De top-3 van domste politieke strategieën ooit: corona, energie en de strijd tegen extreemrechts

In de geschiedenislessen over 100 jaar gaat de huidige politieke generatie met de prijs lopen van de domste politiek sedert Didius Julianus. Dat staat vast. Alleen is het verre van zeker welke politiek precies zal bekroond worden. Er zijn namelijk nogal wat kandidaten.

De coronapolitiek staat alvast met stip genoteerd. De politici hebben zich laten ringeloren door een coalitie van zichzelf overschattende silowetenschappers die zich hadden vermomd in de onbestaande ‘wetenschappelijke consensus’. Dat is bepaald infaam. De beleidsmakers bleken elke basiskennis van statistiek te ontberen. De geschriften van professor Neil Ferguson en de modelbouwers waren nochtans dermate van de pot gerukt dat zelfs de statistiek uit het secundair onderwijs kon volstaan. Enkel volstrekte nitwits mogen er zich actueel over beschamen dat zij nalieten kritische vragen te stellen. Of ontbrak het aan het greintje leiderschap dat van elke politicus mag worden verwacht om niet gewoon mee te huilen met de wolven in het bos?

Geen hond die intussen nog gelooft dat karren kuisen, plexischermen, looplijnen, handen wassen, anderhalve meter, CST’s, lockdowns en andere rituelen ooit de oplossing waren. Er zijn nog hardnekkige gelovigen in de mondmaskers en goddelijke onfeilbaarheid van de vaccins, maar over 100 jaar zijn de big data daarover allemaal beschikbaar… Wat rest is een beangstigde, ontwrichte samenleving met meer psychische problemen dan ooit, inflatie, collaterale doden en schade, polarisatie, agressieve sociale media, twijfel in de wetenschap, radicalisering, verwerping van de overheid en zelfs van de democratie. Een gigantische beschamende vertoning was het, die coronapolitiek.

Energie

Onderwijl hebben we diezelfde Russen sancties opgelegd. Hoe meer we afhankelijk werden, hoe meer sancties. Zo’n ijzeren logica, het is weinigen gegeven

Wat dan te denken van de absolute knoeiboel die ‘energie‘ heet? Eerst moesten de socialisten hun programma uitvoeren: veel te veel overheidsgeld uitgeven. Aan zonnepanelen in dit geval. Daarna was het de beurt aan het Groen-programma. Gedreven door de frustratie van 50 jaar doemdenken in de woestijn. Een al even oude achterhaalde politiek van consuminderen door de strot van de mensen duwen. Met in de marge een traditionele aversie voor kernenergie. Alsof ook die sector groengewijs nooit evolueerde. We kregen de afbouw van kernenergie en de afbouw van de ontginning van fossiele brandstoffen waardoor we afhankelijk werden van Russisch gas. Wellicht omdat ze daar op ecologische wijze aan gaswinning doen. Onderwijl hebben we diezelfde Russen sancties opgelegd. Hoe meer we afhankelijk werden, hoe meer sancties. Zo’n ijzeren logica, het is weinigen gegeven. Met de groenen in de regering ging de illusie van de klimaatcontrole nog een versnelling hoger. De ‘scheurtjescentrales’ werden gesloten en we zouden inzetten op gascentrales met dus nog meer Russisch gas.

Dan de bocht van 180 graden, toen het begon te dagen dat de ‘consuminderen-politiek’ als defensie tegen het Poetin-fenomeen de mensen in armoede stort. De ‘scheurtjescentrales’ moesten langer openblijven. Alle scheurtjes waren plotseling verdwenen. Maar de wet die de sluiting van de centrales beveelt, werd niet opgeheven. Dus gingen er al twee centrales dicht die langer moesten openblijven. Over 100 jaar liggen de leerlingen in een deuk, als ze dat lezen.

Extreemrechts

De kroon op het politieke werk is zonder meer de strijd tegen extreemrechts. Of is het eerder de strijd vóór extreemrechts. Ruim 30 jaar geleden ging er een schok door de goegemeente van gutmenschen. Zwarte zondag liep uit in verkettering, schandaalspraak, een cordon sanitaire en een tv-presentator die een strikje ging dragen. Het Blok werd bij de vuilbak en bij de afdeling insecten ondergebracht. Er moest worden uitgesloten, verbannen, verzwegen, niet verzwegen, bestreden, veroordeeld, gediaboliseerd, maar vooral heel hard gescholden. Niet op de kiezers meteen, maar vooral op wie die kiezers hebben verkozen. Alsof de mensen niet wisten waarvoor ze stemden. Keer op keer bleek deze strategie geen nieuwe zwarte zondag te verhinderen.

Mensen die zo hard mogelijk hun shitvinger willen laten horen, stemmen voor de partij die het hardst wordt verketterd

Het Blok werd Belang, alsof dat er veel toe deed. Intussen zit het Belang boven 20% in de peilingen. Extreemrechts dreigt de grootste partij van het land te worden. De traditionele partijen worden gedecimeerd. De N-VA heeft met de schijn van realspeak van voorzitter De Wever de indruk van een alternatief een tijdlang hoog gehouden. Maar ook die tendens is op de terugweg onder invloed van de 180 graden-spagaat van de nationalisten in de Vlaamse regering en de federale oppositie. Het Belang verzamelt de kiezers die de huidige politiek grondig beu zijn. Mensen die zo hard mogelijk hun shitvinger willen laten horen, stemmen voor de partij die het hardst wordt verketterd. Het programma van die partij zal hen worst wezen. Zo blijkt uit ‘De Stemming’ trouwens overduidelijk.

Democratie in gevaar

Die strategie van diabolisering is de garantie voor de groei van het Belang. Hoe meer de proteststemmers van de in hun ogen foute politici horen dat het Belang fout zit, hoe meer ze ervan overtuigd zijn dat het omgekeerde waar is. Hoe harder de Luc Selsen van deze wereld roepen dat de democratie in gevaar is, hoe minder erg de protestkiezers dat vinden. Ze spuwen op de betweterige elite die Sels belichaamt.

Als Sels zich opwerpt als de verdediger van de democratie, dan gaan ze die democratie met plezier verwerpen. Dat is precies waar de jeugdige schildknaap Dries Van Langenhove op inspeelt. Hij verlaat het democratische schip en plaatst zich aan de kant van de mensen die een nieuwe samenleving willen, zonder democratie. De extreme harde kern van de nieuwe protest- en complotdenkers. Sels staat intussen te kijven op het spreekgestoelte van een leeglopende kerk gelijkgezinden. Zijn impact op de stouteriken is niet nul: er komen gewoon nog meer stouteriken bij.

De huidige generatie slechte politieke amateurstrategen slaagt er niet in de zwakke plek van extreemrechts te zien. Met name dat het die protestmensen geen zier meer kan schelen voor wie ze stemmen. Als hun stem de hovaardige politiekers maar hard treft. Wie erin slaagt om naar deze mensen te luisteren, hen een volwaardig alternatief te bieden en ze daar in Brussel zoveel mogelijk te ‘kloten’, die zou wel eens op behoorlijk wat bijval kunnen rekenen.

De Nieuwe Economie – Tim O’Reilly

De Nieuwe Economie – Tim O’Reilly

In zijn boek ‘De nieuwe economie’ schrijft Tim O’Reilly over de plaats die nieuwe technologieën zoals Artificiële Intelligentie moeten krijgen in onze samenleving. Trends biedt u een passage aan over de gevolgen van de technologische evolutie voor de werkgelegenheid. ‘In de toekomst komt het nieuwe werk misschien niet in de vorm van wat wij als een baan zien.’

Aan het begin van de Grote Depressie zette John Maynard Keynes een opvallende economische prognose op papier. Hij schreef dat de mens, ondanks de onheilspellende storm die op dat moment de wereld in zijn greep hield, op het punt stond een oplossing te vinden voor ‘het economische probleem’, dat wil zeggen de strijd om het dagelijks bestaan. De wereld van zijn kleinkinderen (de wereld waarin we nu leven) zou ‘voor het eerst […] te maken krijgen met het echte en blijvende probleem [van de mensheid]: hoe moest de mens omgaan met de bevrijding van economische zorgen, met het invullen van zijn vrije tijd waar de wetenschap en rente op rente voor hadden gezorgd; hoe kon hij een verstandig, aangenaam en goed leven leiden?’

Het verliep allemaal anders dan Keynes zich had voorgesteld. Zeker, na een slopende depressie en een grote wereldoorlog begon de economie aan een periode van ongekende voorspoed. Maar in de afgelopen decennia is die voorspoed wel erg ongelijk verdeeld, ondanks de opmerkelijke zakelijke en technologische vooruitgang. Over de hele wereld is de gemiddelde levensstandaard zeer sterk toegenomen, maar in moderne ontwikkelde economieën is ze in de middenklasse gestagneerd en voor het eerst in vele generaties is het mogelijk dat onze kinderen slechter af zijn dan wij. Nogmaals: we hebben te maken met, volgens Keynes, ‘de enorme tegenstrijdigheid die werkloosheid vormt in een wereld vol behoeften’, met politieke instabiliteit en onzekere zakelijke vooruitzichten die daar logischerwijs uit volgen.

Maar Keynes had gelijk. De wereld die hij zich voorstelde, waar ‘het economische probleem’ is opgelost, ligt in feite nog steeds voor ons. De armoede in de wereld is nog nooit zo gering geweest, en als we het spel maar goed spelen, kunnen we nog steeds een wereld betreden die Keynes voor ogen had.

Technologie en spreiding van kennis hebben de armoede in de wereld in belangrijke mate verminderd, ook al heeft dat voor arbeiders in ontwikkelde landen grote economische uitdagingen opgeleverd. Zoals Max Roser, maker van Our World in Data, een opmerkelijke collectie afbeeldingen over de vooruitgang van de wereld in de afgelopen vijfhonderd jaar, zegt: ‘In 1981 leefde meer dan 50 procent van de wereldbevolking nog in absolute armoede, dat is nu verminderd tot 14 procent. Dat zijn nog steeds heel veel mensen, maar de veranderingen gaan razendsnel. De data vertellen ons dat de armoede nu sneller terugloopt dan ooit tevoren.’

Een groot gedeelte van Keynes’ essay, getiteld ‘Economic Possibilities for Our Grandchildren’, gaat over de vraag wat de mens met zijn tijd aan moet als de productiviteit zo is toegenomen dat machines al het werk doen.

Is er dan echt geen werk meer voor de mens? In 1930 dacht Keynes van wel, en ik denk daar hetzelfde over. ‘We lijden momenteel aan een zware aanval van economisch pessimisme,’ schreef hij. ‘Je hoort de mensen vaak zeggen dat de eeuw die voor enorme economische vooruitgang heeft gezorgd voorbij is, dat de snelle verbetering van de levensstandaard nu wordt afgeremd en dat in het decennium dat voor ons ligt een terugval in voorspoed waarschijnlijker is dan een verbetering. Ik denk dat dat een volledig verkeerde interpretatie is van wat ons overkomt. Wij lijden, niet aan reumatiek vanwege onzehoge leeftijd, maar aan de groeipijnen van de uiterst snelle veranderingen, aan de pijnlijke ontwikkelingen die behoren bij de aanpassingen tussen de ene economische periode en de andere.’ (cursivering door de auteur)

Onvermijdelijk klinkt ook nu weer het refrein van pessimisme en twijfel. Automatisering gaat de administratieve banen om zeep helpen, net zoals het dat ooit deed met de fabrieksbanen. We hebben een economie die gebaseerd is op groei, maar de groei is eruit. Enzovoort. Keynes noemde het onderwerp van onze huidige angst met een vooruitziende blik ’technologische werkloosheid’. Hij definieerde die term als het onvermogen om in hetzelfde tempo nieuwe toepassingen voor werk te vinden als manieren om de behoefte eraan te elimineren. Hij sluit af met: ‘Maar het is slechts een tijdelijke fase van onevenwichtigheid.’ Ik blijf optimistisch, net als Keynes. Er is al sprake van grote ontwrichting en er komt nog veel meer aan, maar als wij als maatschappij de juiste keuzes maken, komen we er uiteindelijk wel uit. De pijn op de korte termijn is zeker echt en, zoals we al hebben gezegd, om de pijn te verzachten moeten we de regels van onze economie herschrijven en onze veiligheid vergroten. Als we deze transitie zonder gewelddadige revolutie door komen, geeft de geschiedenis ons voldoende redenen tot hoop.

In 1811 zetten wevers in het Britse Nottinghamshire zich in voor de strijd die ooit begonnen was door de mythische Ned Ludd (die naar verluidt dertig jaar eerder mechanische weefgetouwen kapot had geslagen) en kwamen in opstand. Deze luddieten vernielden de machines die een bedreiging vormden voor hun levensonderhoud. En ze waren terecht bang. Er lagen grimmige decennia in het verschiet. Menselijke arbeid werd inderdaad vervangen door machines en het duurde even voordat de maatschappij zich daaraan had aangepast.

Maar die wevers hadden zich in hun stoutste dromen niet kunnen voorstellen dat hun afstammelingen meer kleren zouden hebben dan de Europese koningen en koninginnen of dat gewone mensen midden in de winter volop zomerfruit zouden eten. Ze hadden niet kunnen denken dat we dwars door bergen en onder zeeën door zouden rijden, dat we door de lucht zouden vliegen, in een paar uur tijd continenten zouden doorkruisen, dat we in de woestijn steden zouden bouwen met honderden meters hoge gebouwen, dat we op de maan zouden staan en ruimtevaartuigen het heelal in zouden schieten op weg naar veraf gelegen planeten, dat we zo ongelooflijk veel akelige ziekten zouden genezen. En ze hadden al helemaal niet kunnen bedenken dat hun kinderen zinvol werk zouden vinden waardoor al deze dingen mogelijk waren.

Wat zijn de mogelijkheden van de hedendaagse technologie die we ons nog niet kunnen voorstellen?

Nick Hanauer zei ooit tegen mij: ‘In een menselijke samenleving is voorspoed het beste te omschrijven als de optelsom van oplossingen voor menselijke problemen. Zolang er problemen zijn hebben wij werk.’ Zijn we nou klaar?

Nee, nog niet. De enorme transformaties die we als reactie op de klimaatveranderingen aan onze energie-infrastructuur moeten toepassen, zijn nog lang niet voltooid. Dan zijn er nog problemen op het gebied van de volksgezondheid met nieuwe besmettelijke ziekten, de demografische inversie waarbij een groeiende klasse ouderen onderhouden moet worden door een kleinere groep werkenden, de wederopbouw van de fysieke infrastructuur in onze [Amerikaanse] steden, schoon drinkwater voor de hele wereld, en negen miljard mensen die gevoed, gekleed en opgevangen moeten worden. Hoe maken we van miljoenen ontheemden die als vluchtelingen in smerige kampen moeten leven mensen die als een soort kolonisten de steden van de toekomst gaan bewonen? Hoe gaat educatie eruitzien? Hoe kunnen we beter voor elkaar zorgen?

De geschiedenis heeft nog een veel recenter verhaal dan dat van de luddieten in de aanbieding over banen die door machines werden overgenomen. Dankzij de makers van Hidden Figures, een ontroerende film uit 2016 over vrouwelijke Afro-Amerikaanse wiskundigen die tijdens de wedloop in de ruimtevaart in het begin van de jaren zestig in het Langley Research Center werkten, weten nu miljoenen mensen hoe Dorothy Vaughan reageerde toen ze de evenknie van de machinale weefgetouwen zag. Vaughan gaf leiding aan een aparte groep ‘computers’, in dit geval allemaal vrouwen en allemaal Afro-Amerikaans, die voor het ruimtevaartprogramma van jfk met de hand ingewikkelde wiskundige berekeningen maakten. Toen de naca (de voorloper van de nasa) in het geromantiseerde navertelde verhaal in de film een ibm 7090-computer aanschafte (zo groot dat ze muren moesten uitbreken), zag Dorothy daarin een teken aan de wand en besloot ze niet alleen zelf fortran, de programmeertaal van die computer, te leren, maar haar medewerkers daar ook in te scholen. In tegenstelling tot een werkloos bestaan hadden ze nu een baan die eerder niet bestond en deden ze dingen die nooit eerder waren gedaan.

In de toekomst komt dat nieuwe werk misschien niet in de vorm van wat wij als een baan zien. Vergeet niet dat Hanauer zei: ‘er blijft voldoende werk,’ en niet ‘er blijven voldoende banen’. Een deel van het probleem is dat ‘een baan’ een kunstmatige constructie is waarin werk wordt gedaan dat door ondernemingen en andere instituties wordt uitbesteed en waarbij individuen moeten solliciteren om deel te kunnen nemen aan de uitvoering van dat werk. Financiële markten worden geacht mensen en ondernemingen te belonen voor het werk dat gedaan moet worden. Maar zoals al in hoofdstuk 11 is besproken, wordt het verschil tussen de beloning van de financiële markten en datgene wat de economie werkelijk nodig heeft steeds groter.

Dat is wat Keynes bedoelde met ‘de enorme tegenstrijdigheid die werkloosheid vormt in een wereld vol behoeften’. Omdat bedrijven andere motivaties en beperkingen hebben dan individuen, is het mogelijk dat een bedrijf geen ‘banen’ wil of kan aanbieden, zelfs niet als er ‘werk’ genoeg is. Vanwege de structuur van vaste dienstverbanden aarzelen bedrijven in onzekere tijden om medewerkers aan te nemen, totdat ze zeker zijn van voldoende vraag naar hun producten. En vanwege de druk vanuit de financiële markten is het op de korte termijn voor bedrijven vaak gunstig om op personeel te bezuinigen, want als de prijs van de aandelen omhooggaat, krijgen de eigenaren vaak een beter resultaat dan door het aannemen van mensen om het werk te doen. Uiteindelijk lost ‘de markt’ (in theorie) de problemen op en kunnen bedrijven hun banen vervolgens weer aan bereidwillige arbeiders aanbieden. Maar er zijn veel onnodige fricties en negatieve effecten die daaruit voortvloeien, die economen ‘externe factoren’ noemen.

We hebben gezien hoe technologieplatforms nieuwe mechanismen bedenken om mensen en organisaties aan elkaar te koppelen voor werk dat gedaan moet worden; een efficiëntere marktplaats voor werk. Je kunt stellen dat het een van de belangrijkste sturende elementen is in het hart van de on-demandrevolutie, met bedrijven zoals Uber en Lyft, DoorDash en Instacart, Upwork, Handy, TaskRabbit en Thumbtack. We moeten ons niet blindstaren op de nadelen van deze platforms, waar inkomens minder consistent zijn en een sociaal vangnet ontbreekt, we moeten ook zien wat er wél goed aan is. We moeten deze platforms verbeteren zodat ze daadwerkelijk ten dienste staan van de mensen die daardoor werk vinden; we moeten niet proberen de klok terug te draaien naar de gegarandeerde werkgelegenheidsstructuur uit de jaren vijftig.

En wie neemt de leiding op zich? Wie herkent het werk dat gedaan moet worden? Denk aan wat Elon Musk heeft gedaan om nieuwe industrieën te creëren met Tesla, SpaceX en Solar City.

Ik denk, net zoals Musk, dat de Tweede Wereldoorlog op het conto kwam van onze ouders en grootouders en dat de klimaatverandering op het bordje komt van onze generatie en de volgende, en dat is een uitdaging die we het hoofd moeten bieden, anders zullen we de ernstige consequenties moeten aanvaarden. Maar door uitdagingen aan te gaan kunnen we aan een betere toekomst bouwen. Het is inmiddels duidelijk dat de transformatie van onze energie-infrastructuur een heleboel goedbetaalde banen voor mensen oplevert, maar het is ook duidelijk dat de technologie daarbij een heel grote rol gaat spelen. In datacentra, bijvoorbeeld, zorgt kunstmatige intelligentie voor een radicale verhoging van de energie-efficiency. Hoe kunnen we ons elektriciteitsnet opnieuw ontwerpen en bouwen zodat het gedecentraliseerd en adaptief is? Hoe kunnen we gebruikmaken van zelfrijdende voertuigen om de indeling van de stad opnieuw in kaart te brengen en haar vervolgens te veranderen in een groenere, gezondere en fijnere plaats om te wonen? Hoe kunnen we kunstmatige intelligentie inzetten om te anticiperen op het steeds grilliger wordende weer en onze landbouw, steden en economie beschermen?

De aankondiging in 2016 van Mark Zuckerberg en Priscilla Chan dat ze een initiatief financieren dat zich richt op het genezen van alle ziekten tijdens het leven van hun kinderen, is nog een voorbeeld van een stoutmoedige droom die veel verder gaat dan de zwakke verbeeldingskracht van de huidige markt. Het spreekt bijna voor zich dat kunstmatige intelligentie en zelflerende systemen een grote rol gaan spelen in het verwezenlijken van dat ambitieuze doel, naast onze toenemende kennis van de menselijke genetica en biologie. Kunstmatige intelligentie wordt nu al gebruikt om miljoenen radiologische onderzoeken te analyseren, en daarvoor hanteert ze een resolutie- en precisiebereik dat mensen onmogelijk kunnen evenaren. Zo helpt AI artsen ook om de stortvloed aan medische onderzoeksgegevens bij te houden op een niveau dat een menselijke dokter nooit kan bereiken. Het spreekt bijna voor zich dat er bij het uitroeien van ziekten en handicaps voor iedereen ook voor mensen nog bergen werk te verzetten zijn.

De markt werkt niet altijd feilloos. De overheid kan een rol spelen, zoals ze dat ook deed bij het internet, gps en het Human Genome Project. Die rol is niet beperkt tot alleen investeren in fundamenteel onderzoek of in projecten waarvoor een gecoördineerde inzet nodig is die groter is dan wat zelfs de allergrootste commerciële instellingen kunnen bieden. De overheid moet zich ook bezighouden met een falende markt. Dat kan een falende burgerij zijn of gewoonweg het plegen van misdrijven door commerciële actoren betreffen, maar ook de verkeerd geïnterpreteerde fitnessfunctie van financiële markten en de slechte kaarten die economen hanteren die op dit moment een wurgende invloed hebben op onze economie.

Maar de verandering kan en moet beginnen met bedrijven die ‘eigenbelang goed willen bekijken’. Jeff Immelt, ceo bij General Electric na Jack Welch, heeft de zuiver financiële analyses van het oude GE achter zich gelaten en hij heeft het bedrijf voorgesteld om ‘de moeilijkste problemen in de wereld op te lossen’, zoals hij me vertelde op de door mij georganiseerde 2015 Next:Economy Summit. Immelt vindt dat het wereldwijde gebrek aan goede banen voor iedereen de voornaamste zorg zou moeten zijn. ‘We moeten investeren in de volgende generatie en weten wie inzetbaar is en welke vaardigheden nodig zijn. Dat moet net zo goed het doel zijn van bedrijven als van scholen.’ Dat wil zeggen dat goede banen en niet alleen winst, of zelfs prachtige producten, een van de belangrijkste prestaties van een goed bedrijf zijn. Leidinggevenden moeten niet alleen maar klagen dat ze geen goede mensen kunnen vinden. Ze moeten hun verantwoordelijkheid nemen en de mensen opleiden die ze nodig hebben voor de banen van de toekomst. ‘Als er een concurrerende beroepsbevolking moet komen,’ vervolgde hij, ‘moeten wij bij de opbouw daarvan toonaangevend zijn.’

De vraag is niet of er genoeg werk is voor iedereen, maar hoe we de opbrengsten van de productie die door What the Fuck?-technologieën mogelijk is gemaakt eerlijk kunnen verdelen in wat Erik Brynjolfsson en Andy McAfee ‘het tweede machinetijdperk’ noemen. Minder uren werken tegen hetzelfde salaris is een van de manieren om de voordelen van toenemende productiviteit beter te verdelen, en dat is iets wat al jaren wordt gedaan. In 1870 werkte de gemiddelde Amerikaan (man) 62 uur per week; in 1960 was dat gedaald tot iets meer dan 40 uur en daarin is sindsdien niet veel veranderd. Toch is onze levensstandaard veel hoger geworden. Onbetaald werk thuis (meestal gedaan door vrouwen) is nog veel scherper gedaald, van 58 uur in 1900 tot 14 uur in 2011.

Een van de belangrijkste vragen is waarom de betaalde arbeidsuren buitenshuis in de afgelopen vijftig jaar niet verder zijn gedaald, in lijn met de toegenomen productiviteit van werkzaamheden in huis. Een reden daarvoor kan zijn dat de intrede van vrouwen bij betaald werk buitenshuis en daarna de wereldwijde toegang tot goedkope arbeid in lagelonenlanden, en vervolgens rechtstreekse wettelijke maatregelen de onderhandelingspositie voor arbeid lijken te hebben verslechterd; daardoor konden bedrijven het surplus aan de bedrijfswinsten toevoegen en was het niet noodzakelijk de arbeidsweek te verkorten en hogere uurlonen uit te betalen, zoals in het verleden wel het geval was.

Onderwijs is ook een van de redenen waarom het aantal gewerkte uren lager is geworden. Ooit moesten jonge kinderen werken, maar in Amerika stuurden we hen vanaf de negentiende eeuw naar school. In de eerste helft van de twintigste eeuw zorgde de beweging voor middelbaar onderwijs ervoor dat het onderwijs met zes jaar werd uitgebreid; in de tweede helft zorgden hogescholen en universiteiten voor nog eens twee tot vier jaar extra. Het onderwijs zal opnieuw uitgebreid moeten worden om aan de eisen van de eenentwintigste eeuw te kunnen voldoen, zoals in hoofdstuk 15 besproken zal worden.

Er moet iets gebeuren om een einde te maken aan deze ’tijdelijke fase van slechte aanpassingen’; die heeft al veel te lang geduurd en heeft ongelooflijk veel economische pijn veroorzaakt voor veel te veel mensen! Jammer genoeg blijkt de mens maar heel zelden over een vooruitziende blik te beschikken. In zijn wijze en verhelderende boek, The Wealth of Humans, volgt hoofdredacteur van de Economist Ryan Avent de lessen die we zouden moeten en kunnen leren van de eeuwen van economische en politieke strijd, die van de vernieuwingen in de industriële revolutie tot de succesvolle economieën in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft geleid. Toen de vruchten van de productiviteit op grote schaal werden gedeeld, kwam de voorspoed; de snel om zich heen grijpende ongelijkheid zorgde echter voor vijandschap, politieke onrust en zelfs regelrechte oorlogen. Het mag duidelijk zijn dat ruimhartigheid de beste strategie is.

Machinaal geld en menselijk geld

Een van de voorgestelde mechanismen om de overgang van het huidige systeem naar een mensgerichtere toekomst mogelijk te maken, is het basisinkomen. Dit houdt in dat ieder mens voldoende inkomen ontvangt om zijn of haar basisbehoeften te bekostigen. Voor progressieven klinkt het als een fundamenteel mensenrecht en voor conservatieven als een manier om de complexe regels van de huidige welvaartsstaat radicaal te versimpelen.

De legendarische Amerikaanse vakbondsleider Andy Stern liet het vakbondswerk achter zich om een boek te schrijven over de voordelen van het basisinkomen; in Oakland, Californië, is Y Combinator Research een pilotprogramma gestart; en GiveDirectly, een peer-topeerliefdadigheidsorganisatie, vraagt de gebruikers een pilot in Kenia te financieren. Dit laatste experiment is dubbel fascinerend: het wordt gefinancierd via crowdfunding door gewone mensen, die het platform al gebruiken om rechtstreekse hulp aan de armen te geven, maar omdat de kosten in een ontwikkelingsland lager zijn, kan het programma grootschaliger zijn en is er dus een echt gerandomiseerd onderzoek met controlegroep mogelijk.

Deze experimenten laten zien hoe ver we met het idee zijn gekomen sinds het basisinkomen in 1795 door Thomas Paine voor het eerst werd geopperd, en recenter door Milton Friedman in 1962 (en Paul Ryan in 2014). Je kunt veel argumenten tegen het basisinkomen bedenken, met name de kosten om het voor iedereen te laten gelden, en het feit dat het verschaffen van een inkomen aan mensen, of ze dat nu nodig hebben of niet, de bestaande steun aan de mensen die het echt nodig hebben, om zeep helpt. Het basisinkomen vormt echter een boeiende denkoefening om je een radicaal andere opzet van ons sociaal vangnet voor te stellen en, als je even verder nadenkt over hoe we dat moeten betalen, een radicaal andere manier om de economische taart te verdelen.

Ik vroeg de arbeidseconoom van het mit, David Autor, of er al experimenten werden uitgevoerd met het basisinkomen en wat we daarvan konden leren. Hij vertelde over het contrast tussen Saoedi-Arabië en Noorwegen. Beide landen zijn rijk door enorme olievoorraden, zei hij, maar in Saoedi-Arabië gaat het grootste gedeelte van de rijkdom naar een klein percentage van de bevolking. Men kijkt neer op het gewone werk, dat gedaan wordt door slecht betaalde ‘gastarbeiders’, terwijl een elitair groepje mensen dik betaald wordt voor luizenbaantjes of helemaal niets doet. Autor zegt dat in Noorwegen, daarentegen, ‘elk soort werk gewaardeerd wordt. Iedereen werkt, alleen werken ze allemaal iets minder.’ De royale herverdeling van de oliewinsten en een sterk sociaal vangnet dat gefinancierd wordt door de rijkdom die beschouwd wordt als gemeenschappelijk bezit, maakt Noorwegen tot een van de gelukkigste en rijkste landen ter wereld.

Voor het technologische perspectief wendde ik me tot Paul Buchheit, bedenker van Gmail en nu partner bij Y Combinator, en Sam Altman, directeur van Y Combinator. In een gesprek dat we in 2016 hadden zei Paul tegen mij: ‘Misschien is er straks wel behoefte aan twee soorten geld: machinaal geld en menselijk geld. Machinaal geld is wat je gebruikt om dingen mee te kopen die door machines zijn gemaakt. Die dingen worden steeds goedkoper. Menselijk geld is wat je gebruikt om dingen mee te kopen die alleen door mensen gemaakt kunnen worden.’ Het idee van twee soorten geld moeten we eerder als een provocerende metafoor zien dan als een concreet voorstel. Waarom zouden we twee soorten geld nodig hebben? Geld ís al een mechanisme om de ruilvoet van totaal verschillende soorten goederen en diensten vast te stellen. Ik betwijfel of Buchheit het letterlijk bedoelde. Ik denk dat hij bedoelde dat de primaire aanleiding voor het scheppen van geld in verschillende periodes in de geschiedenis is veranderd. Ooit was het bezit van land de sleutel tot grote rijkdom. Tijdens het industriële tijdperk ontwikkelden we mechanismen die geschikt waren om mensenwerk en machinaal werk optimaal te combineren en in geld om te zetten. In de eenentwintigste eeuw moeten we onze wereld opnieuw reorganiseren en optimaliseren voor een ander soort waarde.

In de ogen van Paul Buchheit is het belangrijkste verschil dat mensen ‘authenticiteit’ kunnen bieden, machines kunnen dat niet. Je kunt een goedkope tafel kopen die door een machine is vervaardigd, zei hij, of een handgemaakte tafel die door een mens is gemaakt. Op de lange termijn zou de prijs van de eerste (in machinaal geld) moeten dalen, maar zal de laatste in menselijk geld altijd ongeveer hetzelfde kosten (ruwweg proportioneel aan het aantal uren dat ervoor nodig is om het product te maken).

Volgens Buchheit is ‘burgerdividend’, de term die Thomas Paine ook gebruikt in Agrarische Gerechtigheid, eigenlijk de juiste benaming voor wat velen een basisinkomen noemen. Paine deed een oproep om de waarde van onbebouwd land met iedere inwoner van de nieuwe Verenigde Staten te delen; Buchheit oppert dat de gehele mensheid recht zou moeten hebben op een gedeelte van de vruchten van de technologische vooruitgang. Dat houdt in dat we in Amerika het belastingbeleid zouden moeten inzetten om een gedeelte van het geld dat voortkomt uit machinale productie te innen en dat te verdelen onder de gehele bevolking, als een soort bezoldiging waarmee iedereen in de dagelijkse behoeften kan voorzien. Bill Gates stelde in 2017 iets soortgelijks voor, een ‘robotbelasting’; die zou gebruikt moeten worden voor de financiering van kinder- of ouderenzorg, of voor onderwijs.

Paul Buchheit vindt dat de bonus van de productiviteitswinst die de volgende generatie machines gaat opleveren, goed verdeeld moet worden, zodat iedereen genoeg ‘machinaal geld’ heeft om te voorzien in zijn of haar basisbehoeften. Door die productiviteitsstijging zouden goederen ook steeds goedkoper moeten worden, waardoor de waarde van het burgerdividend omhooggaat. Dit is de wereld van voorspoed en succes die Keynes voor zijn kleinkinderen voor ogen had.

Maar hoe valt zo’n basisinkomen te betalen? Het totale bedrag dat de Amerikaanse federale overheid aan uitkeringen uitgeeft (668 miljard dollar in 2014), zou neerkomen op slechts 2.400 dollar per persoon. De Nederlander Rutger Bregman, auteur van Gratis geld voor iedereen, een boek over het basisinkomen, verdeelt de koek op een andere manier. Hij wijst erop dat we in plaats van geld te geven aan mensen die het niet nodig hebben, een negatieve inkomstenbelasting zouden kunnen invoeren, zodat het geld alleen terechtkomt bij de mensen die het werkelijk nodig hebben. De schrijvers Matt Bruenig en Elizabeth Stoker berekenden in 2013 dat het slechts 175 miljard dollar zou kosten om alle Amerikanen die onder de armoedegrens leven ten minste op die grens te brengen.

Sam Altman legt uit dat de discussie over de vraag hoe we het basisinkomen moeten bekostigen, de kern mist. ‘Ik weet zeker dat we het ons kunnen veroorloven als het echt nodig is,’ zei hij in 2016 bij een discussie met Andy Stern en Natalie Foster van het Aspen Institute over het basisinkomen bij de wereldwijd opererende durfkapitaalonderneming Bloomberg Beta. In ons gesprek dat erop volgde, zei Sam dat één belangrijk aspect buiten beschouwing wordt gelaten, namelijk dat de technologie enorme productiviteitswinst kan opleveren en dat die gebruikt kan worden om de prijzen van machinaal vervaardigde goederen te verlagen; een mandje met voldoende goederen en diensten om in de basisbehoeften te voorzien, dat vandaag 3.500 dollar kost, zal misschien ook 3.500 dollar kosten in een toekomst waarin machines zoveel mensen van hun baan hebben beroofd dat een basisinkomen noodzakelijk is geworden.

Hal Varian is het daarmee eens. ‘Het is in feite de enige mogelijkheid,’ zei hij tegen mij. Als de mensen een bepaalde technologie omarmen omdat die meer produceert tegen een lagere prijs, dan wordt de koek groter. Waar het werkelijk om draait is hoe die toegevoegde waarde wordt verdeeld.’

Wat Paul en Sam niet hebben genoemd, is dat niet alle goederen in gelijke mate goedkoper worden: in veel steden bijvoorbeeld zijn de kosten voor huisvesting veel sneller gestegen dan de prijzen van consumptiegoederen zijn gedaald. Ook de politieke obstakels die er bij het verdelen van deze koek ongetwijfeld zullen zijn, noemen ze niet. Niettemin zit er voldoende waarheid in dit idee om de metafoor van Paul, dat machinaal geld aan andere regels onderhavig kan zijn dan menselijk geld, te ondersteunen. Op een fundamenteel niveau geldt dat de waarde van machinaal geld aan inflatie onderhevig is, niet zoals gewoon geld dat is, maar omdat de lagere kosten als gevolg van machinale productie de koopkracht ervan steeds verder verhogen. Daarnaast zouden de dalende kosten van machineproductie juist moeten betekenen dat aan werk dat alleen door mensen gedaan kan worden, meer in plaats van minder waarde wordt toegekend.

De rest van dit hoofdstuk is gewijd aan enkele manieren waarop deze toekomstvisie zich al dan niet ontvouwt.

Veel mensen zetten vraagtekens bij een toekomst zonder banen, net als destijds de vele sceptici die waarschuwden dat de softwarebranche het loodje zou leggen als gevolg van opensourcesoftware. De wet van Clayton Christensen voor het behoud van aantrekkelijke winsten gaat hier ook op. Als het ene gewoon wordt, wordt het andere waardevol. We moeten onszelf de vraag stellen wat straks waardevol wordt, als de huidige taken gewoon zijn geworden.

Zorgen en delen

Wat gaan we met onze tijd doen als we een basisinkomen krijgen dat voldoende is om de eerste levensbehoeften mee te bekostigen, of als de tijd die we aan betaald werk besteden net zo sterk zou dalen als de tijd die we aan huishoudelijk werk besteden en de salarissen stijgen? Keynes had gelijk. De belangrijkste vraag voor de mensheid zou móéten zijn hoe we gebruik gaan maken van de bevrijding van economische zorgen, hoe we onze vrije tijd gaan invullen en hoe we ‘verstandig, aangenaam en goed kunnen leven’.

Wat zouden we allemaal kunnen doen met onze tijd als we niet hoefden te werken voor ons dagelijks brood? Om te beginnen: de dingen waarvoor mensen nodig zijn. Zorgen voor onze ouders en vrienden. Een kind voorlezen. En andere dingen die we uit liefde doen. Met een geliefde ergens uit eten gaan is iets wat machines niet efficiënter kunnen maken.

Ik vind het verschil dat Paul aanbrengt tussen twee soorten geld prachtig, maar ik vraag me af of dat beeld wel compleet is. Zijn idee van menselijk geld bestaat uit twee heel verschillende soorten goederen en diensten: namelijk soorten die een intermenselijk karakter hebben – ouderschap, lesgeven en allerlei vormen van verzorging – en soorten die te maken hebben met creativiteit.

Misschien moeten we ‘menselijk geld’ verder onderverdelen in ‘zorggeld’ en ‘creatief geld’. Zorgen en verzorging zijn een levensbehoefte, net als eten en onderdak, en zouden in een rechtvaardige maatschappij niemand onthouden mogen worden.

Zorgen vraagt tijd. En daarmee is de cirkel rond en zijn we weer terug bij de on-demandeconomie als een alternatief voor de traditionele banen. Voor veel mensen zou een on-demandplatform met een betere mix van ‘menselijke’ tijd en machinaal geld waarschijnlijk een echte stap voorwaarts betekenen. De arbeidseconomie zou veel beter af zijn dan met pogingen iedereen weer in het keurslijf van het gereglementeerde industriële tijdperk te dwingen, met standaard veertigurige werkweken. Anne-Marie Slaughter, de voorzitter van New America en auteur van Unfinished Business: Women Men Work Family, merkt op dat de ondemandeconomie ‘niet alleen de verschillende manieren van werken opnieuw zal vormgeven, maar ook de consumptiepatronen’. Zij hoopt op een toekomst waarin de keuze om vrij te nemen om kinderen op te voeden of voor ouders te zorgen geen einde van een carrière betekent. ‘Verzorging is onvoorspelbaar en werk is traditiegetrouw aan vaste uren gebonden. En dat werkt niet,’ zei ze tegen mij in een live interview op mijn 2015 Next:Economy Summit in San Francisco. ‘Je eigen werk indelen is dé oplossing voor het zorgprobleem, maar alleen als we mensen in staat stellen de kost te verdienen én de zorg vragende gezinnen te ondersteunen.’

Economieën gedijen echter bij ruil, en zelfs in de wereld van zorg is geld een vervanger van tijd. En dus bestaat er een zorgeconomie van betaalde professionals bestaande uit leraren, artsen, verpleegkundigen, ouderenverzorgers, kinderoppassen, kappers en masseurs. Wie had in 1950 kunnen vermoeden dat er in 2014 in de Verenigde Staten bijna driehonderdduizend ‘fitnesstrainers’ zouden zijn?

Als je naar de economische situatie kijkt, zie je enorme en nog steeds groeiende aantallen van dit soort dienstverlenende banen. Uit een onderzoek door advieskantoor Deloitte naar Britse volkstellinggegevens bleek dat in 1871 slechts 1,1 procent van de totale beroepsbevolking werkzaam was in de verzorgende sector. In 2011 was dat 12,2 procent. In het onderzoeksrapport staat ook dat het aantal ziekenverzorgenden en -hulpen tien keer zo groot was geworden en het aantal onderwijsassistenten bijna zeven keer zo groot.

In een samenleving met een omgekeerde demografische piramide, waar dus veel meer ouderen zijn dan jongeren om hen te helpen, zien we dat er in 2050 in veel ontwikkelde landen niet voldoende mensen zijn om het verzorgende werk te doen en dat er mogelijk zelfs machines zullen worden ingeschakeld om dat gat te vullen. Het probleem beperkt zich niet alleen tot de ontwikkelde landen, de snel groeiende Chinese middenklasse is ook een gretige afnemer van zorg.

Het lijkt erop dat de markt nog verder zal groeien door on-demandtechnologieën. Seth Sternberg, de oprichter van Honor, een dienst waardoor ouderen langer in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen, beloont zijn zorgverleners als fulltime medewerkers met secundaire arbeidsvoorwaarden, maar gebruikt on-demandtechnologie om de zorg voor de afnemers flexibeler en betaalbaarder te maken. Dat je precies de zorg kunt inkopen die je nodig hebt op het moment dat je die nodig hebt, betekent dat mensen die zich dit soort zorg nooit konden veroorloven dat nu wel kunnen, en die markt wordt steeds groter, zegt Seth.

Het economische probleem is dat werkzaamheden in de zorg in onze samenleving onvoldoende gewaardeerd worden. Als de waslijnparadox ergens van toepassing is, is het hier wel. Waarom verwachten we dat werk dat zo belangrijk is voor onze samenleving, gratis wordt gedaan, of als het dan toch betaald wordt, zo slecht betaald wordt?

Als we met een nieuw schema, een nieuwe kaart gaan werken, met het doel mensenwerk op waarde te schatten in plaats van af te schaffen, moeten we in elk geval allereerst een economische waarde toekennen aan zorgverlening.

Als je erover nadenkt is dat precies wat de meeste landen (en progressieve werkgevers in de Verenigde Staten) doen door betaald ouderschapsverlof voor zowel mannen als vrouwen in te stellen, of wat landen doen als ze de ouderenzorg uit de openbare middelen financieren. (De Verenigde Staten is een van de twee landen waar geen zwangerschapsverlof bestaat, voor vrouwen noch voor mannen; het andere land is Papoea-Nieuw-Guinea.)

Ouderschapsverlof is slechts het begin. De eerste schooljaren van een kind zouden revolutionair kunnen veranderen met een economisch systeem waarin een basisinkomen is geregeld, waardoor ouders de flexibiliteit hebben om meer tijd met hun kinderen door te brengen. Het aanstellen van meer leraren en kleinere klassen op openbare scholen (zodat die in Amerika naar het niveau van de beste particuliere scholen worden getild) zou een andere pragmatische manier zijn om de overgang te maken naar een zorgzame economie. Het begint geleidelijk door te dringen dat we de prijs voor onvoldoende zorg voor kinderen toch wel gaan betalen, als het niet aan het begin is, dan aan gezondheidszorg of detentiekosten in het latere leven.

Zelfs zonder veranderingen in de uitgaven aan kinder- en ouderenzorg of onderwijs verwacht ik dat mensen vanzelf meer van hun inkomen aan zorg, onderwijs en dergelijke zullen uitgeven, mits we het probleem van een betere inkomensverdeling in alle lagen van de maatschappij op een andere manier kunnen tackelen. We weten tenslotte allang dat mensen, als ze voldoende inkomen hebben, in de regel meer uitgeven aan betere, persoonlijke dienstverlening. De rijken leven nog steeds in een wereld waarin dokters visites komen afleggen en privéonderwijs de norm is.

Zou het zo kunnen zijn dat in een wereld waarin routinematige cognitieve taken door AI worden overgenomen, de menselijke inbreng waardevoller wordt en daarmee een concurrentievoordeel heeft?

Blijft de vraag of een combinatie van marktwerking en politieke actie het inkomen kan verhogen van degenen die werk doen dat niet weg geautomatiseerd gaat worden. En ook al zullen er altijd banen genoeg zijn, we moeten ons blijven afvragen wat voor soort leven die banen gaan financieren. Een wereld waarin een klein aantal mensen kan profiteren van productief, uitstekend betaald werk en zich dure hobby’s en perfecte persoonlijke zorg kan permitteren, terwijl anderen een miserabel leven leiden, is een wereld die zich niemand zou moeten willen wensen.

Armoede: ‘Kwetsbare mensen worden tegen elkaar opgezet’

Armoede: ‘Kwetsbare mensen worden tegen elkaar opgezet’

Armoede blijft een gigantisch probleem in onze samenleving. Dat constateren Caro Bridts en Lieven De Pril, beiden al lang actief in de armoedebestrijding. “Ik hou mijn hart vast voor de eindafrekeningen van energie. Voor veel mensen wordt die factuur een zware klap.”

Woedend

Al meer dan 20 jaar trekken Caro Bridts en Lieven De Pril samen het land rond om vormingen te geven over armoede. Caro is ervaringsdeskundige, Lieven is professioneel en vrijwillig actief in armoedebestrijding. Afgelopen zomer besloten ze een boek te schrijven, ‘De kansendans’, want het zit hen hoog. Ze zijn woedend over armoede, zoals de ondertitel luidt.

Iedereen kent het kinderspel de ‘stoelendans’: deelnemers lopen rond een cirkel stoelen. Wanneer de muziek stopt, gaat iedereen zo snel mogelijk zitten. Maar er ontbreekt één stoel. Eén persoon wordt onverbiddelijk aan de kant gezet. Vervolgens begint het spel opnieuw, weer met één stoel minder.

Caro en Lieven stellen vast dat er in onze samenleving ook zo’n spel opgevoerd wordt: een ‘kansendans’. “Sommige mensen vliegen eruit. Ze krijgen de kansen niet, die iedereen nochtans verdient”, schrijven ze. “Steeds meer burgers mogen niet meer meespelen.”

Waarom eist die kansendans steeds meer slachtoffers?

Lieven: “Wij vangen van onderuit al een tijd signalen op dat de situatie zeer ernstig is. De energieprijzen stijgen, de levensduurte neemt toe en de coronacrisis creëert veel onzekerheid. Als melk of suiker duurder worden, zullen jij en ik dat niet merken. Wij gooien onze winkelkar vol en betalen de rekening. Maar mensen die in een armoedesituatie leven, moeten elementaire levensmiddelen in de rekken laten staan. Dat de prijzen zo snel stijgen, hebben ze nog nooit meegemaakt.”

Caro: “Door afstandsonderwijs en telewerk moet de woning nu ook overdag verwarmd worden aan energieprijzen die de pan uit swingen. Ik hou mijn hart vast voor de eindafrekeningen van energie. Voor veel mensen wordt die factuur een zware klap. Dat houdt me ’s nachts wakker.”

“Deze pandemie verlegt het evenwicht tussen vraag en aanbod. Dat gaat niet alleen over toegenomen schaarste van bouwmaterialen of computerchips. Ook in de supermarkten is het zoeken naar goedkope producten. De middenklasse bespaart door meer witte producten te kopen. Maar mensen die enkel op witte producten leven, kunnen geen rayon meer zakken.”

In het boek hekelen jullie dat vrijwilligers in de bres moeten springen voor een falend beleid.

Caro: “Nog voordat er van het coronavirus sprake was, sloegen armoedeverenigingen luide alarmkreten: ze werden steeds meer gevraagd om aan noodhulp te doen. Mensen trekken het gewoon niet meer. Als organisaties die anders zo hameren op structurele armoedebestrijding teruggrijpen naar recepten uit de tijd van Daens, voel je dat er iets serieus aan de hand is.”

Lieven: “Noodhulp moet de gaten vullen van een falend beleid. Dat is ondertussen geen tijdelijk fenomeen meer: noodhulp raakt steeds meer geïnstitutionaliseerd. De overheid geeft wat geld aan noodhulpinitiatieven en trekt er vervolgens haar handen van af. Dit is geen doordacht beleid. Erger nog, het creëert verdeeldheid aan de onderkant van de samenleving.”

Kan je dat concreet maken?

Caro: “We zagen het in deze pandemie voor onze ogen gebeuren: het beleid voorziet extra middelen voor laptops of voedselhulp. Vervolgens moeten organisaties zelf kiezen hoe ze die verdelen. Dat is een moeilijke opdracht: omdat de vraag groter is dan het aanbod, ontstaat concurrentie tussen mensen.”

“Die strijd aan de onderkant levert frustratie en onbegrip op. Ik merk dat als ik met mensen praat: ‘Goh, die laptops zullen toch weer naar de kinderen van die buitenlanders gaan’, klinkt het dan. Of ‘Zij komen voedselhulp halen maar hebben wel geld voor dure telefoons.’ Terwijl je hen wil verbinden, zie je mensen verder uit elkaar groeien.”

Lieven: “Er wordt een verdeel- en heerspolitiek gevoerd aan de onderkant van de samenleving. Groepen die het niet makkelijk hebben, worden tegen elkaar opgezet. Dat geeft een enorme spanning tussen de verschillende groepen die voor deze kruimels moeten strijden. Vooral de polarisatie tussen witte en gekleurde mensen in een armoedesituatie neemt toe. En het beleid blijft intussen buiten schot.”

Mensen krijgen geen kansen, maar worden wel verweten dat ze de kansen niet grijpen, lees ik in jullie boek. Kan je daar een voorbeeld van geven?

Caro: “Veel te lang al wordt beweerd dat je uit armoede geraakt als je werk vindt. Lukt het niet? Dan ben je een luierik. Zo kijkt de samenleving naar mensen in een armoedesituatie en dat hakt er stevig in.”

“Bovendien zijn er te weinig jobs voor mensen in een kwetsbare positie. Er is nood aan meer zinvolle jobs op maat van deze mensen, vaak kortgeschoolden. En er zijn ook veel mensen die wel werken, maar met hun minimumloon de hoge kosten voor bijvoorbeeld kinderopvang, vervoer of huisvesting niet betaald krijgen.”

Meer nog dan werk, is kwaliteitsvol en betaalbaar wonen cruciaal?

Caro: “In plaats van ‘jobs, jobs, jobs’ moet het mantra ‘wonen, wonen, wonen’ zijn. Jarenlang heeft het beleid nagelaten om te investeren in een goed woonbeleid. Daardoor zitten we nu met een enorme wooncrisis. Iets doen aan de wooncrisis is fundamenteel om de armoedeproblematiek aan te pakken.”

“Om te beginnen zouden kwetsbare mensen die samenwonen daarvoor niet afgestraft mogen worden. Veel mensen in noodsituaties willen graag cohousen. Helaas: waar dit voor werkende middenklassers allemaal mag, verliezen kwetsbare mensen een deel van hun uitkering.”

“We moeten onze normen over wonen opnieuw onder de loep nemen. Kijk naar een initiatief zoals Woonbox van Saamo Brussel. Mensen met een laag inkomen wonen in leegstaande gebouwen. In kleine maar comfortabele woonunits worden ze intensief begeleid. Deze projecten bieden vaak een tijdelijke woonoplossing. Maar misschien willen sommige mensen wel permanent op deze manier wonen. Er is enorm veel leegstand. Waarom doen we daar niet meer mee?”

Stappen jullie daarmee af van de strijd voor meer sociale woningen?

Lieven: “De uitbreiding van sociale huisvesting blijft een belangrijk antwoord op de wooncrisis. Het is onbegrijpelijk dat de afschaffing van de woonbonus niet benut werd om meer middelen te investeren in sociale huisvesting.”

“Bovendien gaat het niet gewoon om meer geld. Vlaams Minister van Wonen Matthias Diependaele voorziet deze legislatuur wel 4,5 miljard voor de bouw en renovatie van sociale woningen, maar het geld raakt gewoonweg niet uitgegeven. De oorzaak is onder andere een grote reorganisatie bij de sociale huisvestingsmaatschappijen. Het beleid is niet aangepast aan de realiteit op het terrein.”

Een rode draad in jullie boek: ‘Er komt te weinig schot in de zaak. Het is tijd voor actie.’ Is er dan geen vooruitgang?

Lieven: “Veel te weinig. Al twintig jaar gaan Caro en ik samen de baan op. Telkens brengen mensen in een armoedesituatie hun verhaal. Ze stellen zich kwetsbaar op, geven signalen en doen voorstellen om de problemen aan te pakken. Er klinkt applaus op alle banken, maar uiteindelijk wordt er niets mee gedaan. Kijk naar wat het Jaarboek armoede onlangs naar buiten bracht: het armoederisico is vandaag even hoog als dertig jaar geleden. Dat verontwaardigt ons.”

“Farida, die in ons boek aan het woord komt, maakt een mooie vergelijking. Als Telenet of Proximus een product in de markt zetten en het verkoopt voor geen meter, dan doen ze aan introspectie. Zou er iets mis zijn met ons product of onze strategie om het in de markt te zetten? Bij armoedebeleid gebeurt dit niet. Slaat dat niet aan, dan wordt gewezen naar de mensen: ze werken niet mee. Nochtans zou wat introspectie wel op zijn plaats zijn. En niet enkel bij het beleid, maar ook bij armoedeverenigingen.”

Mensen die in armoede leven hun verhaal laten delen, is dat niet de juiste strategie van de armoedeverenigingen?

Caro: “Dat heeft nut voor de persoonlijke groei van deze mensen. Maar die verhalen leiden tot weinig structurele verandering.”

Lieven: “We willen minder praatbarakken en meer doe-groepen. Om dingen effectief te veranderen, moeten we durven kijken naar andere actiemodellen. Vergelijk ons met andere groepen die de afgelopen decennia strijd hebben gevoerd: de LGBT-beweging, #MeToo of de arbeidersbeweging. Ze hebben allemaal rechten bekomen.”

“Mensen met een armoede-ervaring voeren al jarenlang strijd. Toch zien ze geen concrete verbetering van hun situatie. Daar is dus iets aan de hand. Wij denken dat de verschillende organisaties, hulpverlening en het beleid meer moeten samenwerken.”

Is dat ook een mea culpa? Jullie zijn zelf ook al decennia actief in de armoedebestrijding.

Lieven: “Inderdaad. Ik voel me persoonlijk verantwoordelijk omdat ik geacht word om aan armoedebestrijding te doen. Ik word daarvoor betaald. En wat zien we? Er verbetert concreet veel te weinig. Dat onbehaaglijk gevoel was ook de aanleiding om dit boek te schrijven. We moeten nieuwe strategieën toepassen.”

Caro: “Ik lig enorm in de clinch met mezelf. Is mijn loon nog gerechtvaardigd? Ik kan niet zeggen dat we de afgelopen jaren veel verwezenlijkt hebben. Maar het gaat nog veel dieper dan dat. Ik zat zelf in een armoedesituatie. Ik kreeg verschillende keren nieuwe kansen. Geen structurele kansen, maar persoonlijke kansen van leerkrachten of hulpverleners die in mij geloofden, mij de hand reikten en niet loslieten.”

“Niet iedereen in een maatschappelijk kwetsbare situatie krijgt deze kansen. Het hangt er maar van af wie er voor je zit en of die persoon bereid is om buiten de lijntjes te kleuren. Ik kreeg kansen, maar anderen niet. En daar voel ik me heel schuldig over.”

Kleuren hulpverleners te weinig buiten de lijntjes?

Caro: “Eigenlijk zouden de lijntjes er niet mogen staan. Het gaat om rechten. Iedereen heeft evenveel recht op kansen. Iedereen die zich engageert voor mensen in maatschappelijke kwetsbare situaties doet dat met de beste bedoelingen. Het probleem zit in de structuren die fout zitten.”

Lieven: “Vorige week hoorde ik het schrijnend verhaal van een veertigjarige vrouw die in een duiventil woont. Het zit er vol ongedierte. De duiventil staat in de tuin van haar vader, waarmee ze een heel slechte relatie heeft. Ze wil er weg.”

“De vrouw klopte aan bij het OCMW. Daar kreeg ze te horen dat ze een leefloon kon aanvragen als ze langskwam met het loonbewijs van haar vader. Maar ze komt niet overeen met haar vader, laat staan dat hij haar zijn loonbewijs zou geven. En zelfs als dat zou lukken, dan krijgt ze een uitkering als samenwonende en moet ze nog steeds in het duivenkot slapen. Deze vrouw voelt zich niet geholpen. ”

Op het einde van het boek lanceren jullie een petitie met één concrete eis: herbekijk de kinderbijslag. Waarom deze focus?

Caro: “Voor veel mensen in een armoedesituatie is kinderbijslag essentieel om rekeningen voor wonen, energie, eten en school te betalen. Ze krijgen het automatisch en moeten er niet om vragen. Dat maakt het een heel krachtig instrument in de armoedebestrijding.”

Lieven: “In plaats van de brede eis: ‘Doe iets aan de armoede’, schuiven we hier een concrete actie naar voor. Mensen in een armoedesituatie weten tot op de eurocent hoeveel kinderbijslag ze krijgen en op welke dag het op hun rekening komt. Veel gezinnen uit de middenklasse weten dit niet. Voor hen is het een extraatje.”

“Ons voorstel is eenvoudig: schuif een deel van de kinderbijslag van gezinnen die het minder nodig hebben naar gezinnen die in armoede leven. Toen Canada dit deed, halveerde de kinderarmoede daar. We willen die eis tegen de volgende verkiezingen op de politieke agenda krijgen.”

“Of het nu om kinderbijslag, onderwijs, wonen of uitkeringen gaat, in feite komt het altijd op hetzelfde neer: herverdelen. Voor sommigen is dat een vies woord. Nochtans betekent herverdelen niet inleveren. Herverdelen is investeren, bijvoorbeeld in de in de toekomst van kinderen. Dat bespaart je op lange termijn veel miserie.”

Bron: Sociaal.net

Onderwijs (z)onder dwang. De leerplicht naar 16 jaar?

Er is geen enkele reden om de 40ste verjaardag van de leerplichtwet te vieren. De leerplichtverlenging was een vergissing. Laat ons die rechtzetten en de leerplicht op 16 jaar zetten.

Dit jaar is het 40 jaar geleden dat de wetgever de leerplichtwet wijzigde en de leerplicht van 14 tot 18 jaar verlengde, weliswaar deeltijds voor de 16- en 17-jarigen. Ik betwijfel of deze verjaardag ergens zal gevierd worden. Of dat er een ernstige evaluatie van deze wetswijziging zal gebeuren. De discussies over de leerplicht houden aan, maar gaan uitsluitend over de vervroeging van de leerplicht, een zinvol debat overigens. Maar voor zover ik weet, stelt niemand zich vragen bij het einde van de leerplicht. Meer nog, door velen wordt deze belangrijke ingreep van toenmalig minister Daniël Coens (CVP) en zijn kabinet nog steeds als een positieve sociale maatregel beschouwd.

In een context van ernstige jeugdwerkloosheid waren de intenties inderdaad nobel. Men wou kwetsbare jongeren door langere scholing weerbaarder maken in een woelige sociaaleconomische context. De wet slaagde inderdaad in haar opzet om jonge mensen langer op school te houden. Het evaluatieonderzoek dat het HIVA in 1995 naar de effecten van de wet van 29 juni 1983 uitvoerde, laat zien dat in het schooljaar 1992-93 de voltijdse scholing van 16-jarigen met 10 procentpunten en van 17-jarigen zelfs met 15 procentpunten gestegen was tot respectievelijk 94 en 91%. De deeltijdse leerplicht leidde ook tot een nieuwe onderwijsvorm, het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO), dat ook nog eens een vijftal procent bereikte. Na tien jaar implementatie van de wet ontsnapten dus maar enkele procenten van de leeftijdsgroep aan de leerplicht.

Of die jongeren door hun langere scholing ook meer kansen kregen op de arbeidsmarkt en in het leven, is natuurlijk een veel moeilijker te beantwoorden vraag. De vraag of schooldwang een efficiënt instrument is ten aanzien van jongeren die uit zichzelf of vanuit het thuismilieu geen intrinsieke motivatie tot scholing en opleiding hebben, werd door de voorstanders van de wet genegeerd. Naar mijn mening waren en zijn de effecten helemaal niet positief. Ik vrees dat de leerplichtverlenging de reputatie van het beroepsonderwijs eerder kwaad dan goed heeft gedaan. Leraren zagen er tegen op om veel schoolmoeë en gedemotiveerde leerlingen in de klas te krijgen. De realiteit vandaag toont aan dat die vrees nog steeds terecht is. Het is voor leraren in het beroepsonderwijs nog steeds een enorme uitdaging om leerlingen gemotiveerd en bij de les te houden. Hun klachten zijn door het beleid nooit ernstig genomen en werden als sociaal discriminerend en – naarmate het aandeel migrantenjongeren toenam – zelfs als racistisch bestempeld. Vele van die leraren hebben er dan ook de brui aan gegeven.

Het DBSO werd als een deel van de oplossing gezien. Door leren en werken te combineren, zouden schoolmoeë jongeren meer gemotiveerd worden en geleidelijk de stap naar werk kunnen maken. In de 48 centra voor DBSO konden ze twee dagen per week les volgen, terwijl ze drie dagen in een bedrijf aan de slag gingen. Het DBSO is een verhaal geworden van ongelooflijk engagement en grote volharding met een zeer moeilijke doelgroep, met soms mooie resultaten maar ook met veel wanhoop en mislukking. Het vinden van voldoende bedrijven die jongeren wilden tewerkstellen, bleek een permanente uitdaging. Veel jongeren bleven vaak gewoon thuis. De certificering in het DBSO werd nooit gelijkwaardig gemaakt aan die van het voltijds beroepsonderwijs. Het DBSO moest voortdurend tegen de bierkaai vechten, ook voor zijn reputatie, maar slaagde daar niet in. Pleidooien voor meer investeringen en een opwaardering van het deeltijds onderwijs vielen steevast op een koude steen. Bij vele voorvechters van de leerplichtverlenging van het eerste uur heerst verbittering over wat het uiteindelijk heeft opgeleverd.

De hervorming van deeltijds onderwijs naar duaal leren, die als onderdeel van de modernisering van het secundair onderwijs door minister Hilde Crevits (CD&V) werd beslist en die vanaf 2019 geleidelijk wordt doorgevoerd, oogt op het eerste zicht als een herwaardering. Door het veld wordt deze hervorming echter steeds nadrukkelijker als een enorme vergissing aangevoeld. Duaal leren is een zeer interessant principe in het beroepsonderwijs dat in vele landen succesvol is, maar de populatie van het deeltijds onderwijs is absoluut niet de meest geschikte om in duaal leren te duwen. Om aan voldoende aantallen voor de projecten duaal leren te komen, waren de leerlingen van het deeltijds beroepsonderwijs een dankbare groep, maar het heeft er alle schijn van dat dit geen verstandige keuze was. Deze vergissing draagt ertoe bij dat het duaal leren in Vlaanderen vooralsnog in de kinderschoenen blijft steken.

De leerplichtverlenging is in mijn ogen geen succesverhaal. Langs progressieve kant is er steeds een stroming (toegegeven, een minderheidsstroming) blijven bestaan die de leerplichtverlenging geen goede zaak vond. Zelf heb ik destijds in 1983 een vlammend artikel tegen de wet geschreven. In het begin van de jaren 1990 hebben onderwijsministers Luc Van den Bossche (SP) en Elio Di Rupo (PS) zelfs plannen gekoesterd om de wet terug te draaien en de leerplicht op 16 te brengen. Die plannen zijn nooit doorgevoerd, omdat de christendemocratische familie de leerplichtverlenging als een pluim op de hoed van Coens wou beschermen. Uit persoonlijke gesprekken met Steve Stevaert herinner ik me dat ook hij vond dat men schoolmoeë jongeren beter zou laten gaan werken in plaats van tegen hun zin op school te houden.

40 jaar na de leerplichtwet blijft het hardnekkige probleem van een aanzienlijke groep jonge mensen die geen boodschap hebben aan schoolse dwang onopgelost. Deze groep wordt er niet kleiner op. Leerlingen minimaal gemotiveerd houden, is een dagelijkse bron van stress in veel scholen en bij veel leerkrachten. Die enorme uitdaging draagt ontegensprekelijk bij tot het reputatieverlies bij het beroepsonderwijs, en dus ook tot het watervaleffect. Gemotiveerde en geïnteresseerde jongeren in het beroepsonderwijs zijn het slachtoffer van demotivatie bij een minderheid, problemen met klasmanagement, ja zelfs agressie.

Wordt het niet tijd om het roer radicaal om te gooien? Ik pleit voor een leerplicht tot 16 jaar. Jongeren die geen boodschap meer hebben aan het schoolse leren zouden de mogelijkheid moeten hebben voltijds te gaan werken. Die overgang naar werk zou met intensieve begeleiding moeten gebeuren, maar onderwijs is daartoe niet de best geplaatste omgeving. De huidige arbeidsmarktkrapte is wellicht de beste context om dit te overwegen. Ik ben ervan overtuigd dat de overgang naar werk op de leeftijd van 16 tot betere en duurzamere kansen op de arbeidsmarkt leidt dan wanneer jongeren totaal gedemotiveerd op 18 die stap moeten zetten. De samenleving verlaagt voor heel veel rechten de leeftijdsgrens, maar de dwang tot schoollopen houdt ze op 18.

Ervaring leert dat jongeren die de school beu zijn en gaan werken, na verloop van tijd opnieuw enige ‘leergoesting’ ontwikkelen wanneer zij op de werkplek ervaren dat ze gebaat zouden zijn met sterkere competenties. Het is op het werk, niet door schoolse dwang, dat leermotivatie opnieuw geprikkeld wordt. Een toegankelijk en kwalitatief hoogstaand aanbod van volwassenenonderwijs en opleiding zou aan deze jonge mensen een aantrekkelijk perspectief moeten kunnen bieden waarop ze met positieve motivatie kunnen ingaan. In het buitenland wordt momenteel volop met de idee van een ‘individual learning account’ geëxperimenteerd, een soort trekkingsrecht op publiek gefinancierd onderwijs dat je niet noodzakelijk op een bepaalde leeftijd moet opnemen, maar flexibel over de levensloop kunt spreiden. Het wordt tijd dit ook in Vlaanderen op te nemen.

Motivatie is essentieel voor succesvol leren. Maar dwang bevordert motivatie niet, integendeel. De idee dat je door jonge mensen te dwingen tot schoollopen, zelfs maar deeltijds, hen helpt in het leven, is een waanidee. Voor sommige jongeren, en er zijn er meer dan velen denken, is de school nu eenmaal niet de beste plek om te leren. Geef die jongeren een levenslang leerrecht, maar verlos hen van de leerdwang op de leeftijd dat ze er echt geen zin in hebben. Misschien is dit ook een kleine bijdrage om het beroepsonderwijs weer op een positieve koers te zetten.

Bron: Sampol

De 1% van het Belgisch residentieel vermogen

Jonge gezinnen die op zoek zijn naar een eigen woning strijden op de vastgoedmarkt met ongelijke wapens tegen een kransje vermogende particuliere investeerders, goed boerende lokale vastgoedondernemers en grote gefinancialiseerde vastgoedbedrijven.

Wie zijn ze, de gulzige pandjesverzamelaars en de op steeds grotere rendementen beluste vastgoedgroepen in de steden? Wie zijn de eigenaars van bouwgronden op het platteland? Het verwerven van een eigendom is dan wel het hoogste goed voor veel Belgen, toch is de verdeling van patrimonium en gronden weinig transparant. In deze bijdrage geven we de dwarsdoorsnede van de Belgische residentiele vastgoedmarkt, met focus op het bezit van de grootste vermogens.

GRONDBEZIT ONDOORZICHTIG

Wie de grond heeft, bezit de macht. Dat credo drijft wetenschappers en journalisten overal in Europa om op zoek te gaan naar de eigendomsverdeling in hun regio. Maar die zoektocht loopt nergens van een leien dakje. Grondbezit is complex en ondoorzichtig georganiseerd. De Belg mag dan al een baksteen in zijn maag hebben, de inventaris van het eigendom zit voor de buitenwereld achter slot en grendel. Er zijn wel datasets over de verdeling van het Belgische patrimonium beschikbaar, maar nog veel meer beperkingen om dieper te graven, zo ervoer Apache tijdens haar langlopend journalistiek onderzoek ‘Wie Bezit Vlaanderen’. Het Belgische kadaster is een gesloten boek. Tenzij je notaris bent of een erkend makelaar met BIV-nummer, kom je er langs officiële weg niet in.

Bovendien, wie grondbezit onderzoekt, raakt aan macht en die toont al eens de tanden. Dat ondervond ook Apache in 2021 na een dubbele dagvaarding van Landelijk Vlaanderen, een lobbyclub van grootgrondbezitters. De rechter veegde hun eisen van tafel, inclusief een claim van 500.000 euro, een bedrag inwisselbaar voor acht hectare landbouwgrond in Zwevezele of een ruime gezinswoning met stadstuin in pakweg Gent.

EIGEN HAARDSTEDE

Maar het domein is absoluut te ontginnen. Vooraleer we dieper ingaan op de 1% of de grootste eigenaars van residentieel vastgoed in België, is het belangrijk om even stil te staan bij het hoge percentage gezinnen met een eigendom in ons land.

Statbel, het Belgische statistiekbureau, berekende dat ruim 66% van de Belgische gezinnen eigenaar is van de eigen woning. Alles samengeteld zijn er in ons land meer dan 4,1 miljoen particuliere eigenaars van residentieel vastgoed. In Vlaanderen zijn iets meer gezinnen eigenaar van de eigen woning dan in Wallonië, maar in Brussel is de verhouding tussen eigenaars en huurders quasi omgekeerd. In de hoofdstad bezit net geen vier op de tien gezinnen de eigen woning.

In Brussel, de regio met verhoudingsgewijs het grootst aantal huurders, huurt bijna 74% bij een particulier, ruim 15% bij een sociale huisvestingsmaatschappij of een andere openbare instelling en 11% bij private vennootschappen die zowat 33.000 woningen verhuren in de hoofdstad.

Het gros (68%) van de Vlamingen die huren, doet dat bij een particuliere eigenaar. Samen brengen zij bijna 520.000 woningen op de markt. Eén op vijf huurders heeft onderdak in een woning van een sociale huisvestingsmaatschappij of een andere openbare instelling, samen goed voor zowat 155.000 woningen. De overblijvende groep huurders (11%) heeft een vennootschap als huisbaas. Dergelijke vennootschappen brengen in Vlaanderen bijna 86.500 woningen op de markt.

VERHURENDE VLAMINGEN

Twee op drie gezinnen bezit een eigen woning en evenveel gezinnen die huren doen dat bij een particulier. Vennootschappen die woningen verhuren trekken onze aandacht, later in dit stuk, maar eerst iets over de verhurende Vlaming. Wie goed boert, koopt al eens een tweede verblijf aan zee of een chalet in de Ardennen. Wie het nog beter doet, vindt de weg naar allerlei makelaars die ‘opbrengsteigendommen’ verkopen of vastgoedvennootschappen op zoek naar aandeelhouders.

Op basis van de SILC-enquête (Statistiek naar inkomens en levensomstandigheden) raamde Statbel in 2021 dat 736.200 huishoudens een ander onroerend goed bezaten dan de eigen woning. Omgerekend bezit één op de zes Belgische gezinnen dus een tweede eigendom, al kan dat zowel gaan om woningen en andere gebouwen als om gronden. Het zijn vooral Vlamingen die ander vastgoed naast de eigen woning bezitten. Een weetje: van alle eigenaars zijn acht op de tien meerderjarig. Dat betekent dat vastgoed ook vaak op naam van minderjarigen staat, al dan niet in mede-eigendom.

Uit cijfers die zakenkrant De Tijd eind november bij de FOD Financiën verzamelde, blijkt overigens dat ruim 241.000 gezinnen drie tot vijf stuks ‘bewoonbaar vastgoed’ bezitten. Ruim 33.100 Belgen zijn eigenaar van vijf tot tien eigendommen en welgeteld 6.468 Belgen bezitten meer dan tien woningen. Het gros daarvan (5.662) verzamelde elf tot twintig panden. Maar er zijn welgeteld 763 landgenoten die tot vijftig huizen in hun vastgoedportefeuille hebben en 43 landgenoten zijn eigenaar van meer dan vijftig panden. Ze opereren onder de waterlijn.

GEGOEDE GRONDEIGENAARS

Er zijn niet alleen een paar duizend Vlamingen met meer dan een dozijn huizen, er zijn ook heel wat particuliere investeerders in bouwgrond, als appeltje voor de dorst. Begin 2022 bracht het Departement Omgeving van de Vlaamse Overheid en Statistiek Vlaanderen de eigendomsstructuur van bouwgronden in kaart. Uit dat kadasteronderzoek bleek dat driekwart van de zowat 43.300 hectare onbebouwde bouwgrond in Vlaanderen, in handen is van particulieren. Toch is dat vooral de kleine belegger. Uit ander onderzoek waarover Ruimte, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP) recent berichtte, blijkt dat ruim driekwart (77%) van de particulieren maar één perceel bouwgrond in eigendom heeft.

Het resterende kwart van omgerekend 282.000 onbebouwde percelen is eigendom van rechtspersonen. Daaronder vallen (bouw)bedrijven, maar ook overheden, intercommunales, sociale huisvestingsmaatschappijen of kerkfabrieken.

Bouwprofessionals (projectontwikkelaars, bouwfirma’s, verkavelaars) bezitten volgens dat onderzoek ruim 2.800 hectare bouwgronden, gevolgd door steden en gemeenten (1.912 ha) en sociale huisvestingsmaatschappijen (1.086 ha). Zowat 7% van de bouwgronden is dus in handen van ontwikkelaars genre Matexi of Bostoen. ‘Dat is meer dan een kwart van alle rechtspersonen, ze bezitten daarmee ook meer gronden dan gemeenten en steden, of dan sociale huisvestingmaatschappijen,’ merken statistici van het Vlaams Planbureau voor Omgeving op. ‘Binnen de groep van de rechtspersonen bezitten de bouwprofessionals relatief gezien de grootste reserves in zowel de woongebieden als de woonreservegebieden’.

POLITIEKE KEUZE

De nakende bouwshift is allerminst in het nadeel van de grootgrondbezitter. Diezelfde statistici keken naar de gronden die eventueel in aanmerking komen voor een herbestemming tot open ruimte en concluderen dat natuurlijke personen drie keer zoveel ‘getroffen worden’ als rechtspersonen. Die laatste groep speculanten kan van dezelfde planschaderegeling genieten als de particulieren investeerde met zijn ene perceeltje.

Een rechtsvergelijkend onderzoek van de UAntwerpen, het eindrapport van de Taskforce Bouwshift en studies van het Centrum Duurzaam Ruimtegebruik van de HoGent maakten recent duidelijk dat de voorgestelde planschaderegeling in het kader van de bouwshift een buitenbeentje is in Europa. Die nieuwe regeling, die in eerste instantie geldt voor het opgeven van woonuitbreidingsgebieden, kent in Wallonië en de buurlanden zijn gelijke niet.

In Frankrijk en Groot-Brittannië zijn er bij herbestemmingen slechts minimale compensatierechten en in andere buurlanden, maar ook Spanje en Zweden zijn planschaderegelingen beperkt in de tijd of wordt er niet aan marktwaarde gecompenseerd. De gulle Vlaamse regeling is een politieke keuze, en geen juridische verplichting, om in de bouwshift het particulier belang van eigenaars voorop te zetten.

VASTGOEDVENNOOTSCHAPPEN

Vermogenden die speculeerden met bouwgrond worden niet alleen beloond met de bouwshift, de federale overheid gaf particuliere vastgoedbeleggers in 2014 ook al een duwtje in de rug met een gunstige fiscale regeling voor gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV). Die vastgoedbedrijven halen kapitaal op om (steeds meer) te investeren in residentieel vastgoed. Het bezit van particulieren eigenaars bezit verbleekt bij wat vastgoed(investerings)bedrijven de afgelopen jaren bijeensprokkelden.

11% van de Vlamingen huurt aan een bedrijf. Maar het aandeel particuliere verhuurders met een vennootschap(je) en professionele vastgoedbedrijven kennen we niet. Over het verhuurdersprofiel op de residentiële markt zijn overigens weinig harde cijfers te vinden. Nochtans is kennis over verhuurders net belangrijk om aangepast beleid te kunnen voeren. Journalisten van media uit 16 Europese landen, waaronder Apache, zochten in 2021 binnen het samenwerkingsverband ‘Cities for Rent’ naar grote bedrijven die actief zijn op de residentiële vastgoedmarkt.

De beursgenoteerde vastgoedreus Home Invest Belgium is de GVV met het grootste residentieel patrimonium voor gezinnen in ons land. De groep rond de discrete familie Van Overstraeten verhuurt meer dan 2.400 wooneenheden, waarvan meer dan de helft in Brussel. De zowat vijftig appartementsgebouwen zijn samen driekwart miljard euro waard. ‘Lange tijd was Home Invest Belgium de enige vastgoedvennootschap die in de Brusselse huurwoningmarkt investeerde’, zei Lucien Kahane, een expert (IDEA Group) die meeschreef aan een rapport over woningeigenaarschap voor Huisvesting Brussel. ‘De residentiële markt is altijd ‘overgelaten geweest’ aan particulieren, maar dat is aan het veranderen, traag maar structureel. We zien dat een aantal binnen- en buitenlandse partijen zich op dat marktsegment aan het positioneren zijn.’

De grote omslag kwam er na de financiële crisis. Sindsdien boomen investeringen van professionals in residentieel vastgoed voor de verhuur. De evolutie is veel meer uitgesproken in de hoofdsteden van de buurlanden, maar diezelfde of gelijkaardige grote vastgoedspelers zijn ook in ons land neergestreken. Qua transactievolume bengelt Brussel wel nog steeds onderaan een lijst van zestien grote Europese steden.

Eén van de verklaringen waarom er minder (buitenlandse) investeerders actief zijn op de residentiële huurmarkt, heeft te maken met het versnipperde eigendom in België. ‘Het is in België lastiger om een geheel blok op te kopen’, zei professor Manuel Aalbers (KU Leuven) eerder. ‘Niet-sociale huurwoningen zijn vaak niet geconcentreerd in grote blokken, zoals bijvoorbeeld Amsterdam, wat het voor grote beleggers moeilijker maakt.’

Tussen 2007 en 2020 investeerden grote vastgoedbedrijven voor 76 miljard in residentiële gebouwen in Europese grootsteden, waaronder Brussel. Dat bedrag is drie keer zoveel als de publieke sector investeerde in sociaal vastgoed, zo blijkt uit cijfers van de Amerikaanse vastgoeddienstverlener Real Capital Analytics. Dat soort internationale spelers, maar ook lokale ontwikkelaars, werken niet alleen met aandeelhouderskapitaal of leningen van banken, maar halen ook geld op bij (andere) institutionele beleggers zoals pensioenfondsen.

In het luxesegment focust in ons land de Ierse vastgoedmaatschappij ThornsettGroup PLC voornamelijk op de Europese wijk, met onder meer ‘gated communities’ in Sint-Pieters-Woluwe. Iets meer dan de helft van de Belgische portefeuille van het Amerikaanse vastgoedbedrijf Eaglestone ligt in Brussel. Andere grote vastgoedbedrijven uit de top tien zijn de Deense vastgoedgroep Catella, de Duitse investeringsmaatschappij Patrizia AG, het Zwitserse pensioenfonds Swiss Life en de private bank Safra Sarasin.

‘SOCIAAL INVESTERINGSPRODUCT’

Dergelijke vastgoedbedrijven zijn lang niet allemaal geïnteresseerd in meer luxueus vastgoed om te verhuren. Projectontwikkelaars investeren ook steeds vaker in vastgoed om te verhuren via sociale verhuurkantoren. Inclusio, een ‘sociaal vastgoedbedrijf’ opgericht met kapitaal van Bank Degroof Petercam, Revive (met investeerder Piet Colruyt) en KOIS (met grootaandeelhouders van Solvay) opende half december haar grootste project tot nu toe. In Haren werden 123 energie-efficiënte appartementen aan twee sociale verhuurkantoren in beheer gegeven. De vastgoedportefeuille van het bedrijf, dat overal in België actief wordt, groeide met 10% aan.

Zowat 17% van de woningen die in Brussel via SVK’s op de huurmarkt komen, is ondertussen in handen van private bedrijven, waarvan ruim de helft in bezit van Inclusio. Vanwege de kostprijs en problemen met het beheer van nieuwe SVK-complexen, trok de Brusselse gewestregering vorig jaar de handrem op: nieuwe projecten worden beoordeeld op kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde, en de spreiding wordt beter gecoördineerd. ‘De komst van nieuwe actoren mag er niet voor zorgen dat de SVK’s veranderen in een ‘investeringsproduct’. Dat is niet de bedoeling van overheidsmiddelen die hen ter beschikking worden gesteld’, zei de Brusselse staatssecretaris Nawal Ben Hamou (PS) eerder dat jaar. Toch blijven, de kritiek van het middenveld ten spijt, de fiscale voordelen overeind. Sommige makelaars, zoals Trevi, ontwikkelen zelfs nieuwe ‘immoproducten’ waarbij woningen, inclusief SVK-overeenkomst aan particuliere investeerders verkocht worden.

CENTRUMSTEDEN

Grote vastgoedbedrijven zijn aanwezig in de hoofdstad, maar daar ligt hun focus niet exclusief, zo toont de portefeuille van reus Home Invest Belgium. Maar er zijn ook gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen (GVBF) die zich focussen op residentieel vastgoed in (kleinere) centrumsteden. De familie Brantegem, die tot voor kort eigenaar was van de schoenwinkelketen Brantano, stak haar familiekapitaal in verschillende vastgoedvennootschappen. Hun jongste vastgoedtelg ‘Zabrixx’ biedt ‘kwalitatieve en energiezuinige nieuwbouwappartementen en studentenflats’ in Luik, Roeselare, Waregem, Sint-Niklaas en Gent. Verzekeraar Ethias en SFPIM Real Estate, de vastgoedpoot van de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij FPIM, voorzag mee kapitaal om op termijn 46 miljoen euro residentieel vastgoed aan te kopen.

NICHEMARKTEN

Naast klassieke gezinswoningen en -appartementen, tonen investeerders in ons land vooral ook interesse in de meer nichemarkten, zoals de eerder aangehaalde SVK-verhuur, maar ook (luxueuze) studentenhuisvesting, zorgvastgoed en gemeenschappelijke woonvormen zoals co-living (geen co-housing) voor ‘jonge professionals’.

Op de markt van coliving, gebouwen die opgedeeld worden in luxekamers met enkele gedeelde faciliteiten, zijn immens grote bedrijven actief. Met ruim vijftig opgekochte woningen is Cohabs de grootste speler in Brussel. Cohabs is actief in New York, Parijs en Madrid en koopt ruime gezinswoningen op om ze op te delen in luxekamers. Ondertussen verhuurt de marktleider in ‘housing as a service’ al 620 wooneenheden in de hoofdstad.

De sector draait op kapitaal van investeerders. Urbani, een andere grote speler in die niche, kwam bijvoorbeeld volledig in handen van vastgoedfonds ‘Vicinity Affordable Housing Fund’. Dat fonds wordt gespekt met kapitaal van Revive (op zijn beurt eigenaar van Inclusio) en Jean-Baptiste Van Ex (ex-Petercam Degroof).

Maar opkopers van dergelijke panden drijven de prijzen van (gezins)woningen in hippe buurten op, waardoor de stad Brussel in december laatstleden besliste om vanaf 2023 een taks van 1.520 euro per co-livingkamer op te leggen.

LOKALE ONDERNEMERS

Onder de grote vastgoedbedrijven schuilen soms ook lokale ondernemers, zoals in Gent en Antwerpen. Ook die vastgoedbedrijven hebben soms honderden panden in portefeuille.

De grootste Gentse huisbazen zijn zowel in de binnenstad als in de 19de eeuwse gordel en in sommige de deelgemeenten actief. Een momentopname van oktober 2022 toont dat twee bedrijven rond vastgoedondernemer Piet Labeeuw zowat 260 panden in portefeuille hebben, ongeveer gelijk verdeeld over huur- als koopwoningen. De huurwoningen van Recurrent zijn bijna 20 miljoen euro waard, ontwikkelaar Citynest zelf draaide de voorbije drie jaar meer dan 50 miljoen euro omzet. Het bedrijf kwam de afgelopen jaren vaak in aanvaring met stadsdiensten, onder meer omdat het vergunningsproces niet al te nauw genomen werd, maar haalde de ook de media na klachten van ontevreden kopers over de kwaliteit van de snelle standaardrenovaties.

Citynest werkt voor de makelaardij samen met Vicus Vastgoed, een lokale speler die ook nog eens een zestigtal eigen panden bezit. Zonder naar specifieke bedrijven te wijzen, benadrukten Gentse stadsdiensten, middenveld en sociale en private recent in de Taskforce Wonen en Opvang dat het opkopen van afgeleefde huurwoningen om die na renovatie te verkopen of te verhuren aan een beter publiek, voor een verdere sociale verdringing zorgt.

Er zijn nog meer voorbeelden te vinden. City Concept, een vastgoedbedrijf rond makelaar Pierre Liétaer is met 80 woningen een andere grote speler in de Arteveldestad. VanVas, een bedrijf rond vastgoedbemiddelaar Kanji Vandersmissen, bezit een zestigtal panden, net als de familie Embo met hun vastgoedbedrijf Patrimonium Van Kerkhove en Gilson. Een laatste opvallende grootgrondbezitter tot slot is Grondbank The Loop, een samengaan van het publieke vastgoedbedrijf sogent en een topman van ontwikkelaar Banimmo, die de komende jaren residentieel vastgoed aan Flanders Expo ontwikkelt.

Zo komen we bij het Gentse private grootgrondbezit. Dat concentreert zich in enkele kasteeldomeinen en patrimoniumvennootschappen met landerijen in de zuidrand en het westen van de stad. Nazaten van de adellijke familie De Ghellinck d’Elseghem verkochten hun – door de aanwezigheid van munitie ontoegankelijk – kasteelpark aan de Vlaamse overheid. De meeste lucratieve delen in de uithoeken ervan zijn evenwel verkocht aan private ontwikkelaars en particulieren. Eén daarvan is het bouwbedrijf Pieter Blomme, die overigens ook meer dan 70 gedumpte sociale woningen van De Volkshaard renoveerde voor verkoop.

HET PLATTELAND

Waar flink wat geld verdiend wordt met vastgoed in de steden, zijn er ook verschuivingen bezig op het platteland. Afgezien van enkele ontginningsbedrijven concentreert het grootgrondbezit zich nog steeds bij de adel, al lusten nieuwe industriëlen en investeerders steeds meer landbouwgrond.
Met meer dan 2.000 ha natuur en zandwinningsgebied is het zandwinningsbedrijf SCR-Sibelco van de adellijke familie Emsens met stip de grootste grootgrondbezitter van Vlaanderen. Steengoed Projecten, een bundeling van valleigrindbedrijven uit de Maasstreek en ArcelorMittal Belgium sluiten de top drie van private grootgrondbezitters af.
RE Van Parys, de vastgoedafdeling van holding Ruco, die vooral bekend is via Sobinco, een bedrijf dat ‘beslag’ maakt om aluminium deuren en ramen te openen bezit zowat 600 hectare landbouwgrond. De adellijke familie ’t Kint de Roodenbeeke verkocht recent zowat 500 hectare landbouwgronden in Oost- en West-Vlaanderen aan de Limburgse ondernemer Frank Tans. Andere grootgrondbezitters zijn de families Marnix de Sainte Aldegonde en Van de Werve de Schilde.
Het valt verder op dat bedrijven uit de agro-industrie, zoals aardappelverwerker Clarebout uit Nieuwkerke of vastgoedbedrijven van groentenverwerkers Horafrost of Ardo, zuivelgigant Inex of slachthuis Verbist honderden hectares landbouwgrond bezitten. Ook supermarktketen Colruyt kocht op enkele jaren tijd minstens 175 hectare landbouwgrond. Industriëlen die niet actief zijn in de landbouw, zoals de holding achter een reeks medische labo’s of de eigenaar van een meubelfabriek, een importeur van zwembadkledij of de nazaten van bingokoning wijlen Willy Michiels duiken op bovenaan het lijstje grootgrondbezitters.

HUTS AAN ZET

Ook in Antwerpen zijn lokale ondernemers actief met een exploderende residentiële vastgoedportefeuille. Diamantairs, Nederbelgen en de familie Huts drukken hun stempel op de Antwerpse vastgoedmarkt.

De grootste vastgoedportefeuille van de Koekenstad is in handen van Winvest Holding die, samen met vastgoedkantoor Made, centraal staat in een onderzoek naar oneerlijke handelspraktijken. Het bedrijf maakt er een business van om panden op te lappen en op te delen in appartementen. Er wordt onderzocht of de bedrijven bewust woningen met verborgen gebreken aan de man brachten. Het vastgoedbedrijf van Tanguy Westerlund bezit bijna 700 huizen, appartementen, garages of andere terreinen verspreid over (nagenoeg) de stad Antwerpen. Pikant detail: Winvest Holding trok in 2021 met succes naar de Raad van State tegen een snel in elkaar geflanste regelgeving van de stad Antwerpen die tot doel had het verbouwen van eengezinswoningen tot appartementen aan banden te leggen.

In de straten van een Antwerpse wijk aan de Duboisstraat, grenzend aan Park Spoor Noord en het Eilandje, kocht Feka, een vennootschap van havenbazen Huts de afgelopen jaren een honderdtal woningen. Tijdens een renovatie worden de woningen opgesplitst in appartementen. Het gebeurt ook dat verschillende aanpalende woningen neergehaald worden voor nieuwbouw. Door dieper te bouwen, of een extra bouwlaag toe te voegen, neemt het totale bouwvolume en bijgevolg ook de winst toe. Feka renoveert niet met het oog op verkoop, maar verhuurt de appartementen zelf. Gezinswoningen moeten daarbij plaatsmaken voor (luxueuze) appartementen, wat in strijd is met de herhaaldelijke beleidskeuzes om eengezinswoningen te beschermen.

Ook diamantairs bezitten in Antwerpen heel wat appartementen en gebouwen, met de familie Brachveld op kop. Het gaat vooral, maar niet uitsluitend, om grote panden in de diamantwijk. Ook diamanthandelaars Pinchas en Charles Finkelstein boeren goed. Hun vennootschap schreef in 2021 voor bijna 32 miljoen vastgoed in de boeken, een verdubbeling op vijf jaar tijd. David Gotlib, de voorzitter van de Beurs voor diamanthandel, sluit het rijtje af.

MOEILIJKER KOPEN

Jonge gezinnen die op zoek zijn naar een eigen woning strijden op de vastgoedmarkt met ongelijke wapens tegen een kransje vermogende particuliere investeerders, goed boerende lokale vastgoedondernemers en grote gefinancialiseerde vastgoedbedrijven. De Nationale Bank van België stelde afgelopen zomer, in een studie over hypothecaire kredieten, vast dat in ongeveer 20 jaar tijd het verschil in percentage eigenaars tussen de rijkste gezinnen en de financieel minder begunstigde gezinnen groter is geworden. De terugbetalingslast blijft voor een voltijds werkend koppel met een gemiddeld loon dan wel op peil, maar ligt aanzienlijk hoger voor gezinnen met een minder gunstige financiële situatie. Daaronder vallen ook gezinnen met onvoldoende startkapitaal. De leningen stonden de afgelopen jaren dan wel laag, toch zijn woningprijzen in die mate gestegen, dat de financiële inspanning om een woning te verwerven groter is dan vroeger.

PUBLIEK BEZIT

In 2019 maakte Apache een reeks over publiek grootgrondbezit. Bij de lokale besturen bleken vooral Limburgse gemeenten de top 20 aan te voeren. De massale privatisering van ’s lands laatste ‘woeste gronden’ uit 1847 had in de Kempen minder succes. Niet alleen de afwezigheid van bevaarbare kanalen, om mest aan te voeren, ook het hevige verzet van de heiboeren, maar ook de afwezigheid van bankkantoren speelde een rol. Het weerhield bijvoorbeeld Gentse textielbaronnen, waarvan hun nazaten nog steeds opduiken in de lijst van het Vlaamse grootgrondbezit, om grote stukken heide aan het familievastgoed toe te voegen.

Bron: Sampol