalen.
De Antwerpse expansieplannen tonen dat Vlaanderen – na de goedkeuring van het nieuwe decreet – deze commerciële logica van schaalvergroting en kostenefficiëntie verder wil doordrukken in de hele welzijnssector. Net daarom belangt deze beslissing ons allemaal aan. Willen we een samenleving waarin lokale besturen en social profit-dienstverleners samen instaan voor zorg die de mens centraal zet? Of dragen we de levensbehoefte die zorg is liever over aan het private winstbejag?
Openbare welzijnsverenigingen zijn het best geplaatst om tegemoet te komen aan de sociale noden van de bevolking, zoals onder meer Nathalie Vallet (Universiteit Antwerpen) ) en Eric Nysmans (directeur van Welzijnszorg Kempen) eerder ook al aangaven. Met een uitgebreid openbaar zorgaanbod kunnen lokale overheden meer greep uitoefenen op de dagprijzen in functie van betaalbaarheid en toegankelijkheid. De controle daarover moet in handen blijven van de lokale gemeenschappen.
Zelfs de meest kleinschalige privatisering zet de ethiek van publieke dienstbaarheid op de helling. De enge notie van efficiëntie die bankiers en financiële investeringsmaatschappijen erop nahouden, is niet op zijn plaats in een openbare welzijnsvereniging. Een financier zal voor elke activiteit apart kijken hoe hij met zo weinig mogelijk middelen zo veel mogelijk winst kan realiseren. De korte termijn primeert.
Een welzijnsvereniging bekijkt efficiëntie op de lange termijn en houdt daarbij rekening met de impact van een besparing in één activiteitengebied op andere taken en opdrachten. Ze kan efficiëntiewinsten ook inzetten om verlieslatende maar daarom niet minder belangrijke zorgactiviteiten te ondersteunen. Private Investeerders hekelen zo’n kruissubsidiëring: wat verlieslatend is, stoten ze af of maken ze ‘gezond’. Vervolgens keren ze de opbrengst van die uitgespaarde kosten uit aan de aandeelhouders.
De leden van het Vlaams Parlement moeten binnenkort een belangrijke beslissing nemen. Kiezen ze voor de verderzetting van het bestaande model met haar unieke mengeling van openbare en social profit-initiatieven? Of geven ze het speelveld volledig over aan vastgoedfondsen en commerciële zorgketens? Ik weet op welke stemknop ik zou drukken. Bron: Sociaal.Net
Volgens een bericht in Apache kunnen de minimumlonen toch naar boven.
Als de vakbonden groen licht krijgen van hun achterban zal het aanslepende sociaal overleg in België met een nieuw Interprofessioneel Akkoord 2021-2022 afgerond kunnen worden. Door te blijven inzetten op de verhoging van de minima zet de regering niet alleen een belangrijke stap in de strijd tegen armoede, ze zet ook de deur open naar een verhoging van de middeninkomens na 2022. Het was een van de opvallendste trendbreuken in het Vivaldi-regeerakkoord: de laagste uitkeringen moeten opgetrokken worden tot het Europese minimum, en de pensioenen en de laagste en de lagere middenlonen moeten worden verhoogd. Daarvoor zou de regering-De Croo ook middelen voorzien, maar de krijtlijnen waren duidelijk. De loonnorm van 0,4% was heilig en er was geen marge om opnieuw te rommelen aan het brugpensioen. Maandenlang onderhandelden patroons en vakbonden om een Interprofessioneel Akkoord (IPA) voor 2021 en 2022 te sluiten. Begin mei kwam er een eerste keer witte rook uit de schouw. De lonen mogen met 0,4% stijgen (een habbekrats volgens de vakbonden) en in sectoren waar het goed gaat kan een consumptiepremie van 500 euro onderhandeld worden. Begin mei slikten de socialisten de symbolische loonsverhoging. Ze broedden immers op meer Dat betekent dat het gros van de werknemers in België er de komende twee jaar bekaaid vanaf komt en amper een indexaanpassing mag verwachten. De patroons schermden met de negatieve gevolgen van de coronacrisis, maar gingen wel met de billen bloot toen bleek dat de dividenden van de grote bedrijven geen last bleken te hebben van het virus. Dat de socialisten in de regering vrede moesten nemen met die symbolische loonsverhoging, was een bittere pil. Er waren in het regeerakkoord nochtans achterpoortjes geplaatst die in bepaalde sectoren wél loonsverhogingen mogelijk maakten. Maar die bleven grotendeels gesloten. De socialisten slikten het akkoord. Ze broedden immers op meer …
Hoger minimiumloon De regering en vakbonden rondden het tweede luik van het IPA begin deze week af. De minimumlonen worden in drie stappen opgetrokken, te beginnen met een bruto opslag van 76 euro in april 2022 en daarna tweemaal 35 euro erbij in 2024 en 2026. Met die eis spreken de vakbonden de overheid aan op haar eerdere belofte om via fiscale weg tussen te komen, en er zo voor te zorgen dat die 35 euro tot 50 euro zou verhogen.
De werkgevers waren blij met de beslissing om voortaan 120 onbelaste overuren toe te laten per werknemer in alle sectoren. Daarnaast blokkeerden ze ook de syndicale eis om de brugpensioenleeftijd te verlagen tot 58 jaar. In ruil daarvoor kunnen werknemers wanneer ze 55 zijn wel makkelijker deeltijds gaan werken (de zogeheten landingsbanen), met een premie van de overheid erbovenop. Het akkoord bleek, na afloop van een nachtelijk beraad, verteerbaar voor alle betrokkenen. De vakbondsleiders gaan het verdedigen bij hun achterban, die later op de maand de definitieve beslissing neemt.
Kritiek Ondertussen regende het ook kritiek. Voor PVDA gaat het akkoord niet ver genoeg omdat de loonnorm van 0,4% overeind blijft. N-VA volgt de kritiek van een aantal arbeidsmarktexperts zoals Stijn Baert en Ive Marx. Zij wezen erop dat de sociale partners het er zich wel heel makkelijk vanaf maken. Het prijskaartje voor hun akkoord is immers voor de regering. Die kritiek is niet onterecht, vooral voor de landingsbanen die fors gesubsidieerd worden. Voor de minimumlonen liggen de kaarten anders. De overheid heft geen bijdragen op dat extra loon. Dat is dus strikt gesproken geen extra kost, maar een minderinkomst. Of de overheid in de toekomst een deel van de loonsverhoging bijpast, hangt af van de loonnorm die na 2022 van kracht zal zijn.
Meer of minder jobs? In de Verenigde Staten verwijt econoom Paul Krugman de Republikeinen dat ze niet naar de wetenschappelijke studies kijken en een ideologische kruistocht voeren tegen het minimumloon. Een kritiek die hier in Vlaanderen ook pertinent zou zijn. Verder rees de vraag of een verhoging van het minimumloon de werkgelegenheid doet dalen. Siegfried Bracke (N-VA) onderschreef die stelling in een tweet, die volgens de factcheck van De Standaard grotendeels klopte. Het lijkt logisch: als arbeid duurder wordt, wordt het voor bedrijven moeilijker om mensen aan te werven. Toch zijn er tal van studies die het tegendeel beweren. Een van de bekendste is Myth and Measurement: The New Economics of the Minimum Wage van David Card and Alan B. Krueger uit 1992.
De bevindingen van (vooral) Card werden nadien tegengesproken en genuanceerd, maar hij krijgt ook steun van economen Krugman en Joseph Stiglitz. De huidige consensus in het wetenschappelijk onderzoek is dat er geen duidelijk bewijs is voor de stelling dat hogere minimumlonen ook leiden tot minder jobs. Een recente Nederlandse studie concludeerde dat op korte termijn sprake kan zijn van een verlaging van de werkloosheid. Wanneer het gaat over effecten op lange termijn, steken de onderzoekers de handen in de lucht. Te weinig data.
Blinde vlekken Er zijn toch een aantal opvallende blinde vlekken in de kritiek van ‘de experts’, of tenminste de ‘orthodoxe’ (sic) experts die de boventoon voeren op sociale media, op de opiniepagina’s van kranten en in praatprogramma’s. Dat het voor werkgevers duurder wordt om mensen in dienst te nemen als het minimumloon stijgt, klopt in theorie, maar in de Belgische praktijk is dat een non-argument omdat de overheid zwaar tussenkomt in de verhoging. Anderzijds vergroot door deze verhoging het verschil tussen het minimumloon en de sociale uitkeringen. Specialisten die vaak de abjecte theorie verkondigen dat mensen zich gewillig ‘in de hangmat’ van de sociale zekerheid nestelen, zouden dit moeten toejuichen. Werken loont opnieuw een beetje meer. Specialisten die menen dat mensen zich gewillig ‘in de hangmat’ van de sociale zekerheid nestelen, zouden de verhoging van de minimumlonen moeten toejuichen Wie de gevolgen van de verhoging van de minimumlonen wél heel lucide analyseerde was Marc De Vos van de denktank Itinera. Hij verliest zich niet in de discussie over de vraag of die verhoging zorgt voor meer of minder jobs, maar waarschuwt dat “het officiële minimumloon slechts het gelijkvloers [is] onder een verdieping van nog hogere sectorale minimumlonen”. De Vos voorspelde maandag (7/6) al dat “een algemene verhoging van het minimumloon datgene [bereikt] waarvoor vakbonden vergeefs hebben gestreden in de loonnormfilm: een opstap naar een substantiële verhoging van de lonen verspreid over alle sectoren”. De Vos heeft natuurlijk een punt. Want hoe verdeeld de economen ook zijn over de gevolgen van de verhoging van de minimumlonen op de werkgelegenheid, ze zijn het meestal wel eens over de voorspelling dat die verhoging een opwaartse druk zet op alle lonen. Als de lage lonen stijgen, dan stijgen ook de gemiddelde lonen.
Slim aangepakt Wie daarbij stilstaat, moet erkennen dat socialisten (en ook de groenen, maar die blijven in dit dossier onder de radar) het erg slim hebben aangepakt door te blijven hameren op de verhoging van de minima. Niet alleen het minimumloon, maar ook de uitkeringen en de laagste pensioenen. De verhoging van de minima was het paard van Troje van de socialisten Toen de patroons eind vorig jaar de verhoging van de laagste uitkeringen (de zogenaamde ‘welvaartsenveloppe’) koppelden aan de onderhandelingen over de loonnorm, kwam het tot een keiharde confrontatie. De vakbonden riepen een algemene staking uit en PS-voorzitter Paul Magnette steunde die luidkeels. De regering kwam tussenbeide en legde de sociale partners een deadline op. Ofwel sloten ze zelf een akkoord over hogere minima, ofwel zou de regering in hun plaats beslissen.
Half april was de kogel door de kerk. Vooral de vakbonden waren opgetogen over het resultaat: de werkloosheidsuitkeringen stijgen met 2 tot 3,5%. Ook de minimumpensioenen worden verhoogd met 2% en het vakantiegeld van de gepensioneerden wordt opgetrokken met 6,5%. Daarnaast stijgen de minimumuitkeringen voor ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten met 0,95 tot 2%. Het akkoord maakte weer de weg vrij voor het ‘grote’ akkoord over de loonnorm. Dat werd, zoals gezegd, gepercipieerd als een liberale overwinning omdat de ‘heilige’ grens van 0,4% niet werd doorbroken. De socialisten wisten wel beter. De verhoging van de minima was hun paard van Troje. Voor het eerst in decennia wordt iets substantieels gedaan om de koopkracht van de laagste inkomens en uitkeringsgerechtigden te vergroten De drie akkoorden betekenen een breuk met het verleden. Niet alleen wordt er voor het eerst sinds decennia iets substantieels gedaan om de koopkracht van de laagste inkomens en uitkeringsgerechtigden te vergroten, er zal ook een dynamiek ontstaan die een opwaartse druk legt op àlle lonen. Die druk wordt nu nog geneutraliseerd door het loonakkoord van 2021-2022, maar de onderhandelingen voor de opvolger ervan beloven nu al pittig te worden. PVDA heeft een punt met haar kritiek op het feit dat de stijging van de minima niet van toepassing zal zijn op huishoudhulpen of maatwerkbedrijven. De uiterst linkse partij duwt hier op de tere plek. Zijn alle groepen op de steeds meer versplinterde arbeidsmarkt wel vertegenwoordigd aan de onderhandelingstafel van het sociaal overleg? Bereiken vakbonden, patroons en regering met hun akkoord iedereen?
Generatieconflict De rechtse oppositie, geleid door N-VA-voorzitter Bart De Wever (die steunde op de theorieën van Stijn Baert) lanceerde de kreet dat de huidige generatie actieven zal opdraaien voor de financiering van de landingsbanen voor 55-plussers. Op het eerste gezicht lijkt dat een valabel argument: de overheid legt fors bij om oudere werknemers die deeltijds mogen werken zo weinig mogelijk loonsverlies te laten leiden. De Wever moet dan vooral de werkgevers met de vinger wijzen. Zij verzetten zich tegen het verruimen van het brugpensioen. Logisch, want zij moeten betalen voor de toeslag die de ontslagen werknemer krijgt bovenop zijn of haar uitkering. Nu wordt de factuur naar de staat geschoven. Er wordt steeds meer geld uit de gewone begroting gepompt in de sociale zekerheid waardoor de financiering van de sociale zekerheid veel meer gespreid wordt over alle inkomens Ze komt bovenop de facturen van de verhoogde minimumlonen (zie hierboven). De vraag is dan aan wie al dat overheidsgeld ten goede komt? Matthias Somers van de progressieve denktank Minerva gooide een opvallende grafiek op Twitter, waaruit blijkt dat de Belgische bedrijven nu al 8 miljard euro aan loonsubsidies krijgen. Die tellen niet mee bij de berekening van de loonhandicap (en dus de loonnorm) en zijn grotendeels gefinancierd door de sociale zekerheid, dus ook deels met bijdragen van de werknemers.
Anderzijds is het onmiskenbaar dat er steeds meer geld uit de gewone begroting wordt gepompt in de sociale zekerheid. Dat is nodig om de lasten op arbeid te doen dalen, iets waar een grote consensus over bestaat. Op die manier wordt de financiering van de sociale zekerheid veel meer gespreid over alle inkomens, ook die van gepensioneerden trouwens. Door deze zogenaamde ‘alternatieve financiering’ van de sociale zekerheid vermindert wel de macht van de patroons en de vakbonden over ‘hun’ sociale zekerheid. Al die argumenten ontbraken de voorbije dagen in het (uiterst complexe) debat.
Vooruit-voorzitter Conner Rousseau juichte het akkoord toe en sprak de hoop uit dat de regering een belangrijke stap zou zetten naar de verhoging van de pensioenen tot 1.500 euro per maand. Benieuwd of minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke erin zal slagen om aan zijn jonge partijvoorzitter (die beweert nooit boeken te lezen), uit te leggen dat een verhoging van de pensioenen enkel mogelijk is met een … vermogensbelasting. Dat was alleszins een van de conclusies die de Commissie Pensioenhervorming (ook wel de Commissie Vandenbroucke genoemd) in haar rapport van 2014 naar voor schoof. Zelfs al krijg je meer mensen aan het werk die meer bijdragen betalen, dan nog is “het zoeken naar bijkomende financiering onafwendbaar, zowel op korte termijn als op langere termijn. (…) De Commissie is van oordeel dat financiering op basis van vermogen daarin een rol moet spelen”. De Van Peteghem-taks op effectenrekeningen zal hiervoor in elk geval niet volstaan. Bron: Apache
Al meer dan 40 jaar besparen de opeenvolgende regeringen op de lonen en de uitkeringen van de werkende klasse Dat om de twee jaar vakbonden en werkgeversorganisaties samen gaan zitten over de loonvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden, komt niet zomaar uit de lucht gevallen. Het heeft een lange geschiedenis. Het overleg dat we vandaag kennen, is ontwikkeld op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Omdat tijdens die oorlog het socialistische model veel sympathie begon te krijgen, veranderde het patronaat het geweer van schouder. Toen na 1941 het besef groeide dat de Nieuwe Orde van Adolf Hitler niet lang zou meegaan, werd niet langer gezocht naar een samenwerking met de bezettende macht.
In tegenstelling tot de houding in 1940, toen men nog de verdwijning van de vakbonden bejubelde, begon een deel van het patronaat vakbondsleiders op te zoeken. Men kwam tot het inzicht dat de naoorlogse economische heropbouw in een geest van onderlinge samenhorigheid in beider voordeel moest worden aangevat. Voorzichtig kwamen er tussenbeide gesprekken op gang. Later werden ook de ziekenfondsen bij de besprekingen betrokken. Na moeizame vergaderingen bereikte men op 24 april 1944 een akkoord over een voorstel tot sociaal pact dat het handvest zou worden van een naoorlogse politiek. Het Ontwerp van Overeenkomst tot Sociale Solidariteit ging uit van een bevriezing van de sociale krachtsverhoudingen en handelde over de loonpolitiek, de invoering van een verplicht stelsel van sociale zekerheid en de grondslagen van het sociaal overleg binnen de onderneming en de sectoren.
In zijn boek Ongelijk spel schrijft gewezen nationaal voorzitter van het ABVV Rudy De Leeuw over het Sociaal Pact het volgende: “Als socialisten, en zeker als socialistische vakbond, moesten er ideologische toegevingen gebeuren. We hebben in een toenadering tussen arbeiders en werkgevers het gezag van de werkgevers aanvaard en de strijd tegen het kapitalisme afgezwakt.” Met het “aanvaarden van het gezag van de werkgevers” wordt bedoeld, dat zou worden afgezien van de eis om bedrijven te nationaliseren. Los van deze toegeving is het wel een feit, dat ondanks de fabrieken in privéhanden bleven, het Sociaal Pact, waardoor sociaal overleg mogelijk werd, de levensomstandigheden van vele mensen heeft verbeterd.
Een tijd lang was er een evenwicht tussen de eisen van de werkgeversorganisaties en de vakbonden. Vandaag, 77 jaar na de ondertekening van het Sociaal Pact, is dat evenwicht totaal zoek. Het begon aan het einde van de jaren 1970 toen het neoliberalisme het licht zag en men vanaf 1974 van de ene crisis in de andere sukkelde. Vanaf toen verscherpte de concurrentie en begon men de arbeidstijd te flexibiliseren. Om nieuwe markten open te breken, begon men overheidsbedrijven en diensten te privatiseren. Door het concurrentiegevecht en de zoektocht naar de grootste winst, begon de regering op vraag van het patronaat in te grijpen op de loon- en arbeidsvoorwaarden. De thema’s van het sociaal overleg werden vanaf dan niet meer alleen een zaak tussen de vakbonden en de werkgevers, maar ook van de politiek. De wetten die de regering uitvaardigde, hadden een grote weerslag op het sociaal overleg. Dat is duidelijk te zien als je gaat kijken naar de aanvallen op de lonen en uitkeringen van de vier laatste decennia. Daar zien we dat het vooral de regering is, die de krijtlijnen uitzet.
De index uitgehold De eerste aanvallen op de lonen werden ingezet via de index. Zo werd in 1976 voor een bepaalde periode een indexverhoging beperkt. Vervolgens voerde men vanaf 1983 een vertragingsmethode in. Sinds dan gebeurt de indexaanpassing van de lonen niet meer op basis van het maandelijks indexcijfer, maar op basis van het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van de laatste vier maanden. In de jaren 1980 werden er drie indexverhogingen overgeslagen: de zogenaamde indexsprongen. In 1994 werd voor de indexkoppeling van de lonen en sociale uitkeringen niet meer het indexcijfer van de consumptieprijzen gebruikt, maar een zogenaamd ‘indexcijfer gezondheid’. Producten zoals alcohol, tabak, benzine en diesel, werden niet meer opgenomen in de korf om de index te bepalen.
In 2012 voerde de regering-Di Rupo de solden-index in. Bij dit mechanisme haalt men geen producten uit de huishoudkorf weg, maar voegt men er producten aan toe. De toenmalige regering besliste namelijk om rekening te houden met de solden in de berekening van de prijzenindex. Het onmiddellijke effect hiervan was dat de stijging van de index kunstmatig werd vertraagd, waardoor loonaanpassingen uitgesteld werden.
Een laatste aanval op de index zal nog fris in het geheugen zitten. De vorige regering-Michel voerde net als in de jaren 1980 ook in 2015 een indexsprong in. Deze jarenlange aanvallen op de indexering van de lonen en de sociale uitkeringen hebben aan de werknemers al vele duizenden euro’s gekost. Hieronder een voorbeeld van een indexsprong om je een idee te geven over hoeveel verlies dit kan gaan:
Ken en Sara zijn een jong koppel met twee kinderen. Ken is arbeider. Hij werkt voltijds in een groot bedrijf. Hij werkt in ploegen en verdient 2.800 euro bruto of 1.790 euro netto. Sara werkt als bediende in de distributiesector. Ze verdient 2.400 euro bruto of 1.630 euro netto. Een indexsprong betekent voor dit gezin een verlies van 34.000 euro bruto of 22.300 euro netto over een loopbaan van nauwelijks 20 jaar.
De loonkostenwet = legale vervalsing Naast ingrepen op het indexmechanisme worden al vele jaren inkomensverhogingen beperkt. Dat werd in 1996 in een wet gegoten dat zorgde voor een wettelijke omkadering. Officieel luistert de wet naar de naam: “Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen”. Deze loonkostenwet, die tot vandaag nog in voege is, moet ervoor zorgen dat de Belgische lonen niet sneller stijgen dan die in onze buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. Het cijfer van de loonmarge wordt gegeven door de Centrale Raad van het Bedrijfsleven (CRB). Dit orgaan stelt om de twee jaar een technisch verslag op met de beschikbare loonmarges. Daarin berekent de CRB hoeveel de lonen maximaal mogen stijgen. Het cijfer van de maximale loonmarge wordt berekend aan de hand van de verwachte loonevolutie in de drie buurlanden, en de verwachte evolutie van de index in België.
Volgens het rapport van de CRB mogen de lonen in België de komende twee jaar met amper 0,4 procent stijgen. Voor een winkelbediende met een maandwedde van 1.800 euro per maand is dat een opslag van 7 euro bruto. Zo goed als niets! Dat de marge zo klein is, heeft niet alleen te maken met de lonen in het buitenland, maar ook met de loonkostenwet zelf. Die zorgt voor een keurslijf, waardoor de lonen amper kunnen stijgen. Daar bovenop werd deze wet nog eens verstrengd door de regering-Michel. Zo houdt de verstrengde wet geen rekening met een deel van de loonkostsubsidies en bijdrageverminderingen voor de sociale zekerheid die bedrijven krijgen en die dienen om hun loonkosten te drukken. Ook houdt de loonkostenwet geen rekening met de verschillen in productiviteit. De cijferaars van de CRB meten enkel hoeveel een gewerkt uur aan een bedrijf kost, maar meten niet hoeveel een gewerkt uur het bedrijf heeft opgeleverd.[6] Nochtans werden jaar na jaar de Belgische werknemers productiever. Als toemaatje heeft de regering-Michel op vraag van de patroons in de wet bijkomende marges ingevoerd die de ruimte voor loonsverhoging nog meer beperkten dan voorheen.
Van arbeid naar kapitaal Al meer dan 40 jaar wordt door de opeenvolgende regeringen op het inkomen van de werkende klasse bespaard. Het gevolg hiervan is dat het aandeel van arbeid in de geproduceerde rijkdom van België is gaan dalen. Alleen al sinds de regering-Michel in 2014 aan de macht kwam, is er 40 miljard euro van de werkende klasse weggevloeid naar kapitaal.[9] Toen die regering, maar ook de Vlaamse regering, de ene na de andere besparingsmaatregel oplegde aan de werknemers en de uitkeringsgerechtigden, berekenden de vakbonden het inkomensverlies. Naargelang de situatie kon het inkomensverlies oplopen tot 1.000 euro of zelfs tot 1.500 euro per jaar.
Indexmanipulatie en de loonkostenwet zorgen er al jaren voor dat de lonen niet meer stijgen. Wat een verschil met de situatie van de managers. Tussen 2018 en 2019 is hun totale vergoeding gestegen met maar liefst 15,5 procent. Het mediaanloon van een manager van een Bel-20-bedrijf ligt nu op 2.384.622 euro per jaar. Dat is meer dan 51 keer zoveel als het doorsnee jaarloon van de werkende klasse.
Volgens Pieter Timmermans, voorzitter van het VBO, is er geen marge voor looneisen. Over de buitensporige bonussen en aandelenpakketten voor de managers: geen woord. Maar is het met de coronacrisis niet duidelijk geworden wie de economie echt doet draaien? En tevens ook hoe we hebben gezien hoe ondergewaardeerd velen van hen waren?
“Ik zal u iets verklappen”, zei Marc Leemans, nationaal voorzitter van het ACV in zijn toespraak naar aanleiding van Rerum Novarum in 2019, “Het is niet de aandeelhouder die zorgt voor welvaart en welzijn. Wel de mannen en vrouwen die zich elke dag keihard inzetten voor hun boterham, voor die van hun baas én voor die van de aandeelhouders. Hun inzet moet men beter belonen. (…) Zonder bemoeienis van de politiek die met hulp van patronale adviseurs een loonwet vol sjoemelsoftware hebben gemaakt.
Vragen Als zonder werknemers geen welvaart wordt gecreëerd, is het dan niet normaal dat ze daarvoor een waardig loon krijgen? Dat na meer dan 40 jaar van besparingen er een serieuze inhaalbeweging mag komen? Waarom zou een manager 51 maal meer waard moeten zijn dan een werknemer?
Moet de loonkostenwet die een maximumloonnorm oplegt en die vol vervalsingen zit, niet naar de prullenmand? Zou het niet beter zijn dat er in plaats van een maximumloonnorm een minimumloonnorm komt? Zo is er ruimte voor loonsverhoging voor iedereen. Bovenop de minimumloonnorm kunnen de werknemers per sector dan nog verdere loonsverhogingen eisen en afdwingen. Vooral in die sectoren die hun winsten zagen stijgen door de coronacrisis. Denk maar aan de farmaceutische industrie en de distributie.
En moeten we blijven aanvaarden dat de minimumlonen in België veel te laag zijn? Is het vandaag niet duidelijk genoeg wie de samenleving doet draaien? Het zijn vaak de werknemers die onderbetaald zijn en die in moeilijke omstandigheden ervoor gezorgd hebben dat de gezondheidszorg, de voedselvoorziening, transport, schoonmaakdiensten, openbare diensten en strategische industriële productie overeind bleven. In die essentiële sectoren liggen de meeste sectorale minimumlonen onder de grens van 14 euro bruto per uur of 2.300 euro bruto per maand. Is het niet meer dan gerechtvaardigd dat in het volgende interprofessioneel akkoord tussen vakbonden en werkgevers het minimumloon wordt verhoogd naar 14 euro bruto per uur?
Verschillende theorieën in de moderne wetenschap vertonen een opvallende gelijkenis met de filosofie van het marxisme. Wetenschappers begrijpen de werkelijkheid steeds vaker als een dialectische wisselwerking waarbij periodes van stabiliteit onderbroken worden door discontinuïteiten. De chaostheorie verklaart hoe kleine oorzaken kunnen leiden tot grote gevolgen en revolutionaire sprongen. De rede in opstand volgt het revolutionaire wereldbeeld in de moderne wetenschap door de meest uiteenlopende disciplines heen, waaronder de biologie, de natuurkunde, de geologie en de menswetenschappen. Alan Woods en Ted Grant beschrijven op een heldere manier de relatie met het dialectisch materialisme, zoals dat werd uitgewerkt door Karl Marx en Friedrich Engels. Onderweg staan ze stil bij het mysticisme in de theoretische natuurkunde en bij de wetenschappelijke theorieën die worden aangevoerd om de bestaande kapitalistische orde te legitimeren. Egoïsme zou onvermijdelijk zijn en criminaliteit zou genetisch bepaald zijn. Steeds meer wetenschappers plaatsen echter vraagtekens bij de oude opvattingen. Zo komt de wetenschap stilaan zelf op een kruispunt te staan. Met de aangehouden crisis van het kapitalisme wordt de economische analyse van Marx weer actueel. Zelfs liberale economen citeren vandaag gretig uit de bladzijden van ‘Het Kapitaal’. Maar de filosofische methode die deze diepgaande economische analyse mogelijk heeft gemaakt is veel minder bekend. Met De rede in opstand krijgt u een grondig en ‘up to date’ inzicht in de dialectiek. Lees verder via: De rede in opstand: marxistische filosofie en moderne wetenschappen | Filosofie | Theorie | Analyse (vonk.org)
Wij gebruiken cookies om de werking van onze website te verbeteren
Functional Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistics
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.