De Onderwijzer van Het Nieuwsblad: witte middenklassegezinnen weten wat hen te doen staat

De Onderwijzer van Het Nieuwsblad: witte middenklassegezinnen weten wat hen te doen staat

Dankzij Het Nieuwsblad kan je nu opzoeken hoe succesvol de middelbare school van je kinderen is. De app bevestigt dat onderwijs, alle inspanningen van leerkrachten en directies ten spijt, sociale ongelijkheid reproduceert. Een onderwijssysteem dat leerlingen langer bij elkaar houdt leidt tot meer sociale rechtvaardigheid.

Het Nieuwsblad brengt vandaag de Onderwijzer uit, een database waarin je over iedere secundaire school gegevens vindt over het aantal uitgereikte A-, B- en C-attesten en het studiesucces van de afgestudeerden in het hoger onderwijs. Daarnaast vind je ook informatie over het aandeel leerlingen dat thuis geen Nederlands spreekt, een schooltoeslag krijgt of een laag opgeleide moeder heeft. Wie in één van die categorieën valt is een zogenaamde indicatorleerling, waarvan we weten dat hij of zij gemiddeld slechtere resultaten op school behaalt.

De onderwijsmarkt

De gebruikers van de app van Het Nieuwsblad kunnen dus leren dat in het Monfortcollege in Rotselaar 93% van de kinderen een A-attest haalt, dat 99% van hen doorstroomt naar het hoger onderwijs, dat 50% van die doorstromers na 3 jaar het bachelordiploma beet heeft, dat 6,2% van de leerlingen een anderstalige moeder heeft.

Vergelijken we met een school als Technicum Noord in Antwerpen, daar behaalt 20% van de leerlingen een C-attest, heeft slechts 18,4% nog nooit een jaar overgezeten, en begint slechts een kleine 30% aan het hoger onderwijs. 55,3% van die leerlingen spreekt thuis geen Nederlands, bijna 70% heeft een laagopgeleide moeder, en 81% krijgt een schooltoeslag.

De witte gezinnen uit de hogere middenklasse weten dus wat hen te doen staat.

Scholen zijn in concurrentie met elkaar. De ene school belooft goede kansen in het hoger onderwijs, een andere school pakt uit met de professionele begeleiding van kinderen met een leer- of ontwikkelstoornis, of een aangenaam schoolklimaat. Wellicht zijn er scholen waar directies en ouders opgelucht zijn dat er weinig arme leerlingen of leerlingen met roots in de migratie les volgen. En dan zijn er ook nog scholen en studierichtingen waarvan leerlingen weten dat je er minder hard hoeft te werken om geslaagd te zijn. Het lijkt wel een markt, of meer bepaald een quasi-markt, want er wordt niet echt iets verkocht. Het is op deze quasi-markt dat het Nieuwsblad impact heeft met de Onderwijzer.

Ranking van scholen

Alle gebruikte cijfers zijn vrij beschikbaar via de onderwijsagentschappen AGODI en AHOVOKS. Het was dus enkel wachten tot een krant of ander medium ze samen bracht in een overzichtelijk geheel. Het Nieuwsblad argumenteert dat tot nu toe vooral ouders uit de hogere inkomensgroepen zich informeerden over de onderwijskwaliteit. Klopt, maar dat zal met deze publicatie hooguit een beetje veranderen. Bovendien is het gebrek aan informatie slechts een klein deel van de reden waarom de lagere sociale klassen slechter scoren in het secundair onderwijs. De omstandigheden waarin kinderen studeren, en de mate waarin ouders bij het schoolwerk kunnen helpen, zijn ook belangrijk.

Een volgende versie van deze Onderwijzer zal nog accurater zijn. Momenteel worden immers de Vlaamse Toetsen uitgerold. Alle leerlingen zullen op gezette tijden getoetst worden, zodat scholen nog beter zullen kunnen opvolgen of ze erin slagen met hun leerlingen de eindtermen te bereiken. Op zichzelf geen slechte zaak, maar onderwijsexperts en ook ikzelf waarschuwden vorig jaar al dat dit onvermijdelijk leidt tot rankings van scholen. Toen was het antwoord van de minister nog dat zoiets zeker niet de bedoeling was. Vandaag juicht hij de ranking die Het Nieuwsblad opstelt toe.

Het Nieuwsblad geeft vrij weinig duiding bij de gegevens die ze beschikbaar stelt. De krant wijst er wel op dat het succes in het hoger onderwijs eigenlijk enkel relevant is voor leerlingen die naar het hoger onderwijs willen, de leerlingen uit het aso en tso dus. Daarnaast zie je ook hoe de school van je keuze scoort ten opzichte van ‘vergelijkbare’ scholen, dat wil zeggen scholen met vergelijkbare studierichtingen, maar ook met vergelijkbare aandelen indicatorleerlingen. Belangrijk, omdat je van een school met veel anderstalige of arme leerlingen moeilijk kan verwachten dat de resultaten even goed zullen zijn als van een school met een uitgesproken welgestelde leerlingenbevolking.

Onderwijs discrimineert arme kinderen

Onderzoek van Oproep voor een Democratische School op basis van de Belgische PISA-resultaten wijst erop dat de leerlingen uit het laagste sociaaleconomische kwartiel 114 PISA-punten lager scoren dan leerlingen in het rijkste kwartiel. Dat is meer dan een volledige standaardafwijking van 100 punten. Het is ook meer dan vijf keer het verlies van ongeveer 20 punten dat het hele Vlaams onderwijs in het laatste PISA-onderzoek boekte.

De PISA-resultaten voor België per sociaaleconomisch kwartiel. Bron: Oproep voor een Democratische School (OVDS).

In de armere sociale klassen vind je ook meer culturele diversiteit. Als witte ouders uit de hogere middenklasse voor een minder sociaal gemengde school kiezen, dan koppelen ze hun hoop op goede schoolresultaten aan hun angst voor culturele diversiteit.

In het secundair onderwijs vind je de armere leerlingen vooral in het beroeps- en technisch onderwijs. Kijk je naar de armste 10% van de Vlaamse gezinnen, dan zit ongeveer de helft van de kinderen op 15 jaar in het bso. 10% heeft een plek in een aso-richting, en bijna 20% zit ofwel nog altijd in de eerste graad (heeft dus minstens één jaar achterstand) of is afgeleid naar het buitengewoon onderwijs.

De rijkste 10%, dat is een heel ander verhaal. Bijna 90% van hen zit in het aso. Dat betekent dat je aan de economische omstandigheden waarin een kind opgroeit kan zien in welke studierichting het zal terechtkomen. Als we ervan uitgaan dat de kinderen in de lagere klassen geen aangeboren lagere intelligentie hebben, kunnen we dus concluderen dat ons onderwijs arme kinderen discrimineert, ongelijkheid reproduceert, al de goede bedoelingen van scholen en leerkrachten ten spijt.

De indeling in studierichtingen op 15 jaar volgens PISA. Bron: OVDS

Opdeling aso-tso-bso anders aanpakken

In scholen waar leerlingen in armoede met rijkere leerlingen in contact komen zien we dat de leerresultaten van die arme leerlingen beter zijn dan in een school met énkel leerlingen uit de laagste sociale klasse. Dat komt omdat leerlingen niet alles van de leraar leren, maar ook heel veel van elkaar opsteken. Peer-learning noemen we dat. De leerlingen met rijkere ouders ondervinden weinig nadeel van een sociaal gemixte school. In Vlaanderen vind je zo’n sociaal gemixte scholen vooral in het lager onderwijs, waar de leerlingen nog niet in studierichtingen opgedeeld zijn.

Een onderwijshervorming die de kloof tussen rijke en arme kinderen wil verkleinen, zou die leerlingen dus in de eerste plaats dichter bij elkaar moeten brengen. Dat kan door ze pas op latere leeftijd te laten kiezen voor doorstroom naar het hoger onderwijs of de arbeidsmarkt. Vandaag kies je in praktijk vanaf het tweede jaar middelbaar, op 13 jaar. Het is dan reeds dat de leerlingen kiezen voor basisopties als Latijn, Wetenschappen, Techniek of Voeding. Wie geen getuigschrift basisonderwijs heeft komt vanaf het eerste jaar middelbaar in een B-stroom terecht, die in praktijk enkel naar het bso leidt.

Dat is niet het enige denkbare systeem. Landen als Finland, maar ook bijvoorbeeld Estland en Polen, delen leerlingen op latere leeftijd, typisch op 16 jaar, in studierichtingen in. Tot die leeftijd volgen alle leerlingen een gelijkwaardig programma. Het verschil in prestaties tussen de armste en rijkste leerlingen is er kleiner dan bij ons. De algemene PISA-resultaten zijn er gelijk aan of beter dan die van Vlaanderen.

De landen aan de rechterkant van de tabel delen de leerlingen op jongere leeftijden op in studierichtingen (In Vlaanderen: aso-tso-bso). In de landen die bovenaan de grafiek staan is de onderwijsongelijkheid (kloof tussen arme en rijke leerlingen) groter. Vlaanderen=VLG, Finland=FIN). Bron: OVDS

We kunnen de witte gezinnen uit de hogere middenklasse moeilijk verwijten dat ze de app van Het Nieuwsblad zullen gebruiken om hun kinderen weg te houden uit de scholen met armere populaties en lagere gemiddelde resultaten. Dat zou even dwaas zijn als de moeders met een migratieachtergrond te verbieden hun moederliefde in de moedertaal over te brengen op hun kroost. Wat we wel kunnen doen is strijden voor een onderwijs waarin de thuissituatie minder de schoolresultaten bepaalt. Dat kan door leerlingen langer samen te houden, en de opdeling tussen algemeen vormend en beroepsvoorbereidend onderwijs pas op 16 jaar te maken. Zo kan de school een plaats van sociale mobiliteit zijn, en geen plaats van reproductie van ongelijkheid.

Bron: De Wereld Morgen

Belastinghervorming: wie gaat dat betalen?

Belastinghervorming: wie gaat dat betalen?

Minister van Financiën Vincent Van Peteghem wil de belastingen hervormen. Zijn voorstellen klinken op het eerste zicht goed, maar de hele vraag is wie dat zal betalen en meer bepaald: haalt de minister wel het geld waar het zit om zijn hervorming te financieren? Guido Deckers, specialist in fiscaliteit zocht het voor ons uit.

Met de belastinghervorming wil minister van Financiën Vincent Van Peteghem de belastingdruk op het inkomen verminderen. Het nettoloon van wie werkt, zal dan op jaarbasis met minstens 835 euro toenemen.

De kostprijs van deze hervorming heeft een prijskaartje van zes miljard euro. Inkomsten dus die elders moeten gezocht worden. Volgens Van Peteghem is dat geld te vinden door onder andere een stijging van de belastingen op vermogen, door een hervorming in de bedrijfsbelastingen en door hogere belastingen op consumptie.

Het is helemaal nog niet zeker dat zijn voorstel van belastinghervorming de steun zal krijgen van de voltallige regering. De liberale partijen hebben in de media al duidelijk laten verstaan dat ze geen belastingverhogingen zullen dulden.

MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez tweette dat we de belastingen moeten verlagen, niet verhogen en dat aan de fiscale hervormingen ook een arbeidsmarkt- en pensioenhervorming moet gekoppeld worden.

Maar los van wat de partijen van de regering denken, stelt zich een veel belangrijkere vraag: is het voorstel van fiscale hervorming rechtvaardig? Haalt de minister van Financiën het geld waar het zit om zijn hervorming te financieren?

Lees verder, zet je schrap en onthoud de kostprijs van zes miljard.

Belastingen op vermogen

Inkomsten uit vermogen gaat Van Peteghem halen bij effectenrekeningen door het belastingtarief, of ook genoemd de effectentaks, te verdubbelen. Nu bedraagt de taks 0,15 procent op effectenrekeningen waarop meer dan 1 miljoen euro staat. Als dit voorstel wordt goedgekeurd dan wordt dat 0,30 procent vanaf 2024.

Wat zijn effectenrekeningen? Een effectenrekening is een rekening die je bij een bank kan openen om financiële activa te beheren, zoals bijvoorbeeld aandelen en obligaties. De effectentaks leverde de schatkist 410 miljoen euro op in 2022.

Is de effectentaks, en zelfs een verdubbeling ervan, de meest effectieve maatregel om de belasting op vermogen te verhogen?

Om te beginnen worden de personen die de grootste financiële draagkracht hebben met de effectentaks niet geraakt. En weet je waarom? Omdat de allerrijksten met een vermogen van honderden miljoenen of zelfs miljarden euro’s maar weinig gebruikmaken van een effectenrekening.

Hun vermogen zit vooral in aandelen op naam, die in een register van een vennootschap staan genoteerd, met de naam van de aandeelhouder en het aantal aandelen dat hij of zij bezit. Aangezien deze aandelen niet via een effectenrekening van een bank worden beheerd, betalen deze superrijke mensen nul euro effectentaks.

Als de minister een stijging van de belasting op vermogen wil, dan moet hij dat niet doen door de effectentaks te verdubbelen, maar met een echte vermogensbelasting.

Van Peteghem kan zijn inspiratie gaan zoeken bij de voorstellen van onder andere de econoom Paul de Grauwe. Hij stelt een eenmalige vermogensbelasting voor, gericht op de vijf procent rijksten, met een opbrengst van een slordige 10 miljard euro.

De minister kan ook het wetsvoorstel van de PVDA lezen. Dat gaat over de invoering van een jaarlijkse miljonairstaks, gericht op de drie procent rijksten en die 8 à 10 miljard kan opbrengen.

Volgens Oxfam zou een belasting op het vermogen van de allerrijksten, zij het met een minimaal tarief, bijna 20 miljard euro aan extra belastinginkomsten opleveren.

Bedrijfswinsten

Uit een eerste raming van de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka blijkt dat de bedrijfswereld een groot deel van de financiering van de fiscale hervorming zou betalen: 1,5 miljard euro aan nieuwe belastingen is voor rekening van bedrijven. Volgens Voka stijgt de fiscale druk voor ondernemingen in dit land aanzienlijk, met een negatief gevolg voor de concurrentiepositie van bedrijven en voor het vestigingsklimaat.

Is dat zo? En wat met de al genomen maatregelen en de al vele jaren gekregen subsidies ten voordele van de bedrijfswereld?

De vorige regering, vertegenwoordigd door de partijen N-VA, CD&V, open Vld en MR, verlaagde de belastingtarieven op de winsten van de bedrijven: de vennootschapsbelasting. Toen de hervorming werd bekend gemaakt, berekende de Federale overheidsdienst-financiën dat de daling van de tarieven overeen zou komen met een jaarlijks verlies van 5 miljard euro.

De toenmalige minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) beloofde deze kost volledig te dekken door een aantal compenserende maatregelen. Zo zou hij het aantal belastingverminderingen beperken. De hele operatie zou dan budgettair neutraal zijn. Maar het omgekeerde gebeurde. De meeste fiscale aftrekposten werden behouden en sommige zelfs uitgebreid.

Diezelfde regering verlaagde de werkgeversbijdragen die een gat sloeg van vele miljarden in de sociale zekerheid. En let op, werkgeversbijdragen zijn ook een deel van je loon. Het is een percentage bovenop het brutoloon dat de werkgever moet doorstorten aan de Rijksdienst Sociale Zekerheid (RSZ).

Het is dus niet iets dat tot de werkgevers behoort, maar geld dat je arbeid heeft opgebracht dat naar het collectieve verzekeringsmechanisme van de sociale zekerheid gaat.

En hier blijft het niet bij. De werkgevers genieten al decennialang van loonkostsubsidies. Daaronder moet je verstaan: vermindering van de bijdragen aan de sociale zekerheid en de vrijstelling van het doorstorten van bedrijfsvoorheffing op allerlei bezoldigingen.

Voor 2022 schatte het Federaal Planbureau de som van de loonkostsubsidies aan de bedrijven in de marktsector op 14,2 miljard euro. Deze subsidies kosten zo’n 10,3 miljard euro aan de sociale zekerheid en 3,9 miljard euro aan de federale fiscaliteit. De loonsubsidies zijn de zwaarste economische steun die in België wordt gegeven. In de buurlanden bestaan ze amper.

Het Voka beweert dat het voorstel van fiscale hervorming de fiscale druk voor ondernemingen aanzienlijk verhoogt, met een negatief gevolg voor de concurrentiepositie van bedrijven.

Maar dat klopt totaal niet! Concurrentiepositie kan je niet toepassen op de vennootschapsbelasting. Deze belasting komt er immers op het einde van het productieproces en na de vaststelling van de winst. De vennootschapsbelasting wordt dus toegepast op de winst.

Vanaf het ogenblik dat een onderneming winst maakt, gaan de zaken goed voor de onderneming. Dat ze daarna een belasting op de winst moet betalen, heeft een groter impact op de dividenden die ze zal storten aan haar aandeelhouders dan op de gemeenschap.

Belastingen op consumptie

In plaats van het geld te gaan zoeken waar het zit, namelijk bij de vermogens en de vennootschappen, stelt Van Peteghem voor om de belastingen op consumptie, de btw, te verhogen.

Dit is een zeer onrechtvaardig voorstel, want iedereen, ongeacht het inkomen, betaalt hetzelfde tarief. Hoge inkomens consumeren in verhouding immers veel minder van wat ze verdienen.

Dat de minister de belastingen op consumptie verhoogt in een tijd dat de bevolking kreunt onder de hoge prijzen is helemaal onverantwoord. De consumentenbarometer van Testaankoop toonde aan dat niet alleen de groep die het al moeilijk had, het nog moeilijker krijgt. Ook een groep die voorheen comfortabel rondkwam, zit op het tandvlees. Bijna twee derde van de bevolking vindt het vrij moeilijk tot onmogelijk om op het einde van de maand nog iets opzij te zetten.

Aanbevelingen

Een minister van Financiën die streeft naar eerlijke belastingen, start zijn zoektocht bij de breedste schouders: bij de rijkste families en bij de bedrijven met hoge winsten.

Dat gebeurt vandaag totaal niet. In plaats van de btw te verhogen moet er meer dan ooit een vermogensbelasting komen. Zeker in ons land waar de vermogensongelijkheid zo groot is. In België bezit de rijkste 1 procent van de bevolking evenveel als de 74 procent minst rijke bevolking. Deze 1 procent rijkste mensen heeft een vermogen van 662 miljard euro. Elke 1% aan belasting die op het vermogen van deze 1 procent rijken zou worden geheven, zou al 6,62 miljard euro opbrengen.

Even dringend als het invoeren van een vermogensbelasting is een hervorming van de vennootschapsbelasting, die zorgt dat de meest winstgevende bedrijven meer bijdragen dan de kleintjes. Door de fiscale kortingen zijn het vooral de grote bedrijven die profiteren waardoor ze meer winsten kunnen doorschuiven naar hun aandeelhouders.

Twee voorbeelden:

  • In 2021 betaalde Electrabel 61,27 miljoen euro vennootschapsbelasting op bijna 2 miljard euro winst, wat een aanslagvoet van slechts 3 procent geeft. Het nominaal en wettelijk tarief is 25 procent.
  • AB Inbev betaalde 6,8 miljoen euro belasting op 5,6 miljard euro winst: een aanslagvoet van 0,12 procent.

Als deze twee bedrijven op hun winst het nominaal tarief hadden betaald van 25 procent, dan ging er in plaats van 68 miljoen euro 1,9 miljard euro naar de samenleving. Geld dat bijvoorbeeld broodnodig is in de zorg en het onderwijs.

Besluit: Minister van Peteghem kan dan wel de goede intentie hebben om de belastingdruk op het inkomen te verlichten, maar dat compenseer je niet door onrechtvaardige belastingen te verhogen en te weigeren het geld te gaan halen waar het zit.

Bron: De Wereld Morgen

Burgerlijk ongehoorzaam voor het klimaat, ook grootouders

Burgerlijk ongehoorzaam voor het klimaat, ook grootouders

De organisatie Grootouders voor het Klimaat organiseerden op 24 maart een colloquium in Antwerpen over de kwestie ‘Burgerlijke Ongehoorzaamheid, een volgende stap in het klimaatactivisme? Voor Grootouders voor het Klimaat meer dan een retorische vraag. Zijn zachte acties nog voldoende om de klimaatcrisis aan te pakken?

De Belgische organisatie Grootouders voor het Klimaat werd opgericht in 2019, nog net een jaar voor de pandemie roet in het eten gooide van talrijke organisaties van het maatschappelijk middenveld. Toch slaagde de organisatie in zijn opzet. Vier jaar later staan de Grootouders voor het Klimaat klaar voor verdere actie.

Tijdens een druk bijgewoond colloquium stelden zij zich de vraag of ook zij acties van burgerlijke ongehoorzaamheid moeten overwegen.

Wat voorafging

Oorspronkelijk in 2009 begonnen als de Grandparents Climate Campaign in Noorwegen hebben de Grootouders voor het Klimaat nu al afdelingen in meerdere Europese landen.

In België kreeg het initiatief in 2019 navolging in het kielzog van de scholierenbeweging Fridays for Future, die vanaf augustus 2018 overal in Europa actie begon te voeren met schoolstakingen op vrijdag.

Dat jongereninitiatief was op zijn beurt geïnspireerd door het Zweedse schoolmeisje Greta Thunberg. De dan 15-jarige Greta besloot vanaf september 2018 elke vrijdag post te vatten voor het Zweedse parlement met een eenvoudige boodschap Skolstrejk för klimatet (schoolstaking voor het klimaat).

Werd ze aanvankelijk weggelachen door media en politieke leiders, zagen die zich vrij snel verplicht bakzeil te halen – al was het maar voor de schone schijn (meestal). Haar solo-actie heeft sindsdien wereldwijd navolging gekregen. De rest is geschiedenis – die nog lang niet voorbij is. In oktober 2022 bracht ze in Het Klimaatboek 108 wetenschappers, filosofen, auteurs en activisten samen en schreef ze zelf 18 thematische inleidingen (zie de recensie hier).

Colloquium

Is burgerlijke ongehoorzaamheid een volgende stap in het klimaatactivisme? Wanneer en op welke manier kunnen organisaties zoals de Grootouders voor het Klimaat al dan niet aansluiten bij acties van burgerlijke ongehoorzaamheid? En hoe verhoudt burgerlijke ongehoorzaamheid zich tot de andere minder radicale actiemiddelen?

Die vragen waren het onderwerp van een Colloquium waar GvK een aantal academici, onderzoekers en activisten uitnodigden in het Hof van Liere op de campus van de Universiteit Antwerpen voorbije vrijdag 24 maart.

Na een inleiding door Bernard Hubeau namen een aantal sprekers het woord. Socioloog Kees Schuyt beantwoordde de vraag: ”Vreedzaam demonstreren voor urgente klimaatverbeteringen: welke (on)gehoorzame manieren zijn effectief en geoorloofd?”.

UA hoogleraar Walter Weyns herinnerde het publiek aan het werk en de ideeën van wat we nu de eerste klimaatactivist zouden kunnen noemen, Henry David Thoreau (1817-1862).

Vervolgens gaf filosofe Maité de Haan haar indrukken van wat ‘civil’ en ‘uncivil disobedience’ is en kan zijn, waarna de voormiddag werd afgesloten met een juridische analyse van wat kan en wat niet kan in de huidige wettelijke context en wat de eventuele gevolgen kunnen zijn waar activisten rekening moeten mee houden door UHasselt hoogleraar Erik Lancksweerdt.

Tijdens de namiddagsessie kwamen de mensen met praktijkervaring aan het woord. Bert De Somviele overliep de geschiedenis van Bos+ en wees op de impact die hun ‘illegale’ bosaanplantingen reeds hadden op de beleidsvoerders.

Mees Engelen lichtte het opzet van de activistengroep Code Rood1, een organisatie die reeds actief is in meerdere Europese landen.

Daarna volgde nog een boeiende gedachtenwisseling in een panel van Bert De Somviele en Mees Engelen met Dirk Tonnard (GvK-België), Margriet Goddijn (GvK-Nederland) en Sara Vicca (UA-wetenschapper).

Dit Colloquium was een eerste aanzet. Zonder de minste twijfel gaan de Grootouders voor het Klimaat het hier niet bij laten. Wordt vervolgd.

Zie op Facebook de inleidende toespraak van Bernard Hubeau, GvK-covoorzitter.

Aanbevolen literatuur:

De tijd dringt – Brieven van Grootouders voor het Klimaat (samengesteld door Bernard Hubeau en Marc Cabus). EPO, Antwerpen, 2023, 239 pp. ISBN 978 9462 6744 17

Greta Thunberg, et al. Het Klimaatboek. De Bezige Bij, Amsterdam, 2022, 480 pp. ISBN 978 9403 1943 18

Note:

  1. De naam verwijst naar de weerterm Code Rood. Code Rood is een alarmfaze die het publiek tot uiterste waakzaamheid oproept, omdat de weerstoestand zeer gevaarlijk kan worden, grote schade kan toebrengen. Bij Code Rood wordt elke verplaatsing ten zeerste afgeraden.

Bron: De Wereld Morgen