Engie maakt 10 miljard winst

Engie maakt 10 miljard winst

Hoge energiewinsten en dure facturen: de energiesector pluimt de consument.
De voorbije jaren werden veel gezinnen geconfronteerd met sterk stijgende energiefacturen. Door de geopolitieke spanningen en de energiecrisis bereikten de prijzen voor elektriciteit en gas niveaus die voor veel huishoudens moeilijk betaalbaar waren. Tegelijk rapporteerden verschillende energiebedrijven aanzienlijke winsten, wat leidde tot maatschappelijke en politieke discussie.
Critici wijzen erop dat consumenten vaak weinig zicht hebben op de manier waarop energieprijzen tot stand komen. De uiteindelijke factuur bestaat uit een combinatie van energieprijzen, netkosten, heffingen en belastingen. Daardoor is het voor veel klanten moeilijk te beoordelen welk deel van de factuur rechtstreeks naar het energiebedrijf gaat.
Daarnaast klinkt er geregeld kritiek op de commerciële praktijken binnen de sector. Consumentenorganisaties ontvangen regelmatig klachten over ingewikkelde contractvoorwaarden, telefonische verkoopcampagnes, tijdelijke promoties die later aflopen en prijsvergelijkingen die voor klanten niet altijd eenvoudig te begrijpen zijn. Hoewel dergelijke praktijken niet noodzakelijk onwettig zijn, ervaren sommige consumenten ze als misleidend of onvoldoende transparant.
De energiesector verdedigt zich door te wijzen op de grote investeringen die nodig zijn voor productie-installaties, netwerken, hernieuwbare energie en bevoorradingszekerheid. Bedrijven benadrukken ook dat de energieprijzen sterk beïnvloed worden door internationale markten en geopolitieke gebeurtenissen, waarop zij slechts gedeeltelijk controle hebben.
Toch blijft de fundamentele vraag bestaan: hoe kan men ervoor zorgen dat energiebedrijven voldoende investeren en rendabel blijven, zonder dat gezinnen en kleine ondernemingen het gevoel krijgen dat zij de rekening betalen? Die vraag staat centraal in het debat over de toekomst van de energiemarkt.
Voor veel burgers gaat het uiteindelijk niet alleen over winsten, maar ook over vertrouwen. Transparante contracten, duidelijke communicatie en eerlijke concurrentie zijn essentieel om dat vertrouwen te behouden in een sector die voor iedereen onmisbaar is.

De Morgen bericht dat het Belgische energiebedrijf Electrabel in 2025 een uitzonderlijke winstuitkering van ongeveer 10,4 miljard euro heeft doorgestort naar zijn Franse moederbedrijf Engie. Dat komt boven op eerdere miljardenuitkeringen van de voorbije jaren.
De geldstroom hangt samen met een grote herstructurering binnen de Engie-groep. Electrabel verkocht en verschoof voor tientallen miljarden euro’s aan internationale participaties en activa naar het moederbedrijf. Daardoor werd de balans van Electrabel aanzienlijk kleiner.
De operatie houdt verband met de zogenaamde Phoenix-deal tussen de Belgische overheid en Engie rond de verlenging van de kernreactoren Doel 4 en Tihange 3. In dat akkoord kreeg Engie onder meer de mogelijkheid om bepaalde internationale activiteiten uit Electrabel weg te halen, terwijl de Belgische staat een deel van de nucleaire risico’s overnam.
Het nieuws zorgt voor politieke kritiek omdat veel mensen het moeilijk vinden dat enorme winsten die mee voortkomen uit activiteiten op de Belgische energiemarkt uiteindelijk naar Frankrijk vloeien, terwijl Belgische gezinnen de voorbije jaren geconfronteerd werden met hoge energiefacturen. Voorstanders wijzen er dan weer op dat Engie als eigenaar juridisch het recht heeft om dividenden uit te keren en interne herstructureringen door te voeren.

Electrabel heeft meer dan 10 miljard euro doorgestort naar moederbedrijf Engie als onderdeel van een grootschalige financiële herstructurering, wat opnieuw het debat aanwakkert over energieprijzen, buitenlandse controle over strategische infrastructuur en de vraag hoeveel van de in België gecreëerde waarde uiteindelijk in België blijft.

De bezuinigingen gaan verder

De bezuinigingen gaan verder

De federale regering onder leiding van Bart De Wever moet mogelijk nog 7 miljard euro extra vinden om aan de Europese begrotingsregels te voldoen. Daarom zijn nieuwe onderhandelingen gestart over bijkomende besparingen en eventuele belastingverhogingen.
De belangrijkste pistes die op tafel liggen zijn:
• Btw-hervorming: een verhoging van bepaalde btw-tarieven of een bredere hervorming van het btw-stelsel.
• Managementvennootschappen: hogere belastingen voor bedrijfsleiders die via een vennootschap werken om fiscaal voordeliger inkomsten uit te keren.
• Gezondheidszorg: een verhoging van het remgeld voor huisarts- of specialistbezoeken en een beperking van sommige tegemoetkomingen.
• Ziekenfondsen: besparingen op hun werkingsmiddelen en een hervorming van hun rol bij de begeleiding van langdurig zieken.
• Defensie: mogelijk een vertraging van geplande militaire investeringen, hoewel daar binnen de regering verdeeldheid over bestaat.
• Bedrijfssubsidies: afbouw van bepaalde steunmaatregelen en lastenverlagingen voor ondernemingen.
• Personenbelasting: de geplande belastingverlaging tegen 2030 zou eventueel kunnen worden uitgesteld of geschrapt.
Wat betekent dit concreet?
Voor de gemiddelde werknemer zijn drie zaken relevant:

  1. Hogere btw zou iedereen voelen via duurdere aankopen.
  2. Hoger remgeld zou medische bezoeken duurder kunnen maken.
  3. Het niet doorgaan van een toekomstige belastingverlaging betekent dat werknemers minder netto zouden winnen dan eerder beloofd.
De kernvisie  is eigenlijk: de regering heeft al een reeks hervormingen doorgevoerd, maar moet mogelijk nog eens miljarden vinden. De discussie gaat nu vooral over wie de extra inspanning zal leveren: consumenten, bedrijven, gebruikers van de gezondheidszorg, of een combinatie van die groepen.

Opvallend is dat er weinig plannen zijn om de bedrijven extra te belasten op hun winsten en dat er niet gesproken wordt over een eerlijke vermogensbelasting.

Superrijken betalen minder belastingen op overdracht vermogen naar volgende generatie

Superrijken betalen minder belastingen op overdracht vermogen naar volgende generatie

De allerrijksten geven hun geld via schenkingen fiscaal veel voordeliger door aan hun kinderen en kleinkinderen, in vergelijking met de minder vermogenden. De rijkste 1 procent staat daarbij in voor 58 procent van die schenkingen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van econoom Arthur Apostel (Universiteit Gent).
Fortuin te geef
Zelden heeft een generatie zoveel welvaart opgebouwd als de babyboomers, en dus viel er nooit eerder zo’n groot vermogen aan de volgende generatie over te dragen. Wie zijn de winnaars en de verliezers van die grote wissel van fortuin? Zal de erfenisexplosie de ongelijkheid vergroten? En wordt de plaats van je wieg weer belangrijker dan wat je presteert? In de reeks ‘Fortuin te geef’ onderzoekt De Standaard bij wie de erfenis van de boomers terechtkomt.
Het zou een scène uit een film kunnen zijn. De kinderen verzamelen zich met een notaris rond het bed van hun doodzieke vader, en vragen hem om met zijn laatste krachten nog een schenkingsverklaring te tekenen. Er komt dus geen erfenis na het overlijden, wel een schenking bij leven. De volgende dag blaast de vader zijn laatste adem uit, en hebben de kinderen de belastingen op de overdracht flink kunnen reduceren.
In België is dat geen fictie, maar dagelijkse realiteit, zo blijkt uit onderzoek van de econoom Arthur Apostel (Universiteit Gent). Van alle schenkingen gedaan tot drie jaar voor overlijden wordt een onevenredig groot deel een of enkele dagen voor het overlijden geregistreerd. Dat scheelt een slok op een borrel, want de schenkbelasting is met drie procent doorgaans veel lager dan de erfbelasting, die oploopt tot 27 procent. Een belronde van De Standaard bij enkele notarissen leert dat zij zulke lastminute-schenkingsaktes voor op sterven liggende erflaters adviseren “voor een liquide vermogen van minstens 100.000 euro”. Vastgoed zo laat wegschenken is moeilijker “omdat wij allerlei akten moeten opvragen”, klinkt het.
Dat zeer vermogenden de erfbelastingen minimaliseren, gaat in tegen de intentie van de wetgever. Het Belgische systeem voor successierechten is al sinds 1921 geschoeid op een progressieve belastinglogica: hoe meer je erft, hoe meer je moet betalen. “Maar in feite is het Belgische systeem regressief aan de absolute top, ondanks de sterk progressieve tarieven op nalatenschappen”, schrijft Apostel.


Typisch Belgisch

In elk van de drie gewesten worden schenkingen veel minder zwaar belast dan erfenissen, en vermogende huishoudens doen daar vaker hun voordeel mee dan minder welgestelde gezinnen. De rijkste 1 procent staat in voor 58 procent van alle schenkingen voor overlijden, en de rijkste 0,1 procent voor 28 procent. Mannen, hogeropgeleiden en Vlamingen maken vaker gebruik van schenkingen dan vrouwen, lager opgeleiden en Walen. Daar staat tegenover dat in 90 procent van de gevallen – vooral de middenklasse en de minder welgestelden – helemaal geen vermogensoverdracht plaatsvindt in de vorm van schenkingen. Dat slechts 10 procent de overdracht via die weg optimaliseert, noemt Apostel “opmerkelijk”.
Apostel kon als een van de eersten erfenissen in België onderzoeken op basis van geanonimiseerde overheidsdata, en niet via minder nauwkeurige peilingen. Zijn onderzoek komt op een belangrijk moment. We staan aan de vooravond van de grootste intergenerationele vermogensoverdracht ooit. De particuliere vermogens zijn in België in vier decennia met 80 procent gestegen. Ze zijn nu ongeveer 6,5 maal zo groot als de totale economische output in ons land. Er zijn ook aanwijzingen dat het aandeel van het geërfde vermogen in het totale vermogen snel toeneemt. Dat zou betekenen dat erven belangrijker wordt in vergelijking met andere vormen van vermogensopbouw. In de loop van de 20ste eeuw steeg de effectieve belastingdruk op vermogenstransfers, terwijl die nu juist daalt.
“Het is belangrijk dat we goed begrijpen hoe die transfers van de ene generatie op de andere in elkaar zitten, en welke invloed ze hebben op de verdeling van rijkdom”, schrijft Apostel. “Dat geldt ook voor de belasting op die overdrachten, omdat die onder meer gezien wordt als een manier om de vermogensongelijkheid te verkleinen.”

Kijken we naar de 0,01 procent rijkste overledenen, dan is de vermeden belasting niet min. Door gebruik te maken van giften, betalen zij 50 procent minder dan wanneer ze die strategie niet zouden toepassen. Deze groep superrijken draagt 60 procent van het vermogen over via giften. Voor de rest van de rijkste 10 procent is dat 20 procent. Bovendien bestaan de vermogens van de zeer vermogende huishoudens voor een kleiner deel uit vastgoed, dat zwaarder belast wordt. Terwijl in deze groep de nalatenschap 160 maal zo groot is als gemiddeld, zijn de schenkingen 1.300 keer zo groot. De allerrijksten doen ook vaker een gift vlak voor de datum van overlijden dan de minder rijken. Niet zelden dus slechts een dag voordat het sterfgeval zich voordoet.
Het onderzoek houdt geen rekening met schenkingen die volledig onbelast blijven. Dat is het geval met ongeregistreerde hand- en bankgiften. Voor die giften geldt een wettelijk nultarief, tenzij de schenker binnen de vijf jaar overlijdt.
Dat giften lager worden belast dan erfenissen, is een typisch Belgisch fenomeen. “Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Nederland belasten schenkingen tegen hetzelfde tarief als erfenissen”, stelt Apostel vast. Ook het onderscheid dat in België gemaakt wordt tussen schenkingen van vastgoed of roerend vermogen, is uniek. Onbelast schenken via hand- of bankgiften is in andere landen ook niet of slechts beperkt mogelijk.

Vlaamse bevoegdheid De sterk uiteenlopende tarieven voor erfenissen en schenkingen bestaan nog niet zo lang. “Historisch gezien werden erfenissen en schenkingen tegen hetzelfde tarief belast”, schrijft Apostel. Maar nadat de deelstaten bevoegd waren geworden, verlaagde Vlaanderen als eerste het tarief op schenkingen, met het doel meer geld binnen te halen. Dat is gelukt: de inkomsten vervijfvoudigden tussen 2003 en 2005. Tegen een laag tarief bleken meer mensen bereid de schenking te registreren. Zo verlaagden ze het risico dat bij een onvoorzien overlijden alsnog erfenisbelasting moest worden betaald. Nadien volgden Brussel en Wallonië het Vlaamse voorbeeld.

De onderzoeker heeft via een simulatie uitgezocht wat het effect zou zijn van het gelijktrekken van de belastingen voor erfenissen en giften. Abstractie makend van gedragsveranderingen, zou de meeropbrengst tot 767 miljoen euro per jaar kunnen bedragen, als alle giften tot 7 jaar voor de dood even zwaar worden belast als de erfenis. Die opbrengst zou dan gebruikt kunnen worden om de fiscale last eerlijker te verdelen, stelt Apostel.  

Bron:  De Standaard

Vrouwen krijgen 21 procent minder  pensioen

Vrouwen krijgen 21 procent minder  pensioen

Het totaal pensioen (wettelijk en aanvullend pensioen samen) van vrouwen lag in 2024 gemiddeld 21 procent lager dan dat van mannen, blijkt uit recente cijfers van ­PensionStat.be. In 2019 was dat nog 24 procent. In 2024 hebben 114.862 mensen voor het eerst hun rustpensioen ontvangen.

Volgens PensionStat.be wordt het verschil tussen mannen en vrouwen vooral beïnvloed door het aantal gewerkte jaren. Bij een gelijke loopbaanduur verkleint de kloof, vooral wanneer het aantal gewerkte jaren hoger ligt. Zo bedraagt het verschil bij gepensioneerden met een loopbaan van 35 tot 39 jaar nog slechts 8 procent, terwijl het oploopt tot 13 procent voor mensen met een loopbaan van 10 tot 14 jaar. 

Bron: De Standaard

“Met een vingerknip 4 miljard voor Defensie, mensen met handicap in de kou” – Lise Vandecasteele

“Met een vingerknip 4 miljard voor Defensie, mensen met handicap in de kou” – Lise Vandecasteele

Twintig jaar lang al staan 18.000 mensen op een wachtlijst voor een budget dat hun leven draaglijker zou maken. Lise Vandecasteele, Vlaams volksvertegenwoordiger voor PVDA, kent het dossier door en door. Haar oordeel is scherp: er gaat veel te veel geld naar oorlog en wapentuig, en veel te weinig naar mensen met een beperking.

Boosheid

Aanleiding voor het gesprek is een betoging op het Martelaarsplein, pal voor de zetel van de Vlaamse Regering, waar mensen met een handicap en hun organisaties hun ongenoegen lieten blijken over het beleid van minister Caroline Gennez. “Die organisaties noemen zichzelf Ongehoord, Niet Akkoord,” legt Vandecasteele uit. “Het zijn drie organisaties van mensen met een handicap, gesteund door meer dan twintig andere.” In december voerden ze al actie op dezelfde plek. Nu kwamen er drie keer zoveel mensen opdagen. “De boosheid neemt toe, dat is duidelijk.”

Net die boosheid roept vragen op. Minister Gennez van Vooruit had na een lange oppositiekuur juist beloofd om eindelijk werk te maken van de eindeloze wachtlijsten. Waarom dan toch protest?

“Ze vrezen dat de hervormingen die de minister plant, dreigen te mislukken,” zegt Vandecasteele. “Het probleem is dat die hervormingen niet vertrekken van de noden van mensen met een handicap, maar van een budgettaire logica. De vraag is niet langer wat iemand echt nodig heeft en hoe we de zorg daarrond organiseren, maar wat er mogelijk is binnen het beschikbare budget.”

Het oude systeem

De minister stelt dat het vorige systeem niet werkte. Dat verdient nuance, vindt Vandecasteele. “Het werkt niet omdat er onvoldoende budget wordt vrijgemaakt. Op zich werkt het systeem van persoonsvolgende financiering wel, op een aantal knelpunten na.”

Dat systeem geeft mensen, naargelang de zwaarte van hun zorgnood, een budget dat kan stijgen of dalen als hun situatie verandert. De grote kracht ervan zit in de vrijheid die het biedt. “Mensen kunnen dat budget zelf inzetten naar hun eigen noden,” zegt Vandecasteele. “De mama van baby Pia (het meisje werd in 2019 bekend in Vlaanderen toen haar ouders 1,9 miljoen euro inzamelden voor Zolgensma, een levensreddend medicijn tegen de dodelijke spierziekte SMA, red.) vertelde dat ze er een persoonlijk assistent mee kon betalen om haar dochter mee op schoolreis te laten gaan. Een vrouw die blind is, schakelt iemand in om boodschappen te doen of om te ontspannen. Mensen hadden zo veel zelfregie, en net daarover was er veel tevredenheid.”

Maar er was nooit budget voor iedereen. De gelukkigen waren tevreden, de rest bleef wachten. “De regering weigert om voldoende middelen vrij te maken om iedereen een budget te geven. En nu wil men met minder geld toch meer budget voorzien.”

Handicapspecifieke zorg

Vandecasteele wijst op de nieuwe regels die eraan komen. “Er komen veel meer beperkingen op wat mensen wel en niet met hun budget mogen doen. De minister zegt dat enkel de handicapspecifieke zorg nog betaald mag worden.”

In de praktijk komt dat neer op minder hulp. Wie het openbaar vervoer neemt, een poetshulp inhuurt of begeleiding nodig heeft voor een kind op school, kan daarvoor straks niet meer terecht bij dat budget.

“Dan heet het dat de verantwoordelijkheid bij het openbaar vervoer of het onderwijs ligt, en dat wij dat niet meer betalen. Iedereen is voor een zo inclusief mogelijke samenleving, maar dat is vandaag de realiteit niet. Mensen vrezen dat ze de hulp die ze nodig hebben niet meer mogen inschakelen, terwijl hun noden niet veranderd zijn. Daardoor vermindert de ondersteuning gewoon.”

Rechtstreeks toegankelijke hulp

Als alternatief verwijst de minister naar de rechtstreeks toegankelijke hulp, waar mensen ondersteuning kunnen inkopen. Dat klinkt als een oplossing, maar Vandecasteele plaatst er grote vraagtekens bij.

“Die rechtstreeks toegankelijke hulp bestaat vandaag al. Het zijn voorzieningen die verschillende vormen van ondersteuning aanbieden, waar mensen op kunnen intekenen als ze punten hebben. Wie daar vandaag niet genoeg aan heeft, vraagt een ondersteuningsbudget aan.” Het aanbod schiet in de praktijk tekort. “Het is niet aangepast aan de noden en het verschilt sterk van regio tot regio. Je moet eigenlijk het geluk hebben dat de hulp die je nodig hebt ook beschikbaar is waar je woont.”

En dan is er nog een ongemakkelijke waarheid: ook bij die rechtstreeks toegankelijke hulp zijn er wachtlijsten. Wachtlijsten die bovendien niet eens geregistreerd worden. “Wat wij vrezen, is dat een heel grote groep mensen naar die rechtstreeks toegankelijke hulp wordt doorgestuurd, terwijl daar vandaag geen capaciteit voor is.”

De cijfers van een hoorzitting in het najaar onderbouwen die vrees. “De vakbonden geven aan dat er een personeelstekort is. De voorzieningen zeggen dat er meer budget en extra personeel nodig zijn om een groter aanbod te bieden, en dat is er vandaag niet. Het is dus een belofte die niet waargemaakt kan worden: een hele groep van de wachtlijst zou naar rechtstreeks toegankelijke hulp kunnen, maar die is er gewoon niet.”

Het resultaat is een vicieuze cirkel. Je raakt niet van de ene wachtlijst af, en op de andere raak je evenmin, omdat er te veel mensen zijn.

Mensenrechten

De kritiek van de meerderheid op de oppositie is bekend: dit zou populisme zijn, en waar moet dat geld vandaan komen? Vandecasteele draait de redenering om en plaatst het debat op het niveau van de fundamentele rechten.

“Het gaat hier vooral over een mensenrecht. Mensen met een beperking zijn niet altijd in staat om zelfstandig een menswaardig leven te leiden en deel te nemen aan de samenleving. Dat zijn twee mensenrechten die de overheid zou moeten garanderen.” Wat ze vragen, is geen luxe. “Geen foliekes, geen extraatjes. Ze vragen gewoon om te kunnen leven en deel te nemen aan de samenleving. En dat draagt trouwens ook bij aan diezelfde samenleving: als mensen met een handicap meer kunnen werken en winkelen, zijn er terugverdieneffecten. Het is een positieve zaak.”

De kern van haar betoog: “De regering weigert al lang om voldoende budget vrij te maken om dat mensenrecht te garanderen. Maar dat is een politieke keuze. Een wachtlijst is geen natuurfenomeen.”

4 miljard voor Defensie

Hoeveel zou de volledige oplossing kosten? Vandecasteele verwijst naar de berekening van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). “Volgens hen is er ongeveer 1,4 miljard euro nodig om iedereen die dat nodig heeft een budget te geven. Dat is geen gigantisch bedrag, zeker niet als je ziet welke bedragen er aan Defensie worden uitgegeven.”

Daar wringt voor haar het schoentje. “Twintig jaar lang slaagt men er niet in om mensen met een handicap hun mensenrecht te garanderen. Maar voor Defensie maakt men met een vingerknip vier miljard euro vrij. Dat is een keuze die de regering maakt.”

De minister verdedigt zich met het argument dat er intussen al 3 tot 3,5 miljard geïnvesteerd is. Vandecasteele nuanceert: de recente extra investering bedraagt 470 miljoen euro, tegenover de 1,4 miljard die volgens het VAPH nodig is. “Men voorziet vandaag dus een derde van wat nodig is.”

Voor haar is de vergelijking met andere rechten verhelderend. “Als mensen op pensioen gaan, zegt men ook niet: sorry, het pensioen is op, je moet op de wachtlijst. Dit gaat over mensen die zich willen wassen, zich willen kleden, naar buiten willen, willen werken, willen deelnemen aan het leven. Dat zijn mensenrechten, en daarop zou niet bespaard mogen worden.”

Bron: VlaamsParlement.be